U bent hier

Identificatie en behandeling van de verontreinigde bodems

Indicator - Actualisering : februari 2022

Welke vooruitgang boekte het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in het identificeren en beheren van verontreinigde of mogelijk verontreinigde bodems? Welke polluenten worden het vaakst vastgesteld in onze bodem en ons grondwater? 
Sinds 2005 werd 821 hectare opnieuw beschikbaar gesteld voor een herbestemming (huisvesting, economische activiteiten…) na behandeling door sanering of risicobeheer. Maar wat is de totale kostprijs van deze werkzaamheden tot nu toe? En wat zijn de meest gebruikte behandelingstechnieken?

De bodemordonnantie als wettelijk kader voor de identificatie en behandeling van verontreinigde bodems

Vóór de ordonnantie van 13 mei 2004 was er geen specifieke wetgeving betreffende het beheer van verontreinigde bodems in het Brussels Gewest. De huidige ordonnantie betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems van 23 juni 2017 voorziet verschillende feiten die aanleiding geven tot onderzoeksverplichtingen met betrekking tot de verontreiniging van bodems en, in voorkomend geval, tot gebruiksbeperkingen, risicobeheer- of saneringsverplichtingen. Deze feiten omvatten voornamelijk:

  • de verkoop van terreinen of gebouwen opgenomen in de inventaris van de bodemtoestand (zie fiche inventaris van de bodemtoestand);
  • de aanvang, de overdracht of de stopzetting van ‘risicoactiviteiten’. Dat zijn activiteiten uit de lijst van ingedeelde inrichtingen die een bodemverontreiniging kunnen veroorzaken en die gedefinieerd worden door een regeringsbesluit (via het beheer van de milieuvergunningen opgelegde “bodemverplichtingen”); 
  • de uitvoering van werken op in de inventaris opgenomen terreinen of de vestiging van activiteiten die een uitgraving vereisen, die een latere behandeling of controle van de eventuele bodemverontreiniging belemmeren of die de blootstelling van personen of het milieu aan de eventuele door een bodemverontreiniging veroorzaakte risico's verhogen (via het beheer van de milieuvergunningen opgelegde "bodemverplichtingen");
  • de toevallige ontdekking van een bodemverontreiniging tijdens uitgravingen;
  • een ongeval dat de bodem heeft verontreinigd. 

De bodemordonnantie heeft een procedure ingevoerd, die uit verschillende technische fasen bestaat, die door een erkende bodemverontreinigingsdeskundige worden uitgevoerd. De procedure laat toe om te achterhalen of een bodem of het grondwater verontreinigd is, om de omvang en het type van verontreiniging te bepalen en om, in voorkomend geval, de verontreiniging te saneren of de risico's voor de volksgezondheid en het milieu te bepalen en deze, indien nodig, te beheren. 
De ‘normen’ of concentraties aan verontreinigende stoffen die bepalen wanneer een bodem als verontreinigd wordt beschouwd of vanaf wanneer de risico’s voor de volksgezondheid en het milieu niet te verwaarlozen zijn, variëren volgens de bestemming van het terrein. Het type verontreiniging (weesverontreiniging, eenmalige en gemengde verontreiniging) bepaalt de aard van de behandeling die moet worden toegepast en de verantwoordelijke voor de uitvoering ervan.

Voor frequent voorkomende verontreinigingen worden aangepaste procedures voorzien, zoals bv. de verontreinigingen veroorzaakt door stookolietanks of aanvulgronden. 

  • Verkennend bodemonderzoek (VBO) en minieme behandeling  

Bij het plaatsvinden van een "aanleidinggevend feit" zoals hierboven beschreven, moet een verkennend bodemonderzoek (VBO) worden uitgevoerd. Dit onderzoek heeft tot doel om een eventuele verontreiniging van de bodem of het grondwater aan het licht te brengen, en om de omvang en de aard van de verontreiniging te bepalen. Het VBO bepaalt ook het type van verontreiniging: eenmalige (eenduidig geïdentificeerde persoon, apart identificeerbaar), gemengde (veroorzaakt door verschillende personen, waarvan minstens één persoon in niet afzonderlijk identificeerbare proporties) of weesverontreiniging (andere gevallen) en identificeert indien mogelijk de persoon of personen die deze veroorzaakte(n). Het VBO bepaalt of er al dan niet een gedetailleerd onderzoek uitgevoerd moet worden en de eventueel te nemen veiligheidsmaatregelen. Als er geen verontreiniging is, wordt de procedure stopgezet na het verkennend bodemonderzoek.

In 2017 werden enkele procedures ingevoerd voor de versnelde en vereenvoudigde behandeling van verontreinigde bodems. Bij de procedure van minieme behandeling kan de bodem gelijktijdig met het VBO worden behandeld indien de omvang van de verontreiniging werd geraamd op minder dan 20 m².
Het verkennend bodemonderzoek omvat een vereenvoudigde risicobeoordeling indien het gaat om een verontreiniging van natuurlijke oorsprong of een weesverontreiniging door aanvulgronden. Deze beoordeling geldt als risico-onderzoek (zie hieronder).

  • Gedetailleerd bodemonderzoek (GBO)  

Het gedetailleerd bodemonderzoek bepaalt de aard en de omvang van de bodemverontreiniging die door een verkennend bodemonderzoek aan het licht is gebracht, door ze verticaal en horizontaal af te bakenen. Het bevestigt of weerlegt het type van de verontreiniging en onderzoekt de toename van vervuiling. Het GBO bepaalt de eventueel te nemen veiligheidsmaatregelen en het type van behandeling: risicobeheer of sanering.

  • Risico-onderzoek  

In bepaalde gevallen (voornamelijk bij gemengde of weesverontreinigingen) moet er een risico-onderzoek worden verricht om de risico's, die een bodemverontreiniging met zich brengt, te bepalen voor de volksgezondheid en het milieu. Het risico wordt beoordeeld op basis van het huidige en toekomstige gebruik van het terrein en is gebaseerd op het risico van blootstelling voor de mens, van aantasting van de ecosystemen en van verspreiding van verontreinigende stoffen naar aanpalende terreinen, waterwinningen, ... Afhankelijk van de risico’s en het type verontreiniging zal er moeten gesaneerd worden of een risico-onderzoek moeten worden uitgevoerd.

  • Risicobeheersvoorstel  

Als het risico-onderzoek besluit dat de verontreiniging dient de worden behandeld door middel van risicobeheer, moet er een risicobeheersvoorstel worden opgesteld. Dit is bijvoorbeld het geval als er sprake is van een onaanvaardbaar risico voor mens of milieu maar als alle verantoordelijken van de verontreiniging niet gekend zijn. Het doel van een dergelijk voorstel is de risicobeheersmaatregelen te bepalen die moeten worden genomen om de risico's, die via een risico-onderzoek geïdentificeerd werden, aanvaardbaar te maken voor de volksgezondheid en het milieu, en dat in functie van toekomstige of voorziene bestemmingen. De door Leefmilieu Brussel opgelegde maatregelen bestaan uit gebruiksbeperkingen (bv. verbod op de aanleg van moestuinen of het uitbaten van grondwaterwinningen, uitgaven van kelders, enz.), wegnemen van de blootstellingswegen (bv. plaatsing van een verharding), de verwijdering van (een deel van) de verontreiniging, ... Zonder de voorafgaande instemming van Leefmilieu Brussel mogen er geen wijzigingen worden aangebracht aan het gebruik van het terrein, mogen er geen uitgravingswerken worden verricht en mag er geen grondwater worden opgepompt.

  • Saneringsvoorstel  

Als uit het risico-onderzoek blijkt dat de verontreiniging van de bodem of het grondwater door middel van een sanering dient te worden behandeld (vaak in het geval van een eenmalige verontreiniging), moet er een saneringsvoorstel worden opgesteld om het type en de uitvoeringswijze van de saneringswerken te bepalen. Dergelijke werken worden uitgevoerd om de verontreiniging in die mate te verwijderen om aan de saneringsnormen te voldoen of om een toename van de verontreiniging uit te sluiten.

  • Behandeling van beperkte duur  

De behandeling van beperkte duur werd in 2017 ingevoerd voor een versnelde en meer gerichte behandeling van een bodemverontreiniging. De procedure kan worden opgestart zonder vooraf goedgekeurd behandelingsvoorstel als de uitvoeringstermijn van de behandelingswerken en de eindbeoordeling minder dan 180 dagen in beslag nemen.

  • Eindbeoordeling  

Na de uitvoering van de saneringswerken of de risicobeheersmaatregelen, wordt een eindbeoordeling van deze werken opgesteld, met als doel het evalueren van de ter plaatse getroffen maatregelen of de uitgevoerde werken.

In het geval van openbare tankstations is de procedure voor de identificatie en behandeling van de verontreinigde bodem onderworpen aan een specifiek wettelijk kader met als verschillende technische fasen: een prospectief bodemonderzoek, een nader bodem- of risico-onderzoek, een saneringsonderzoek en de saneringswerken.

 

Evolutie van bodemonderzoeken en bodembehandelingswerken 

Van de 9.083 percelen in het Brussels Gewest die werden onderzocht en/of behandeld zijn er nu nog zo’n 59% of 5.371 verontreinigd (zie Inventaris van de bodemtoestand). 
De volgende grafiek toont de evolutie van het aantal bodemonderzoeken en behandelingswerken die in het Brussels Gewest werden verricht in het kader van de toepassing van de ordonnanties betreffende "verontreinigde bodems" en het "tankstationbesluit" sinds 2005. In die periode werden 7.441 verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd. Daarvan werden er 333 VBO’s uitgevoerd met minieme behandeling sinds de invoer van de procedure in 2017. Tussen 2005 en eind 2020 werden minder dan half zoveel (3.036) gedetailleerde bodemonderzoeken uitgevoerd dan VBO’s, om de omvang en het type van de verontreiniging te bepalen. In totaal werden er 953 sanerings- of risicobeheersvoorstellen en 245 behandelingen van beperkte duur opgesteld. Sinds 2005 werden 809 eindbeoordelingen conform verklaard, goed voor een totale behandelde oppervlakte 821 ha (zie hieronder).

Evolutie van het gecumuleerd aantal bodemstudies, voorstellen voor bodembehandeling en eindbeoordelingen (2005-2018) 

Bron: Leefmilieu Brussel, onderafdeling Bodems, 2021

 

De VBO's richtten hun pijlen daarbij op verschillende risicoactiviteiten. De meest voorkomende risicoactiviteiten in een verkennend bodemonderzoek zijn de opslagplaatsen voor ontvlambare vloeistoffen met in het bijzonder de stookolietanks en tankstations (komen voor in 65% van de VBO's), werkplaatsen voor het onderhoud van voertuigen (37%), verfspuitcabines (21%), afvalopslagplaatsen (15%) en opslagplaatsen voor gevaarlijke producten (12%; zie onderstaande grafiek). Ook voor de sites waar wordt overgegaan tot het uitvoeren van een gedetailleerd bodemonderzoek zijn dit de risicoactivieiten die het vaakst voorkomen in de historiek van de site. 
De percelen die het meest frequent werden behandeld voor verontreiniging door middel van een sanering of een risicobeheer, zijn eveneens deze waarop vroeger volgende activiteiten hebben plaatsgevonden: opslagplaatsen van ontvlambare vloeistoffen (47%) en onderhoud van voertuigen (29%). 
We dienen op te merken dat deze activiteiten niet noodzakelijk de bron van een bodem- of grondwaterverontreiniging op de site zijn of de aanleiding gaven tot het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek, maar alle activiteiten zijn die voorkomen in de historiek van het onderzochte perceel. Bovendien kunnen meerdere risicoactiviteiten worden onderzocht tijdens een VBO.

Percentage van de bodemonderzoeken (VBO en GBO) en -behandelingswerken waar een bepaalde risicoactiviteit in voorkomt in de historiek van de onderzochte site (2005-2020)

Bron: Leefmilieu Brussel, onderafdeling Bodems, 2021

 De meest frequente polluenten van de bodem (in termen van aantal percelen) zijn zware metalen, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) en minerale oliën. Voor het grondwater zijn dit zware metalen, gechloreerde koolwaterstoffen en minerale oliën.

Behandeling van verontreinigde bodems

Tussen 2005 en 2020 werden 821 ha aan terreinen in het Brussels Gewest herbestemd na behandeling door sanering of risicobeheer. Op die manier werden de gronden opnieuw beschikbaar gemaakt voor de ontwikkeling van economische, residentiële en recreatieve activiteiten. Alle werken samen waren goed voor een totale kostprijs van ongeveer 466,4 miljoen euro, dat komt overeen met zo’n 56,8 euro per m2. 

Evolutie van de totale oppervlakte van de behandelde kadastrale percelen en van de totale kostprijs (2005-2020) 

Bron: Leefmilieu Brussel, onderafdeling Bodems, 2021
 

De gerealiseerde saneringen en risicobeheersmaatregelen hadden daarbij betrekking op de behandeling van 15,5 miljoen m3 vervuilde grond en 5,6 miljoen m3 vervuild water. De meest toegepaste technieken tussen 2005 tot 2020 zijn het uitgraven van verontreinigde grond (56% van de behandelde percelen), het oppompen en behandelen van het grondwater (6%) of een combinatie van beide technieken (10%), gevolgd door gestimuleerde bioremediatie (5%) en natuurlijke afbraak (4%).

Datum van de update: 01/03/2022