Emissies van broeikasgassen
- Klimaat
- Vervuiling
- Het milieu: stand van zaken
- Uitstoot
- Verbintenissen
Inventarissen van broeikasgasemissies, een waardevolle bron van informatie
Om de emissies van broeikasgassen op het Brussels grondgebied op te volgen en te voldoen aan de Europese en internationale rapporteringsverplichtingen, stelt Leefmilieu Brussel elk jaar een inventaris op van de emissies van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het doel? Een lijst opstellen van de mogelijke bronnen van verontreiniging en de daaruit voortvloeiende emissies inschatten.
Deze inventaris bevat alle informatie die sinds 1990 werd geregistreerd. De tijdreeks wordt elk jaar bijgewerkt en aangevuld. Het laatste beschikbare jaar is momenteel het jaar “n-2” ten opzichte van het lopende jaar “n” waarin de inventaris wordt gepubliceerd.
Om te downloaden
Emissies van broeikasgassen
Indicator - Actualisering: september 2026
CO2 is veruit het belangrijkste broeikasgasGas dat een gedeelte van de zonnestralen absorbeert en herverdeelt onder de vorm van stralingen, die andere gasmoleculen ontmoeten en zodoende het proces herhalen en het broeikaseffect veroorzaken, met een warmteverhoging als gevolg. De belangrijkste broeikasgassen waarvan de oorsprong voornamelijk met menselijke activiteiten verband houden zijn kooldioxide (CO2), methaan (CH4) en troposferisch ozon (O3). (BKG) dat uitgestoten wordt op het gewestelijk grondgebied (93% in 2024). De uitstoot van broeikasgassen in Brussel is voornamelijk te wijten aan het energiegebruik voor gebouwen (residentieel en tertiair; 55% van de rechtstreekse uitstoot van BKG in 2024) en wegtransport (25%). Sinds 2010 vertoont de uitstoot van broeikasgassen een algemene neerwaartse tendens, los van de bevolkingsgroei, maar parallel aan de vermindering van het energieverbruik.
Een aantal doelstellingen
Als gevolg van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatveranderingWijst op trage variaties van de klimaatskenmerken mettertijd, op een welbepaalde plaats: opwarming of afkoeling. Sommige vormen van luchtvervuiling, veroorzaakt door menselijke activiteiten, zijn een bedreiging voor het klimaat in de zin dat er een globale opwarming zou kunnen ontstaan. Dit verschijnsel kan belangrijke schade veroorzaken: stijging van de zeeniveaus, verergering van de uiterste klimaatsverschijnselen (droogtes, overstromingen, wervelstormen, enz.), destabilisatie van de bossen, bedreiging voor de zoetwatervoorraden, moeilijkheden voor de landbouw, woestijnvorming, vermindering van de biodiversiteit, verspreiding van tropische ziekten, enz. (VN-Klimaatverdrag) in 1992 is het Protocol van Kyoto (1997) het eerste akkoord over het internationaal klimaatbeleid. De geïndustrialiseerde landen hadden er zich op een concrete en bindende manier toe verbonden de broeikasgasemissies tijdens de periode 2008-2012 te verminderen (met 5%).
Sindsdien is in het kader van het UNFCCC door middel van verschillende internationale overeenkomsten met reductiedoelstellingen verder gestreefd naar vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. De belangrijkste was de Overeenkomst van Parijs (COP21), aangenomen in 2015, waarin de Europese Unie haar vrijwillige bijdrage heeft vastgesteld op -40% van de broeikasgasemissies tegen 2030. Deze verbintenis werd snel gevolgd door de vaststelling, eind 2019, van de doelstelling van een klimaatneutrale Europese Unie tegen 2050. In het kader van deze groeiende ambitie en om ervoor te zorgen dat het reductietraject coherent blijft, hebben de EU-lidstaten hun engagement voor 2030 verhoogd. Samen verbinden zij nu zich tot een emissiereductie van ten minste 55% ten opzichte van het niveau van 1990. Deze doelstelling werd tussen de lidstaten verdeeld, en de Belgische doelstelling is een vermindering met -47% tegen 2030.
Ook de ambitie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is geleidelijk toegenomen. Nadat het zich had vastgelegd binnen de “Convenance of mayors” op een emissiereductie van 30% tegen 2025 (ten opzichte van 1990), heeft het zijn ambitie daarna bevestigd. De klimaatverordening, die in juni 2021 werd aangenomen, bepaalt dat het Gewest tegen 2050 koolstofneutraliteit moet bereiken door de directe gewestelijke emissies ten opzichte van 2005 met minstens 40% te verminderen in 2030, met 67% in 2040 en met 90% in 2050. In 2022 en 2024 werden nieuwe verordeningen aangenomen die deze doelstellingen verhoogden tot 47% voor 2030 en tot 69% voor 2040. Deze doelstellingen zijn vastgelegd in het gewestelijke "Lucht-, Klimaat- en Energieplan" dat op 27 april 2023 is aangenomen.
CO2 blijft het belangrijkste BKG in het Brussels Gewest
De zes broeikasgassen (BKG) waarop de verschillende overeenkomsten betrekking hebben, zijn: koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4), distikstofmonoxyde (N2O), fluorkoolwaterstoffen (HFK’s), perfluorkoolstoffen (PFK’s) en zwavelhexafluoride (SF6). Er zijn nog andere gassen die het broeikaseffectAlgehele temperatuurstijging op aarde die het gevolg is van het door luchtvervuiling verhoogde kooldioxidegehalte in de dampkring, waardoor de warmte die de door het zonlicht verwarmde aardbodem uitstraalt niet in voldoende mate uit de atmosfeer kan ontsnappen. bevorderen maar zij tellen niet mee voor de berekening van de reductiedoelstellingen. Concreet worden deze gassen gecombineerd in een “gezamenlijke pot”, waarbij elk gas wordt gewogen volgens zijn globaal opwarmingspotentieel uitgedrukt in “CO2-equivalent” (CO2eq).
Alleen de BKG die rechtstreeks op het grondgebied worden uitgestoten (directe emissies) worden in aanmerking genomen. De directe BKG-emissies in het Brussels Gewest zijn hoofdzakelijk het gevolg van de verbrandingsprocessen die gebruikmaken van fossiele brandstoffen (gas en aardolie). CO2 is veruit het belangrijkste BKG dat op het gewestelijk grondgebied wordt geëmitteerd (93% in 2024).
Lees de transcriptietekst
1/ Koolstofdioxide of CO2 vertegenwoordigt 93% van de broeikasgasemissies in het Brussels Gewest. Het is afkomstig van verbrandingsprocessen die resulteren uit :
- residentiële en tertiaire gebouwen (verwarming, sanitair warm water en koken) (59%) ;
- wegtransport (27%) ;
2/ Fluorgassen vertegenwoordigt 6% van de broeikasgasemissies in het Brussels Gewest. Deze komen voort uit :
- de koelsector;
- de productie van airconditioning in voertuigen of gebouwen;
Het opwarmingsvermogen van zwavelhexafluoride of SF6 is 23.500 keer groter dan dat van CO2.
3/ Methaan of CH4 vertegenwoordigt 1% van de broeikasgasemissies in het Brussels Gewest. Het komt voort uit :
- verliezen in het aardgasdistributienetwerk (48%). Deze ‘voortvluchtige’ emissies zijn sinds 1990 met een factor 10 gedaald, dankzij de vernieuwing van de leidingen in het distributienet;
- verbranding in residentiële en tertiaire gebouwen (41%).
Het opwarmingsvermogen is 28 keer groter dan dat van CO2.
4/ Distikstofoxide of N20 vertegenwoordigt minder dan 1% van de broeikasgasemissies in het Brussels Gewest. Het komt uit :
- het wegtransport (41%);
- de afvalsector (voornamelijk via de behandeling van afvalwater) (21%);
- het gebruik ervan als verdovingsmiddel of aerosol (19%).
Het opwarmingsvermogen is 265 keer groter dan dat van CO2.
Directe emissies meestal door gebouwen en vervoer
In 2024 was alleen al de verwarming van gebouwen (verbranding in de residentiële en tertiaire sector) goed voor ongeveer 55% van de directe emissies van BKG (respectievelijk bijna 35% [34,55%] en 21% [20,93%]). De transportsector is verantwoordelijk voor 25% van de uitstoot in het BHG: bijna alle uitgestoten broeikasgassen (99,5%) zijn afkomstig van het wegvervoer alleen. Samen vertegenwoordigen de gebouwen en het vervoer dus 80% van de directe broeikasgasemissies in 2024.
Verwarming en wegverkeer zijn de belangrijkste bronnen van broeikasgassen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Bron: Leefmilieu Brussel, Dpt Evaluatie Lucht, Klimaat en Energie, ingediende inventarissen 2026
Lees de transcriptietekst
In 2024 komt de uitstoot van broeikasgassen in Brussel uit de volgende sectoren :
- Residentieel (Verbranding): 35%
- Tertiair (Verbranding): 21%
- Vervoer: 25%
- Energieproductie: 9%
- Industrie (Verbranding): 2%
- F-Gassen: 6%
- Andere bronnen: 2%
Ter vergelijking: in het Vlaams Gewest waren in 2024 de belangrijkste emitterende sectoren de industrie (27%), het vervoer (25%), de energieproductie (20%) en de huishoudens (13%) [VMM, mei 2026]. En in het Waalse Gewest, in 2024, de industrie (31%), het vervoer (27%), woningen (15%) en de landbouw (13%) [AWAC, 2026]. De verwarming van gebouwen is dus verhoudingsgewijs een minder belangrijke bron voor de andere Gewesten, waar industrie de dominerende bron is, een verschil dat kan worden verklaard door het hoofdzakelijk stedelijke karakter van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
De directe uitstoot van BKG daalt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Bron: Leefmilieu Brussel, Dpt Evaluatie Lucht, Klimaat en Energie, ingediende inventarissen 2026
Lees de transcriptietekst
De gewestelijke BKG-uitstoot daalde van 4.648 kton CO2eq in 2004 naar 3.192 in 2024
In 2024 werd in het Brussels Gewest 3192 kt CO₂-eq uitgestoten, een lichte stijging van 0,6% ten opzichte van 2023.
De uitstoot van broeikasgassen in Brussel is licht gestegen tot het midden van de jaren 2000. Over het algemeen daalt ze sinds 2004, en vooral sinds 2010. In 2024 zijn de emissies van het Gewest, ondanks een lichte stijging ten opzichte van het voorgaande jaar, met 21% gedaald ten opzichte van 1990 en met 30% ten opzichte van 2005. Deze daling moet zich echter voortzetten als het Gewest zijn reductiedoelstellingen voor 2025 en 2030 wil halen.
Deze vermindering is grotendeels te wijten aan een verminderde uitstoot door verwarming, voornamelijk in woningen. Tussen 2004 en 2024 zijn de emissies van residentiële gebouwen met 44% gedaald, terwijl de Brusselse bevolking in die periode toenam (+ 25% volgens Statbel) en het residentiële gebouwenpark aangroeide (+ 6%, volgens Statbel en FOD Financiën - AA Patrimoniumdocumentatie). De gewestelijke uitstoot van broeikasgassen blijkt aldus losgekoppeld te zijn van de bevolking. Deze trend is minder uitgesproken, maar doet zich toch ook voor in de tertiaire sector, waar de emissies met 24% zijn gedaald in dezelfde periode. De beschikbare kantoorruimte steeg tussen 2007 en 2013 en nam daarna af (volgens de gegevens van het Overzicht van het kantorenpark).
Sterke daling van de uitstoot door verwarming en een belangrijk effect van het klimaat
Bron: Leefmilieu Brussel, Dpt Evaluatie Lucht, Klimaat en Energie, ingediende inventarissen 2026
Opmerking: punten boven de normale graaddagenlijn stemmen overeen met kouder dan gemiddelde jaren, terwijl punten eronder overeenstemmen met zachtere jaren.
De verwarming van gebouwen draagt in grote mate bij tot de gewestelijke uitstoot van broeikasgassen, die dan ook nauw verbonden zijn met de klimaatomstandigheden. Dit blijkt uit de graaddagen (DJ 15/15), die een indicator zijn voor de behoefte aan verwarming in een bepaald jaar (zie de focus over het Klimaat in het Brussels Gewest voor meer informatie). De correlatie met de uitstoot van broeikasgassen is duidelijk: de strengere winters van 2010, 2013, 2016 en 2021 komen overeen met pieken in de uitstoot van broeikasgassen, terwijl de relatief zachte winters van 2011, 2014, 2020, 2022 en 2023 overeenkomen met dips in de curve. Ook andere factoren spelen een rol. Zo namen in 2024 de emissies ten gevolge van de verwarming van gebouwen licht toe, ondanks een vrij zachte winter en een aantal graaddagen dat vergelijkbaar was met dat van 2023. Die stijging was vooral merkbaar in de tertiaire sector (+4%). Ze kan deels worden toegeschreven aan de schommelingen van de aardgasprijs, die in 2024 lager lag dan in 2022 en 2023.
Naast de jaarlijkse variatie vertonen de emissies van de verwarming van gebouwen (residentiële en tertiaire sector) sinds 2004 een dalende trend. Behalve de klimaatfactor bieden gedragsveranderingen, verschuivingen in de gebruikte energiebronnen, verbeteringen van de gebouwprestaties en de evoluties van de energieprijzen mogelijke verklaringen voor deze daling. Meer informatie over dit onderwerp is te vinden in de indicatoren Totaal energieverbruik van het Gewest en Energie-intensiteit van de huisvesting.
Directe emissies door het wegverkeer zijn nauw verbonden met de verbruikte hoeveelheden fossiele brandstoffen. Ze nemen af sinds 2015 en vertoonden een aanzienlijke daling in 2020 als gevolg van de lockdown in verband met de COVID-pandemie (lees de focus over dit onderwerp voor meer informatie). Ondanks een stijging die daarop volgde, blijft de uitstoot lager dan in de periode vóór COVID. Dit is deels te danken aan de verbeterde prestaties van het wagenpark en deels aan gedragsveranderingen, zoals het toegenomen gebruik van telewerkenWerk verrichten buiten het kantoor, b.v. thuis, met behulp van computers en telecommunicatiemiddelen, de overstap naar actieve vervoerswijzen en snelheidsbeperkingen na de invoering van de 30 km/u-zone. Voor meer informatie over dit onderwerp, lees de indicator Energieverbruik gelinkt aan transport.
Het specifieke geval van gefluoreerde gassen
De gefluoreerde gassen, vaak “F-gassen” genoemd, bestaan uit verschillende soorten en zijn een bijzonder geval voor de klimaatopwarming. De meest voorkomende zijn de CFK’s, HFK’s en PFK’s, die verschillende gevolgen hebben op de klimaatopwarming of het gat in de ozonlaag.
De broeikasgasemissies door het gebruik van gefluoreerde gassen zijn toegenomen tussen de jaren 90 en 2014. Hun uitstoot bleef stabiel tussen 2014 en 2018, en is sinds 2019 gedaald. In 2024 waren ze goed voor 6% van de regionale broeikasgasemissies (185 kt CO2eq), tegenover 8% (301 kt CO2eq) in 2018.
Uitstoot van gefluoreerde gassen daalt sinds 2019
Bron: Leefmilieu Brussel, Dpt Evaluatie Lucht, Klimaat en Energie, ingediende inventarissen 2026
De stijging tot 2014 is het gevolg van het verbod op de productie van CFK’s door het Protocol van Montreal voor de bescherming van de ozonlaag (1987). Sindsdien gebruiken (voornamelijk) koel- of klimaatregelingssystemen HFK’s of PFK’s, die niet schadelijk zijn voor de ozonlaag, maar wel een probleem vormen aangezien ze de klimaatopwarming verergeren. De gefluoreerde gassen hebben immers een globaal opwarmingspotentieel (GWP) dat vele duizenden keren hoger ligt dan dat van CO2 (zie tabel van het GWP volgens het jongste verslag van het IPCC). Zelfs kleine hoeveelheden die in de atmosfeer aanwezig zijn, kunnen dus grote gevolgen hebben voor het klimaat. De gewestelijke regering heeft zich ertoe verbonden vanaf 2020 de controle op HFK-koelgassen te versterken en financiële stimuli in te voeren voor nieuwe installaties die alternatieve koelvloeistoffen gebruiken (zie ook het Lucht-Klimaat-Energieplan).
Aanzienlijke indirecte emissies, met name verbonden met de stedelijke context
Naast de BKG die op het Brussels grondgebied zelf worden uitgestoten (“directe emissies”), is het Gewest ook verantwoordelijk voor “indirecte” emissies, die door de activiteiten van het Gewest worden gegenereerd maar niet op zijn grondgebied worden uitgestoten. Deze hangen samen met de productie buiten het Gewest van een deel van de elektriciteit die het BHG verbruikt (met name bijna 90 % van het elektriciteitsverbruik), en daarnaast met de productie van de consumptiegoederen die het Gewest invoert (voeding, huishoudtoestellen, bouwmaterialen, textiel, enz.). Het relatieve belang van deze indirecte emissies wordt nog versterkt door het stedelijke karakter van het Gewest. In combinatie met directe emissies geven indirecte emissies een nauwkeuriger en vollediger beeld van de werkelijke totale impact van het BHG op de klimaatveranderingWijst op trage variaties van de klimaatskenmerken mettertijd, op een welbepaalde plaats: opwarming of afkoeling. Sommige vormen van luchtvervuiling, veroorzaakt door menselijke activiteiten, zijn een bedreiging voor het klimaat in de zin dat er een globale opwarming zou kunnen ontstaan. Dit verschijnsel kan belangrijke schade veroorzaken: stijging van de zeeniveaus, verergering van de uiterste klimaatsverschijnselen (droogtes, overstromingen, wervelstormen, enz.), destabilisatie van de bossen, bedreiging voor de zoetwatervoorraden, moeilijkheden voor de landbouw, woestijnvorming, vermindering van de biodiversiteit, verspreiding van tropische ziekten, enz..
Het in aanmerking nemen van indirecte emissies in de strijd tegen klimaatverandering werd ingevoegd in het Brussels Wetboek voor Lucht, Klimaat en Energiebeheersing (BWLKE), door de Klimaatordonnantie van 17 juni 2021. Die voorziet in een vermindering van de indirecte emissies van het Gewest om tegen 2050 een traject te bereiken dat vergelijkbaar is met dat van de directe emissies.
Daartoe heeft Leefmilieu Brussel in 2023 instrumenten ontwikkeld voor de berekening van indirecte emissies. Voor het referentiejaar 2019 werd een raming gemaakt van de indirecte broeikasgasemissies in verband met de activiteiten van het Gewest. Deze resultaten zullen door Leefmilieu Brussel worden gebruikt om een traject voor de evolutie van de emissies tegen 2050 uit te stippelen dat in overeenstemming is met de doelstellingen, met name door mogelijke reductiehefbomen voor de verschillende bronnen van indirecte emissies te identificeren.
Als onderdeel van deze studie werden de broeikasgasemissies van het gebied berekend aan de hand van 3 complementaire perimeters, ‘scopes’ genoemd:
- Scope 1 betreft de directe broeikasgasemissies op het gewestelijke grondgebied.
- Scope 2 omvat indirecte emissies die verband houden met het energieverbruik van netwerken zoals elektriciteit en warmte. Deze scope omvat alle broeikasgasemissies die verband houden met de productie van de elektriciteit en de warmte die op het beschouwde grondgebied worden verbruikt.
- Scope 3 omvat alle andere bronnen van indirecte emissies: vervoer van personen of goederen, fabricage van apparatuur, afvalverwerking, verbruik van goederen en diensten, enz. Dit zijn, in de vorm van een levenscyclusanalyse (LCA), de broeikasgasemissies die verband houden met upstream- en downstreamactiviteiten die door een activiteit worden veroorzaakt en die plaatsvinden buiten het grondgebied waar deze activiteit plaatsvindt.
In 2019 genereerden de activiteiten van het Gewest een uitstoot van 21.233 kt CO2eq indirecte emissies (scope 2 en 3), tegenover 3.251 kt directe uitstoot op het gewestelijke grondgebied (scope 1). De indirecte uitstoot was dus goed voor 87% van de totale uitstoot van broeikasgassen in het Gewest. In 2019 droeg het goederenvervoer bij aan een derde (33,0%) van deze indirecte emissies. De andere belangrijke bronnen waren de aankoop van consumptiegoederen door de Brusselse gezinnen (26,3%), het verkeer van personen (19,5%) en de productie buiten het Gewest van op het grondgebied geïmmobiliseerde goederen (12,3%).
Een belangrijk deel van de uitstoot van BKG in 2019 is indirect
Bron: Leefmilieu Brussel, Dpt Evaluatie Lucht, Klimaat en Energie
Om te downloaden
Methodologische fiche
Tabel met de gegevens
- Directe emissies van BKG in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (historische reeks getoond in de grafiek, met graaddagen) (.xls)
- Sectorale uitsplitsing van de indirecte emissies van BKG in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (.xls)
- Ruwe data van de inventaris van broeikasgasemissies van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (1990-2024, indiening 2026) (.xls)
Factsheets
- 02. Evolutie van het klimaat in het Brussels gewest – temperatuur en neerslag
- 03. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ten aanzien van de klimaatveranderingen
- 04. De internationale overeenkomsten en de Belgische en Brusselse engagementen om te strijden tegen de klimaatverandering (.pdf)
- 05. De broeikasgassen in België en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (.pdf)
- 06. Toekomstige evolutie van het klimaat in België en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de bijbehorende gevolgen en risico's
Fiche van de Staat van het Leefmilieu
Plannen en beleid
Prognoses van de uitstoot van broeikasgassen tegen 2040
Indicator – Actualisering: januari 2024
Prognoses maken het mogelijk om de waarschijnlijke evolutie van de rechtstreekse uitstoot van broeikasgassen in het Brussels Gewest te ramen volgens ingevoerde of voorziene beleidsmaatregelen. Volgens de laatst beschikbare prognoses zal het Gewest zijn reductiedoelstellingen bereiken tegen 2030 en 2040. Ontdek er meer over ...
Uitstoot van luchtverontreinigende stoffen in de toekomst
Emissie-inventarissen maken het mogelijk om de historische evolutie van luchtemissies en het globaal effect van het beleid en maatregelen daarop achteraf (ex post) te bepalen. Het is ook belangrijk om a priori (ex ante) te kunnen beoordelen hoe de situatie in de toekomst zal evolueren en wat de impact zal zijn van beleid en maatregelen die al ingevoerd zijn of voorzien zijn voor de toekomst. Dat is vooral belangrijk in het kader van het opstellen van plannen zoals het Lucht-, Klimaat- en Energieplan (op gewestelijk niveau) of het nationale Energie- en Klimaatplan (op nationaal niveau). Daarbij gaat het om emissieprognoses die worden opgesteld met behulp van modellen.
De gebruikte modellen en scenario’s
Er werden verschillende modellen ontwikkeld om de rechtstreekse uitstoot van broeikasgassen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te ramen, rekening houdend met de specifieke kenmerken van elke activiteitensector:
- Energie: residentiële en tertiaire gebouwen, wegtransport, energieproductie, industrie ...
- Industriële processen en gebruik van producten: anesthesie, aerosolen, gefluoreerde gassen ...
- Landbouw, bosbouw en ander landgebruik
- Afval: composteringBiologisch proces van verandering en nuttige aanwending van organische substraten (organisch afval ... ) in een gestabiliseerd product, gelijk aan tuinaarde en rijk aan humusachtige bestanddelen., afvalwaterbehandeling ...
Deze modellen zijn deterministisch en beschrijvend, wat betekent dat:
- de modellen altijd dezelfde resultaten geven voor gegeven invoerwaarden (input);
- de uitstoot van broeikasgassen gebaseerd is op de evolutie van expliciete fysieke parameters (aantal woningen, afgelegde afstanden van de voertuigen, bevolkingstendensen ...) die geraamd worden op basis van een bekende situatie.
De modellering maakt het mogelijk om waarschijnlijke trends vast te stellen op basis van vaste inputwaarden. Er kan geen rekening worden gehouden met interjaarlijkse variaties van de meteorologische omstandigheden zoals graaddagen of onvoorspelbare gebeurtenissen zoals de gezondheidscrisis door het coronavirus.
Het nauwkeurigheids- en detailniveau van de modellen hangt vooral af van het gewicht van de beschouwde activiteitensector in het totale verbruik van het Gewest. Er wordt immers prioriteit gegeven aan de sectoren met de meeste uitstoot. Deze worden nauwkeuriger gemodelleerd.
Uitstootprognoses worden berekend door vermenigvuldiging van:
- de verwachte verandering in een of meerdere activiteitenparameters: energieverbruik, bevolking, samenstelling van veestapels, vraag naar mobiliteit, aantal voertuigen op de weg, aantal elektriciteitscentrales ...
- met specifieke uitstootfactoren voor elk type activiteit en voor de verontreinigende stof(fen) in kwestie.
De modellen zijn zo opgebouwd dat activiteitenparameters expliciet worden gekoppeld aan specifieke uitstootfactoren. Hierdoor kunnen verschillende scenario's worden uitgewerkt en kan de gevoeligheid van prognoses voor variaties in invoerwaarden worden beoordeeld.
Qua scenario’s zijn er 2 hoofdtypen, afhankelijk van het nagestreefde doel:
- ongewijzigde of ‘business as usual’-scenario’s (WEM = with existing measures) die alleen rekening houden met maatregelen die al geïmplementeerd zijn of waarover al is beslist;
- vrijwillige scenario’s (WAM = with additional measures) die de verwachte impact van aanvullende maatregelen omvatten in vergelijking met het WEM-scenario.
De specifieke impact van de plannen kan worden beoordeeld op basis van het verschil tussen de resultaten van het WEM- en WAM-scenario.
Dankzij de maatregelen van het Lucht-, Klimaat- en Energieplan (LKEP) konden de doelstellingen voor de daling van de rechtstreekse uitstoot van broeikasgassen bereikt worden
De reductiedoelstellingen voor broeikaskasgassen die vastgelegd zijn voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in vergelijking met het referentiejaar 2005 zijn:
- 47% tegen 2030 (doelstelling van het Lucht-, Klimaat- en Energieplan),
- en 67% tegen 2040 (volgens de Klimaatordonnantie).
Goed om te weten
Het WAM-scenario dat opgesteld werd in het kader van het LKEP en dat aangenomen werd in 2023, onderzoekt de invoering van nieuwe maatregelen, waardoor die doelstellingen bereikt kunnen worden.
Uitstoot van broeikasgassen zal naar verwachting aanzienlijk dalen
Bron: departement Evaluatie Lucht Klimaat Energie, prognoses LKEP 2023
Lees de transcriptietekst
De broeikasgasemissies bedroegen in 2005 4.565 kt CO2-equivalent. Volgens het WAM-scenario wordt de reductiedoelstelling voor 2030 (47% volgens het Lucht-Klimaat-Energieplan) gehaald en wordt de doelstelling voor 2040 (-67% volgens het Klimaatordonnantie) overschreden.
Om te downloaden
Fiches van de Staat van het Leefmilieu