Overslaan en naar de inhoud gaan
Thuispagina professionals van Leefmilieu Brussel
  • Burgers
  • Professionals
  • Onderwijs
  • Blog Burgers
  • Blog Professionals
  • Contact
  • Jobs
  • Over Leefmilieu Brussel
  • Agenda
NL
  • FR
  1. Home
  2. Documentatie en tools / Leefmilieu: stand van zaken
  3. Oppervlaktewater: kwaliteit, biologie en emissies van verontreinigende stoffen

Oppervlaktewater: kwaliteit, biologie en emissies van verontreinigende stoffen

De kwaliteit van de Brusselse waterlopen gaat erop vooruit, maar voldoet nog niet aan alle normen. Wat zijn de belangrijkste vervuilende stoffen in de Zenne, het Kanaal en de Woluwe? Waar komen ze vandaan? En wat zijn de grootste obstakels voor het bereiken van een goede toestand?
  • Water
  • Vervuiling
  • Biodiversiteit
  • Waterlopen
  • Uitstoot
  • Het milieu: stand van zaken
7 juli 2026

Over hetzelfde onderwerp

Documentatie en tools

  • Emissies van verontreinigende stoffen
  • Emissies van broeikasgassen
  • Grondwater: kwaliteit, kwantiteit en modellering

Milieubeheer

  • Luchtvervuiling en benzinestations
  • Hoe evolueert de luchtkwaliteit in Brussel?
  • De Woluwe komt opnieuw tot leven op de Royale Belge-site

Regelgeving en inspectie

  • Het beheer en de bescherming van onbevaarbare waterlopen en vijvers in Brussel
  • Gefluoreerde broeikasgassen: regels en verplichtingen
  • Lijst van stoffen die niet in oppervlaktewater mogen worden geloosd

Regionaal beleid

  • Een koolstofarme strategie 2030 & 2050 voor Leefmilieu Brussel
  • ‘Remote sensing’ of teledetectie, een meetinstrument om de uitstoot van voertuigen in werkelijke omstandigheden te meten
  • De Good Soil-strategie: beschermen en verbeteren de Brusselse bodems

Inhoud

  • Fysisch-chemische kwaliteit van het oppervlaktewater
  • Chemische kwaliteit van het oppervlaktewater
  • Biologische kwaliteit van de voornaamste waterlopen en vijvers
  • Hydromorfologische staat van de Brusselse waterlopen
  • Emissies van verontreinigende stoffen naar het oppervlaktewater

Fysisch-chemische kwaliteit van het oppervlaktewater

Indicator - Actualisering : augustus 2022

Een goede fysisch-chemische kwaliteit van het water is een noodzakelijke en essentiële voorwaarde voor de overleving en ontwikkeling van het waterleven. De positieve trend die sinds het begin van de jaren 2000 is waargenomen, zet zich voort, maar in een langzamer tempo. Hoewel het kanaal over het algemeen een goede fysisch-chemische kwaliteit heeft, bereiken noch de Zenne noch de Woluwe - die aan strengere kwaliteitscriteria is onderworpen – een voldoende kwaliteit. En de vooruitzichten zijn niet rooskleurig: het oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...). in Brussel lijkt weinig bestand tegen de opwarming van de aarde.

Wat is de fysisch-chemische kwaliteit?

De fysisch-chemische kwaliteit van het water is de kwaliteit van het water met betrekking tot fysische parameters (zoals temperatuur, pH, geleidingsvermogen) en bepaalde chemische parameters (zoals zuurstof, stikstof, fosfor enz.) die van essentieel belang zijn voor de ontwikkeling en het voortbestaan van organismen die in het aquatisch milieu leven. Ze draagt bij tot de biologische kwaliteit van de waterloop en wordt onrechtstreeks weerspiegeld in haar ecologische toestand of haar ecologisch potentieel  (zie 'Biologische kwaliteit van de voornaamste waterlopen en vijvers').

De fysisch-chemische kwaliteit van het Kanaal, de Woluwe en de Zenne wordt hier geëvalueerd op basis van een selectie van 9 parameters, die deel uitmaken van de parameters die in het waterbeheersplan zijn opgenomen: 

  • de temperatuur, 
  • de zuurheid (de pH), 
  • de geleidbaarheid, 
  • het zuurstofgehalte: onmisbaar voor het waterleven, het bevordert ook de afbraak van de biodegradeerbare verontreinigende stoffen wat nodig is voor de zelfreiniging,
  • de organische belasting (de Biologische Zuurstofvraag (BZV) - indicator van vervuiling door biologisch afbreekbare organische stoffen waarvan de afbraak opgeloste zuurstof verbruikt -, de Chemische Zuurstofvraag (CZV)),
  • de troebelheid: de zwevende stoffen (ZS),
  • en de nutriënten (totaal stikstof en totaal fosfor).

Aangezien de Woluwe in een Natura 2000-gebied gelegen is, gelden striktere doelstellingen.

Nieuwe kwaliteitsdoelstellingen

Basiskwaliteitsnormen werden in 2011 goedgekeurd voor de fysisch-chemische kwaliteit van het water en vervolgens een eerste keer herzien in 2015. Maar ze worden weinig representatief geacht en dikwijls onvoldoende, rekening houdend met de verstedelijkte context van het Gewest (Leefmilieu Brussel, 2019). 
Sinds 2019 worden dus nieuwe doelstellingen voorgesteld voor het 3e Waterbeheerplan. Ze werden in de mate van het mogelijke afgestemd op de normen van de twee andere Gewesten (zie methodologische fiche en factsheet nr.4). Voor elke parameter werden ook vijf kwaliteitsklassen (zeer goed, goed, gemiddeld, middelmatig en slecht) vastgelegd. De kwaliteitsdoelstelling is de ondergrens van de kwaliteitsklasse “goed”.
Deze fiche richt zich meer specifiek op de drie in het Brussels Gewest vastgelegde oppervlaktewaterlichamen (Kanaal, Woluwe en Zenne) stroomop- en stroomafwaarts van het grondgebied. We merken echter op dat het meetnetwerk sinds 2014 werd uitgebreid met tussentijdse meetpunten en met andere waterlopen.

Het kanaal: voldoende kwaliteit die steeds beter wordt

Globaal gezien is het water van het kanaal van een goede kwaliteit en deze wordt sinds het begin van jaren 2000 duidelijk steeds beter. Deze positieve tendensen betreffende talrijke parameters: opgeloste zuurstof, CZV, zwevende deeltjesMicroscopische stoffen die in suspensie in de lucht of het water verkeren. De giftigheid van de zwevende deeltjes in de lucht is voornamelijk te wijten aan de deeltjes met een doorsnede kleiner dan 10 µm terwijl de grotere deeltjes ter hoogte van de neus en de hogere luchtwegen worden gestopt en verwijderd. De zwevende deeltjes in het water worden door verschillende procédés in de zuiveringsstations verwerkt. of de nutriënten.  Direct gevolg: er worden minder en minder overschrijdingen van de beoogde doelstellingen vastgesteld. 

Alleen het totaal stikstof voldoet nog steeds niet aan de kwaliteitsdoelstelling, hoewel de concentraties sinds 2012 dalen en de doelstelling naderen. 

De andere parameter die moet worden gecontroleerd is de opgeloste zuurstof. Het heeft een spectaculaire ontwikkeling doorgemaakt, vooral aan de uitgang van het Gewest, waar de niveaus in het begin van de jaren 2000 zeer laag waren. Er worden echter nog steeds aanzienlijke schommelingen waargenomen, die leiden tot onvoldoende concentraties op bepaalde tijdstippen of tot overschrijdingen van de kwaliteitsdoelstelling, zoals in 2019. Aan de ingang van het Gewest daarentegen wordt de streefwaarde al sinds 2011 behaald.

Helaas heeft het Kanaal ook te lijden van overstromingen van het rioolnet en van de omleiding van water uit de Zenne via de Aa tijdens overstromingen, waardoor de waterkwaliteit plotseling en tijdelijk verslechtert en schade wordt toegebracht aan aquatische gemeenschappen, zoals de dood van vele vissen. 

Bovendien heeft het Kanaal in de zomer te kampen met terugkerende ecologische crises (cyanobacteriënbloei) als gevolg van de eutrofiëringOvermatige toevoer van voedingsstoffen in het water, met als gevolg een woekering van de vegetatie, zuurstofvermindering en onevenwicht van het ecosysteem. en de lage stroomsnelheid. Deze algen kunnen zuurstofgebrek veroorzaken en giftige stoffen in het water brengen, waardoor waterorganismen kunnen sterven.

Over het algemeen heeft het kanaal een gelijkaardige kwaliteit bij het begin en het einde van zijn Brusselse loop. 
Drie parameters vertonen echter interessante verschillen. Tijdens zijn Brusselse loop, stijgt de temperatuur van het water van het Kanaal gemiddeld met 2°C, terwijl de opgeloste zuurstofconcentratie met ongeveer 2 mg/l daalt. Bovendien is het water van het Kanaal troebeler bij het binnenkomen van het Gewest dan bij het verlaten van het Gewest maar het verschil is duidelijk kleiner geworden. 

De Woluwe: een onvoldoende kwaliteit ten aanzien van de Natura 2000-doelstellingen

De Woluwe heeft een relatief goede fysisch-chemische kwaliteit, vergeleken met de Zenne en het Kanaal. Ze wordt namelijk hoofdzakelijk gevoed door bronwater dat afkomstig is van het Zoniënwoud. Er is meer bepaald een laag gehalte aan zwevende stoffen.

Aangezien de Woluwe echter door Natura 2000-gebieden stroomt, gelden strengere doelstellingen. En er moet worden vastgesteld dat de resultaten gemengd zijn:

  • Het gehalte aan opgeloste zuurstof is onvoldoende: de beoogde minimumconcentratie werd sinds het begin van de jaren 2000 slechts één keer bereikt, namelijk in 2016. 
  • Verscheidene parameters komen dicht in de buurt van de kwaliteitsdoelstellingen, met incidentele (geleidingsvermogen, nutriënten) of frequentere (organische belasting) overschrijdingen tot gevolg.

Hoewel de kwaliteit van de Woluwe sinds het begin van de jaren 2000 over het algemeen is verbeterd, is waakzaamheid voor deze parameters dus geboden.

Die verslechteringen zouden het gevolg kunnen zijn van de gerichte lozing van afvalwaterWater dat in huishouding of industrie dienst heeft gedaan en gewoonlijk met verschillende stoffen beladen is.. Maar er is meer onderzoek nodig om dit te bevestigen. In elk geval zou deze slechtere fysisch-chemische kwaliteit gevolgen kunnen hebben voor de biologische kwaliteit van de Woluwe. Met name het gebrek aan opgeloste zuurstof op bepaalde tijdstippen kan gevolgen hebben voor de vispopulaties (zie 'Biologische kwaliteit van de voornaamste waterlopen en vijvers').

De Zenne: een slechtere kwaliteit door de lozingen van afvalwater

De Zenne ontvangt de lozingen van de twee zuiveringsstations van Brussel-Zuid en Brussel-Noord. Ze vangt ook talrijke lozingen op via de stormoverstorten bij zware regenval. Haar waterkwaliteit is dus sterk beïnvloed door de zuiveringsprestaties van de stations en door de frequentie van de werking van de overstorten en de kwaliteit van het geloosde water. Het is geen verrassing dat de Zenne de slechtste fysisch-chemische kwaliteit heeft.

De lozingen van de 2 Brusselse waterzuiveringsstations samen vormen ongeveer de helft van het (mediaan) debiet van de Zenne bij het verlaten van Brussel. Aanvullende metingen langs het traject in 2014 zouden overigens een verdunnend effect tonen van bepaalde polluenten, na de lozing van het station Zuid. Dit geloosd water is ook “warmer” en zou dus aan de basis kunnen liggen van de stijging van de temperatuur vastgesteld aan de uitgang van het Brussels grondgebied ten opzichte van de ingang (gemiddeld verschil van 2°C sinds 2001).

Een spectaculaire evolutie

De kwaliteit van de Zenne is op een spectaculaire manier geëvolueerd tussen het begin van de jaren 2000 en de jaren 2010. In het begin was de Zenne bijzonder verontreinigd, vooral bij het verlaten van Brussel! Die verbetering zet zich vandaag nog door voor meerdere parameters, maar in een trager tempo.

Evolutie van de fysisch-chemische kwaliteit van de Zenne bij het verlaten van het Gewest (2001-2020)

Bron: Leefmilieu Brussel, 2022, gebaseerd op voortschrijdende gemiddelden over 3 jaar van jaarlijkse gemiddelde concentraties

Deze vooruitgang is voornamelijk het gevolg van de toegenomen zuiveringVerwijderen van de ongewenste bomen (overtallig, ziek, enz.) in een zeer jonge bebossing. van het afvalwaterWater dat in huishouding of industrie dienst heeft gedaan en gewoonlijk met verschillende stoffen beladen is. in het Brussels Gewest (ingebruikname van het station Zuid in 2000, van het station Noord in 2007) en stroomopwaarts (zie “Afvalwaterzuivering”). De vijf verontreinigende stoffen die traditioneel worden gezuiverd door de stations (BZV, CZV, ZS, N en P) zijn logischerwijze drastisch gedaald in de Zenne, zoals de bovenstaande grafiek illustreert. De kwaliteit bij het verlaten van het Gewest benadert gaandeweg die bij het binnenkomen en is zelfs gelijk (bv. nutriënten). 

Evolutie van het gehalte aan opgeloste zuurstof in de Zenne (2001-2020)

Bron: Leefmilieu Brussel, 2022
Nota: De percentielen 10 (P10) en 90 (P90) zijn de waarden die respectievelijk de laagste 10% en 90% van de gegevens scheiden (gerangschikt in stijgende volgorde in 100 gelijke delen)

Tegelijk kon de opgeloste zuurstof, die bij het begin van de jaren 2000 zo goed als afwezig was, sterk stijgen. En deze verbetering heeft zich na 2010 voortgezet, zij het in een trager tempo. De laatste jaren is er echter sprake van een vertraging of zelfs een lichte verslechtering. Er zij op gewezen dat de zuurstofvoorziening sinds 2015 beter is aan de uitgang van het regionale grondgebied dan aan de ingang.

Deze evolutie heeft een gunstige invloed op het aquatisch leven, dat in 2016 wordt gekenmerkt door een terugkeer van de vissen aan de ingang van het Gewest (zie 'Biologische kwaliteit van de voornaamste waterlopen en vijvers').

Maar er zijn nog inspanningen nodig

Ook al kunnen we ons verheugen over deze gunstige tendensen, de fysisch-chemische kwaliteit van de Zenne blijft globaal ontoereikend: 

  • Het gehalte aan opgeloste zuurstof blijft ontoereikend met een gemiddelde kwaliteit aan de uitgang van het Gewest en zelfs een ontoereikende tot slechte kwaliteit aan de ingang. De situatie bij binnenkomst lijkt des te kritieker omdat sommige van de metingen onder de drempel van de 3 mg/l blijven, dat als kritiek beschouwd wordt voor het leven van de vissen, ook al wordt deze slechts enkele uren of dagen overschreden. Bovendien lijkt het de laatste jaren erger te worden (zie de twee grafieken hierboven). 
  • De organische belasting blijft te hoog, bij het verlaten van het Gewest: de streefwaarden worden in het algemeen overschreden, zowel voor de BZV als voor de CZV. Niettemin is er een dalende tendens. De streefwaarde voor het BZV werd in 2020 dus voor het eerst gehaald.
  • Wellicht samen met deze nog hoge organische belasting, leiden de erg hoge waarden van de geleidbaarheid bij het verlaten van het Gewest tot een systematische overschrijding van de doelstelling. Hoewel de geleidbaarheid lager is bij het binnenkomen, wordt de doelstelling regelmatig overschreden, vooral in de laatste 4 jaar.
  • Voor totaal stikstof is de kwaliteit gemiddeld en nemen de concentraties af. Voor totaal fosfor is de kwaliteit over het algemeen gemiddeld. Maar de concentraties liggen verder van de kwaliteitsdoelstelling en zullen dus eerder van kwaliteitsklasse veranderen in geval van een verontreinigingspiek (zoals in 2019 na de reiniging van een afvoerpijp bij de uitgang van Brussel).

De balans is echter positief wat zwevende stoffen betreft. Dankzij een onmiskenbare verbetering voldoen de niveaus sinds 2017 aan de streefwaarde en heeft de Zenne voor deze parameter dus een goede kwaliteit bereikt.

Duidelijke vooruitgang, maar een kwetsbaar evenwicht

De duidelijke vooruitgang die de jongste 20 jaar werd vastgesteld, worden ondermijnd door uitzonderlijke klimatologische jaren, wat wijst op een zwakke veerkracht van de Brusselse waterlopen. De extreme klimatologische omstandigheden hebben een rechtstreekse weerslag op de fysisch-chemische kwaliteit van de Zenne, zoals blijkt uit de dalingen van opgeloste zuurstof. In het Kanaal en in verschillende vijvers in het Brussels Gewest worden in bepaalde zomers veel vissen dood aangetroffen. Maar ook andere aquatische organismen kunnen te lijden hebben onder deze extreme omstandigheden, te oordelen naar de resultaten van 2019 voor biologische kwaliteit. Echter, in een context van klimaatopwarming, zal dit scenario zich waarschijnlijk herhalen. 

De Zenne heeft ook te lijden onder de lozing van afvalwaterWater dat in huishouding of industrie dienst heeft gedaan en gewoonlijk met verschillende stoffen beladen is., dat zij moeilijk kan absorberen, vooral wanneer het debiet laag is. Dit was met name het geval in 2019, toen verontreinigende stoffen vrijkwamen na de reiniging van het afvoerkanaal rechteroever. Het is dus van essentieel belang om de frequentie van de overstorten van het rioolnet te beperken.

Om te downloaden

Methodologische fiche(s)

  • Indicator: Fysisch-chemische kwaliteit van het oppervlaktewater (.pdf)

Toegang tot de gegevens

  • Applicatie Bruwater, toegang tot de oppervlaktewatergegevens

Factsheet(s)

  • 4. Normen en wettelijke referentiewaarden inzake water (.pdf)
  • 8. Regenwater en overstromingen (.pdf)
  • 11. Brusselse waterlopen en vijvers (.pdf)
  • 12. Blauw Netwerk (.pdf)
  • 13. Brussels wettelijk kader inzake water (.pdf)
  • 16. Biologische kwaliteit van de Brusselse waterlopen en vijvers (.pdf)

Andere publicaties van Leefmilieu Brussel

  • Interactieve kaart van het water in Brussel
  • Herziening van de fysicochemische normen van de oppervlaktewaterenEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...). in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 2019. 51 pp. Intern document (.pdf)
  • Factsheets over de fysisch-chemische kwaliteit van het Brussels oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...). (2001-2012), september 2015. 118 pp. Intern document (enkel in het Frans) (.pdf)

Studie(s) en rapport(en)

  • Technische rapporten betreffende de resultaten van de jaarlijkse meetcampagnes van de fysisch-chemische oppervlaktewaterkwaliteit, verschillende jaren tem 2013, beschikbaar op het documentatiecentrum (.pdf)
  • Analyseresultaten van de jaarlijkse meetcampagnes van de fysisch-chemische oppervlaktewaterkwaliteit. BDB (2013), EUROFINS (2014-2017), CAR (2018). Beperkte verspreiding (.xls)

Plan(nen) en programma(‘s)

  • Waterbeheerplan (WBP) 2022-2027 voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, juli 2023 (.pdf)

Chemische kwaliteit van het oppervlaktewater

Indicator - Actualisering : maart 2023

Alomtegenwoordige polluenten brengen het bereiken van een goede chemische kwaliteit in de Zenne, het Kanaal en zelfs de Woluwe in het gedrang: de betrokken verontreinigende stoffen zijn Polycyclische Aromatische KoolwaterstoffenDit zijn van aardolie afgeleide samengestelde organische vloeistoffen op basis van koolstof en waterstof. Stookolie, benzine en andere soorten minerale oliën behoren daartoe. Deze oliën hebben de eigenheid dat ze een geringe dichtheid hebben. Wanneer ze in de bodem dringen, kunnen ze het grondwater bereiken en er een drijflaag op vormen. (PAK), PFOS of nog de tributyltinverbindingen. Daarentegen waren er weinig andere verontreinigende stoffen die de chemische kwaliteit van de Zenne en het Kanaal in 2019 en 2020 verslechterden. Vaak ging het om PAK of opgeloste metalen. Het meest verontreinigde gebied was de uitgang van het Gewest. De chemische kwaliteit leek in 2019-2020 beter te zijn dan in 2016-2018: is dat een teken van een gunstige ontwikkeling? Of is het gewoon het resultaat van verbeterde meetmethoden?

Een vijftigtal van de prioritaire Europese stoffen onder de loep

Micropolluenten zijn chemische stoffen die giftig kunnen zijn voor ecosystemen of zelfs voor de menselijke gezondheid, in erg geringe concentraties. Ze worden echter maar in geringe mate geëlimineerd ter hoogte van de zuiveringsstations. De aard en de herkomst van deze verontreinigende stoffen varieert sterk: pesticiden, koolwaterstoffen, zware metalenVerzamelnaam voor een groep metalen met een relatief grote dichtheid, zoals lood, kwik, zink en cadmium. Deze metalen komen van nature in het milieu voor en zijn in veel gevallen zelfs nodig voor bepaalde natuurlijke processen. In hogere concentraties zijn ze echter meestal giftig. De voornaamste bronnen van zware metalen zijn de non-ferro-industrie, de verbranding van fossiele brandstoffen en van afval en het verkeer., polychloorbifenylen (PCB’s)…

De lidstaten moeten zorgen voor hun monitoring en moeten maatregelen treffen om lozingen, emissies en verliezen geleidelijk aan te beperken tot zelfs te verbieden.

Van deze stoffen worden sommige door de Europese Commissie als bijzonder onrustwekkend beschouwd voor het watermilieu en in het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW) als "prioritair" aangemerkt omwille van de belangrijke lozingen/emissies naar het oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...). en omwille van hun bijzonder gevaarlijke en persistente aard. De huidige lijst bevat 45 prioritaire stoffen (of groepen van stoffen) en 8 gevaarlijke niet-prioritaire stoffen (zie factsheet nr.4 & bijlagen 1 en 2 van het BBHG van 2015). Deze lijst vormt de basis voor de beoordeling van de “chemische toestand” van oppervlaktewaterlichamen conform de voorschriften van de Kaderrichtlijn water (KRW).

133 andere als "gevaarlijk" aangemerkte stoffen moeten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ook opgevolgd worden en aan milieukwaliteitsdoelstellingen beantwoorden (zie bijlage 4 van het BBHG van 2015).

Naast deze Europese stoffen wordt in het Brussels Gewest lokaal bijzondere aandacht besteed aan een aantal specifieke verontreinigende stoffen in ons oppervlaktewater: opgelost zink, acenafteen en pyreen (2 PAK), polychloorbifenylen (PCB) en minerale oliën.

Controle van micropolluenten in het water maar ook in de waterbodems en in de biota

Sinds 2001 implementeert het Brussels Gewest programma’s voor de monitoring van de chemische kwaliteit van zijn oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...)., die op de analyse van de concentraties van enkele honderden parameters berusten. Sinds het begin van de metingen worden 5 locaties gemonitord: de punten waar de drie aangeduide oppervlaktewaterlichamen het Gewest binnenkomen en verlaten (Zenne, Kanaal en Woluwe). De in deze fiche gepresenteerde resultaten hebben betrekking op deze 5 historische sites, hoewel de monitoring ook betrekking heeft op andere meetlocaties en andere waterlopen.

Goed om te weten

Naast de waterkolom werd er een controle in de waterbodems en in de biota (weefsels van aquatische organismen) ingevoerd. De doelstelling daarvan is om zich ervan te verzekeren dat er geen accumulatie ontstaat van bepaalde lipofiele polluenten in de waterbodems (aangezien de daarin vastgehouden verontreinigende stoffen soms in de waterkolom terecht komen) of in de biota.

Milieudoelstellingen in constante evolutie

De kwaliteitsdoelstellingen die sinds 2011 van kracht zijn voor de Europese stoffen in de waterkolom zijn de Milieukwaliteitsnormen (MKN). Deze normen hebben betrekking op:

  • de jaargemiddelden van een meetcampagne. Ze beogen het aquatisch leven op middellange en lange termijn te beschermen tegen chronische blootstelling.
  • en, voor sommige prioritaire gevaarlijke stoffen, op maximale aanvaardbare concentraties (MAC) voor elk monster. Deze MAC-normen beogen het aquatisch leven op korte termijn te beschermen tegen acute blootstelling.

De geldende normen zijn opgenomen in de methodologische fiche en in de factsheet nr.4.

In 2013 werden de MKN van 7 prioritaire stoffen herzien (met ingang vanaf eind 2015). 12 nieuwe prioritaire stoffen (waarvan de helft is aangemerkt als "gevaarlijk") werden ook bepaald en zijn sinds eind 2018 onderworpen aan normen.

Hierbij wijzen we erop dat sommige polluenten bepaalde jaren niet beoordeeld konden worden (geen metingen) of niet vergeleken konden worden met de kwaliteitsdoelstellingen door de onnauwkeurigheid van de onderzoeksmethodes (hogere detectielimiet dan de MKN).

Voldoende chemische kwaliteit voor een zeer groot aantal polluenten

De meeste van deze 45(+8) prioritaire Europese stoffen en van de 133 gevaarlijke stoffen vormen geen enkel probleem voor de drie oppervlaktewaterlichamen die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn gedefinieerd: het Kanaal, de Zenne en de Woluwe. Vaak worden ze zelfs niet eens gedetecteerd in de waterkolom en/of in de waterbodems en biota.

Hetzelfde geldt voor drie van de vijf chemische stoffen die op het niveau van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest als relevant worden beschouwd. Alleen zink en minerale oliën vormen nog een probleem in de Zenne.

De Zenne is de meest besmette waterloop

Over het algemeen, gezien het aantal stoffen dat de chemische kwaliteit van het water vermindert en de waargenomen concentraties:

  • Is de Zenne de meest besmette waterloop, vooral bij het verlaten van het Gewest.
  • De Woluwe lijkt daarentegen relatief gevrijwaard, met uitzondering echter van de alomtegenwoordige polluenten zoals de Polycyclische Aromatische KoolwaterstoffenDit zijn van aardolie afgeleide samengestelde organische vloeistoffen op basis van koolstof en waterstof. Stookolie, benzine en andere soorten minerale oliën behoren daartoe. Deze oliën hebben de eigenheid dat ze een geringe dichtheid hebben. Wanneer ze in de bodem dringen, kunnen ze het grondwater bereiken en er een drijflaag op vormen. (PAK).
  • Het Kanaal neemt een tussenpositie in.

In 2019 en 2020 overschreden 13 stoffen de normen in de Zenne, 8 in het Kanaal en slechts 1 in de Woluwe. Ongeveer de helft van deze stoffen is alomtegenwoordig.

Twee families van verontreinigende stoffen zijn bijzonder problematisch: PAK en opgeloste metalen. Op deze parameters wordt later in deze fiche nader ingegaan.

In vergelijking met voorgaande jaren lijkt het aantal stoffen dat verantwoordelijk is voor overschrijding van de normen af te nemen. Deze constatering is bemoedigend, maar is gedeeltelijk te danken aan de verbetering van de meetmethoden eind 2018: de verlaging van de kwantificeringsdrempels heeft gevolgen voor de berekening van de jaargemiddelden (zie methodologische fiche).

Het veralgemeende probleem van de alomtegenwoordige stoffen

De Europese Unie heeft een lijst opgesteld van dertien persistente, bioaccumuleerbare en toxische stoffen (PBT) of stoffen die zich zo gedragen (zie artikel 8bis van Richtlijn 2013/39/EU). Onder deze producten vallen ook PAK, kwik, PFOS of nog dioxines. Hoewel ze niet op die lijst staan, behoren polychloorbifenylen (PCB) ook tot de familie van de PBT-polluenten.

Goed om te weten

De “PBT”-stoffen zijn persistent, bioaccumuleerbaar en toxisch. Ondanks de maatregelen die hiertegen genomen worden, kunnen ze langdurig in een aquatische omgeving gedetecteerd worden. Sommige stoffen hebben zelfs de bijzondere eigenschap dat ze over lange afstand getransporteerd kunnen worden; ze worden aangemerkt als alomtegenwoordig want alle milieu-dimensies (water, lucht, bodem, enz.) worden hierdoor getroffen.

Het is dan ook geen verrassing dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet ontsnapt aan deze besmetting die de grote meerderheid van de lidstaten van de Europese Unie treft. Het belangrijkste probleem op het vlak van de waterkolom betreft de PAK maar ook PFOS.

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) overal, zelfs in de Woluwe

6 van de 8 PAK die als prioritair of hiermee gelijkgesteld zijn aangemerkt overschrijden de normen in het Brusselse oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...).. Zelfs de Woluwe is betrokken. En met de herziening van de milieukwaliteitsnormen (MKN), die van kracht is sinds 2016, is de balans slechter geworden.

Tot de belangrijkste prioritaire PAK behoren vier van de vijf alomtegenwoordige PAK:

  • Benzo(a)pyreen verontreinigt de Zenne en het Kanaal maar ook de Woluwe. De norm betreffende het jaargemiddelde, die vóór de herziening in 2016 regelmatig werd overschreden, leidt tot systematische overschrijdingen in deze 3 waterlichamen sinds 2018. Bovendien werd de maximale aanvaardbare concentratie, hoewel ze opwaarts werd herzien, nog steeds overschreden voor de Zenne aan de uitgang van het Gewest in 2016 en 2017. Maar sindsdien wordt ze nageleefd.
  • Bovendien overschrijden benzo(ghi)peryleen, benzo(b)fluoranteen en in mindere mate benzo(k)fluoranteen vaak de maximale aanvaardbare concentraties in de Zenne en het Kanaal. En dat zou ook het geval geweest zijn vóór 2016 als ze toen al van kracht waren geweest.

    Benzo(ghi)peryleen was verantwoordelijk voor 7 overschrijdingen per jaar in zowel 2019 als 2020 (3 in het Kanaal en 4 in de Zenne). Benzo(b)fluoranteen veroorzaakte 1 overschrijding in 2019 (in de Zenne) en 4 in 2020 (2 in de Zenne en 2 in het Kanaal). Benzo(f)fluoranteen veroorzaakte slechts 1 overschrijding in 2019 in de Zenne en geen enkele in 2020.

    Indeno(123cd)pyreen, de vijfde alomtegenwoordige PAK, is niet onderworpen aan een milieukwaliteitsnorm. Het wordt echter zeer vaak gekwantificeerd in de Brusselse oppervlaktewaterenEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...)..

Twee andere prioritaire PAK zijn zorgwekkend:

  • Fluoranteen, dat zowel de Zenne als het Kanaal verontreinigt. Sinds de herziening van de normen in 2016 wordt het jaargemiddelde systematisch overschreden aan de uitgang van het Gewest en zeer frequent aan de ingang. Bovendien heeft de Zenne aan de uitgang van het Gewest ook tweemaal, in 2016 en 2017, de maximaal aanvaardbare concentratie overschreden. In de Woluwe blijven de gemeten concentraties, op een uitzondering in 2016 na, onder de normen.
  • Antraceen, in de Zenne bij de uitgang van het Gewest. De norm voor het jaargemiddelde werd slechts één keer overschreden, in 2017. De maximaal aanvaardbare concentratie werd daarentegen meermaals overschreden, onder meer in 2016, 2017 en 2019.

Bovendien hadden 3 van de 8 PAK op de lijst van 133 andere gevaarlijke stoffen in sommige jaren, met name in 2016 en 2017, jaargemiddelde concentraties boven de norm: acenafteen, fenantreen en pyreen. De Zenne aan de uitgang van het Gewest werd systematisch getroffen. In het verleden werd pyreen ook af en toe overschreden in de Zenne aan de ingang van het Gewest en, minder vaak, in het Kanaal aan de uitgang van het Gewest.

Positief is dat geen van deze stoffen in de jongste 3 meetjaren (2018, 2019 en 2020) werd overschreden.

PAK komen voornamelijk diffuus in het oppervlaktewater terecht

Over het algemeen kadert de beantwoording aan de normen betreffende de PAK in een lang en ingewikkeld proces aangezien deze polluenten vooral voortvloeien uit diffuse bronnen. Volgens de inventaris van de emissies van 10 PAK voor het jaar 2016, vloeit 60% van de aanlevering voort uit diffuse bronnen: 44% uit transport (slijtage van banden en van openbare wegen, onvolledige verbrandingen) en 13% uit atmosferische depositie.

Aangezien de PAK lipofiel zijn, worden ze voor meer dan 90% vastgehouden op het niveau van het slib van waterzuiveringsstations. Hun aanwezigheid in het water vloeit voort uit de lozingen op het niveau van stormoverlaten (37%), van de regenweerstraat van de waterzuiveringsstations (31%) en in mindere mate van het afvalwaterWater dat in huishouding of industrie dienst heeft gedaan en gewoonlijk met verschillende stoffen beladen is. van de afgewaterde zones die niet aangesloten zijn op de waterzuiveringsstations (15%) en van de afvloeiing (10%).

In de waterlopen verbinden de PAK zich met de waterbodems en zijn ze moeilijk afbreekbaar. Bewijs hiervan is hun aanwezigheid in de waterbodems, maar hun concentratie zou stabiel zijn.

Bronnen (links) en trajecten (rechts) van de jaarlijkse netto-emissies van 10 PAK naar het oppervlaktewater

Bron: Leefmilieu Brussel, gegevens uit de inventaris van de emissies naar het oppervlaktewater (referentiejaren: 2016-2017-2018)  voor benzo(a)pyreen, benzo(b)- , benzo(k)fluoranteen, benzo(ghi)peryleen, fluoranteen, indeno(123cd)pyreen, acenafteen, antraceen, naftaleen en pyreen

PFOS: een andere alomtegenwoordige stof die de Zenne en het Kanaal vervuilt

PFOS (perfluoroctaansulfonzuur en zijn derivaten) is een alomtegenwoordige gefluoreerde verontreinigende stof die systematisch problematisch is in de Zenne en het Kanaal wanneer ze wordt gemeten.
De jaarlijkse norm wordt overschreden:

  • meer dan 5 keer in de Zenne
  • en meer dan 20 keer in het Kanaal!

Ook in de Woluwe werd de norm in 2014-2016 overschreden, maar in 2018-2020 werd deze niet meer gekwantificeerd, een teken van een bemoedigende evolutie voor deze waterloop.

Goed om te weten

PFOS komt niet in de natuur voor. Het is een hydrofobe en lipofiele gefluoreerde verbinding, chemisch zeer stabiel, die algemeen wordt gebruikt voor huishoudelijke en industriële doeleinden. Het is de laatste jaren een groot probleem geworden omdat het zich op grote schaal in het milieu verspreidt, het persistent is en slechts langzaam wordt afgebroken.

Polychloorbifenylen: binnenkort geen probleem meer in de Brusselse wateren?

Polychloorbifenylen (PCB) maken ook deel uit van de alomtegenwoordige PBT-stoffen en van specifieke verontreinigende stoffen in het stroomgebied. In 2015 en 2016 werden er in het water van de Zenne en van het Kanaal, zowel bij het binnenkomen als bij het verlaten van het grondgebied, te hoge waarden opgemeten. Het goede nieuws is dat in 2019 en 2020, met lagere kwantificeringsdrempels, de concentraties onder de norm bleven. Moet dit worden geïnterpreteerd als een teken van verbetering?

Goed om te weten

PCB werden tot de jaren 1970 gebruikt als elektrische isolatoren. Nu is hun gebruik verboden. In 1999 werd een gewestelijk plan voor de verwijdering en de reiniging van de PCB-PCT goedgekeurd, alsook in 2005, een programma maatregelen om deze vervuiling te bestrijden.

Sommige PBT-stoffen blijven onder de radar …

De onduidelijkheid van de meetmethoden laat jammer genoeg niet toe om alle PBT-stoffen in de waterkolom te beoordelen: dit is in 2019 en 2020 onder meer het geval van hexabroomcyclododecaan (HBCDD) of de gebromeerde difenylethers. Maar aangezien hun alomtegenwoordige karakter en de in het verleden opgemeten overschrijdingen, is er een hoge waarschijnlijkheid dat ze aanwezig of zelfs in overschrijding zijn.

De opgeloste metalen: andere problematische stoffen in de Zenne en in het Kanaal

Evenals de gemeten concentraties van totale metalen in het water de normen naleven, vormen de opgeloste verbindingen een probleem. De Zenne is het zwaarst getroffen, vooral aan de uitgang van het Gewest, gevolgd door het Kanaal. De Woluwe daarentegen is in het algemeen gespaard.

Twee opgeloste metalen blijken problematisch:

  • Lood (Pb): Sinds de aanscherping van de norm in 2016 worden de jaargemiddelde concentraties steeds overschreden in de Zenne en het Kanaal, zowel aan de ingang als aan de uitgang van het Gewest. De enige uitzondering is de Zenne aan de ingang van het Gewest in 2020. Zelfs de Woluwe werd in 2017 overschreden! Zorgwekkender is dat de maximaal aanvaardbare concentraties in 2016 en 2017 werden overschreden aan de uitgang van het Gewest in de Zenne en/of het Kanaal. De trend verandert echter ten goede, met een aanzienlijke daling van de concentraties.
  • Zink (Zn): De jaarlijkse norm werd in 2020 zoals elk jaar overschreden in de Zenne aan de uitgang van het Gewest. Dit was ook het geval tot 2016 aan de ingang van het Gewest, evenals in het Kanaal, op twee meetpunten.

Vier andere opgeloste metalen kunnen de Zenne verontreinigen, vooral aan de uitgang van het Gewest: kwik, koper, nikkel en cadmium.

Hoewel deze vier stoffen de waterkwaliteit in 2016 verslechterden, lijkt de trend in de laatste twee jaar van beschikbare metingen positief: alleen koper overschreed de norm in 2017 en in 2020 werd geen enkele overschrijding geconstateerd.

Niettemin blijft voorzichtigheid geboden gezien de neiging van metalen om zich sterk op te hopen in sedimenten, wat wordt bevestigd door de hoge niveaus die daar worden gemeten. Een ander aandachtspunt is de accumulatie van kwik in de weefsels van levende organismen (biota).

Waar komen deze metalen vandaan?

De diffuse bronnen dragen op doorslaggevende wijze bij tot de emissies van zink (88% voornamelijk wegens de corrosie van de bouwmaterialen van de bebouwde oppervlakte) en van kwik (82%, voornamelijk door het verkeer).

Anderzijds zijn punctuele bronnen (de bevolking, de bedrijven en de industrie) verantwoordelijk voor bijna de gehele aanlevering van nikkel (98%), het grootste deel van die van cadmium (78%) en meer dan de helfte van die van lood (55%).

Bronnen van de jaarlijkse netto-emissies van 5 metalen naar het oppervlaktewater

Bron: Leefmilieu Brussel, gegevens uit de emissie-inventaris naar het oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...). (referentiejaren: 2016-2017-2018)

De netto emissies naar de Zenne zijn ongeveer 6 maal groter dan die naar het Kanaal. Aangezien de metalen minder goed gezuiverd of vastgehouden worden in de zuiveringsstations, vertegenwoordigen de effluenten van de RWZI de belangrijkste aanvoerweg van metalen naar de Zenne.

Andere polluenten die aandachtig moeten worden opgevolgd

  • De oppervlakte-actieve stoffen veroorzaken overschrijdingen in de Zenne en het Kanaal in bepaalde jaren zoals 2019.
  • De minerale oliën worden elk jaar in de Zenne en in het Kanaal gekwantificeerd. Ofschoon momenteel niet onderhevig aan de beantwoording aan een MKN, moeten ze van nabij opgevolgd worden want ze worden in grote hoeveelheden uitgestoten op het gewestelijke grondgebied: 9 ton netto emissie per jaar waarvan 8 ton naar de Zenne en 1 ton naar het Kanaal (volgens de emissie-inventaris voor de jaren 2016-2017-2018). Ze worden uitgestoten door het weg- en spoorverkeer (gebruikte oliën op het niveau van de wissels). Het terrein van Schaarbeek-Vorming zou één van de significante bronnen zijn voor de Zenne.
  • Betreffende de pesticiden die op de lijst van de prioritaire polluenten en op die van de andere polluenten voorkomen, wordt sinds 2009 voldaan aan de normen. Alleen aclonifen overschreed in 2019 en 2020 de maximaal aanvaardbare concentratie in de Zenne aan de ingang van het Gewest. De besmetting door pesticiden die wordt vastgesteld in het grondwater van het Gewest wordt dus niet eveneens vastgesteld in het oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...). (zie "Chemische toestand van het grondwater").
  • De jaarlijkse gemiddelde concentraties in DEHP (een type ftalaat dat als weekmaker wordt gebruikt) hebben de norm slechts één keer overschreden: in 2016 in de Zenne bij het binnenlopen van het Gewest. Waakzaamheid is echter geboden aangezien de in de sedimenten van het Kanaal waargenomen concentraties toenemen.
  • De gebromeerde difenylethers zijn aanwezig in de waterbodems en leiden tot overschrijdingen van de norm voor biota. De concentraties in de waterkolom overschrijden de maximale aanvaardbare concentraties echter niet. Gezien de mate van nauwkeurigheid van de meetmethoden is het echter moeilijk te bepalen of deze stoffen een bron van zorg zijn in het oppervlaktewater.
  • Nonylfenolen, sinds een tiental jaren onrustwekkende stoffen, zijn zoals in bijna alle landen aanwezig in het Brusselse oppervlaktewater. Hun concentratie lag in 2019 en 2020 binnen de normen, maar in andere jaren was dat niet het geval. De overschrijdingen betroffen zowel het jaargemiddelde als de maximaal aanvaardbare concentratie. Ze werden zowel in het Kanaal als in de Zenne waargenomen, telkens aan de uitgang van het Gewest.

Hoe deze vervuiling efficiënt bestrijden?

Om de chemische verontreiniging van het leefmilieu en de waterlopen terug te dringen, worden er tal van preventieve en curatieve maatregelen van het waterbeheerplan getroffen: beheer van de milieuvergunningen (lozingsnormen, gebruik van de best mogelijke technieken, enz.), beperking en vanaf 2019 verbod van het gebruik van pesticiden in de openbare ruimten, uitbaggering en ruiming van de waterlopen en vijvers om verontreinigde waterbodems te verwijderen, informatieverstrekking over en sensibilisering rond het gebruik van bepaalde producten, enz. 

De verbetering van de kwaliteit van het Brussels oppervlaktewater hangt bovendien ook af van de inspanningen die er stroomopwaarts van het Gewest worden geleverd. 

De strijd tegen de alomtegenwoordige stoffen kan niet beperkt blijven tot het waterbeheer alleen. Enkel een globaal beheer op Europees (of mondiaal) en grensoverschrijdend vlak ten opzichte van de verschillende milieubeleidsdomeinen (water, lucht, bodems, ...) zou deze vervuiling kunnen indijken.

Om te downloaden

Methodologische fiche(s)

  • Indicator: Chemische kwaliteit van het oppervlaktewater (.pdf)

Toegang tot de gegevens

  • Applicatie Bruwater, toegang tot de oppervlaktewatergegevens

Factsheet(s)

  • Normen en wettelijke referentiewaarden inzake water (.pdf)
  • Regenwater en overstromingen (.pdf)
  • Brusselse waterlopen en vijvers (.pdf)
  • Blauw Netwerk (.pdf)
  • Brussels wettelijk kader inzake water (.pdf)
  • Biologische kwaliteit van de Brusselse waterlopen en vijvers (.pdf)

Andere publicaties van Leefmilieu Brussel

  • Interactieve kaart van het water in Brussel
  • Inventaris van de emissies, lozingen en verliezen van prioritaire stoffen in het oppervlaktewater van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 2022. Bijlage 2 van het Waterbeheerplan 2022-2027. 288 pp. (.pdf)

Studie(s) en rapport(en)

  • Analyseresultaten van de jaarlijkse meetcampagnes van de chemische oppervlaktewaterkwaliteit. BDB (2013), EUROFINS (2014-2017), CAR (2018-2020). Beperkte verspreiding (.xls)
  • Technische rapporten voorstellend de resultaten van de jaarlijkse meetcampagnes van de chemische oppervlaktewaterkwaliteit, verschillende jaren tem 2013 (.pdf)

Plan(nen) en programma(‘s)

  • Waterbeheerplan (WBP) 2022-2027 voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, juli 2023 (.pdf)

Biologische kwaliteit van de voornaamste waterlopen en vijvers

Indicator - Actualisering : juli 2022

Geen enkele van de gevolgde waterlopen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bereikt het “goed ecologisch potentieel” in 2019. De globale kwaliteit van de Zenne is nog ver verwijderd van deze doelstelling en is in 2019 verslechterd, deels als gevolg van de droogteDroogte is een natuurlijk fenomeen waarbij de beschikbaarheid van water afneemt als gevolg van een gebrek aan neerslag, wat op termijn tot een watertekort kan leiden. Dit moet niet worden verward met een ‘hittegolf’ of ‘hitteperiode’, ook al hebben deze wel degelijk invloed op de beschikbaarheid van water (toename van de watervraag).. Het Kanaal gaat er in 2019 sterk op achteruit voor alle biologische groepen. Als we de vissen buiten beschouwing laten, komt het Woluwedal echter dicht bij een goed ecologisch potentieel. Zowel de Woluwe als de Roodkloosterbeek bereiken dit voor meerdere biologische groepen en kenden tussen 2016 en 2019 een positieve evolutie. Twee van de drie onderzochte vijvers scoorden ook zeer goed; de derde behaalde minder goede resultaten.

Vijf biologische groepen in de kijker 

De biologische kwaliteit van de Brusselse waterlopen en vijvers wordt sinds 2004 om de drie jaar geëvalueerd, zoals bepaald door de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de aanbevelingen van de experten. De laatste meetcampagne dateert van 2019.

Vijf biologische groepen – of elementen - worden in rekening gebracht: 

  • het fytoplankton (over het algemeen microscopische waterplanten in suspensie in het water), 
  • het fytobenthos (micro- en macro-algen die bevestigd aan of in de buurt van de waterbodem leven), 
  • de macrofyten (planten zoals riet), 
  • de macro-invertebraten (insecten en larven, wormen, schaaldieren, …),
  • en de vissen.

De vijf biologische elementen die in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de biologische kwaliteit

Bron: Figuur afkomstig van VUB & INBO, 2021

De beoordeling van de kwaliteit van elke index berust op een vergelijking van de waargenomen situatie in verhouding tot referentieomstandigheden. Deze laatste stemmen overeen met een optimale situatie (“maximaal ecologisch potentieel”), rekening houdend met de wijzigingen die door de menselijke activiteiten werden aangebracht aan de natuurlijke fysieke omstandigheden (zie methodologische fiche). Er werden vijf kwaliteitsklassen bepaald.

Het element met de slechtste kwaliteit bepaalt immers de globale biologische toestand (principe “one-out, all-out”). Deze evaluatiemethode is dus bijzonder restrictief. Bovendien is de periode tussen twee campagnes (3 jaar) misschien te kort om significante evoluties te registreren. Die laatste moeten, om relevant te zijn, op lange termijn worden bekeken, want de populatie van de biologische gemeenschappen kan van nature schommelen op korte termijn.

Evolutie van de biologische kwaliteit 

Onderstaande kaarten illustreren de verkregen resultaten voor de meetpunten die bij elk meetcampagne worden opgevolgd. Deze punten zijn gelegen langs de Zenne, het Kanaal, de Woluwe (waterloop en vijvers) en één van haar zijtakken, de Roodkloosterbeek. Sinds 2019 heeft de grote Mellaertsvijver de vijver in het Ter Bronnenpark vervangen.

Evolutie van de biologische kwaliteit van de belangrijkste Brusselse waterlopen en vijvers (2004-2019)

Bron: Leefmilieu Brussel, afd. Reporting en milieueffecten, 2022

De vissen, die terug in de Zenne aanwezig zijn sinds 2016, hebben het zwaar te verduren gehad in 2019

De meest markante positieve evolutie sinds 2016 is de terugkeer van vissen in de Zenne, terwijl deze waterloop daarvoor als “dood” werd beschouwd voor dit element. Een vijftiental verschillende soorten werd er geïnventariseerd, met ongeveer 200 individuen aan de ingang van het Gewest en 100 aan de uitgang. Deze evolutie lijkt het resultaat te zijn van een geleidelijk ecologisch herstel dankzij het opstarten van de waterzuiveringsstations Brussel-Zuid in 2000 en Brussel-Noord in 2007. Helaas werd deze positieve trend in 2019 niet bevestigd, met slechts een tiental soorten en een aantal specimens gedeeld door 5 bij de ingang van het Gewest en door 3 bij de uitgang. Er worden verschillende verklaringen aangevoerd:

In de eerste plaats wordt het leven van de vissen in gevaar gebracht door de toevloed van afvalwaterWater dat in huishouding of industrie dienst heeft gedaan en gewoonlijk met verschillende stoffen beladen is. in de waterloop (lozingen van waterzuiveringsinstallaties en lozingen bij regenweer wanneer het rioleringsnet verzadigd is) (zie indicator afvalwaterzuivering). De biologische indicatoren in 2019 wijzen op een sterk verslechterde waterkwaliteit:

  • Het fytobenthos is teruggevallen tot een ontoereikende kwaliteit als gevolg van een uitzonderlijke verontreiniging door de reiniging van een collector, die een grote organische belasting met zich heeft meegebracht.
  • Het shedefonteinkruid (Potamogeton pectinatus), een soort die bestand is tegen eutrofe (zeer voedselrijke) wateren, is de enige vertegenwoordiger van submerse vegetatie en maakt dat de macrofyten niet boven een matige kwaliteit uitstijgen. 
  • De macro-ongewervelden worden gedomineerd door een klein aantal taxa, die allemaal tolerant zijn voor verontreiniging. 

Ten tweede wordt deze waterverontreiniging nog verergerd in perioden van droogteDroogte is een natuurlijk fenomeen waarbij de beschikbaarheid van water afneemt als gevolg van een gebrek aan neerslag, wat op termijn tot een watertekort kan leiden. Dit moet niet worden verward met een ‘hittegolf’ of ‘hitteperiode’, ook al hebben deze wel degelijk invloed op de beschikbaarheid van water (toename van de watervraag)., zoals in 2019: het lage debiet in combinatie met lozingen die verontreinigd zijn met organisch materiaal leidt tot een daling van het gehalte aan opgeloste zuurstof, vaak onder de drempelwaardeWaarde vanaf welke initiatieven worden genomen. van 3 mg/l die als kritiek wordt beschouwd voor het overleven van de vissen. 

Ten slotte wordt het duurzame herstel van de vissen in de Zenne echter gehinderd door ingrijpende hydromorfologische veranderingen die bestaan uit de betonnen oevers, de overwelving van twee derde van haar traject en een onoverbrugbaar bouwwerk aan het begin van de kolk van het stadscentrum (zie focus hydromorfologische toestand). 

De Zenne wordt ook geconfronteerd met een toename van de Chinese wolhandkrab (Eriocheir sinensis), een invasieve soort, aan de uitgang van het Gewest: in mei 2019 werden bijna 150 krabben in de vallen gevangen.

Wat zijn de vooruitzichten voor de Zenne?

De Zenne is dus nog ver verwijderd van het 'goed ecologisch potentieel' en er is nog een lange weg te gaan om dit te bereiken. Een beperking van de lozing van verontreinigende stoffen en de verbetering van de hydromorfologie lijken twee essentiële voorwaarden te zijn voor een ecologisch herstel van deze emblematische rivier. 

De beperking van de lozing van verontreinigende stoffen houdt met name in dat de stormoverstorten moeten worden beheerd. Drie grote overstorten, die verantwoordelijk zijn voor de grootste jaarlijkse lozingen in termen van volume, zullen worden heraangelegd in het kader van het Europese Life-Belini-programma. Een andere maatregel om de lozing van verontreinigende stoffen tegen te gaan, is de verwijdering van sedimenten uit de Zenne: het stroomopwaartse deel werd in de zomer van 2013 gereinigd en het stroomafwaartse en centrale deel werden in 2016 afgewerkt. Twee gedeeltes moeten mogelijk nog worden geruimd bij de uitgang van het Gewest: enerzijds stroomafwaarts van het waterzuiveringsstationInstallatie waar vervuild water weer zuiver wordt gemaakt. Noord, en anderzijds stroomafwaarts van de Budasteenweg tot aan de gewestgrens. De werkzaamheden zijn gepland voor 2026 en 2027.

In het kader van het Life-Belini-programma worden verschillende grootschalige projecten uitgevoerd om de hydromorfologie van drie gedeelten van de Zenne te herstellen, waardoor de situatie over enkele jaren zou kunnen veranderen:

  • Het herstel van de oevers over een lengte van 1 km langs de Paepsemlaan in het zuiden van het Gewest werd voltooid in maart 2020 (meer informatie op deze webpagina van het Belini-project);
  • Het openleggen over een lengte van 300 meter en het herstel van de oevers over 400 meter ter hoogte van de Vilvoordelaan, stroomopwaarts van het waterzuiveringsstation Noord, werden in het najaar van 2021 voltooid (meer informatie op deze webpagina van het Belini-project);

Openleggen van de Zenne stroomopwaarts van het waterzuiveringsstation Noord (voor/na werkzaamheden)

Bron: Foto’s afkomstig van de Belini-website, 2022  
  • Het openleggen in het Maximiliaanpark, in de buurt van het Noordstation, waar de werkzaamheden in 2022 zullen beginnen.

Een verslechtering van de biologische kwaliteit van het Kanaal op alle niveaus in 2019

Tussen 2016 en 2019 kent het Kanaal een verslechtering van alle geanalyseerde biologische elementen, wat leidt tot een degradatie van de kwaliteitsklasse:

  • Van matig tot ontoereikend voor het fytobenthos (enkel bij de uitgang van het Gewest), de macro-ongewervelden en de vissen (op beide monsterlocaties). 
  • Van een goed potentieel tot een matige kwaliteit voor het fytoplankton (bij de ingang van het Gewest).

Het fytoplankton bij de uitgang van het Gewest is het enige element dat in 2019 zijn 'goed ecologisch potentieel' behoudt, ondanks een daling van zijn score. 

Veel aquatische gemeenschappen in het Kanaal worden gedomineerd door invasieve soorten, zoals de Chinese wolhandkrab (Eriocheir sinensis), de zwartbekgrondel (Neogobius melanostomus) of nog de Amerikaanse rivierkreeft (Faxonius limosus). Deze soorten staan ervoor bekend dat ze de macro-ongewervelden en in het geval van de zwartbekgrondel en rivierkreeft ook kleine vissen onder druk zetten (zie factsheet “Vissen”). De toename van het aantal Chinese wolhandkrabben in 2019 zou een verklaring kunnen zijn voor de ecologische achteruitgang in dat jaar. De zwartbekgrondel is sinds 2013 aanwezig bij de uitgang van het Gewest en werd in 2019 helaas ook bij de ingang gevangen, wat erop wijst dat hij stroomopwaarts oprukt.

De aanwezigheid van invasieve soorten is een veelvoorkomend verschijnsel in de waterwegen, die voor de levende organismen een bevoorrechte transitroute vormen en het vertrekpunt zijn van hun potentiële expansie. In het Kanaal tasten deze soorten de biologische kwaliteit in min of meerdere mate aan, maar het effect op het bereiken van het “goed ecologisch potentieel” moet nog worden gekwantificeerd.
Afgezien van invasieve uitheemse soorten zijn in het Kanaal verschillende belemmeringen voor de ontwikkeling van het aquatische leven vastgesteld: de voortdurende resuspensie van sedimenten en de golfslag door de scheepvaart. De grote diepte en het tekort aan of ontbreken van vegetatie maken het voor macro-ongewervelde dieren moeilijk om zich er te vestigen. De ontwikkeling van drijvende eilanden of begroeide oevers zou dit kunnen verhelpen, maar dit zou op grote schaal moeten worden toegepast om een echte impact te hebben op de ecologische kwaliteit van het Kanaal. Zeven begroeide vlotten met een totale oppervlakte van 224 m² werden in het voorjaar van 2022 geïnstalleerd ter hoogte van de Bruxelles Royal Yacht Club voor een test van één jaar.

De Woluwe, mooie vorderingen tussen 2016 en 2019

De toestand van de Woluwe is positief en heeft zich tussen 2016 en 2019 gunstig ontwikkeld. Deze verbetering en de relatief goede fysisch-chemische kwaliteit van het water resulteren in een verhoging van de klasse voor de macro-ongewervelden, die in 2019 een goed potentieel bereiken. De macrofyten behouden sinds 2009 een 'goed ecologisch potentieel', dankzij een mooie submerse vegetatie en een rijke oevervegetatie, met onder meer indicatoren van kwelvegetatie. Het fytobenthos scoort in 2019 iets hoger dan in 2016 maar blijft van matige kwaliteit. Het heeft echter in het verleden een goed potentieel bereikt (respectievelijk in 2009-2010 en 2013).

Het grootste minpunt van de Woluwe is de slechte kwaliteit van de biologische groep van de vissen: ze stagneren sinds 2007 op een “ontoereikend” niveau vanwege de afwezigheid van essentiële soorten zoals de snoek en de rietvoorn en een gebrekkige specifieke diversiteit. De campagne van 2019 wordt ook gekenmerkt door een daling van het aantal gevangen soorten (slechts 5) en individuen. Een positief punt is echter de aanwezigheid van een beschermde soort: de bittervoorn.
De hydromorfologische toestand van de Woluwe is inderdaad aangetast. Meer bepaald een groot aantal transversale obstakels (28 bouwwerken waarvan 23 onoverbrugbaar) verhinderen het vrije verkeer van de vissen (zie focus hydromorfologische toestand). 

De Roodkloosterbeek: een goede kwaliteit die er bovendien op vooruit gaat ... behalve voor de vissen

Afgezien van de vissen is de biologische kwaliteit van de Roodkloosterbeek bevredigend. Sommige kwaliteitsindices bereiken zelfs het “goed ecologisch potentieel”: de macro-ongewervelden sinds 2016 en de fytobenthos, die blijft in die toestand sinds 2009. 

Bovendien is er een positieve algemene ontwikkeling. Dat is vooral het geval voor de macrofyten: hoewel ze volledig afwezig waren in 2013, verschenen ze in 2016 en stijgen ze naar een matige kwaliteit in 2019. 
 
Net als in het geval van de Woluwe wordt de ecologische kwaliteit van de Roodkloosterbeek aangetast door de biologische groep van de vissen, die nog steeds een 'ontoereikende' kwaliteit vertoont. 

Het  aantal individuen en soorten is nog lager dan in de Woluwe (slechts 3 soorten gevangen in 2019, waaronder de bittervoorn). En ze lijdt nog steeds onder de afwezigheid van bepaalde essentiële soorten die representatief zijn voor een goede ecologische gezondheid van het milieu. 

De verslechterde hydromorfologie van de Roodkloosterbeek blijkt de belangrijkste hinderpaal te zijn voor de ontwikkeling van macrofyten en vissen. Submerse macrofyten kunnen zich hier niet vestigen door de sterke beschaduwing, de rechte loop van de waterloop en het kunstmatige karakter van sommige oevers. Er is een gebrek aan habitat voor vissen en er zijn belemmeringen voor hun vrije verkeer. Een van de aanbevelingen van de deskundigen is dan ook om de structuur van de Roodkloosterbeek te verbeteren door opnieuw meanders aan te leggen, de oevers te herstellen en obstakels voor het visverkeer weg te nemen.

Twee vijvers kunnen bijna aanspraak maken op een goed potentieel

De vijver van Bosvoorde en de lange vijver van het Woluwepark bereiken het goede of zelfs maximale ecologische potentieel voor verscheidene kwaliteitselementen. En deze goede resultaten houden al meer dan 10 jaar aan:

  • voor de macrofyten, 
  • voor de macro-ongewervelden 
  • en in het geval van de lange vijver, voor het fytoplankton. 

De vijver van Bosvoorde kende een sterke verslechtering van het fytoplankton tussen 2010 en 2013, en daalde van het maximale ecologische potentieel naar een matige kwaliteit. Daarom werd overgegaan tot biomanipulatie, die de fytoplanktonpopulaties lijkt te hebben hersteld, te oordelen aan de aanzienlijke verbetering die in 2016 en vervolgens in 2019 werd vastgesteld. De vijver bereikt in 2019 dus opnieuw een goed potentieel.

Het fytobenthos, dat slechts gedurende twee campagnes in deze twee vijvers werd beoordeeld, evolueert positief tussen 2016 en 2019. De vijver van Bosvoorde stijgt een kwaliteitsklasse en bereikt het goede potentieel. De lange vijver in het Woluwepark blijft van matige kwaliteit, maar heeft bijna een goed potentieel.

Goed om te weten

De biomanipulatie verwijst naar een geheel van technieken, waarvan er één bestaat uit het droogleggen in de winter (waardoor de zuurstofverrijking en mineralisatie van het slib mogelijk worden) en het gedeeltelijk of volledig verwijderen van de vissen. Wanneer de submerse vegetatie meer dan 30% van het vijveroppervlak beslaat, worden weer visetende vissen uitgezet. De biomanipulatie is een beheermaatregel die werd uitgevoerd in meerdere Brusselse vijvers. De resultaten op korte termijn blijken positief, maar de resultaten op langere termijn blijven beperkt. Een regelmatige follow-up van de biogemanipuleerde vijvers lijkt een essentiële factor voor de stabilisatie van de vastgestelde positieve effecten op langere termijn. Met andere woorden, het gaat om een win-operatie mits goede opvolging. Om meer te weten te komen over dit proces en de gevolgen ervan voor de Brusselse vijvers, zie de factsheet nr.16.

De grote Mellaertsvijver heeft een mindere ecologische kwaliteit

De grote Mellaertsvijver, die in 2019 voor het eerst werd beoordeeld, heeft een mindere kwaliteit dan de twee eerder genoemde vijvers: waterplanten (macrofyten), zowel submerse als boven het oppervlak groeiend, komen er sporadisch voor, waardoor er weinig habitats zijn voor macro-ongewervelden. De vijver bereikt niettemin een goed potentieel voor één kwaliteitselement: het fytoplankton. 

Maar in de vijvers, net als in de waterlopen, stellen de vissen het niet goed

Alle gecontroleerde vijvers hebben een ontoereikende tot slechte viskwaliteit. Wanneer dit element wordt gemeten, leidt dit onvermijdelijk tot een degradering van deze waterlichamen. De campagne van 2019 vormt daarop geen uitzondering. In de vijver van het Woluwepark is de daling van de visdichtheid (10 keer lager in 2019 dan daarvoor) echter vooral het gevolg van de biomanipulatie van 2017, die een ingreep op de vispopulaties inhield. 

De Woluwevallei is relatief vrij van invasieve soorten

De belangrijkste zorg voor het Woluwedal is de toename van de Amerikaanse rivierkreeft (Faxonius limosus). Deze soort is goed ingeburgerd in de Roodkloosterbeek, waar ze via haar dieet een negatieve invloed zou kunnen hebben op de submerse macrofyten en de vissen. Ze is ook aanwezig in de grote Mellaertsvijver, wat de slechte scores voor macrofyten en macro-ongewervelden zou kunnen verklaren. Ze lijkt echter niet ingeburgerd te zijn in de Woluwe, waar ze slechts in bepaalde jaren is gevangen, bijvoorbeeld in 2013. 

Bovendien wordt de vijver van Bosvoorde geteisterd door een andere soort rivierkreeft: de Turkse rivierkreeft (Pontastacus leptodactylus).

Andere invasieve soorten worden af en toe waargenomen. In de Roodkloosterbeek zijn in 2016 bruine dwergmeervallen (Ameiurus nebulosus) gevangen. Er zij ook op gewezen dat in 2019 in elke vijver één tot twee exemplaren van de roodwangschildpad (Trachemys scripta) werden gevangen.

De invasieve soorten vormen eveneens een groeiende bedreiging voor de ecologische toestand van de oppervlaktewaterlichamen. Een Life Riparias-project (2021-2026) betreffende hun beheer langs rivieren en in vijvers is net van start gegaan. Het is met name gericht tegen invasieve rivierkreeften, waaronder de Amerikaanse rivierkreeft. Het is de bedoeling dat de populatie tegen het einde van het project onder controle is.

Om te downloaden

Methodologische fiche(s)

  • Indicator : Biologische kwaliteit van de waterlopen en vijvers (.pdf)

Tabel(len) met de gegevens

  • Biologische kwaliteit van de waterlopen en vijvers per kwaliteitselement (.xls)

Factsheet(s)

  • 4. Normen en wettelijke referentiewaarden inzake water (.pdf)
  • 11. Brusselse waterlopen en vijvers (.pdf)
  • 12. Blauw Netwerk (.pdf)
  • 13. Brussels wettelijk kader inzake water (.pdf)
  • 16. Biologische kwaliteit van de Brusselse waterlopen en vijvers (.pdf)
  • Fauna en flora 8. Vissen (.pdf)

Fiche(s) van de Staat van het Leefmilieu

  • Groene ruimten en biodiversiteit – Invasieve uitheemse soorten

Andere publicaties van Leefmilieu Brussel

  • Interactieve kaart van de biologische kwaliteit van de waterlopen en vijvers
  • Interactieve kaart van het water in Brussel

Studie(s) en rapport(en)

  • VUB & INBO - STIERS I., AYMERE AWOKE A., VAN WICHELEN J., BREINE J., TRIEST L., maart 2021. “De biologische kwaliteit van waterlopen, kanaal en vijvers in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in 2019. Fytoplankton, fytobenthos, macrofyten, macro-invertebraten en vissen”. Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel. 111 pp.  

Plan(nen) en programma(‘s)

  • Waterbeheerplan (WBP) 2022-2027 voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, juli 2023 (.pdf)

Nuttige links

  • LIFE-Belini project
  • LIFE Riparias project

Hydromorfologische staat van de Brusselse waterlopen

Focus - Actualisering: september 2026

De hydromorfologische toestand van de belangrijkste Brusselse waterlopen werd in 2016 en vervolgens opnieuw in 2024 beoordeeld. Zoals verwacht blijkt deze sterk aangetast te zijn, met een matige tot slechte kwaliteit, behalve voor het open traject van de Woluwe, waar een gemiddelde kwaliteit wordt bereikt. Over het algemeen verhinderen oevers die door kunstmatige materialen rechtlijnig en verticaal zijn gemaakt de ontwikkeling van aquatisch en terrestrisch leven. Toch is de hydromorfologische toestand van de Woluwe en vooral van de Zenne tussen 2016 en 2024 op bepaalde plaatsen positief geëvolueerd dankzij de uitgevoerde werkzaamheden. Deze verbeteringen vertalen zich echter nauwelijks in de globale score, vooral door de overwelfde trajecten, die respectievelijk een derde van het traject van de Woluwe en twee derde van dat van de Zenne uitmaken.

Voor de verbetering van de hydromorfologische kwaliteit in de komende jaren zijn verschillende prioriteiten vastgesteld. Wat de Woluwe betreft, ligt de nadruk op het herstel van de ecologische continuïteit, aangezien deze wordt belemmerd door een groot aantal obstakels die voor vissen vaak onoversteekbaar zijn. Voor de Zenne zijn het natuurherstel van de oevers en de inrichting van de zomerbedding prioritair. Ook de aanpassing van de enige waterval zou een belangrijke troef zijn voor het herstel van de vismigratie. Wat het Kanaal betreft, een kunstmatige waterweg, zijn lokaal verbeteringen mogelijk, bijvoorbeeld door begroeide vlotten.

Wat is de hydromorfologie van een waterloop?

De hydromorfologie van een waterloop is de combinatie:

  • van de kenmerken en processen met betrekking tot de morfologie van de waterlopen (verschillen in diepte en breedte van rivieren, structuur van de bedding en de oevers),
  • hun hydrologisch stelsel (dynamiek van de waterlopen en met name hun debiet, verbinding met het grondwater),
  • en hun ecologische continuïteit (beoordeling van de natuurlijke of kunstmatige obstakels voor de vrije verplaatsing van vissen).

Hoe diverser het uitzicht en het debiet van een waterloop is, en hoe natuurlijker zijn structuur en samenstelling, hoe beter de hydromorfologische kwaliteit van de waterloop.

Ter herinnering: De Kaderrichtlijn Water en de Kaderordonnantie water leggen een milieudoelstelling vast voor de Brusselse oppervlaktewaterlichamen: het bereiken van een goede chemische toestand en een goed ecologisch potentieel. De hydromorfologische kwaliteit maakt immers deel uit van de beoordeling van de ecologische component, naast de biologische kwaliteit en de fysisch-chemische kwaliteit. Het verbeteren van de hydromorfologie van de Brusselse oppervlaktewaterenEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...). om hun rol als ecologische corridor te versterken en het wegnemen van belemmeringen voor de vismigratie zijn eveneens doelstellingen van de Europese Verordening inzake Natuurherstel en van het Renature.brussels-plan, het nieuwe gewestelijke natuurplan.

Goed om te weten

Een hydromorfologisch gezonde waterloop verbetert de waterkwaliteit dankzij de fytozuiverende eigenschappen van bepaalde planten (ook wel “zelfzuiverende capaciteit” van een waterloop genoemd) en helpt onder meer de proliferatie van blauwalgen tegen te gaan. Hij biedt gevarieerde en kwaliteitsvolle habitats die essentieel zijn voor de goede ontwikkeling en het behoud van het aquatische (en terrestrische) leven, en bevordert zo de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora).. Een hydromorfologisch gezonde waterloop is ook beter bestand tegen de druk van de natuur en/of de mens: hij kan tot op zekere hoogte bepaalde verstoringen verdragen zonder dat zijn toestand te sterk wordt aangetast.

Een door de verstedelijking aangetaste hydromorfologie

In een verstedelijkt gewest zoals Brussel-Hoofdstad is de hydromorfologische kwaliteit van de waterlopen sterk aangetast. In het verleden hebben de waterlopen talrijke wijzigingen ondergaan, met als doel de herhaaldelijke overstromingen in te dijken en de gezondheidsrisico’s voor de Brusselaars te beperken. Zo werd de Zenne overwelfd en werden een aantal van haar zijrivieren drooggelegd. Andere waterlopen ondergingen hetzelfde lot. Tegelijk werden talrijke vijvers en moerasgebieden drooggelegd en verdwenen aldus uit het Brussels landschap. Sindsdien is de verstedelijking voortdurend druk blijven uitoefenen op het hydrografisch netwerk: kanalisering, aanleg van de oevers, installatie van transversale bouwwerken zoals afdammingen, bruggen, voetgangersbruggen enz.

Vanwege deze belangrijke morfologische wijzigingen:

  • werden de Zenne en de Woluwe als sterk gewijzigde waterlichamen
  • en het Kanaal als kunstmatig waterlichaam gekwalificeerd.

Een gedetailleerde inventaris

De hydromorfologische kwaliteit van het Kanaal, de Zenne en de Woluwe werd voor het eerst beoordeeld in 2016 en vervolgens opnieuw in 2024 (studiebureau Merytherm MTBE, 2016 & Leefmilieu Brussel, 2024). De QUALPHY-methode (beoordeling van de kwaliteit van het fysisch milieu van de waterlopen), ontwikkeld voor natuurlijke wateren, werd toegepast. Deze methode meet het verschil tussen de waterloop en zijn referentiegeomorfologisch type in natuurlijke toestand, d.w.z. die wordt beschouwd als niet beïnvloed door menselijke activiteiten, voor 40 kwalitatieve en kwantitatieve parameters die verband houden met het hydrologisch stelsel, de ecologische continuïteit en de morfologische omstandigheden.

Opgelet

De verkregen resultaten moeten worden gerelativeerd omdat de Brusselse waterlichamen, die sterk veranderd of kunstmatig zijn, zeer ver verwijderd zijn van de natuurlijke toestand waarmee ze worden vergeleken! Een herziening van de methode voor de beoordeling van de hydromorfologische kwaliteit, waarbij rekening wordt gehouden met deze wijzigingen, is overigens voorzien in het Waterbeheerplan 2028-2033, teneinde een representatiever beeld te geven van de huidige en de haalbare toestand.

Zoals de QUALPHY-methode voorschrijft, werden de Brusselse waterlopen in 2016 opgedeeld in homogene segmenten volgens hun natuurlijke en antropogene kenmerken, op basis van cartografische en bibliografische gegevens. In 2024 werd deze opdeling voor de Zenne en de Woluwe herzien, in overeenstemming met de beheereenheden van Leefmilieu Brussel. De scores van 2016 werden daarom herberekend op basis van deze nieuwe indeling:

  • Het Kanaal heeft een vrij eenvormige morfologie. Daarom werden twee segmenten in open bedding van 500 m lang onderzocht, die als representatief voor het geheel van de bevaarbare waterweg worden beschouwd: een aan de ingang van het gewest (Anderlecht) en een aan de uitgang (Haren).
  • De Zenne werd verdeeld in 34 segmenten, waarvan 17 in open bedding (met een totale lengte van 4,94 km, zijnde 34% van zijn totale lengte) en 17 ondergronds (in totaal 9,69 km).
  • De Woluwe werd opgedeeld in 39 beheersegmenten, van de vijver van Bosvoorde tot de uitgang van het gewest, waarvan 31 in open bedding (met een totale lengte van 4,49 km, zijnde 64% van zijn totale lengte) en 8 ondergronds (in totaal 2,50 km).

Elk segment wordt beoordeeld aan de hand van een terreininventarisatie, waarbij aan elk van de 40 te analyseren parameters een score wordt toegekend. Vervolgens wordt een kwaliteitsindex berekend:

  • Voor het segment,
  • Evenals voor de drie compartimenten ervan, namelijk de zomerbedding, de oevers en de winterbedding;

En voor de waterloop als geheel, door het gemiddelde te nemen van de indexen van de verschillende segmenten, gewogen volgens hun respectievelijke lengte.

Schema van de drie componenten van een waterloop: zomerbedding, oevers en winterbedding

Bron: ©www.eaufrance.fr (zomerbedding = lit mineur, oevers = berges, winterbedding = lit majeur)

De kwaliteitsindex ligt tussen 0% (volledig kunstmatig) en 100% (natuurlijke toestand, geen enkele aantasting ten opzichte van zijn geomorfologisch referentietype). Er zijn vijf kwaliteitsklassen mogelijk:

Goed om te weten

Ondergrondse segmenten krijgen automatisch een score van 0% vanwege de eenvormigheid van de zomerbedding, de “geblokkeerde” oevers en de verstedelijking van de winterbedding. In de overwelfde delen verhindert het gebrek aan licht de ontwikkeling van vegetatie. Nochtans:

  • de Woluwe is over een derde van haar traject overwelfd;
  • de Zenne is over twee derde van haar traject overwelfd.

Een inventaris van de obstakels voor de vismigratie

De ecologische continuïteit vormt een van de belangrijke aspecten van de hydromorfologie van waterlopen. Zijn wordt beoordeeld aan de hand van de Ecologische Continuïteitsindex (ECI), die elk geïnventariseerd obstakel classificeert naar oversteekbaarheid, gebaseerd op :

  • de hydraulische kenmerken van de structuur (valhoogte, diepte van de put enz.)
  • en de capaciteiten van de inheemse en migrerende vissoorten die na het herstel verwacht worden (spronghoogte, maximale zwemsnelheid enz.).

De ECI-index focust op obstakels voor longitudinale migratie (d.w.z. in de richting van de waterloop, en niet van de ene oever naar de andere), en meer in het bijzonder voor de vistrek, d.w.z. verplaatsingen in stroomopwaartse richting, omdat dit over het algemeen de migratierichting is die het meest wordt verstoord door menselijke ingrepen.

Ten slotte wordt er een globale ICE-klasse (oversteekbaar, periodiek oversteekbaar of onoversteekbaar) aan het bouwwerk toegekend door de ICE-indices van de verschillende groepen vissen te combineren (een gemiddelde dat kan worden genuanceerd op basis van het oordeel van een expert).

Waarom de vrije vismigratie herstellen?

De kunstwerken, zowel transversaal (bruggen, afdammingen, drempels, ...) als longitudinaal (dijken, aangelegde oevers, ...) hebben verschillende negatieve effecten:

  • Ze kunnen het hydrografisch netwerk versnipperen en de longitudinale en transversale verplaatsing van de soorten naar gebieden die noodzakelijk zijn voor het voltooien van hun levenscyclus belemmeren (voeding, groei en voortplanting).
  • Ze beïnvloeden het hydrologisch stelsel omdat ze de helling of de afwatering van de waterloop en dus zijn debiet wijzigen. Daardoor ontstaan zones met stilstaand water die de fysisch-chemische kwaliteit van het milieu verminderen omdat ze een negatieve impact hebben op bijvoorbeeld de temperatuur of de hoeveelheid opgeloste zuurstof. Deze zones met stilstaand water bevorderen ook de accumulatie van voedingselementen die tot een verrijking van het milieu leiden - dit verschijnsel wordt eutrofiëringOvermatige toevoer van voedingsstoffen in het water, met als gevolg een woekering van de vegetatie, zuurstofvermindering en onevenwicht van het ecosysteem. genoemd - en dus uiteindelijk tot de overdreven groei van bepaalde soorten (voornamelijk algen en macrofyten).

Ten slotte, blokkeren de kunstwerken de stroom van sedimenten, waardoor sedimenten zich stroomopwaarts ophopen. De bedding en de oevers van de benedenloop kunnen eroderen waardoor de noodzakelijke habitats voor het waterleven verdwijnen.

Resultaten: een sterk gedegradeerde hydromorfologische toestand

De hydromorfologie van het Brussels hydrografisch netwerk weerspiegelt de stedelijke context waarin het zich bevindt. Zoals te verwachten is, wijken de Brusselse oppervlaktewaterlichamen zeer sterk af van de natuurlijke referentietoestand waarmee ze volgens de QUALPHY-methode worden vergeleken:

  • De Zenne (13%) en het Kanaal (17%) worden ingedeeld in de categorie slechte hydromorfologische kwaliteit;
  • De Woluwe (34%) wordt ingedeeld in de categorie ontoereikende hydromorfologische kwaliteit.
  • Wanneer enkel rekening wordt gehouden met de open segmenten, stijgen de Zenne (39%) en de Woluwe (53%) met één kwaliteitsklasse.

QUALPHY-index van de hydromorfologische kwaliteit van alle segmenten (boven) en uitsluitend van de segmenten in open bedding (onder)

Bron: Leefmilieu Brussel, 2024

Wanneer we alleen naar de open gedeelten kijken, heeft de Woluwe over het geheel genomen een matige hydromorfologische kwaliteit (53%). De toestand van de oevers wordt dan als goed beoordeeld (met een index van 77%), terwijl de toestand van de winterbedding als matig wordt beoordeeld (53%), maar die van de zomerbedding ontoereikend blijft (36%). Deze verstoring van de waterloop is voornamelijk te wijten aan de waterbouwkundige ontwikkelingen die de Woluwe tot op heden heeft ondergaan als gevolg van de toenemende verstedelijking: rechttrekken van de bedding, standaardisatie van de oevers en stroomfaciës, waardoor de vegetatie zich enkel aan de voet van deze oevers kan ontwikkelen, aanwezigheid van structuren zoals stuwen of onoversteekbare dammen enz.

De overwelfde segmenten, die ongeveer een derde van de totale lengte van de Woluwe vertegenwoordigen, hebben een slechte kwaliteit.

Daardoor daalt de globale index van de Woluwe naar de categorie ontoereikende hydromorfologische kwaliteit. Ook de specifieke index van de zomer- en winterbedding gaat achteruit, terwijl de specifieke index van de oevers terugvalt naar een matige kwaliteit.

Een van de grootste knelpunten van de Woluwe is haar ecologische (dis)continuïteit: er zijn met name 12 kunstwerken geïnventariseerd in zijn hoofdtracé (d.w.z. tussen de vijver van Bosvoorde en het verlaten van het gewest). De meeste zijn kleppen, ook verlaten genoemd, die worden gebruikt om het waterpeil van de vijvers die ermee in verbinding staan te regelen. Van deze 12 structuren:

  • worden er niet minder dan 9 beschouwd als onoversteekbare obstakels voor vissen (Ecologische Continuïteitsindex ECI 0)
  • en 1 als periodiek oversteekbaar (ECI 0,33 of 0,66).
  • De overige 2 structuren zijn steeds oversteekbaar (ECI 1); het zijn mobiele kleppen die open worden gehouden (behalve bij onderhoudswerkzaamheden).

Deze talrijke obstakels voor de vismigratie verklaren grotendeels waarom de biologische kwaliteitsklasse van de visgemeenschap blijft steken op een ontoereikende (of zelfs slechte) toestand en vormen een systematische beperkende factor voor de globale biologische kwaliteit van de Woluwe (zie de indicator over de biologische kwaliteit van de voornaamste waterlopen en vijvers ). De sterke artificialisering van de waterloop, die de ontwikkeling van vegetatie belemmert, vertaalt zich eveneens in een ontoereikende tot matige kwaliteit voor deze biologische groep (namelijk de macrofyten). De fysisch-chemische waterkwaliteit van de Woluwe nadert daarentegen geleidelijk de goede toestand, al blijft het gehalte aan opgeloste zuurstof gedurende een deel van het jaar nog te laag (zie de indicator over de fysisch-chemische kwaliteit van het oppervlaktewater). Om de biologische kwaliteit van de Woluwe verder te verbeteren, is daarom eerst een herstel van de hydromorfologie van de waterloop noodzakelijk.

Inventaris 2024 van de oversteekbaarheid van obstakels in de Woluwe, de Zenne en het Kanaal

Bron: Leefmilieu Brussel, 2026 - inventarisatie van het hoofdtraject (exclusief zijwaterlopen)

 

Twee derde van het Brusselse traject van de Zenne is overwelfd. Als gevolg van die overwelving zijn de betrokken segmenten van slechte hydromorfologische kwaliteit en dat heeft een negatieve invloed op de algemene toestand van het waterlichaam, die eveneens als slecht wordt beoordeeld (13%).

Voor wat de Zenne in open bedding betreft (in Anderlecht, Schaarbeek en Haren), is er sprake van een sterke uniformiteit van de habitat, die de ontwikkeling van het aquatische leven en de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). beperkt:

  • De meeste meanders werden rechtgetrokken, wat resulteert in een sterke uniformiteit van de stroomfaciës en een gebrek aan kronkelingen, met een structureel gebrek aan gediversifieerde habitats tot gevolg.
  • De sterk verstedelijkte oevers bestaan dikwijls uit materialen zoals beton, beschoeiingsplanken of metaal en zijn momenteel dus weinig begroeid.
  • De winterbedding wordt hierdoor sterk beïnvloed want ze is vaak ondoorlaatbaar gemaakt en zeer sterk verstedelijkt, en verbonden waterpartijen zijn zeldzaam.

Alleen in de open gedeelten verkeert de Zenne bijgevolg in een ontoereikende toestand (39%), net als de zomerbedding (38%) en de winterbedding (31%). Alleen de oevers verkeren in een matige toestand (49%).

In de Zenne werd slechts één obstakel voor de vistrek vastgesteld maar dit werd als onoversteekbaar beoordeeld voor de vistrek: een waterval aan het begin van de koker in het stadscentrum (ter hoogte van de Veeartsenstraat).

De Zenne is over twee derde van haar Brusselse traject overwelfd

Bron: ©Vivaqua & Duseigne

Over het geheel genomen is de hydromorfologische toestand van het Kanaal slecht: het behaalt een score van 17%, wat iets hoger is dan die van de Zenne (+4 procentpunten).

  • De zomerbedding is het enige compartiment dat de categorie ontoereikende kwaliteit bereikt (22%).
  • De oevers vertonen een slechte hydromorfologische kwaliteit (18%): Omdat de oevers geen structuren hebben waar vegetatie kan gedijen, is er zo goed als geen habitatdiversiteit voor de ontwikkeling van een functioneel aquatisch ecosysteemGeheel van de planten- en dierengemeenschappen in een territorium, beschouwd in hun wisselwerking met de milieufactoren..
  • De winterbedding behaalt een zeer lage score (11%), door de hoge mate van artificialisering van de bodem, die nodig is voor het gebruik van het Kanaal als bevaarbare waterweg.
  • Het Kanaal bevat niet zulke grote obstakels voor de trek als de Woluwe en de Zenne; de twee sluizen worden als periodisch oversteekbaar beschouwd, aangezien ze regelmatig opengaan voor schepen.

Welke evoluties zijn er ten opzichte van de vorige hydromorfologische inventarisatie?

Als we de hydromorfologische kwaliteit van de Woluwe vergelijken tussen 2016 en 2024, zien we een zeer lichte gunstige trend: de globale index (segmenten in open bedding en ondergronds) is met +0,7 procentpunt gestegen (van 33,3 naar 34,0%). Deze evolutie is het gevolg van een verbetering op het niveau van de zomerbedding (+1,5 procentpunt) en de oevers (+0,4 procentpunt), terwijl de winterbedding stabiel is gebleven.

Tijdens deze periode werden immers 10 open segmenten gewijzigd, over een totale lengte van iets meer dan 3 km. De globale index, beperkt tot deze 10 trajecten, is met 2 procentpunt gestegen. De drie trajecten waarop de meest ingrijpende inrichtingswerken werden uitgevoerd, zijn de volgende:

  • de 500 m op de halfnatuurlijke locatie Hof ter Musschen (+2,7 procentpunten), die werd geruimd om de stromingvariabiliteit en diepte te verbeteren en holtes onder de oevers te creëren;
  • de 200 m in het Slotpark (+4,1 punten) waar de oevers werden beplant met wilgenhoutmatten en ingezaaide schanskorven (lichte sinuositeit, groei van helofyten);
  • of de 140 m in Appelbloesemgaarde (+3,9 punten), waar de zomerbedding werd versmald (verhoging van het waterniveau en de stroomsnelheid), de oeverstructuur werd heraangelegd (beschoeiing) en er werden aanplantingen gedaan (met name ter bestrijding van de Japanse duizendknoop, een invasieve exotische soortNiet-inheemse, ingevoerde soort. Tegengesteld aan een inheemse soort.).

Op het volledige traject laat de Zenne, net als de Woluwe, ten opzichte van 2016 een gunstige evolutie van haar hydromorfologische kwaliteit zien: +1,2 procentpunt voor de zomerbedding, +1,0 procentpunt voor de oevers en +0,5 procentpunt voor de zomerbedding. Dit resulteert in een stijging van +0,9 procentpunt van de globale index (van 12,3 naar 13,2%). Als enkel rekening wordt gehouden met de ingerichte trajecten, stijgt deze vooruitgang tot +5 procentpunten.

Inderdaad zijn er tussen 2016 en 2024 omvangrijke structurele werken uitgevoerd:

  • De meest spectaculaire verbetering (+44,5 punten) betreft de openlegging en het herstel van de oevers van een 200 m lang stuk in het noorden van Brussel, ter hoogte van de Vilvoordselaan, net vóór het waterzuiveringsstationInstallatie waar vervuild water weer zuiver wordt gemaakt. Noord: de terrasvorm van de oevers is hersteld met natuurlijke materialen en oevervegetatie. De bedding heeft nu een gevarieerder debiet (meer informatie over de heropening van de noordelijke Zenne is te vinden op deze webpagina van het Belini-project ).
  • Onmiddellijk stroomafwaarts van de Van Praet-brug vertoonde een traject van 300 m een stijging van de index, zij het in mindere mate (+3,7 punten), door te ruimen en kribben in de bedding aan te brengen (om de diepte en stroomfaciës te diversifiëren) en door natuurlijke substraten te gebruiken voor de oevers.
  • Ten zuiden van Brussel (Anderlecht) langs de Paepsemlaan werd er een tijdelijk overstromingsgebied gecreëerd dat verbonden is met de Zenne (+4,2 punten) en werden de oevers vernatuurlijkt over 100 m op de linkeroever en ongeveer 250 m ter hoogte van deze overstromingszone (+5,0 punten; plaatsing van kribben, aanplant van oevervegetatie en helofieten, bestrijding van Japanse duizendknoop) (meer informatie over de werkzaamheden aan de zuidelijke Zenne in 2020 is te vinden op deze webpagina van het Belini-project ).

Het opnieuw openleggen van de Zenne en de vernatuurlijking van haar oevers ten noorden van Brussel hebben de hydromorfologische index van dit traject met 44,5 procentpunt doen toenemen

Bron: Foto’s uit de Belini-website: vóór de werkzaamheden (links) / na de werkzaamheden (rechts), 2022

De vernatuurlijking van de oevers en de aanleg van een tijdelijke overstromingszone langs de Zenne ten zuiden van Brussel hebben geleid tot een stijging van de hydromorfologische index van deze twee compartimenten met 4 tot 5 procentpunt.

Bron: Foto’s uit de Belini-website: na de werkzaamheden (rechts), 2020

Opgelet

Of het nu om de Woluwe of de Zenne gaat, de hydromorfologische verbetering van een specifiek traject, zelfs wanneer die aanzienlijk is, heeft slechts een beperkte invloed op de globale hydromorfologische score op het niveau van het waterlichaam. Dit kan worden verklaard door:

  • het grote aandeel van overwelfde trajecten, die zwaar doorwegen in de globale index (1/3 van de totale lengte voor de Woluwe en 2/3 voor de Zenne);
  • de zeer ambitieuze referentietoestand waarmee de waterlichamen in de huidige methode worden vergeleken, namelijk natuurlijke omstandigheden;
  • de uiterst beperkte mogelijkheden voor verbetering van de sterk verstedelijkte overstromingsvlakte, die één van de drie componenten vormt voor de berekening van de index.

Daartegenover staat dat deze hydromorfologische verbeteringen lokaal belangrijke ecologische voordelen opleveren en bijdragen aan de positieve evolutie van de biologische kwaliteit van de waterlopen (zie indicator over de biologische kwaliteit ).

Woluwe: herstel van de ecologische continuïteit als prioriteit

De Woluwe lijkt op het eerste gezicht de waterloop met het grootste verbeteringspotentieel gezien de wat minder verstedelijkte context. Maar werd in het verleden al aanzienlijk geïnvesteerd: er werden opnieuw meanders aangelegd, er werd een slibruiming uitgevoerd en meerdere overwelfde segmenten werden weer in open bedding gebracht (bijvoorbeeld de 400 meter tussen het Ter Bronnenpark en de Lindekemalemolen tussen 2000 en 2003 of de 840 meter tussen 2016 en 2024 - zie details hierboven). En de kosten-batenverhouding van de uit te voeren werken is vaak vrij hoog. De openlegging van nog overwelfde segmenten is bijzonder duur. Het opnieuw openleggen van de Woluwe ter hoogte van het Royale Belge-gebouw aan de Vorstlaan is echter gepland tegen eind 2027 (meer informatie over dit project op de Royale Belge-site  op onze website).

Aangezien het zwarte punt voor de hydromorfologie van de Woluwe berust in de talrijke obstakels voor de vistrek, wordt hun verwijdering of geleidelijke aanpassing momenteel onderzocht om het hoofdtracé oversteekbaar te maken: structuren die geen nut meer hebben verwijderen, stuwen verlagen of oversteekplaatsen aanleggen wanneer er geen andere ingrepen mogelijk zijn, zijn mogelijkheden om de longitudinale ecologische continuïteit minstens gedeeltelijk te herstellen. De haalbaarheidsstudie werd uitgevoerd in 2023-2024. Daarbij werden vier prioritaire locaties geïdentificeerd: de Singelijnschool, de Lindekemalemolen, de overstort in de Stationsstraat en de ronde vijver van het Woluwepark. De werken starten in 2026-2027 met de verwijdering van de drempel ter hoogte van de Singelijnschool. Vervolgens zullen de ingrepen stapsgewijs stroomopwaarts worden voortgezet langs ten minste één tak, met de Lindekemalemolen in 2027 en idealiter verder tot aan de Mellaertsvijvers.

De ontwikkeling van inheemse vegetatie op de oevers bevorderen, kan overigens ook een transversale continuïteit herstellen.

Ter hoogte van de watervallen van de Singelijnschool en de Lindekemalemolen zijn vistrappen gepland

Bronnen: Watervallen van 0,3 m ter hoogte van de Singelijnschool (links) en van 1,6 m bij de Lindekemalemolen (rechts) © Gemeente van Sint-Lambrechts-Woluwe

Zenne: prioriteit voor het natuurherstel van de oevers

Voor de Zenne is het van essentieel belang de verbetering van de hydromorfologische kwaliteit verder te zetten:

  • Hoewel het niet realistisch is om de Zenne over de hele lengte open te leggen, hebben studies aangetoond dat dit mogelijk is in het Maximiliaanpark, in het centrum van Brussel, over een segment van ongeveer 600 meter.
  • Hoewel ook het natuurherstel van de oevers complex blijkt te zijn, vanwege de sterk verstedelijkte omgeving, is dit een prioriteit voor de diversificatie van de habitats, net zoals het herstel van de zomerbedding (meer bepaald van de stroomfaciës). Zo zal dit vanaf 2027 over enkele honderden meters ten noorden van Brussel, langs de Vilvoordselaan, worden uitgevoerd.
  • Daarnaast zijn de mogelijkheden voor de aanpassing van de waterval (het enige obstakel voor vismigratie in de Zenne) bestudeerd in 2022. Er moet nog worden bepaald hoe deze werkzaamheden in toekomstige projecten kunnen worden geïntegreerd.

Goed om te weten

In het bekken van de Zenne is de verstedelijking van zowel de zomer- als de winterbedding groter dan in het bekken van de Woluwe, wat de mogelijkheden voor veranderingen verder beperkt. In het algemeen is het erg moeilijk om werken uit te voeren aan de winterbedding van de Brusselse waterlichamen. Omgekeerd is de zomerbedding vaak het element waarop het gemakkelijkst kan worden gewerkt, bijvoorbeeld door de bochtigheid van de bedding te verbeteren of door de afvloeiing te variëren met behulp van kribben. Zwaardere ingrepen (zoals het uitgraven van de zomerbedding of het openleggen van de bedding) stuiten daarentegen op aanzienlijke beperkingen. Gezien al deze stedenbouwkundige randvoorwaarden is de verbetering van de algemene hydromorfologische toestand van de Brusselse waterlichamen dan ook een langetermijndoelstelling.

Kanaal: lokaal potentieel voor verbetering

Het Kanaal werd door mensen aangelegd om goederen te vervoeren en is een kunstmatig waterlichaam. Het verbeteren van de hydromorfologische kwaliteit vormt een grote uitdaging vanwege de belangrijke beperkingen die de scheepvaart met zich meebrengt (golfslag, aanmeren, laden en lossen van materialen). Rekening houdend met deze beperkingen bestaat er echter lokaal een verbeteringspotentieel door in te spelen op de hydromorfologische omstandigheden.

Zo werden langs de oevers van het Kanaal reeds begroeide vlotten aangelegd om de lokale omstandigheden voor het aquatische (en terrestrische) leven te verbeteren:

  • Zeven begroeide vlotten met een totale oppervlakte van 224 m2, aangelegd in 2022 ter hoogte van de Brussels Royal Yacht Club in het kader van een eenjarig project; vandaag nog steeds aanwezig.
  • Vijf bijkomende begroeide vlotten met een totale oppervlakte van 236 m2, geplaatst in 2024 op drie verschillende locaties: in het Becodok (55 m²), ten noorden van de Jules De Trooz-brug (75 m² en 40 m²) en ter hoogte van de Brussels Cruise Terminal (2x33 m²) (meer informatie in dit nieuws van de Haven van Brussel uit 2024 ).

Hoewel deze installaties een uiterst beperkte impact hebben op de hydromorfologie van deze waterweg over haar volledige lengte van 14 km (tussen 2016 en 2024 werd geen evolutie van de score vastgesteld), zijn de begroeide vlotten zeer interessant vanuit het oogpunt van de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). (zie de indicator over de biologische kwaliteit van het oppervlaktewater ). De Haven van Brussel bestudeert andere locaties voor de installatie van vlotten, evenals de mogelijke herinrichting van een oever in het zuiden van Brussel.

Begroeide vlotten verbeteren lokaal de hydromorfologie van het Kanaal

Bronnen: Structuur van een begroeid vlot vóór de tewaterlating (links) © Haven van Brussel ; geïnstalleerd vlot ter hoogte van de BRYC (rechts) © Ecorce

Good om te weten

Begroeide vlotten of drijvende eilanden bestaan uit een gedeelte boven water dat bedekt is met waterplanten, interessant voor insecten en vogels. Ze omvatten ook onderwaterkooien die bevorderlijk zijn voor het leven en de voortplanting van vissen, amfibieën en ongewervelden (met name schaaldieren). Deze kooien bieden de aquatische fauna immers schuilplaatsen, een voedselbron en bescherming tegen predatoren. In Brussel zijn begroeide vlotten te vinden in het Kanaal, maar ook in verschillende vijvers (Koninklijke Visserij, Tercoigne, Mellaerts, …).

Om te downloaden

Factsheet(s)

  • 11. Brusselse waterlopen en vijvers (.pdf)
  • 16. Biologische kwaliteit van de Brusselse waterlopen en vijvers (.pdf)
  • Fauna en flora 8. Vissen (.pdf)

Studie(s) en rapport(en)

  • MeryTherm, 2016-2017. “Analyse de l’état hydromorphologique de la Senne, du Canal et de la Woluwe en Région de Bruxelles-Capitale et inventaire des obstacles à la migration des poissons”. Studie in opdracht  van Leefmilieu Brussel (enkel in het Frans)
    • « Rapport 1 : Revue bibliographique et synthèse des méthodes existantes », juni 2016. 31 pp. (.pdf)
    • « Rapport 2 : Développement de la méthode », november 2016. 100 pp. (.pdf)
    • « Rapport 3 : Résultats et Analyses », april 2017. 135 pp. (.pdf)

Plan(nen) en programma(‘s)

  • Waterbeheerplan (WBP) 2022-2027 voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, juli 2023 (.pdf)
  • Voorbereidend document voor het Waterbeheerplan van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 2028-2033, maart 2025 (.pdf)
  • Renature.brussels-Plan, Gewestelijk Natuurplan, in voorbereiding (.html)

Nuttige links

  • Project LIFE BELINI
  • Haven van Brussel, news van 26/04/2022 “Eerste begroeide vlotten in de voorhaven van de Haven van Brussel” & van 23/04/2024 “Installatie van meer dan 200 m2 extra begroeide vlotten”

Emissies van verontreinigende stoffen naar het oppervlaktewater

Focus - Actualisering: mei 2026

De emissie-inventaris bevestigt de grote invloed van de bevolking, de bedrijven en de winkels op de waterkwaliteit. Ook toont het de doorslaggevende rol van de lozingen van waterzuiveringsstations en van de stormoverstorten in de aanvoer van polluenten naar de Zenne en het Kanaal. De Zenne is veruit het meest blootgesteld: ongeacht de stof ontvangt ze bijna 90% van de nettovuilvracht van Brussel. Onder de zorgwekkende verontreinigende stoffen bevinden zich 18 Europese prioritaire stoffen, waaronder heel wat opkomende verontreinigende stoffen. Organisch materiaal, zwevende deeltjesMicroscopische stoffen die in suspensie in de lucht of het water verkeren. De giftigheid van de zwevende deeltjes in de lucht is voornamelijk te wijten aan de deeltjes met een doorsnede kleiner dan 10 µm terwijl de grotere deeltjes ter hoogte van de neus en de hogere luchtwegen worden gestopt en verwijderd. De zwevende deeltjes in het water worden door verschillende procédés in de zuiveringsstations verwerkt. en nutriënten vervuilen ook ons oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...)., hoewel ze grotendeels door de waterzuiveringsstations worden behandeld.

Emissies van bijna 100 stoffen geïnventariseerd

Het Brussels Gewest heeft zijn “emissie-inventaris” voor de referentiejaren 2022-2023-2024 bijgewerkt. Dit instrument identificeert en, waar mogelijk, kwantificeert de emissies van 93 polluenten op het volledige gewestelijke grondgebied en naar de drie voornaamste waterlopen: de Zenne, het Kanaal en de Woluwe. Daaronder bevinden zich de 77 Europese prioritaire en prioritaire gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen in Richtlijn (EU) 2026/805.

De concentraties in biota (weefsels van levende organismen) en in sedimenten worden ook geanalyseerd, omdat bepaalde lipofiele verontreinigende stoffen de neiging hebben zich daarin op te hopen en vanuit sedimenten opnieuw in de waterkolom kunnen vrijkomen.

Dit maakt het mogelijk om het volgende op te sporen:

  • de probleemstoffen in het Brussels Gewest;
  • de weg waarlangs deze verontreinigende stoffen in het oppervlaktewater komen;
  • de vuilvrachten die de Zenne, het Kanaal en de Woluwe ontvangen
  • en de specifieke bijdrage van het Brussels Gewest.

Welke verontreinigende stoffen zijn opgenomen in de inventaris?

  • 37 Europese prioritaire en 40 prioritaire gevaarlijke stoffen waarvan de lozingen respectievelijk verminderd of beëindigd moeten worden, overeenkomstig de Europese verplichting om voor deze stoffen een  inventaris op te stellen (cf. artikel 5 en bijlage I van de richtlijn 2008/105/EG en de indicator over de chemische kwaliteit van het oppervlaktewater). De emissie-inventaris 2022-2023-2024 houdt rekening met de stoffen die zijn opgenomen in de wijzigingsrichtlijn van 2026 . Daarbij werden 25 nieuwe prioritaire stoffen aangewezen, waaronder verschillende bestrijdingsmiddelen en  opkomende verontreinigende stoffen (zoals geneesmiddelen en PFAS).
     
  • 6 potentieel zorgwekkende verontreinigende stoffen op het niveau van de stroomgebieden, de zogenaamde specifieke stoffen (RBSP – River Basin Specific Pollutants) omdat ze in aanzienlijke hoeveelheden worden geloosd. Het gaat om 4 voormalige prioritaire stoffen die door de herziening van de richtlijn van 2026 werden gedeclasseerd (alachloor, tetrachloorkoolstof, chloorfenvinfos en simazine), 1 herbicide (atrazine) en 1 industriële stof (trichloorbenzeen).
     
  • 1 bijkomende specifieke verontreinigende stof voor het stroomgebied van de Schelde: polychloorbifenylen  PCB, een familie van industriële stoffen.
     
  • 9 andere klassieke verontreinigende stoffen uit afvalwaterWater dat in huishouding of industrie dienst heeft gedaan en gewoonlijk met verschillende stoffen beladen is. die de toestand van onze oppervlaktewaterenEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...). verslechteren, zoals organisch materiaal (chemisch zuurstofverbruik), zwevende deeltjesMicroscopische stoffen die in suspensie in de lucht of het water verkeren. De giftigheid van de zwevende deeltjes in de lucht is voornamelijk te wijten aan de deeltjes met een doorsnede kleiner dan 10 µm terwijl de grotere deeltjes ter hoogte van de neus en de hogere luchtwegen worden gestopt en verwijderd. De zwevende deeltjes in het water worden door verschillende procédés in de zuiveringsstations verwerkt. en nutriënten (stikstof, fosfor, nitraten, orthofosfaten enz.).

Hoe worden de emissies beoordeeld?

De beoordeling is gebaseerd op een combinatie van twee methodologieën (zie methodologische fiche).

De eerste methode is het WEISS-model, dat de emissies beoordeelt van meer dan 86 verontreinigende stoffen naar de Zenne, het Kanaal en de Woluwe, zowel op gewestelijke schaal als voor op elk punt van het gewestelijke grondgebied. Dit model, dat stap voor stap de afgelegde weg van elke polluent in kaart brengt van de bron tot zijn aankomst in het hydrografisch netwerk, is gebaseerd op metingen op het terrein en simulaties. Voor elke verontreinigende stof waarvan de emissies konden worden berekend, beschikken we over:

  • De bruto-emissies, d.w.z. hoeveelheden die aan de bron worden geproduceerd, zowel puntbronnen als diffuse bronnen;
  • Preferentiële banen voor de overdracht en de verontreiniging van het oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...).;
  • De netto-emissies naar het oppervlaktewater, dat wil zeggen het gedeelte van de bruto-emissies en de jaarlijkse belasting die effectief in de waterloop terechtkomen en die een invloed zullen hebben op de concentraties van polluenten in de waterkolom, het slib of nog de biota.

De tweede methode beoordeelt de gewestelijke emissies door een berekening te maken van de inkomende en uitgaande vrachten aan de gewestelijke grenzen, op basis van concentraties en stromen die worden gemeten in de wateren van de Zenne, het Kanaal en de Woluwe.

Voor sommige verontreinigende stoffen is de beoordeling onvolledig of onmogelijk (door gebrek aan gegevens enz.). Bovendien worden niet alle verontreinigende stoffen opgenomen in elk van deze 2 methodologieën.

Welke Europese prioritaire stoffen worden in grote hoeveelheden uitgestoten?

  • Een opgelost metaal, nikkel, vertegenwoordigt veruit de grootste jaarlijkse verontreinigingsvracht die door Brussel wordt aangevoerd: 411 kg/jaar, of ongeveer tien keer meer dan de andere stoffen.
  • Industriële stoffen en geneesmiddelen domineren de ranglijst, met respectievelijk vijf en vier vertegenwoordigers in de top 12.
  • Een ander opgelost metaal, lood, en het pesticide glyfosaat worden ook in grote hoeveelheden uitgestoten in Brussel.

De 12 Europese prioritaire stoffen met de hoogste netto uitgestoten vrachten

Bron: Leefmilieu Brussel, 2026, op basis van de inventaris van de netto-emissies naar het oppervlaktwater (referentiejaren 2022-2023-2024)
Grafiek: De 12 Europese prioritaire stoffen met de hoogste netto uitgestoten vrachten

Lees de transcriptietekst

De 12 Europese prioritaire stoffen, waarvoor de netto vrachten die door Brussel worden aangevoerd het hoogst zijn, zijn in aflopende volgorde:

  • Nikkel (metaal): 411 kg/jaar.
  • Di(2-ethylhexyle)-ftalaat (industriële stof): 56 kg/jaar,
  • Trichloormethaan (industriële stof): 46 kg/jaar,
  • Bisfenol-A (industriële stof): 42 kg/jaar,
  • Diclofenac (farmaceutisch product): 37 kg/jaar,
  • Carbamazepine (farmaceutisch product): 31 kg/jaar,
  • Glyfosaat (pesticide – herbicide): 25 kg/jaar,
  • Lood (metaal): 18 kg/jaar,
  • Claritromycine (farmaceutisch product - antibiotica): 18 kg/jaar,
  • 4-nonylfenol (industriële stof): 15 kg/jaar,
  • Ibuprofen (farmaceutisch product): 12 kg/jaar,
  • Naftaleen (industriële stof): 10 kg/jaar.

Opgelet

De hoeveelheid verontreinigende stoffen is niet het enige criterium waarmee rekening moet worden gehouden bij het beoordelen van de impact op het aquatische milieu of de gezondheid. Terwijl sommige chemische verbindingen in kleine hoeveelheden a priori weinig schadelijk zijn voor het milieu of de gezondheid (bv.: nikkel), zijn andere al in zeer kleine dosissen giftig (bv.: bisfenol-A, 4-nonylfenol). Aan de andere kant is een verbinding die in grote hoeveelheden wordt uitgestoten waarschijnlijk zorgwekkend. Van de 12 stoffen met de hoogste emissie in Brussel, overschrijden er 6 de milieukwaliteitsnormen: nikkel, bisfenol-A, diclofenac, claritromycine, 4-nonylfenol en ibuprofen.

Stoffen behandeld door waterzuiveringsstations: hoge netto-emissies

De twee waterzuiveringsstations van het Brussels Gewest verwijderen jaarlijks tussen 90% en 95% van de inkomende bruto-vrachten aan zwevende deeltjesMicroscopische stoffen die in suspensie in de lucht of het water verkeren. De giftigheid van de zwevende deeltjes in de lucht is voornamelijk te wijten aan de deeltjes met een doorsnede kleiner dan 10 µm terwijl de grotere deeltjes ter hoogte van de neus en de hogere luchtwegen worden gestopt en verwijderd. De zwevende deeltjes in het water worden door verschillende procédés in de zuiveringsstations verwerkt. en organisch materiaal, hoewel het verwijderingsrendement voor het chemisch zuurstofverbruik lager ligt. Wat de nutriënten betreft, ligt het jaarlijks verwijderingsrendement eerder rond 80% (zie de indicator over afvalwaterzuivering ).

De netto-emissies naar het oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...). zijn echter verre van verwaarloosbaar: bijna 3.800 ton/jaar voor chemisch zuurstofverbruik, 600 ton/jaar voor biologisch zuurstofverbruik, 2.500 ton/jaar voor zwevende deeltjes, 1.100 ton/jaar voor stikstof en tot slot iets minder dan 100 ton/jaar voor fosfor.

Elk jaar worden duizenden tonnen organisch materiaal, zwevende deeltjes en nutriënten in het Brusselse oppervlaktewater geloosd

Bron: Leefmilieu Brussel, 2026, uitreksel van de emmissie-inventaris naar het oppervlaktwater, referentiejaren 2022-2023-2024
Grafiek: Elk jaar worden duizenden tonnen organisch materiaal, zwevende deeltjes en nutriënten in het Brusselse oppervlaktewater geloosd

Lees de transcriptietekst

De jaarlijkse netto-emissies naar oppervlaktewater bedragen 3.775 ton voor chemisch zuurstofverbruik, 617 ton voor biologisch zuurstofverbruik, 2.521 ton voor zwevende deeltjes, 1.077 ton voor stikstof en 79 ton voor fosfor.

Wat de relatieve verdeling per sector betreft:

  • De bevolking is veruit – en dat is geen verrassing – de grootste vervuiler en verantwoordelijk voor bijna 90% van de netto-emissies van organisch materiaal en zwevende deeltjesMicroscopische stoffen die in suspensie in de lucht of het water verkeren. De giftigheid van de zwevende deeltjes in de lucht is voornamelijk te wijten aan de deeltjes met een doorsnede kleiner dan 10 µm terwijl de grotere deeltjes ter hoogte van de neus en de hogere luchtwegen worden gestopt en verwijderd. De zwevende deeltjes in het water worden door verschillende procédés in de zuiveringsstations verwerkt., evenals voor 74% van de emissies van nutriënten.
  • De tertiaire sector (handel en diensten) is de tweede belangrijkste vervuilende sector. Hoewel zijn aandeel in de netto-emissies van organisch materiaal en zwevende deeltjes beperkt blijft tot ongeveer 10%, is zijn bijdrage aan de emissies van nutriënten aanzienlijk groter en bedraagt deze 22%.
  • De industriële sector is verantwoordelijk voor minder dan 5% van de resterende netto-emissies.
  • Voor de emissies van nutriënten leveren ook andere bronnen, voornamelijk atmosferische afzetting, een beperkte bijdrage van enkele procenten.

Huishoudens zijn verantwoordelijk voor meer dan 3/4 van de netto-emissies van organisch materiaal, zwevende deeltjes en nutriënten

Bron: Leefmilieu Brussel, 2026, uitreksel van de emmissie-inventaris naar het oppervlaktwater, referentiejaren 2022-2023-2024
Grafiek: Huishoudens zijn verantwoordelijk voor meer dan 3/4 van de netto-emissies van organisch materiaal, zwevende deeltjes en nutriënten

Lees de transcriptietekst

  • Huishoudens zijn verantwoordelijk voor 90% van de netto-emissies van organisch materiaal, 86% van de zwevende deeltjes en 74% van de nutriënten.
  • De tertiaire sector (handel en diensten) is verantwoordelijk voor 8% van de netto-emissies van organisch materiaal, 10% van de zwevende deeltjes en 22% van de nutriënten.
  • De industriële sector is verantwoordelijk voor minder dan 5% van de resterende netto-emissies.
  • Voor de emissies van nutriënten leveren ook andere bronnen een beperkte bijdrage van enkele procenten.

Puntverontreiniging vs. diffuse verontreiniging

Het overwicht van de belastende bronnen varieert afhankelijk van de in aanmerking genomen parameter (zie “chemische kwaliteit van het oppervlaktewater ”).

  • Puntverontreinigingen zijn verantwoordelijk voor het grootste deel van de netto-emissies van stoffen die door de waterzuiveringsstations worden behandeld, aangezien die stoffen voornamelijk afkomstig zijn van het afvalwaterWater dat in huishouding of industrie dienst heeft gedaan en gewoonlijk met verschillende stoffen beladen is. van huishoudens en bedrijven. Geneesmiddelenresiduen, zoals diclofenac, maar ook dioxinen en nonylfenolen, zijn zelfs uitsluitend afkomstig van dergelijke bronnen. Puntbronnen zijn daarnaast verantwoordelijk voor het overgrote deel van de netto-emissies van twee metalen, nikkel en cadmium, met aandelen van respectievelijk 97% en 78%.
     
  • Diffuse verontreinigingen zijn daarentegen verantwoordelijk voor het grootste deel van de emissies van verschillende andere polluenten. Dat geldt onder meer voor (een ander metaal): kwik (82%), voornamelijk uitgestoten door het verkeer.
     
  • Voor sommige verontreinigende stoffen zijn de emissies min of meer in evenwicht tussen punt- en diffuse bronnen. Dat geldt bijvoorbeeld voor lood, waarvan 55% van de emissies afkomstig is van puntbronnen (bevolking en bedrijven) en 45% van diffuse bronnen (gebouwen en verkeer). Hetzelfde geldt voor de polycyclische aromatische koolwaterstoffenDit zijn van aardolie afgeleide samengestelde organische vloeistoffen op basis van koolstof en waterstof. Stookolie, benzine en andere soorten minerale oliën behoren daartoe. Deze oliën hebben de eigenheid dat ze een geringe dichtheid hebben. Wanneer ze in de bodem dringen, kunnen ze het grondwater bereiken en er een drijflaag op vormen. (PAK's), met name benzo(a)pyreen en fluoranteen, maar met een overwicht van diffuse bijdragen: ongeveer 60% van de emissies is afkomstig van het verkeer en, in mindere mate, van atmosferische afzetting.

De verontreinigingsbronnen variëren naargelang het metaal: puntbronnen voor nikkel en cadmium, diffuse bronnen voor kwik en een verdeling tussen puntbronnen en diffuse bronnen voor lood

Bron: Leefmilieu Brussel, 2026, uitreksel van de emmissie-inventaris naar het oppervlaktwater, referentiejaren 2022-2023-2024
GRafiek: De verontreinigingsbronnen variëren naargelang het metaal: puntbronnen voor nikkel en cadmium, diffuse bronnen voor kwik en een verdeling tussen puntbronnen en diffuse bronnen voor lood

Lees de transcriptietekst

De bijdrage van puntbron- en diffuse verontreinigingen aan de netto-emissies van metalen varieert afhankelijk van het metaal in kwestie. Ze bedragen respectievelijk:

  • 97% en 3% voor nikkel
  • 78% en 22% voor cadmium
  • 55% en 45% voor lood
  • 18% en 82% voor kwik.

'Goed om te weten'

Puntverontreiniging is afkomstig van een duidelijk identificeerbaar lozingspunt zoals huishoudelijke lozingen, afvalwaterWater dat in huishouding of industrie dienst heeft gedaan en gewoonlijk met verschillende stoffen beladen is. van bedrijven en industrie,  of vervuilde sedimenten. Doordat deze bronnen gelokaliseerd kunnen worden, zijn ze in principe relatief eenvoudig te verwijderen.

Diffuse verontreinigingVerontreiniging is diffuus wanneer de vervuilende stoffen verspreid (en niet geconcentreerd) aanwezig zijn. daarentegen is moeilijker op te sporen en in te perken door de veelheid aan bronnen in ruimte en tijd. Het gaat onder meer om verontreiniging afkomstig van gebouwen, transport, atmosferische afzetting en bemesting van de bodem. Bovendien ligt de oorsprong van deze verontreiniging vaak deels buiten de gewestgrenzen en kunnen de grensoverschrijdende vrachten in stroomopwaarts gelegen waterlopen aanzienlijk zijn.

Hoe komen verontreinigende stoffen in waterlopen terecht?

  • Drie verontreinigingstrajecten alleen al zijn verantwoordelijk voor meer dan ¾ van de netto-emissies van stoffen naar het oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...)., ongeacht de verontreinigende stof. Zij vormen dan ook de belangrijkste kritieke punten voor maatregelen:
    • De lozingen van de biologische zuiveringsstap van waterzuiveringsstations waarvan het zuiveringsproces voltooid is;
    • De lozingen van de zogenaamde zuiveringsketen voor regenweerdebieten van waterzuiveringsstations die minder dan een dag op twee werkt, maar waarvan het zuiveringsproces beperkt is;
    • De overlopen van het rioleringsnet stroomopwaarts van de stations, ter hoogte van de stormoverstorten.

      De afvoer van het regenweerketen en de overstorten worden geactiveerd als het regent. Uit de inventaris blijkt dat hun bijdrage aan de netto-emissies voor de onderzochte periode (2022-2023-2024) doorgaans vergelijkbaar is, ongeacht de verontreinigende stof.
  • Voor bepaalde verontreinigende stoffen zijn directe lozingen vanuit riolen die niet zijn aangesloten op de zuiveringsstations en afvloeiend water niet te verwaarlozen verontreinigingsroutes. Dat geldt in het bijzonder voor verontreinigende stoffen die zich diffuus verspreiden, zoals PAK's, waarvoor deze routes respectievelijk 14% en 7% van de gewestelijke netto-emissies vertegenwoordigen.

Wat de organische vrachten, de zwevende deeltjesMicroscopische stoffen die in suspensie in de lucht of het water verkeren. De giftigheid van de zwevende deeltjes in de lucht is voornamelijk te wijten aan de deeltjes met een doorsnede kleiner dan 10 µm terwijl de grotere deeltjes ter hoogte van de neus en de hogere luchtwegen worden gestopt en verwijderd. De zwevende deeltjes in het water worden door verschillende procédés in de zuiveringsstations verwerkt. en de nutriënten betreft, vindt het grootste deel van de emissies plaats tijdens regenweer, wanneer het behandelingstraject voor regenweer van de waterzuiveringsstations actief wordt en overstorten optreden ter hoogte van de stormoverstorten. Elk van deze twee toevoerroutes vertegenwoordigt 35% tot 40% van de netto-emissies van deze verontreinigende stoffen. Samen zijn zij dus goed voor 70% tot 80% van de emissies.  De bijdrage van de biologische zuiveringsstap aan de netto-emissies is logischerwijs gematigder, aangezien dit zuiveringsproces specifiek is ontworpen om deze stoffen te behandelen: van 17% tot 26%. Directe lozingen van de rioleringen volgen op ruime afstand op de 4de plaats, met een aandeel van ongeveer 3% tot 4%.

Wat andere verontreinigende stoffen betreft, is de bijdrage van de biologische zuiveringsstap over het algemeen groter. Dat geldt in het bijzonder voor de Europese prioritaire stoffen die hoofdzakelijk afkomstig zijn van puntbronnen. Hoewel het verwijderingsrendement van deze stoffen in de waterzuiveringsinstallaties niet nul is en zelfs aanzienlijk kan zijn, is het niet zo hoog als voor organisch materiaal, zwevende deeltjes of nutriënten. Dit wordt geïllustreerd door geneesmiddelen zoals diclofenac. Aangezien die stof voor 100% afkomstig is van puntbronnen, zijn de lozingen van de biologische zuiveringsstap verantwoordelijk voor 73% van de gewestelijke netto-emissies, hoewel de waterzuiveringsinstallaties reeds tot 80% diclofenac verwijderen. Hetzelfde geldt voor twee opgeloste metalen, nikkel en cadmium. Omdat zij respectievelijk voor 97% en 78% afkomstig zijn van puntbronnen, vertegenwoordigen de lozingen van de biologische zuiveringsstap respectievelijk 55% en 56% van hun netto-emissies. De biologische zuiveringsstap vormt echter ook de belangrijkste verontreinigingsroute voor bepaalde stoffen waarvan de oorsprong hoofdzakelijk diffuus is, zoals benzo(a)pyreen: 55% van de netto-emissies van deze stof verloopt via die route.

Bijna driekwart van de netto-emissies van verontreinigende stoffen naar het oppervlaktewater is afkomstig van lozingen van waterzuiveringsstations en overstorten

Bron: Leefmilieu Brussel, 2026, uitreksel van de emmissie-inventaris, trajecten naar het oppervlaktwater (referentiejaren 2022-2023-2024
Grafiek: Bijna driekwart van de netto-emissies van verontreinigende stoffen naar het oppervlaktewater is afkomstig van lozingen van waterzuiveringsstations en overstorten

Lees de transcriptietekst

Lozingen van waterzuiveringsstations zijn een van de voornaamste verontreinigingstrajecten naar het oppervlaktewater. Voor respectievelijk de biologische weerstraat en de regenweerstraat vertegenwoordigen ze:

  • 17% en 40% van de netto-emissies van organisch materiaal,
  • 21% en 38% van de netto-emissies van zwevende deeltjes,
  • 26% en 35% van de netto-emissies van nutriënten,
  • 55% en 22% van de netto-emissies van nikkel,
  • 43% en 21% van de netto-emissies van kwik,
  • 28% en 34% van de netto-emissies van nonylfenolen,
  • 73% en 13% van de netto-emissies van diclofenac,
  • 14% en 41% van de netto-emissies van dioxinen,
  • 26% en 27% van de netto-emissies van PAK’s (16 stoffen),
  • 55% en 16% van de netto-emissies van benzo(a)pyreen,
  • 21% en 29% van de netto-emissies van fluoranteen.

Overstorten zijn een andere belangrijke bron van verontreiniging, met:

  • 40% van de netto-emissies van organisch materiaal,
  • 38% van de netto-emissies van zwevende deeltjes,
  • 35% van de netto-emissies van nutriënten,
  • 18% van de netto-emissies van nikkel,
  • 20% van de netto-emissies van kwik,
  • 34% van de netto-emissies van nonylfenolen,
  • 13% van de netto-emissies van diclofenac,
  • 41% van de netto-emissies van dioxinen,
  • 26% van de netto-emissies van PAK’s (16 stoffen),
  • 16% van de netto-emissies van benzo(a)pyreen,
  • 28% van de netto-emissies van fluoranteen.

Voor sommige verontreinigende stoffen is een aanzienlijk deel afkomstig van andere verontreinigingstrajecten. Voor PAK's (16 stoffen), benzo(a)pyreen en fluoranteen bijvoorbeeld is van 5% tot 14% van de netto-emissies afkomstig van directe lozingen uit riolen en van 7% tot 11% van afvloeiend hemelwater. Voor kwik is 7% van de netto-emissies afkomstig van directe lozingen uit riolen en 9% van afvloeiend hemelwater.

Wat is een stormoverstort?

In een eenheidsnet is de belangrijkste functie van de overstorten het afvoeren, bij regenweer, van afvloeiingspieken naar de natuurlijke omgeving om zowel openbare als particuliere infrastructuur tegen overstromingen te beschermen. Het probleem is dat deze veiligheidskleppen veel vaker worden geactiveerd dan nodig is (zie focus over stormoverstorten). Bijna alle overstorten die vanuit riolen in waterlopen terechtkomen, zijn opgenomen in het WEISS-model. De belangrijke overstorten monden meestal in de Zenne uit.

De Zenne is de waterloop die het meest wordt blootgesteld aan vervuiling

  • Het is geen verrassing dat de Zenne veruit de grootste meerderheid van de netto-emissies van polluenten ontvangt: vaak meer dan 90%. Voor de verontreinigende stoffen die kenmerkend zijn voor ons afvalwaterWater dat in huishouding of industrie dienst heeft gedaan en gewoonlijk met verschillende stoffen beladen is. loopt dit aandeel zelfs op tot 94%. De Zenne is immers het ontvangende milieu van het effluent van de twee gewestelijke zuiveringsstations en ondergaat de lozingen van talrijke overstorten, waaronder de grootsten, langs heel het Brusselse traject. Naast deze puntverontreiniging afkomstig van effluenten wordt zij ook blootgesteld aan diffuse verontreinigingVerontreiniging is diffuus wanneer de vervuilende stoffen verspreid (en niet geconcentreerd) aanwezig zijn. afkomstig van de bebouwde omgeving, het verkeer en atmosferische afzettingen. Het is dus op deze waterloop dat de effecten van de verontreiniging het grootst zijn (zie indicatoren over de fysisch-chemische, chemische  en biologische kwaliteit  van het oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...).).
     
  • De Woluwe ondervindt daarentegen weinig impact van de verontreinigingen, met uitzondering van persistente, bioaccumuleerbare, toxische en alomtegenwoordige stoffen. De Woluwe geniet de bescherming van het Zoniënwoud op haar stroomgebied stroomopwaarts  en van de stormoverstorten, die hoewel ze aanwezig zijn slechts zelden in werking treden. Hoewel  overstorten doorgaans de belangrijkste overdrachtsroute van verontreinigende stoffen vormen, spelen voor de Woluwe ook rechtstreekse rioollozingen en afvloeiend water soms een zeer belangrijke rol. Zo wordt bijvoorbeeld 86% van de netto-emissies van PAK's naar de Woluwe aangevoerd via afvloeiend water, tegenover slechts 12% via overstorten.
     
  • Het Kanaal is verantwoordelijk voor minder dan 10% van de netto-emissies van verontreinigende stoffen. Zijn kwaliteit is aangetast door bepaalde polluenten, maar in een veel beperktere mate dan de Zenne. Het Kanaal is onderhevig aan lozingen van een aantal stormoverstorten, evenals van de scheepvaart.

De Zenne ontvangt gemiddeld bijna 90% van de netto-emissies, het Kanaal minder dan 10% en de Woluwe bijna 5% of minder

Bron: Leefmilieu Brussel, 2026, berekening van de emmissies naar het oppervlaktwater, referentiejaren 2022-2023-2024
Grafiek: De Zenne ontvangt gemiddeld bijna 90% van de netto-emissies, het Kanaal minder dan 10% en de Woluwe bijna 5% of minder

Lees de transcriptietekst

De netto hoeveelheden van vervuiling die in de Brusselse oppervlaktewateren (Zenne, Kanaal en Woluwe) terechtkomen, zijn als volgt verdeeld:

  • voor organisch materiaal: 94% naar de Zenne, 3% naar het Kanaal, 3% naar de Woluwe
  • voor zwevende deeltjes: 94% naar de Zenne, 4% naar het Kanaal, 2% naar de Woluwe
  • voor nutriënten: 94% naar de Zenne, 4% naar het Kanaal, 3% naar de Woluwe
  • voor PAK’s (16 stoffen) : 88% naar de Zenne, 6% naar het Kanaal, 6% naar de Woluwe
  • voor lood: 92% naar de Zenne, 6% naar het Kanaal, 3% naar de Woluwe
  • voor nikkel: 94% naar de Zenne, 5% naar het Kanaal, 1% naar de Woluwe.

Europese prioritaire stoffen: een eerder positieve balans

Als we kijken naar de netto-emissies van de 77 Europese prioritaire chemische stoffen en hun concentraties in het oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...)., in de biota en in het sediment, dan is één ding duidelijk: de meeste daarvan (50 van de 77 of 65%) veroorzaken geen problemen in Brussel:

  • 21 stoffen worden zelfs in de waterkolom niet gedetecteerd met de huidige meetmethoden. 19 daarvan worden evenmin aangetroffen in de biota of de sedimenten.
  • 29 andere werden in de waterkolom gedetecteerd, maar hun concentraties blijven lager dan de milieukwaliteitsnormen die gelden voor water, biota of sedimenten.

Voor 9 stoffen (12%) kunnen de resultaten echter niet worden geïnterpreteerd: de beoordeling is onmogelijk of onvolledig (bijvoorbeeld omdat de detectiemethoden onvoldoende nauwkeurig zijn, of omdat een beoordeling voor de waterkolom beschikbaar is maar niet voor de biota).

De grote meerderheid van de Europese prioritaire stoffen zijn niet zorgwekkend in het Brussels Gewest

Bron: Leefmilieu Brussel, 2026, op basis van de inventaris van de netto-emissies naar het oppervlaktwater (referentiejaren 2022-2023-2024) & de evolutie van de waargenomen concentraties in het water (tot en met 2024)
Grafiek: De grote meerderheid van de Europese prioritaire stoffen zijn niet zorgwekkend in het Brussels Gewest

Lees de transcriptietekst

Van de 77 Europese prioritaire stoffen:

  • zijn er 50 niet zorgwekkend voor het Brusselse oppervlaktewater, waarvan er 21 zelfs niet gedetecteerd zijn;
  • worden er 3 als zorgwekkend beschouwd voor de biota,
  • wordt er 1 als zorgwekkend beschouwd voor de biota en de waterkolom,
  • worden er 14 als zorgwekkend beschouwd voor de waterkolom,
  • is voor 9 andere stoffen de beoordeling onmogelijk of onvolledig.

Goed om te weten

Deze eerder positieve balans geldt eveneens voor alle 7 specifieke verontreinigende stoffen van ons stroomgebied (RBSP): 3 worden niet gedetecteerd en 4 vertonen concentraties in het water die onder de normen blijven.

Europese prioritaire stoffen: een kwart is zorgwekkend

In totaal worden 18 Europese stoffen (23%) als zorgwekkend beschouwd voor de waterkolom en/of de biota. Alleen PFAS overschrijden de normen in beide compartimenten.

14 Europese prioritaire stoffen (of 18%) zijn gekwantificeerd boven de milieukwaliteitsnormen voor de waterkolom op een of meerdere meetlocaties. Per definitie leiden zij dus tot een verslechtering van de chemische kwaliteit van de oppervlaktewaterenEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...). waar overschrijdingen worden vastgesteld, namelijk de Zenne en het Kanaal (zie indicator betreffende de chemische kwaliteit). Ze worden dus als problematisch beschouwd voor het oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...). in Brussel.

  • 6 stoffen waren al opgenomen als prioritaire stoffen in de vorige versie van de emissie-inventaris. Met uitzondering van het pesticide dichloorvos werden ze toen allemaal reeds als zorgwekkend beschouwd: 1 PAK (fluoranteen), 1 metaal (opgelost nikkel), 2 pesticiden of biociden (aclonifen en tributyltin-kation) en 2 industriële stoffen (nonylfenolen en PFAS, die destijds werden geëvalueerd op basis van PFOS).
     
  • De andere 8 behoren daarentegen tot de nieuwe prioritaire stoffen die zijn gedefinieerd in de wijzigingsrichtlijn van 2026. Daaronder bevinden zich 5 geneesmiddelen, waaronder 2 antibiotica (azithromycine en claritromycine); 1 hormoon (estron); 2 ontstekingsremmers (diclofenac en ibuprofen); 2 stoffen uit de groep pesticiden (imidacloprid en de som van pesticiden en biociden) en 1 industriële stof (bisfenol A).

Daarnaast overschrijden 4 prioritair gevaarlijke en alomtegenwoordig stoffen de geldende milieukwaliteitsnormen, die zich sterk ophopen in het weefsel van levende organismen (biota), zelfs in de Woluwe. Het gaat om PFAS, dioxinen, kwik en gebromeerde difenylethers (PBDE's – vlamvertragers die aan consumptiegoederen worden toegevoegd om ze minder ontvlambaar te maken). Dioxinen en PFAS worden bovendien ook sterk gedetecteerd in het water. In tegenstelling tot kwik en gebromeerde difenylethers, die daar slechts zelden worden aangetroffen vanwege hun zeer geringe affiniteit met water.

Opgelet

Het aantal stoffen dat problematisch is voor de biota wordt vrijwel zeker onderschat, aangezien de monitoring nog niet alle nieuwe prioritaire stoffen uit de wijzigingsrichtlijn van 2026 omvat. Bisfenol A lijkt bijvoorbeeld een zeer waarschijnlijke kandidaat ...

Wist u dit?

Slechts één prioritair gevaarlijke en alomtegenwoordige Europese stof, namelijk tributyltin-kation, is onderworpen aan een milieukwaliteitsnorm voor sedimenten. Hoewel de huidige detectiemethode nog geen definitieve conclusie toelaat over de naleving van deze norm, zijn er sterke aanwijzingen dat de norm wordt overschreden.

Daarnaast vertonen een tiental prioritaire stoffen een zeer hoge detectiegraad in sedimenten (>80%). Het betreft: dioxines, gebromeerde difenylethers, zware metalenVerzamelnaam voor een groep metalen met een relatief grote dichtheid, zoals lood, kwik, zink en cadmium. Deze metalen komen van nature in het milieu voor en zijn in veel gevallen zelfs nodig voor bepaalde natuurlijke processen. In hogere concentraties zijn ze echter meestal giftig. De voornaamste bronnen van zware metalen zijn de non-ferro-industrie, de verbranding van fossiele brandstoffen en van afval en het verkeer. (kwik, cadmium en lood), PAK's (antraceen, fluoranteen en de som van negen verbindingen) en di(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP). Zie voor meer informatie onze indicator over de productie en het beheer van slib en sediment .

De meeste stoffen die in sedimenten en biota worden aangetroffen behoren tot de groep van de persistente, bioaccumuleerbare en toxische stoffen (PBT's). Bovendien zijn deze stoffen alomtegenwoordig, aangezien ze voorkomen in verschillende milieucompartimenten, zoals water, lucht, bodem enz. Ze omvatten tributyltin-kationen, dioxines, gebromeerde difenylethers, kwik, PAK's en PFAS.

Focus op de Europese stoffen die zorgwekkend zijn voor de Brusselse wateren

  • Een PAK: Fluoranteen. Onvolledige verbrandingsprocessen (verkeer, verwarming, verbranding) en atmosferische afzettingen vertegenwoordigen ongeveer 60% van de Brusselse vracht van deze gevaarlijke stof, die in totaal bijna 2 kg/jaar bedraagt. Bovendien bereikt 68% van de netto-emissies het oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...). tijdens regenweer: via de zuiveringsketen voor regenweerdebieten van de waterzuiveringsinstallaties, via overstorten en via afvloeiend water. De concentraties in het water overschrijden de jaargemiddelde norm in alle oppervlaktewaterenEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...)., en dit reeds bij het binnenkomen van het Gewest. Na de doortocht door het Brusselse grondgebied verviervoudigen deze concentraties. Fluoranteen komt bovendien veel voor in biota en sedimenten, hoewel voor deze compartimenten geen norm is vastgesteld.
     
  • Een opgelost metaal: nikkel. Nikkel vertegenwoordigt veruit de grootste jaarlijkse verontreinigingsvracht die door Brussel wordt aangevoerd: 411 kg/jaar, of tien keer meer dan de andere stoffen. Nikkel werd gedetecteerd op alle meetpunten, met overschrijdingen in de Zenne en het Kanaal. De in de Zenne gemeten vracht verdubbelt tussen de binnenkomst en het verlaten van het Gewest. Aangezien nikkel vrijwel uitsluitend afkomstig is van puntbronnen (huishoudelijke en niet-huishoudelijke lozingen), bereikt het deze waterlopen hoofdzakelijk via de droogweerketen van de rioolwaterzuiveringsinstallaties (55% van de netto-emissies), maar ook in aanzienlijke mate door de regenweerketen (22%) en via overstorten (18%).
     
  • PFAS of eeuwige verontreinigende stoffen (de som van 25 verbindingen in deze familie) zijn volledig door de mens gemaakte verbindingen. Ze zijn zeer persistent in het milieu en worden op alle meetpunten gedetecteerd. De gemeten concentraties in de Zenne en het Kanaal liggen ruim boven de jaargemiddelde norm. De totale vracht die door Brussel wordt geproduceerd bedraagt ongeveer 3 kg/jaar, waarvan 0,5 kg/jaar alleen al voor PFOS. PFOS, een alomtegenwoordige stof, wordt vaak gebruikt voor huishoudelijke en industriële doeleinden. De Europese Unie heeft het gebruik ervan recent verboden en heeft in 2025 de toegelaten concentraties in producten verder verlaagd. In 2024 wordt de stof op meer dan driekwart van de Brusselse locaties aangetroffen. En de grensoverschrijdende vracht verdubbelt ongeveer in de Zenne tussen het binnenkomen en het verlaten van het Gewest, terwijl zij in het Kanaal vrijwel stabiel blijft.
     
  • Tributyltin-kation (TBT) is een alomtegenwoordige en zeer persistente stof die regelmatig wordt aangetroffen, vooral in verontreinigde sedimenten. Tot het verbod in 2003 werd TBT op grote schaal gebruikt in aangroeiwerende verf voor schepen. Ook Moderne industriële bronnen (textiel, kunststoffen, meststoffen) kunnen ook bijdragen aan de vervuiling. Omdat het Kanaal een bevaarbare waterweg is, worden overschrijdingen vooral daar vastgesteld, bij de binnenkomst, maar nog meer bij het verlaten van het Gewest. De vracht is er vijfmaal hoger. Maar ook de Zenne wordt getroffen: de concentraties die daar gemeten worden, nemen toe en overschreden in 2024 aan de uitgang van het Gewest de gemiddelde jaarlijkse norm. De nettohoeveelheden die door het Gewest worden uitgestoten, zijn echter zeer beperkt (ongeveer 0,1 kg/jaar).
     
  • Nonylfenolen zijn als gevaarlijke stoffen geclassificeerd en worden aangetroffen in het oppervlaktewater van bijna alle Europese lidstaten. In het Brussels Gewest wordt 4-nonylfenol, een stof uit deze groep, slechts op 7% van de meetlocaties gedetecteerd. Toch worden normoverschrijdingen vastgesteld in het  Kanaal, vooral aan de uitgang van het Gewest, en in de Zenne aan de ingang. De bijdrage van het Brussels Gewest is aanzienlijk: 14 kg/jaar. Nonylfenolen zijn afkomstig van het afvalwaterWater dat in huishouding of industrie dienst heeft gedaan en gewoonlijk met verschillende stoffen beladen is. van de huishoudens en de tertiaire sector. De belangrijkste toegangswegen tot het oppervlaktewater zijn dan ook de waterzuiveringsinstallaties en de overstorten.
  • Bisfenol A (BPA) is een prioritair gevaarlijke stof die toxisch en persistent is en erkend wordt als hormoonverstorende stof. De belangrijkste bronnen zijn de kunststofindustrie, gevolgd door verpakkingsfabrieken en het uitlogen van gebruikte kunststoffen. Europa heeft het gebruik ervan als materiaal dat in contact komt met levensmiddelen sinds 2024 verboden, met een overgangsperiode van anderhalf jaar. BPA overschrijdt ruimschoots de gemiddelde jaarlijks toegelaten concentratie op de Zenne en het Kanaal, zowel bij de binnenkomst als bij het verlaten van het Gewest. BPA wordt in grote hoeveelheden uitgestoten op het Brusselse grondgebied (42 kg/jaar).  De vrachten nemen zeer sterk toe tijdens de doortocht door het Gewest: in de Zenne bedraagt de vracht aan het einde van het traject bijna 9 keer de vracht aan de ingang van het Gewest, en in het Kanaal bijna 7 keer.
     
  • Azitromycine is een veel voorgeschreven antibioticum. Het wordt via huishoudelijk afvalwater geloosd en bereikt de waterlopen via de effluenten van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. De restconcentraties vormen een probleem in de Zenne aan het einde van het Brusselse traject, zowel wat de jaarlijkse gemiddelde als de maximaal toelaatbare concentraties betreft.
     
  • Claritromycine is een antibioticum. Het wordt aangetroffen in alle waterlopen. Omdat het slecht wordt verwijderd door de waterzuiveringsinstallaties, vormt het een probleem in de Zenne aan het einde van het Brusselse traject, waar de maximaal toelaatbare concentratie regelmatig wordt overschreden. De nettovrachten zijn 7,5 keer hoger na het doorkruisen van het Gewest. De totale Brusselse vracht bedraagt 18 kg/jaar.
     
  • Estron is een oestrogeenhormoon dat als hormoonverstorende stof wordt beschouwd. Het werd vroeger gebruikt in hormoonvervangende therapieën, met name bij vrouwen in de menopauze. Vandaag wordt het nog gebruikt in de veeteelt, voornamelijk in de rundveehouderij. Het wordt aangetroffen in de Zenne en het Kanaal, waar de gemiddelde concentraties de norm overschrijden (behalve in het Kanaal bij de binnenkomst van het Gewest). Het wordt voor maximaal 70% verwijderd door de rioolwaterzuiveringsinstallaties en zelfs bijna volledig door installaties die beschikken over een tertiaire behandeling.
     
  • Diclofenac is een niet-steroïde ontstekingsremmer. De stof wordt eveneens in alle waterlopen aangetroffen en overschrijdt de milieukwaliteitsnorm (jaargemiddelde) in de Zenne en het Kanaal. De gewestelijke bijdrage aan de netto-emissies is hoog (37 kg/jaar) en vrijwel uitsluitend gericht op de Zenne (98% van de netto-emissies): de grensoverschrijdende vracht wordt vermenigvuldigd met 4,5 tussen het binnenkomen en het verlaten van het Brusselse grondgebied. Waterzuiveringsinstallaties kunnen nochtans tot 80% van het diclofenac verwijderen.
     
  • Ibuprofen is een niet-steroïde ontstekingsremmer, geclassificeerd als een opkomende verontreiniging. De stof wordt aangetroffen in alle waterlopen. De hoeveelheid overschrijdt de milieukwaliteitsnorm (jaargemiddelde) in de Zenne en in het Kanaal (aan het einde van het Brusselse traject), hoewel ongeveer 75% ervan wordt verwijderd door waterzuiveringsinstallaties met geactiveerd slib. Tussen de binnenkomst en het verlaten van het Brusselse grondgebied neemt de nettovracht in de Zenne met bijna 50% toe. De gewestelijke bijdrage aan de netto-emissies is aanzienlijk (12 kg/jaar).
     
  • Aclonifen is een herbicide dat in België sinds medio 2020 en in Europa sinds medio 2022 verboden is. Hoewel de herbicide slechts zelden wordt gedetecteerd en de door Brussel aangevoerde vracht beperkt blijft (< 2 kg/jaar), overschrijdt de concentratie in de Zenne soms het toegestane maximum, zoals in 2024. Deze niveaus houden waarschijnlijk verband met de persistentie van de stof in de bodem en de sedimenten, evenals met resterende aanvoer vanuit stroomopwaarts gelegen landbouwgebieden.
     
  • Dichloorvos is een zeer giftig organofosfaat insecticide. Vroeger werd het gebruikt op gewassen en bij dieren als antiparasitair middel. Het gebruik ervan is verboden in Europa. Toch werd het in 2024 in problematische maximale concentraties aangetroffen aan het einde van het Brusselse traject, zowel in de Zenne als in het Kanaal. De bijdrage van Brussel zou minder dan 1 kg/jaar bedragen. Residuen kunnen immers aanwezig blijven in de bodem of afkomstig zijn van niet-conforme toepassingen (bijvoorbeeld illegale invoer uit landen waar de stof nog toegelaten is voor de bestrijding van bedwantsen of kakkerlakken).
     
  • Imidacloprid is een neonicotinoïde insecticide dat zeer goed oplosbaar is in water. Het gebruik ervan buitenshuis is in de Europese Unie verboden ter bescherming van bestuivende insecten. De belangrijkste bronnen zijn landbouw- en tuinbouwtoepassingen (onder glas), gecoat zaaizaad en verontreinigde sedimenten. Imidacloprid verontreinigt water door afspoeling. In Brussel overschrijden de concentraties de norm in de Zenne aan het einde van het Gewest, waarbij de nettovrachten met 160% toenemen ten opzichte van de binnenkomst. Het Brussels Gewest stoot jaarlijks meer dan 1 kg uit.
     
  • De som van pesticiden en biociden is problematisch in de Zenne, waar de concentraties toenemen en de gemiddelde jaarlijkse norm aan het einde van het Gewest overschrijden. In de andere oppervlaktewateren ligt de detectiegraad hoog, maar blijven de concentraties lager en vertonen zij veeleer een dalende tendens.

Een aanzienlijke verbetering voor verschillende stoffen

Ten opzichte van de vorige emissie-inventaris wordt voor drie groepen stoffen een positieve trend opgetekend.

  • Van de opgeloste metalen overschrijden zink, dat in het verleden lokaal problematisch was, en de prioritaire stoffen lood en cadmium in 2024 niet langer de geldende normen. Lood wordt echter nog steeds op grote schaal aangetroffen. En zowel kwik als nikkel blijven zorgwekkend.
     
  • Polycyclische aromatische koolwaterstoffenDit zijn van aardolie afgeleide samengestelde organische vloeistoffen op basis van koolstof en waterstof. Stookolie, benzine en andere soorten minerale oliën behoren daartoe. Deze oliën hebben de eigenheid dat ze een geringe dichtheid hebben. Wanneer ze in de bodem dringen, kunnen ze het grondwater bereiken en er een drijflaag op vormen., of PAK's, vertonen een algemene daling in het water. Daardoor liggen de concentraties, op één uitzondering na, onder de milieukwaliteitsnormen. Deze positieve trend is waarschijnlijk het resultaat van de maatregelen die zijn genomen om de milieueffecten van het wegverkeer te verminderen (onder andere de LEZ) en van de verbeterde luchtkwaliteit. Ter herinnering: het verkeer en atmosferische afzetting zijn verantwoordelijk voor bijna 60% van de emissies. Antraceen en 4 van de 6 Borneff PAK's (benzo(a)pyreen, benzo(b)fluoranteen, benzo(ghi)peryleen, indeno(123cd)pyreen) voldoen nu aan de normen. Alleen fluoranteen blijft een probleemstof, aangezien de normen hiervoor werden verstrengd in de wijzigingsrichtlijn van 2026.
     
  • Pesticiden lijken zich ook gunstig te ontwikkelen (bijv. simazine), hoewel de situatie genuanceerder is, afhankelijk van de molecule en de meetlocatie.

Wat kunnen we leren uit de emissie-inventaris?

Het is in de eerste plaats essentieel om de uitstoot van verontreinigende stoffen aan de bron te beperken, zowel ter bescherming van het milieu als van de volksgezondheid. Verschillende nationale en gewestelijke regelgevingen en actieplannen dragen vandaag bij aan deze doelstelling, waaronder REACH voor chemische stoffen, NAPED voor hormoonverstorende stoffen,  NAPAN voor pesticiden en NAPAMR voor antibiotica (zie focus op de lijst met milieuplannen). In het Brussels Gewest wordt daarnaast gewerkt aan een herziening van de lozingsnormen voor bedrijven.

Ten tweede zou een gerichte aanpak van de belangrijkste punten waar verontreinigende stoffen in het oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...). terechtkomen,  de verontreiniging van het oppervlaktewater aanzienlijk kunnen verminderen. Het Waterbeheerplan en Europese wetgeving voorzien in dat opzicht onder meer:

  • Een verhoging van het zuiveringsrendement van de zuiveringsstations Brussel-Noord en Brussel-Zuid. Deze installaties moeten uiterlijk tegen eind 2045 uitgerust zijn met een quaternaire zuiveringVerwijderen van de ongewenste bomen (overtallig, ziek, enz.) in een zeer jonge bebossing., overeenkomstig de herziene Europese richtlijn 2024/3019 . Naast een efficiëntere verwijdering van nutriënten zal dit zuiveringsniveau ook de verwijdering van pesticiden, geneesmiddelenresiduen en andere microverontreinigende stoffen aanzienlijk verbeteren (zie indicator over afvalwaterzuivering).
  • Het optimaliseren van de stormoverstorten zodat ze alleen worden geactiveerd als dat nodig is, door hun werking per geval te bestuderen en ze lokaal aan te passen. 3 hoofdoverstorten (Nieuwe Maalbeek, Paruck en Molenbeek) zijn tussen 2018 en 2025 heringericht in het kader van het LIFE Belini-project. Tegen eind 2039 beveelt de Europese Richtlijn 2024/3019 aan om de lozingen te beperken tot maximaal 2% van de jaarlijks verzamelde vuilvrachtHoeveelheid aanwezige verontreinigende stoffen. Op het vlak van water dient de vuilvracht, die uitgedrukt is in inwoner-equivalent, als basis voor de berekening van de taks op de lozing van afvalwater. (zie focus over stormoverstorten).
  • Het dynamische beheer van de opslagcapaciteit van het rioleringsnet en van de stormbekkens, om de intensiteit van de waterstroom tijdens regenweer naar de overstorten en naar de waterzuiveringsstations te beperken.
  • Het verminderen van de hoeveelheid helder water in het afvalwaterWater dat in huishouding of industrie dienst heeft gedaan en gewoonlijk met verschillende stoffen beladen is., om dezelfde redenen.

Ten derde moeten we samenwerken met de andere gewesten en bevoegde overheden binnen het stroomgebied van de Schelde, om de verontreinigende stoffen terug te dringen die reeds problematische concentraties vertonen bij het binnenkomen van het Brussels Gewest

Om te downloaden

Methodologische fiche(s)

  • Focus: Emissie-inventaris van verontreinigende stoffen naar het oppervlaktewater (.pdf)

Toegang tot de gegevens

  • Applicatie Bruwater, toegang tot de oppervlaktewatergegevens

Factsheet(s)

  • 4. Normen en wettelijke referentiewaarden inzake water (.pdf)
  • 13. Brussels wettelijk kader inzake water (.pdf)

Fiche(s) van de Staat van het Leefmilieu

  • Focus: Productie en beheer van het slib en de sedimenten

Andere publicaties van Leefmilieu Brussel

  • Inventaris van de emissies, lozingen en verliezen van prioritaire stoffen in het oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...). van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
    • Versie 3, vorr het referentiejaaar 2024. Bijlage 2 van het Waterbeheerplan 2028-2033 (publicatie gepland in 2027)
    • Versie 2, 2022. Bijlage 2 van het Waterbeheerplan 2022-2027. 288 pp. (.pdf)
    • Versie 1, 2013-2014. Zie de studie van VITO hieronder.
  • LIFE Belini : “Transboundary loads on interregional borders in main rivers in Belgium”, 2024. Leefmilieu Brussel. 27 pp. Beperkte verspreiding
  • LIFE Belini: A common pressure and impact analysis for the transboundary Zenne river catchment, 2021. Leefmilieu Brussel (lead), VMM, SPW. 41 pp. Beperkte verspreiding

Studie(s) en rapport(en)

  • Europees Milieuagentschap (EMA), 2022. « Calculating emissions to water – a simplified method”. ETC/ICM Report 3/2022. 205 pp. (.html) 
  • VITO, 2013-2014. « Inventarisatie van de emissies naar water in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ». Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel. (.zip)
    • Post 1: voorstudie. December 2013 78 pp.
    • Post 2: analyserapport en factsheets. Juni 2014. 346 pp.
    • Technische nota – Transport naar het oppervlaktewater binnen WEISS voor Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Januari 2014. 32 pp.

Plan(nen) en programma(‘s)

  • Waterbeheerplan (WBP) 2022-2027 voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, juli 2023 (.pdf)

Nuttige links

  • Milieurapport Wallonië, Indicator « Charges polluantes déversées dans les cours d’eau »
  • Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), « Emissie inventaris water »
< Afvalwater: zuivering Overstromingen en bodemafdekking > Terug naar thema Water en aquatisch milieu

Delen:

  • Delen op Facebook
  • Delen op Linkedin
  • Delen op BlueSky
  • Delen op E-mail
  • Delen op Afdrukken
Milieubeheer
  • Afval beheren
  • Renoveren en bouwen
  • Duurzamer worden
  • De gezondheid en veiligheid garanderen
  • Gebouwen en sites beheren
  • Dierenwelzijn garanderen
Milieubeheer
  • Afval beheren
  • Renoveren en bouwen
  • Duurzamer worden
  • De gezondheid en veiligheid garanderen
  • Gebouwen en sites beheren
  • Dierenwelzijn garanderen
Diensten en aanvragen
  • Milieuvergunningsaanvraag
  • Advies en begeleiding
  • Erkenningen en registraties
  • Klachten, meldingen en waarschuwingen
  • Premies en financiële steun voor Brusselse professionals
  • Reageren op een projectoproep
Diensten en aanvragen
  • Milieuvergunningsaanvraag
  • Advies en begeleiding
  • Erkenningen en registraties
  • Klachten, meldingen en waarschuwingen
  • Premies en financiële steun voor Brusselse professionals
  • Reageren op een projectoproep
Regelgeving en inspectie
  • Verplichtingen en vergunningen
  • Controles en boetes
Regelgeving en inspectie
  • Verplichtingen en vergunningen
  • Controles en boetes
Regionaal beleid
  • Regionale strategische plannen
  • Rapporten van milieuprojecten
Regionaal beleid
  • Regionale strategische plannen
  • Rapporten van milieuprojecten
Documentatie en tools
  • Kaarten
  • Websites en interactieve tools
  • Leefmilieu: stand van zaken
  • Lesmateriaal opleidingen en seminaries
Documentatie en tools
  • Kaarten
  • Websites en interactieve tools
  • Leefmilieu: stand van zaken
  • Lesmateriaal opleidingen en seminaries
Dierenwelzijn
  • Pers
Website Burgers
Website Onderwijs
Blog Professionals

Volg ons

  • Facebook
  • Bluesky
  • Linkedin
  • Youtube
  • Instagram

Nieuwsbrieven

Blijf op de hoogte

Ik schrijf me in
Thuispagina professionals van Leefmilieu Brussel
  • Toegang tot milieu-informatie
  • Toegankelijkheidsverklaring
  • Eco-design
  • Wettelijke bepalingen
  • Cookiebeleid
  • Transparantie
  • Crisiscontacten