U bent hier

Focus : Evolutie van het klimaat in het BHG

Focus - Actualisering : maart 2021

Sinds 1833 is in Ukkel een significante stijging van de gemiddelde jaartemperatuur met 2°C waargenomen, en wel in twee fasen. De resultaten zijn minder significant voor de neerslag en de sterke wind, maar zijn wel het monitoren waard

Meteorologische gegevens sinds 1833

De langste reeksen meteorologische waarnemingen in België zijn die van de regio Brussel, die al sinds 1833 op regelmatige basis worden uitgevoerd. Eerst in Sint-Joost-ten-Node (op de oude site van de Sterrenwacht van België) en daarna in Ukkel vanaf 1886. Toen moest de Sterrenwacht naar de zuidelijke rand van de stad verhuizen waar de omgeving zich beter leende voor de astronomische waarnemingen.
Zodoende beschikt het Koninklijk Meteorologisch Instituut van België (of KMI) over meetreeksen van meer dan 100 jaar voor de temperatuur, de luchtvochtigheid, de hoeveelheid en het aantal dagen neerslag, de luchtdruk, de windsnelheid, de zonneschijnduur, het aantal dagen met sneeuw en de sneeuwbedekking van de bodem.

De statistische analyse van deze reeksen die in Brussel-Ukkel zijn geregistreerd, maakt het mogelijk om, na homogenisering, een antwoord formuleren op de vraag "kunnen we in België een verandering van het klimaat waarnemen?". Dit kwam aan de orde in de rapporten "Oog voor het klimaat" (van 2008 en 2015) en “Klimaatrapport 2020” van de KMI, waarvan de resultaten hieronder worden weergegeven.

Een opwarming van ongeveer 2 °C in 180 jaren

Onderstaande figuur toont de evolutie van de gemiddelde jaartemperatuur in Brussel sinds 1833. 

Evolutie van de gemiddelde jaartemperatuur (in °C) in St-Joost-Ten-Node/Ukkel tussen 1833 en 2020

Bron: KMI, 2021
Opmerking: De klimaatnormalen over 30 jaar worden hier weergegeven voor de laatste perioden tussen 1961 en 2020 

Een globale gemiddelde opwarming van ongeveer 2 °C is opgemerkt over de beschouwde periode. De stijging van de temperaturen was niet gelijkmatig. Zij deed zich voor in twee relatief abrupte etappen: er was een eerste stijging rond 1910 (gemiddeld over het hele jaar) en een tweede aan het einde van de jaren 1980. In beide gevallen ging het om een stijging van de jaargemiddelde temperatuur van een vergelijkbare grootorde, namelijk 1 °C. De eerste stijging is voornamelijk te wijten aan een stijging van de maximale temperaturen, terwijl de tweede vooral toe te schrijven is aan een zeer duidelijke stijging van zowel de minimum- als de maximumtemperatuur.
Wat betreft het recente verleden, observeren we een aanzienlijke gemiddelde opwarming van +0,38 °C per decennium sinds 1981, waardoor de evolutie van de temperaturen geleidelijker is dan tijdens de twee grote fasen van de 19e en 20e eeuw.

Uit het onderzoek van de seizoenstemperaturen blijkt dat de gemiddelde winter- en lentetemperatuur, net zoals de gemiddelde jaartemperatuur, ook een eerste vrij abrupte en zeer opmerkelijke opwarming hebben gekend rond 1910 en een tweede tegen het einde van jaren 1980. De zomer en de herfst hebben eveneens twee zeer opmerkelijke periodes van opwarming meegemaakt, de eerste manifesteerde zich rond 1925-1930 en de tweede rond het begin van de jaren 1980. 

Er kunnen ook andere opmerkingen worden gemaakt: 

  • De frequentie, duur en intensiteit van de hittegolven vertonen allemaal een significante stijgende trend sinds 1981. In het bijzonder is er tussen 2015 en 2020 ten minste één hittegolf per jaar (een primeur sinds 1892). 
  • De indicatoren in verband met koudegolven (frequentie, intensiteit en duur) vertonen de laatste decennia geen significante tendens. Al kan een licht opwaartse trend in de koudste temperaturen sinds het einde van de 19e eeuw worden waargenomen, met een versterking van deze trend vanaf 1981, die echter nog onbeduidend blijft. Toch zien we een langzame opwaartse trend in de koudste temperaturen sinds het einde van de 19e eeuw, met een accentuering van deze trend sinds 1981, maar die niettemin onbeduidend blijft. 

Minder significante resultaten voor de neerslag en de stormen

Evolutie van de jaarlijkse neerslaghoeveelheden (in mm) in Sint-Joost-ten-Node/Ukkel tussen 1833 en 2020

Bron: KMI, 2021
Opmerking: De klimaatnormalen over 30 jaar worden hier weergegeven voor de laatste perioden tussen 1961 en 2020

Voor de neerslaghoeveelheden leidt het onderzoek van de gegevens tot minder significante resultaten (wat gedeeltelijk wordt verklaard door de grote variabiliteit van de neerslag in onze contreien). 
De analyse van de reeks toont echter een toename van de jaarlijkse neerslag met 9% tussen de eerste 30 jaar van de reeks (1833-1862) en de laatste 30 jaar (1990-2019). Op het niveau van de seizoenen vertoont de winterneerslag een aanzienlijke opwaartse trend tussen 1833 en de laatste 30 jaar (31%).  De lenteneerslag daarentegen vertoont geen significante langetermijntrend, maar wel een licht dalende tendens (ongeveer -9 mm per decennium) sinds 1981. Voor de hoeveelheden zomer- en herfstneerslag viel er daarentegen geen significante evolutie op te tekenen. 

In het Brussels Gewest is de laatste jaren een tendens tot verhoging van de intensiteit en de frequentie van onweersbuien waargenomen. Sinds 1981 werden dan ook +0,5 dagen met zware regenval per decennium geregistreerd. 

Aan de andere kant is door de stijging van de temperaturen in het begin en op het einde van de 20ste eeuw, de neerslag onder de vorm van sneeuw in Ukkel veel minder vaak voorgekomen. 

Wat ten slotte de stormen betreft, blijkt uit de analyses die tot nu toe werden uitgevoerd met betrekking tot sterke winden in Ukkel sinds 1940, dat er nog geen specifieke trend is in de intensiteit van de sterktste jaarlijkse winden of in de frequentie van de maximale windstoten. 

Datum van de update: 14/06/2021