U bent hier

Bossoorten

Het profiel van de Brusselse bossen wordt heel erg bepaald door het Atlantische klimaat dat ons welbekend is, namelijk een gematigd vochtig klimaat. De boomsoorten die er voorkomen, ondergaan ook de invloed van de bodemsoort en van de handelingen van de mens.

De onderstaande bostypes vindt men zij aan zij terug in Brussel.

Het zuur beukenbos

Het gaat over een populatie waarin de beuk overheerst. Dit beukenbos komt tot ontwikkeling op arme en zure gronden. Wanneer het niet te dichtbegroeid is, krijgt dit beukenbos dan ook het gezelschap van een flora die samenhangt met dit bodemtype : grote veldbies, witte klaverzuring, klaverzuring.

Het eikenbos met berken

Wanneer de bodem bijzonder arm en zuur is, van het zandtype, dan komt de beuk al eens minder vaak voor en ruimt hij plaats voor de eik en de berk. In de struiklaag vindt men dan lijsterbessen en sporkehout en, ter hoogte van de grond, adelaarsvaren, lelietje-van-dalen, heide, salomonszegel, bochtige smele, pijpenstrootje, soms de blauwe bosbes. In het Zoniënwoud werden op deze droge zandgronden ook grove dennen geplant.

Het beukenbos met varens en gierstgras

Dit beukenbos komt tot ontwikkeling op een vochtigere en iets vruchtbaardere ondergrond. Aan de voet van de beuken groeien bosanemoontjes, klaverzuring en bosgierstgras. In de vochtigste gedeeltes overheersen de varens.

Het bedstrobeukenbos

Dit bostype heeft nood aan een kalkrijkere ondergrond. Dit beukenbos krijgt het gezelschap van een rist planten die nooit voorkomen op zuurdere bodems. Vermelden we het donkersporig bosviooltje,  de boskortsteel, het salomonszegel, het eenbloemig parelgras, het bosanemoontje en soms orchideeën in zeer open bebossingen. De wilde liguster en de Spaanse aak vervolledigen meestal het plaatje.

De beukenkathedraal

Dit volledig kunstmatige beukenbos geeft het Zoniënwoud zijn typische aanblik. Deze erg grote beuken, waarvan de oudste exemplaren in de Oostenrijkse periode werden aangeplant, vormen met hun takken en hun bladerdek een waar gewelf dat maar weinig licht doorlaat. Daarom groeien er slechts weinig grasachtige planten.

Het eikenbos met hyacint

Hoewel de beuk dankzij het grote aantal aanplantingen misschien wel kunstmatig heer en meester is van het Zoniënwoud, wint de eik tegenwoordig steeds meer veld. Deze boom laat meer licht door en geeft zo meer ontwikkelingsruimte aan een meer gevarieerde ondergroei met haagbeuken, hazelaars, lindebomen, wilde kerselaars, … In de lente tooit de bodem van bepaalde vruchtbaardere lemige gronden zich met een tapijt van bosanemoontjes en wilde hyacinthen.

De eik is heel belangrijk voor de biodiversiteit van het woud. Deze boom herbergt dan ook de meeste ecologische schuilplaatsen (insecten, vogels, kleine zoogdieren).

Twee soorten komen op natuurlijke wijze voor in het Zoniënwoud: de zomereik en de wintereik. Die laatste is beter bestand tegen de droogte en met de klimaatveranderingen in het vooruitzicht wordt hij steeds vaker aangeplant.

Het eikenbos met haagbeuk en het gemengd eikenbos met es

Dit type van bosbegroeiing komt over het algemeen voor in koelere en vochtigere dalletjes. Speenkruid en gevlekte aronskelk, die men in de zomer kan herkennen aan de kleine rode (giftige) besjes, zijn twee courante soorten in het eikenbos met haagbeuk.

In het noorden van Brussel (Laarbeek, Dielegem, …), waar de bodem overheersend kalkhoudend en zeer vochtig is, treft men in deze bossen ook weiden met daslook aan.

Het elzen-essenbos

Het elzen-essenbos houdt zich louter op op plekken waar in vochtige zones het water aan de oppervlakte komt en is dus zeldzaam in Brussel. De zones waarin men het elzen-essenbos nog aantreft (Rood Klooster, Kinsendaal, Laarbeekbos, Vuilbeek, Verdronken Kinderen, enz.), zijn inmiddels beschermd zodat de specifieke vegetatie die met dit bos gepaard gaat (vogelkers, reuzenpaardenstaart, bittere veldkers, …) kan standhouden.

Wat als de mens niet was tussengekomen ?

In onze streken zal om het even welke vegetatie zonder tussenkomst van de mens op natuurlijke wijze uitgroeien tot een dicht bos met een relatief grote hoeveelheid beuken. Wordt er afgestapt van het kappen, dan zijn de eerste pionierssoorten de boswilg, de berk en dan de eik. Mits aanwezigheid van de juiste omstandigheden komen vervolgens de haagbeuk, de hazelaar en de esdoorn tevoorschijn. Alles evolueert dan naar een gemengd bos. Daar de beuk in zijn beginjaren nood heeft aan schaduw zal hij slechts geleidelijk opduiken in het bos, maar na verloop van tijd zal hij de overhand nemen omdat zijn takken de andere bomen zullen gaan overheersen, hun licht afnemen en hen zo verstikken.

Datum van de update: 23/08/2018
Documenten: 

Om een papieren versie te bestellen: 02 775 75 75 of neem contact op met de dienst Info-Leefmilieu via e-mail.