Vegetatiebedekking en biologische kwaliteit
- Groene ruimten
- Biodiversiteit
- Wijk
- Het milieu: stand van zaken
- Fauna
- Flora
Vegetatiebedekking in het Brussels Gewest
Focus - Actualisering: september 2025
Minder dan de helft van het Brussels grondgebied is bedekt met vegetatie. Dit gemiddelde percentage verbergt sterke ruimtelijke verschillen:
- in de Vijfhoek en de eerste kroon bedraagt de gemiddelde vegetatiebedekking respectievelijk 13% en 24%. Veel stadseilanden zijn er bedekt met minder dan 10% vegetatie;
- de tweede kroon is veel sterker begroeid: als we geen rekening houden met de gebieden die niet of praktisch niet bewoond zijn (Zoniënwoud, Ter Kamerenbos, Neerpede), is de gemiddelde vegetatiegraad 50%.
30% van de oppervlakte van het Gewest bedekt met hoge vegetatie, ook hier met zeer grote verschillen tussen gemeenten en wijken. Voortdurende verstedelijking blijft de belangrijkste oorzaak van de achteruitgang van de vegetatiebedekking die het afgelopen decennium is waargenomen.
Waarom en hoe de vegetatiebedekking in kaart brengen?
In een stedelijke omgeving vervullen de groene ruimten en de vegetatie in het algemeen tal van functies: ruimten voor ontspanning, recreatie, rust of zelfs ontmoetingen, verfraaiing van de stad, beschaduwing en afkoeling van de lucht, habitats voor fauna en flora, infiltratie van regenwater, filtratie van verontreinigende stoffen, vastlegging van kooldioxide, bescherming tegen bodemerosie, productie van groenten, fruit en hout, enz. Vegetatie in de stad draagt bij tot de levenskwaliteit en de gezondheid van de stadsbewoners, en ondersteunt de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora).. Vegetatie verbetert bovendien het vermogen van steden om de gevolgen van de klimaatveranderingWijst op trage variaties van de klimaatskenmerken mettertijd, op een welbepaalde plaats: opwarming of afkoeling. Sommige vormen van luchtvervuiling, veroorzaakt door menselijke activiteiten, zijn een bedreiging voor het klimaat in de zin dat er een globale opwarming zou kunnen ontstaan. Dit verschijnsel kan belangrijke schade veroorzaken: stijging van de zeeniveaus, verergering van de uiterste klimaatsverschijnselen (droogtes, overstromingen, wervelstormen, enz.), destabilisatie van de bossen, bedreiging voor de zoetwatervoorraden, moeilijkheden voor de landbouw, woestijnvorming, vermindering van de biodiversiteit, verspreiding van tropische ziekten, enz. (overstromingen, hittegolven, periodes van droogteDroogte is een natuurlijk fenomeen waarbij de beschikbaarheid van water afneemt als gevolg van een gebrek aan neerslag, wat op termijn tot een watertekort kan leiden. Dit moet niet worden verward met een ‘hittegolf’ of ‘hitteperiode’, ook al hebben deze wel degelijk invloed op de beschikbaarheid van water (toename van de watervraag)., enz.) te weerstaan.
Uittreksel uit de kaart van de verdeling van hoge en lage vegetatiebedekking (2021)
Bron: Leefmilieu Brussel, 2021 (geodata)
Kwalitatieve en kwantitatieve ruimtelijke monitoring van de vegetatie (plantenbedekking, toegankelijke groene ruimten, natuurlijke habitats, open ruimten, enz.) levert waardevolle informatie op voor een duurzame stadsplanning. In het bijzonder geeft de vegetatiebedekkingsgraad, in combinatie met andere parameters, aanwijzingen over de toename van de verstedelijking en de opslokking en versnippering van de groene ruimten, het meer of minder groene karakter van een wijk, de doorlatendheid van de bodem, de aanwezigheid van koelte-eilanden of zelfs de vastlegging van kooldioxide via fotosynthese. Deze gegevens helpen diagnoses te stellen, trends vast te stellen of scenario’s te evalueren, en zijn dus noodzakelijk voor de besluitvorming op het gebied van ruimtelijke ordening. Ze worden gebruikt in andere cartografische werken zoals die van de koelte-eilanden of het Brussels ecologisch netwerk.
Er kunnen verschillende bronnen worden gebruikt om de vegetatie te monitoren: teledetectie (luchtfoto's en satellietbeelden), terreinvalidaties of -identificaties, administratieve databases (kadaster, groene ruimten, ruimtelijke ordening, wegen), enz. Deze bronnen leveren verschillende en complementaire soorten informatie op. Teledetectie heeft troeven, met name wat betreft het globale beeld, de reproduceerbaarheid van de gegevens of de samenvoeging van de verkregen gegevens met andere soorten gegeorefereerde gegevens binnen geografische informatiesystemen.
In de afgelopen decennia zijn er verschillende vegetatiebedekkingskaarten gemaakt, maar deze zijn niet volledig met elkaar te vergelijken.
Momenteel worden twee gegevensbronnen gebruikt als referentie voor vegetatiebedekkingsanalyses: enerzijds gegevens verzameld door Leefmilieu Brussel en anderzijds gegevens van het European Earth Observation Satellite Programme (Copernicus). Deze laatste hebben een lagere resolutie (10 m x 10 m) dan de gewestelijke gegevens (2 m x 2 m) die sinds 2020 zijn geproduceerd op basis van luchtfoto’s (zie hieronder). Copernicus-gegevens hebben echter het voordeel dat ze consistentie waarborgen tussen lidstaten en agglomeraties wat betreft monitoringmethodologieën. Als gevolg hiervan kan het gebruik ervan bijzonder relevant zijn in de context van bepaalde projecten, zoals bijvoorbeeld de uitvoering en monitoring van de recente EU-verordening over natuurherstel (zie ‘Semi-natuurlijke sites en beschermde groene ruimten’). De vegetatiebedekkingspercentages die uit deze twee bronnen worden verkregen, verschillen aanzienlijk van elkaar.
De rest van dit document presenteert en analyseert de gegevens over vegetatiebedekking die zijn ontwikkeld door Leefmilieu Brussel.
Tussen 1997 en 2016 maakte Leefmilieu Brussel verschillende kaarten van de vegetatiebedekking, maar deze zijn niet volledig vergelijkbaar
In 1997 werd een kaart van de Brusselse groene ruimten opgesteld aan de hand van verschillende soorten gegevens: topografische, administratieve en kadastrale gegevens, infraroodluchtfoto's, terreinonderzoeken, aangevuld met verschillende documenten. Volgens deze studie (IGEAT-ULB, ‘Laboratoire de botanique systémique et de phytosociologie’ van de ULB en COOPARCH 1997) besloegen de groene ruimten volgens de ruimste definitie in de jaren 1990 een oppervlakte van 53% van het grondgebied (zie fiche ‘Begroeningsgraden en groene ruimten’).
Ongeveer tien jaar later werd een nieuwe kaart opgesteld op basis van satellietbeelden met een hoge resolutie (pixelgrootte van 2,4 x 2,4 meter) die in het voorjaar van 2008 door de satelliet Quickbird werden genomen. Aan de hand van deze beelden kon worden geschat dat de vegetatie 54% van het grondgebied van het Gewest bedekte (Van de Voorde et al. 2010, zie fiche ‘Analyse van de onbebouwde oppervlakten in het BHG door interpretatie van satellietbeelden’). De missie van Quickbird eindigde in 2015, dus dit type satellietbeelden is niet langer beschikbaar.
In 2016 werden de begroeiingsgegevens geactualiseerd op basis van Worldview II-beelden met een resolutie van 0,5 m die in juli werden genomen, wat een geschiktere periode is om de vegetatie te evalueren. De plantenbedekking werd op 54,4% geschat. Niettemin maken de verschillen in parameters tussen de beelden van 2008 en 2016 (verschillende corridors en overvliegdatums, variabele beeldresolutie, enz.) de vergelijking weinig nauwkeurig. Een gedetailleerde analyse van de kaart en de vergelijking met de beschikbare luchtfoto’s doen bovendien vermoeden dat, op gewestelijk niveau, de vegetatiebedekking globaal genomen werd overschat (synthetische terreinen die als vegetatie werden beschouwd, idem voor wateroppervlakken overwoekerd door algen, de neiging om boomkruinen te overschatten…).
Vegetatiebedekking van het Gewest in kaart gebracht op basis van een constante methodologie vanaf 2020
Leefmilieu Brussel en Paradigm zijn een samenwerking aangegaan om de vegetatiebedekking regelmatig in kaart te kunnen brengen volgens een reproduceerbare methodologie. Dit zal de interpretatie van de gegevens voor de inschatting van vegetatieveranderingen in de toekomst vergemakkelijken.
Fragment van een luchtfoto van het Brussels Gewest
Bron: orthofoto 2020 PIR, Paradigm-Urbis
De eerste kaart op deze basis werd opgesteld op basis van infraroodluchtfoto's die in september 2020 werden genomen (in opdracht van Paradigm). Aangezien voor de procedure niet met het hoge detailniveau van het beeld (pixelgrootte van 5 cm x 5 cm) hoeft te worden gewerkt, is door een voorafgaande bewerking van de beelden de resolutie teruggebracht tot 2 m.
In het kort bestaat de analyse erin een onderscheid te maken tussen groene en niet-groene zones op basis van een vegetatie-index. De gebruikte index is de ‘Normalized Difference Vegetation Index’ (of NDVI), die de verhouding analyseert tussen licht met golflengten in het nabij-infraroodbereik en licht met golflengten in het rode bereik (chlorofylabsorptiepiek). De samenstelling van deze index, die algemeen wordt gebruikt, maakt het mogelijk om op vrij nauwkeurige wijze de schaduwzones te onderscheiden, die kwantitatief belangrijk zijn in stedelijke omgevingen. Lage vegetatie werd onderscheiden van (meer dan 2 meter) hoge vegetatie op basis van een stereoscopische interpretatie (dit is een, hier geautomatiseerde, techniek die het mogelijk maakt om het reliëf waar te nemen aan de hand van twee luchtfoto's die enigszins uit elkaar zijn getrokken, en worden samengevoegd zoals onze hersenen dat zouden doen met beelden die onze ogen waarnemen).
Goed om te weten
Men mag niet uit het oog verliezen dat, zelfs met deze reproduceerbare methodologie, de vergelijking van de vegetatiebedekking in de tijd altijd een kleine marge van onnauwkeurigheid zal vertonen ten gevolge van verschillende factoren: opnamen gemaakt in verschillende vegetatieperiodes (zelfs als de datums dezelfde zijn ten gevolge van de natuurlijke variaties in de vegetatiecycli), vegetatiegroei in de tijd (sterker dekkende boomkruin laag), landbouwpercelen waarvan de bodem op het moment van de opnamen kaal kan zijn, bewolking boven begroeide gebieden, enz.
Kleine interjaarlijkse variaties in de vegetatiebedekking op gewestelijke schaal gaan daarom niet noodzakelijk altijd gepaard met een verlies van vegetatie ten gunste van bebouwde gebieden.
Behalve wanneer de interjaarlijkse variaties aanzienlijk zijn, vereist de vaststelling van een trend in de intensiteit van vegetatiebedekking een monitoring gedurende enkele jaren en/of veldkennis/validatie op het niveau van de (belangrijkste) gebieden waar geautomatiseerde foto-interpretatie een verandering aan het licht heeft gebracht.
Meer informatie over de evaluatiemethodologie voor de begroeiingsgraad is te vinden op de website van Leefmilieu Brussel.
Een vegetatiebedekking die nauw verband houdt met de morfologie van de stad
De vegetatiebedekkingskaart die wordt verkregen volgens de hierboven uiteengezette methode, geeft de aanwezigheid en de verspreiding van de vegetatie in het Brussels Gewest aan. De kaart geeft de vegetatiebedekkingsgraad - of de begroeiingsgraad - weer (bomen, struiken, lage vegetatie, groendaken, grasland, enz.) op het niveau van elk stadseiland (geheel van al dan niet bebouwde percelen die door wegen van elkaar zijn gescheiden).
De op die manier geschatte vegetatiebedekking wijkt enigszins af van de vegetatieoppervlakte op maaiveldniveau, omdat de kruin (die breder is dan de stam) van bomen op wegen en groendaken wordt meegerekend. Bovendien wordt geen rekening gehouden met velden of werven die in de periode waarin de geanalyseerde luchtfoto's zijn genomen, niet waren bedekt met vegetatie. Een automatische verwerking zorgt ervoor dat velden met meer dan 2 meter hoge gewassen (vooral maïs) niet worden meegerekend als hoge vegetatie.
De begroeiingsgraad in verhouding tot het aantal betrokken inwoners werd berekend volgens grote ‘stedelijke sectoren’ (zie kaart hieronder, eigen terminologie): vijfhoek, eerste kroon ten noordwesten van het kanaal, eerste kroon ten zuidoosten van het kanaal, tweede kroon ten noordwesten van het kanaal, tweede kroon ten zuidoosten van het kanaal (aan weerszijden van het Ter Kamerenbos), Zoniënwoud en Neerpede.
48,7% van het grondgebied is bedekt met vegetatie, maar dit percentage varieert sterk van gebied tot gebied (2023)
Bron: Leefmilieu Brussel, 2025 op basis van gegevens van Paradigm (luchtfoto's 2023) en Statbel (bevolking 2024)
Goed om te weten
In totaal is ongeveer 48,75% van het Brusselse grondgebied bedekt met vegetatie (2023). Dit percentage daalt tot 42.6% als het Zoniënwoud en het Ter Kamerenbos niet worden meegerekend.
Maar achter dit gemiddelde percentage gaan zeer sterke ruimtelijke verschillen schuil:
- in de Vijfhoek (56 000 inwoners) bedraagt de gemiddelde vegetatiebedekking 12,7%. In de eerste kroon is dat 24,4% (602 000 inwoners). Veel stadseilanden (of blokken) zijn er bedekt met minder dan 10% vegetatie;
- de tweede kroon (581 000 inwoners) is veel sterker begroeid, vooral in het zuidoosten en de hoofdzakelijk perifere zones ten westen van het kanaal. Als we geen rekening houden met de gebieden die niet of praktisch niet bewoond zijn (Zoniënwoud, Ter Kamerenbos, Neerpede), is de gemiddelde vegetatiebedekking in de tweede kroon 49,8%, het dubbele van die van de eerste kroon en vier keer die van de Vijfhoek. Als we de hele tweede kroon bekijken - inclusief het Zoniënwoud, het Terkamerenbos en Neerpede - is de gemiddelde begroeiingsgraad 57,8%.
Logischerwijs houdt de begroeiingsgraad nauw verband met de morfologie van de stad. De begroeiingsgraad is lager in wijken waar de gebouwen dicht bij elkaar staan, en de eilanden vaak worden omsloten door aaneengesloten gebouwen. Hij is ook laag in het (post)industriële gebied langs het kanaal. De begroeiingsgraad is daarentegen hoger in minder dichtbebouwde woongebieden met open of halfopen eilanden. De groene zones concentreren zich vooral in het zuidoosten en de hoofdzakelijk perifere zones ten westen van het kanaal, met name in en rond het Zoniënwoud, in de Woluwevallei, in Neerpede, Ganshoren, Jette, Laken en Neder-Over-Heembeek. Het Zoniënwoud alleen al beslaat 10% van het grondgebied van het Gewest. Door de ligging komt dit bos in de eerste plaats ten goede aan de inwoners van het zuidoosten van het Gewest.
Deze kaart is nauw verbonden met de kaart van de koelte-eilanden (zie focus De koelte-eilanden in Brussel). Het verschijnsel van stedelijke hitte-eilanden is des te meer uitgesproken wanneer er veel verstedelijking is en weinig vegetatie. In dit opzicht blijken boomkruinen bijzonder doeltreffend te zijn om het ervaren thermische comfort lokaal te verbeteren (zie focus Vergroening om stedelijke ruimten koeler te maken: op de natuur gebaseerde oplossingen).
De mate van vegetatiebedekking neemt nog steeds af, maar het is moeilijk om de betreffende gebieden precies te kwantificeren
De evolutie van de vegetatiegraad kan worden beoordeeld door de gegevens voor de jaren 2016, 2020, 2021 en 2023 met elkaar te vergelijken. Daaruit blijkt dat het geschatte percentage in 2016 54,9% bedroeg en in 2023 48,7%. Op basis van deze schattingen zou de gemiddelde trend - 0,9% vegetatiebedekking per jaar bedragen. We herinneren er echter aan dat, zoals eerder uitgelegd, de waarde van de vegetatiegraad dat in 2016 werd geschat, waarschijnlijk overschat was.
Merk ook op dat de Europese gegevens uit het hierboven vermelden Copernicus-programma, die minder nauwkeurig zijn, wijzen op een vegetatiegraad van aanzienlijk minder dan 50 % en ook op een dalende trend tussen 2018 en 2023. Deze trend is echter minder uitgesproken dan die welke op basis van regionale gegevens is geraamd.
De verstedelijking heeft zich het afgelopen decennium voortgezet ten koste van de vegetatie
Bron: Leefmilieu Brussel 2025 op basis van gegevens van Paradigm (luchtfoto's 2020, 2021 en 2023) en Worldview II-satellietbeelden (2016)
Lees de transcriptietekst
Het percentage vegetatiebedekking is tussen 2016 en 2023 aanzienlijk afgenomen. Het wordt geschat op:
- 55,0% in 2016 (deze waarde is echter waarschijnlijk overschat)
- 52,4% in 2020
- 50,5% in 2021
- 48,7% in 2023
Los van de verbetering van de cartografische technieken in de loop der tijd (bijvoorbeeld: synthetische terreinen werden in 2021 beter als niet-begroeid herkend dan in 2016), wordt deze duidelijke afname verklaard door de voortschrijdende verstedelijking, de belangrijkste factor in de vermindering van de vegetatiebedekking. In mindere mate kan ook de context op het tijdstip waarop de satelliet- en luchtfoto’s van 2016, 2020, 2021 en 2023 werden genomen, het resultaat licht beïnvloeden: zo kan er sprake zijn van de vervanging van omgeploegde gronden door teeltgronden, de vergroeningOpzettelijke handeling die tot doel heeft vegetatie in groenarme zones in te voeren. van een braakliggend terrein, het bedekken van een dak door de groei van boomkronen, of een meer of minder sterke ontwikkeling van de boomkroon naargelang de klimatologische kenmerken van het jaar of het moment van de beeldopname.
De moeilijkheden van nauwkeurige kwantificering zijn ook te wijten aan het feit dat deze gegevens de vegetatiebedekking weerspiegelen inclusief de boomkronen (dat mogelijk een groter oppervlak beslaat dan het begroeide oppervlak op grondniveau). Deze kronen ontwikkelen zich echter meestal in de loop van de tijd zonder dat dit altijd een toename van de vegetatiebedekking op grondniveau weerspiegelt. Dit fenomeen van kroonontwikkeling is vooral zichtbaar in bepaalde braakliggende gebieden en op bepaalde verkeersassen (Louizalaan, bepaalde delen van de kleine ring ...). Omgekeerd leidt het vellen van een boom ertoe dat de inschatting van het verlies aan vegetatieoppervlakte, op basis van luchtbeeldanalyse (dus met inbegrip van de kroon), de effectieve verliezen aan vegetatie op grondniveau overschat (behalve wanneer de gevelde boom wordt vervangen door een bebouwde oppervlakte).
2 centrale gemeenten hebben minder dan 20% van hun grondgebied bedekt met vegetatie
Het zal geen verbazing wekken dat de vegetatiebedekkingsgraad sterk verschilt van gemeente tot gemeente. Er is een duidelijk verschil tussen de randgemeenten in het zuidoosten (Sint-Pieters-Woluwe, Oudergem, Ukkel, Watermaal-Bosvoorde), waar de begroeiingsgraad tussen 60% en 83% ligt, en de rest van het Gewest (tussen 16% en 49% vegetatie). De laagste percentages worden waargenomen in de gemeenten Sint-Joost en Sint-Gillis, waar slechts minder dan 1/5 van het grondgebied is bedekt met vegetatie (inclusief boomkruinen). Deze twee gemeenten, net zoals de Vijfhoek (met een begroeiingsgraad van 12,7%), een concentratie van dichtbebouwde wijken hebben.
Een zeer duidelijk gebrek aan vegetatie in de meest centrale gemeenten
Bron: Leefmilieu Brussel 2025 op basis van gegevens van Paradigm (luchtfoto's 2020, 2021 en 2023) en Worldview II-satellietbeelden (2016)
Lees de transcriptietekst
De grafiek vergelijkt de vegetatiebedekking van elke gemeente en van het BHG in 2013 en 2016. In alle gemeenten is een afname van de vegetatiebedekking waarneembaar. Deze afname varieert van minimaal 2% van het gemeentelijk grondgebied (Sint-Gillis) tot maximaal 9% (Evere).
Zelfs als de gegevens van 2016 en 2023 niet volledig vergelijkbaar zijn en de gegevens over de vegetatiebedekking van 2016 soms overschat lijken (zie bovenstaande uitleg), wordt een aanzienlijk verlies aan vegetatie duidelijk benadrukt. Het kan, in wisselende mate, in alle Brusselse gemeenten worden waargenomen. Wat betreft absolute oppervlakteverliezen vallen 3 gemeenten duidelijk op, namelijk Ukkel, Brussel-Stad en Anderlecht. Deze gemeenten zijn de grootste van het Gewest en liggen geheel of gedeeltelijk in de tweede kroon.
In gemeenten met uitgestrekte beschermde zones (zoals het Zoniënwoud of de bossen in het noordwesten van het Gewest) concentreert het verlies aan vegetatie zich vooral in die delen van het grondgebied die geen beschermingsstatuut genieten, zoals zones die niet als Natura 2000 zijn aangeduid of niet vallen onder GBP-bestemmingen die een passieve bescherming van de natuur waarborgen. De wijken waar deze verliezen zich voordoen, kunnen daardoor sterk worden getroffen.
Gezien de zeer sterke demografische groei die het Brussels Gewest heeft gekend (+31% tussen 2000 en 2025), met grote verschillen tussen de gemeenten (+48% in de Stad Brussel tegenover +2,2% in Watermaal-Bosvoorde), zijn er de laatste twintig jaar veel gebouwen - en vooral woningen - opgetrokken. Deze gebouwen zijn hoofdzakelijk neergezet in onbebouwde, begroeide zones die vaak interessant zijn vanuit het oogpunt van de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). en die vaak in de tweede kroon gelegen zijn. Bovendien werd deze demografische groei niet gecompenseerd door een even grote toename van toegankelijke begroeide ruimten, wat tot een grotere druk op de bestaande groene ruimten leidt, en tot een toename van de bevolking die in wijken met weinig groene ruimten in de buurt woont (zie focus Voor het publiek toegankelijke groene ruimten).
De ruimtelijke verschillen in vegetatiebedekking worden nog duidelijker wanneer ze worden vergeleken met het aantal inwoners per gemeente. Dit geldt ook voor de indicator van de oppervlakte aan openbare groene ruimten per inwoner, zoals weergegeven in de volgende tabel:
Lees de transcriptietekst
4 gemeenten hebben een vegetatiebedekking van meer dan 50%: Watermaal-Bosvoorde, Ukkel, Oudergem en Sint-Pieters-Woluwe. Het belang van de vegetatiebedekking in deze gemeenten kan weliswaar gedeeltelijk worden verklaard door het grote aantal parken en/of met bomen omzoomde straten en/of grote tuinen in bepaalde wijken, maar houdt ook verband met de aanwezigheid van het Zoniënwoud op een min of meer groot deel van hun grondgebied. Dit moet tot een nuancering leiden van de conclusies die kunnen worden getrokken uit deze op het niveau van een gemeente vastgestelde begroeiingsgraden. Het feit dat een gemeente gemiddeld veel groen heeft, belet niet dat sommige wijken arm zijn aan groene ruimten. Daarnaast omvat de vegetatiebedekking ook privétuinen. Dit verklaart bijvoorbeeld waarom het aandeel van de bevolking dat in gebieden woont waar er een gebrek is aan openbare groene ruimten hoog kan zijn, zelfs in gemeenten die als ‘groen’ worden beschouwd. Dit geldt vooral in de gemeenten Ukkel en Oudergem, waar het aandeel van de bevolking dat in een gebied met onvoldoende openbare groene ruimten woont respectievelijk ongeveer 34% en 28% bedraagt (zie ‘Voor het publiek toegankelijke groene ruimten’).
Slechts 5 Brusselse gemeenten hebben een boombedekking van meer dan 30%
Er werd een onderscheid gemaakt tussen hoge vegetatie (meer dan 2 meter), van het type struiken en bomen, en lage vegetatie.
Vooral in het centrum van de stad en de wijken aan het kanaal blijken er weinig bomen en struiken te zijn (2021)
Bron: Leefmilieu Brussel, 2023 op basis van gegevens van Paradigm (luchtfoto's 2021)
Lees de transcriptietekst
De kaart geeft de mate van hoge vegetatie graad (d.w.z. meer dan 3 meter) per grote “stedelijke sector” (eigen terminologie): dit percentage bedraagt 9% in de vijfhoek, 12% in de eerste kroon ten noordwesten van het kanaal, 16% in de eerste kroon ten zuidoosten van het kanaal, 26% in de tweede kroon ten noordwesten van het kanaal, 36% in de tweede kroon ten zuidoosten van het kanaal en ten westen van het Ter Kamerenbos, 25% in de tweede kroon ten zuidoosten van het kanaal en ten oosten van het Ter Kamerenbos, 82% in het Zoniënwoud en 21% in Neerpede.
Volgens de ‘3-30-300-regel’, voorgesteld door een bosbouwonderzoeker in 2021 (Konijnendijk C.), moet elke stadsbewoner vanuit zijn of haar huis minstens 3 bomen kunnen zien, in een gebied wonen met minstens 30% bomen en minder dan 300 meter van een groene ruimteDe groene ruimtes omvatten particuliere tuinen en domeinen, openbare parken en bossen, groene zones langs spoor- en andere wegen, braakland, recreatiegebieden en begraafplaatsen. verwijderd zijn. Een onderzoeksinstituut heeft een positief verband gevonden tussen de naleving van deze regel en de geestelijke gezondheid van inwoners van Barcelona (Nieuwenhuijsen M. e.a., 2022). Deze regel is echter moeilijk te bereiken in dichtbevolkte steden.
Ongeveer 30% van het Brusselse grondgebied is bedekt met hoge vegetatie (2021), maar ook hier zijn er zeer grote verschillen tussen gemeenten en wijken. De hoge vegetatiebedekking varieert van 11% (Sint-Gillis) tot 65% (Watermaal-Bosvoorde). Vooral in het stadscentrum en in de wijken aan het kanaal zijn er weinig bomen en struiken. Slechts 5 gemeenten hebben een typische boombedekking op meer dan 30% van hun grondgebied (Ukkel, Watermaal-Bosvoorde, Oudergem, Sint-Pieters-Woluwe en Jette).
Goed om te weten
Soortgelijke gegevens worden ook verzameld aan de hand van satellietbeelden voor een duizendtal Europese steden in het kader van het Europese Copernicus-project (onderdeel aardobservatie). Volgens deze bron bedraagt de gemiddelde bedekkingsgraad van de boomkruinlaag voor alle Europese steden 28%, wat aanzienlijk lager is dan de 37% die voor het Brussels Gewest, volgens dezelfde bron, wordt geraamd (2018). Het Brussels Gewest, Namen en Leuven hebben een zeer vergelijkbare bedekkingsgraad en zijn de Belgische steden met de meeste bomen. De aanwezigheid van het Zoniënwoud op 10% van het Brusselse grondgebied verklaart deze bijzonder hoge score.
Er is niet altijd een verband tussen de vegetatiebedekkingsgraad en het gebrek aan openbare groene ruimten
Om het aanbod aan groene ruimten in een wijk of gemeente te kunnen beoordelen, moeten de gegevens over vegetatiebedekking ook vergezeld gaan van gegevens over de omvang en de ruimtelijke spreiding van de openbare groene ruimten (zie de Focus “Voor het publiek toegankelijke groene ruimten”).
Uit de bovenstaande tabel blijkt bijvoorbeeld dat, hoewel de gemeenten Sint-Gillis en Sint-Joost een gelijkwaardige vegetatiebedekkingsgraad en vegetatiebedekkingsoppervlakte per inwoner hebben, de inwoners van Sint-Joost ongeveer drie keer meer m2 aan openbare groene ruimten per inwoner hebben (met name door de aanwezigheid van de Kruidtuin). Bovendien kan het zijn dat in gemeenten met een goed algemeen niveau van vergroeningOpzettelijke handeling die tot doel heeft vegetatie in groenarme zones in te voeren. een groot deel van de bevolking onvoldoende toegang heeft tot openbare groene ruimten. Dit is bijvoorbeeld het geval in de gemeente Ukkel, waar bepaalde dichtbebouwde wijken nauwelijks van groene ruimten zijn voorzien. Andere wijken in gemeenten die over het algemeen vrij groen of zelfs zeer groen zijn, bevinden zich ook in deze situatie. Anderzijds zijn sommige groene ruimten wel gemakkelijk toegankelijk voor de inwoners van een gemeente, ook al bevinden ze zich buiten het grondgebied ervan. Dit is met name het geval voor het Park van Vorst of het Hallepoortpark ten aanzien van de gemeente Sint-Gillis. Vermeldenswaard is ook het bijzondere geval van de stad Brussel, die zowel de Vijfhoek als de meer begroeide wijken in de rand (Terkamerenbos, Heembeek, Laken, enz.) omvat. Vanuit een stedenbouwkundig oogpunt is de analyse van het aanbod aan groene ruimten daardoor vooral relevant op wijkniveau.
Bij de beoordeling van de vraag of een stad in mindere of meerdere mate groen is, moet ook rekening worden gehouden met de kwaliteit van de vegetatie. Dit aspect wordt uiteengezet in de Focus over de biologische waarderingskaart van het Brussels Gewest.
Leefmilieu Brussel bracht ook de graad van ondoorlaatbaarheid (bodemafdekking) van het Gewest in kaart
De analyse van de evolutie van de vegetatiebedekking kan tot op zekere hoogte ook worden benaderd door de evolutie van ondoordringbare verhardingen te analyseren.
Dit is evenwel niet louter ‘het omgekeerde’ van de vegetatiegraad (vegetatiebedekking omvat de kruin van bomen, sommige doorlatende bodems zijn niet begroeid, enz.).
Ook de evolutie van de ondoorlaatbaarheidsgraad in het Brussels Gewest werd in kaart gebracht. Uit een gedetailleerde analyse van cartografische en teledetectiegegevens is gebleken dat de ondoorlaatbaarheidsgraad op gewestelijk niveau tussen 1950 en 2006 is gestegen van ongeveer 26% tot 47% (Vanhuysse e.a. 2006, zie REE 2003-2006 ‘Preventie en beheer van overstromingen door zomerse onweersbuien”).
Meer recent werd op basis van de interpretatie van satellietbeelden en luchtfoto's een nieuwe kaart van de ondoorlatende oppervlakken gemaakt. De resultaten van deze studie schatten het percentage ondoorlatende oppervlakken in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in 2022 op 53,2%. Aangezien de cijfers van 2022 niet rechtstreeks vergelijkbaar zijn met die van de studie van 2006 (verschillen in studiegebied en methodologie), werden aanvullende werkzaamheden uitgevoerd om een vergelijking mogelijk te maken. Daaruit blijkt dat de toename van het aandeel van verharde oppervlakken tussen 1955 en 2022 een lineaire trend heeft voortgezet, van 26% naar 53%, d.w.z. iets meer dan het dubbele. Dit percentage is sinds 1993, of zelfs sinds 1955, lineair toegenomen. Het varieert tussen 16% (Watermaal-Bosvoorde) en 91% (Sint-Joost-ten-Node), afhankelijk van de gemeente.
De gemeenten die in absolute oppervlakte de grootste verandering laten zien in hun ondoorlatende oppervlakte zijn Brussel-Stad (243 ha) en Anderlecht (139 ha), twee gemeenten waarvan een deel van het grondgebied in de tweede kroon ligt. In verhouding tot het grondgebied worden de meest opvallende veranderingen waargenomen voor Jette (+26%) en Sint-Lambrechts-Woluwe (+25%).
Voor meer informatie, zie de focus van de Staat van het Leefmilieu over de ondoorlaatbaarheid van Brusselse bodems.
Het verslag ‘Kaart van de onderdoorlatende oppervlakken van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 2022’ en de gegevens zijn toegankelijk op de website van Leefmilieu Brussel door hier te klikken.
Om te downloaden
Factsheets
- n°6. Het groen netwerk (.pdf)
- n°13. Analyse van de onbebouwde oppervlakten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest door interpretatie van satellietbeelden (.pdf)
Fiches van de Staat van het Leefmilieu
- Focus : Voor het publiek toegankelijke groene ruimten (2023)
- Focus : De Biologische waarderingskaart van het Brussels Gewest (2022)
- Focus : De fragmentatie van natuurlijke habitats (2022)
- Focus : Het groene netwerk (2015)
Andere publicaties van Leefmilieu Brussel
- Kaart «Vegetatie 2021 – Vegetatiebedekking in september 2021 »
- Kaart « Publiek toegankelijke groene ruimten »
- Kaart « Begroeningsgraad (2016) »
Studies en rapporten
- BALIKÇI S., GIEZEN M. & ARUNDEL R. 2021. “The paradox of planning the compact and green city: analyzing land-use change in Amsterdam and Brussels”, Journal of Environmental Planning and Management, DOI: 10.1080/09640568.2021.1971069 (.pdf)
- IGEAT, LABORATOIRE DE BOTANIQUE SYSTÉMATIQUE ET DE PHYTOSOCIOLOGIE,
COOPARCH 1997 « Rapport final Maillage vert – Etablissement de la situation de fait et de droit des espaces verts du territoire de la RBC en vue de l’élaboration du maillage vert », étude réalisée à la demande de Bruxelles Environnement (document interne). - VAN DE VOORDE T., CANTERS F. ET CHEUNG-WAI CHAN J. 2010. « Mapping update and analysis of the evolution of non-built (green) spaces in the Brussels Capital Region – Part I & II», cartography and GIS Research Group, department of geography, VUB, studie in opdracht van Leefmilieu Brussel (.pdf)
- VANHUYSSE S., DEPIREUX J., WOLFF E. 2006. « Etude de l’imperméabilisation du sol en Région de Bruxelles-Capitale », studie uitgevored door ULB-IGEAT voor Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, BUV- Afdeling Water, octobre 2006 (enkel beschikbaar in het Frans) (.pdf)
- WIRION C., STEELE R. 2023. « Verslag van de studie Kaart van de ondoorlatende oppervlakken van het Brussels Gewest - Deel I en II », studie uitgevored door WEO in opdracht van Leefmilieu Brussel (enkel beschikbaar in het Frans) (.pdf)
- WIRION C., STEELE R. 2023. « Verslag van de studie Kaart van de ondoorlatende oppervlakken van het Brussels Gewest - Deel III », studie uitgevored door WEO in opdracht van Leefmilieu Brussel (enkel beschikbaar in het Frans) (.pdf)
De Biologische waarderingskaart van het Brussels Gewest
Focus - Actualisatie : juni 2022
De biologische waarderingskaart (BWK) is een instrument voor het toezicht op en de objectivering van de biologische waarde van de gebieden binnen het gewestelijke grondgebied. Ze toont dat de gebieden met een hoge en zeer hoge biologische waardeErkende waarde van een site, beoordeeld op basis van een reeks criteria zoals de aanwezigheid van weinig verstoorde hydrologische elementen (bronnen), de diversiteit en schaarste van de plaatselijke dier- en plantsoorten, de aanwezigheid van schaarse soorten, de rijpheid van de vegetatie (onvervangbare site behalve op zeer lange termijn, b.v. een eeuwenoud bos), enz. 19% van het gewest bestrijken en grotendeels gelegen zijn buiten de eerste kroon (gegevens 2018-2019). Ze omvatten semi-natuurlijke gebieden (woud en bos, grasland, vochtige zones, enz.) maar ook braakliggende stedelijke gebieden en sommige grote parken.
Sinds 2012 voorziet de Brusselse wetgeving in het opstellen van een biologische waarderingskaart
De ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud bepaalt: "(Leefmilieu Brussel) maakt en actualiseert een biologische waarderingskaart van het grondgebied van het gewest, met inbegrip van een inventaris van gebieden van hoge biologische waarde die bescherming verdienen”. Ze stelt ook dat de Regering gebieden die "het beschermen waard" zijn, kan aanwijzen als natuurreservaatGebied dat om wetenschappelijke, esthetische of educatieve redenen wettelijk wordt beschermd met het doel een of meer kenmerken van het landschap in stand te houden. of bosreservaatHet bosreservaat is een bos of een deel hiervan dat wordt beschermd met het doel kenmerkende of merkwaardige uitzichten of opstanden van inheemse houtsoorten in stand te houden en er de gaafheid van de bodem en van het milieu te vrijwaren.. Hoewel de ordonnantie dit niet uitdrukkelijk vermeldt, belet niets de BWK om bij te dragen aan de toekenning in het Gewestelijk Bestemmingsplan (GBP) van een actieve bescherming in het kader van de bescherming van het natuurlijke erfgoed, of een passieve bescherming door middel van een statuut van groene zone of groene zone met hoge biologische waarde.
De biologische waarderingskaart (BWK) zelf is echter louter beschrijvend en indicatief, en verleent geen wettelijke bescherming aan de beoordeelde gebieden. Het begrip "hoge biologische waarde" in de BWK mag dus niet worden verward met het regelgevingsbegrip "groene zone van hoge biologische waarde" in het GBP (zie informatieblad "Semi-natuurlijke ruimten en groene ruimten die genieten van een beschermingsstatuut").
Verscheidene biologische waarderingskaarten van het Brusselse grondgebied sinds 1978
Nog voor de invoering van dit wettelijke kader waren al verscheiden inventarissen gemaakt van de biologische waarde van de gebieden die het Brusselse grondgebied vormen:
- 1978: BWK voor heel België (versie 1, schaal 1/25.000);
- 1996-1998: BWK voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en zijn omgeving op basis van een samenwerking tussen het Instituut voor Natuurbehoud (Vlaamse Gewest) en Leefmilieu Brussel (update van versie 1 voor de bestudeerde perimeter op een schaal van 1/10.000);
- 2010: publicatie van versie 2 van het BWK van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (veldwerk 1998-2000, schaal 1/10.000).
Op deze kaarten worden de natuurlijke en semi-natuurlijke milieus afgebakend, met een karakterisering van de ecologische typologie van de bodembedekking en van de biologische waarde. De criteria die worden gebruikt om de biologische waarde van de gebieden te bepalen, zijn hoofdzakelijk gebaseerd op botanische aspecten die nauw verband houden met het faunapotentieel. Op basis van deze criteria werd aan elke karteringseenheid een waarde toegekend (biologisch zeer waardevol, biologisch waardevol, biologisch minder waardevol, combinatie van elementen met verschillende waarde, enz.).
De gegevens van de tweede versie van de kaart werden gebruikt om beschermde gebieden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest af te bakenen, zoals Natura 2000-gebieden. Deze tweede versie werd op verzoek van Leefmilieu Brussel geactualiseerd op basis van luchtfoto's uit 2018 en resulteerde in een derde versie die eind 2021 werd gepubliceerd. Ze bestaat uit twee delen, namelijk een bijwerking van de oorspronkelijke kaart (beperkt tot de biologisch interessantste gebieden die in de eerste edities gekend waren) en een analyse van de groeninfrastructuur op de schaal van elk stadsblok waaruit het grondgebied van het gewest is samengesteld.
Een actualisering van de BWK die een evaluatie van de evolutie van de biologische waarde van interessantste biotopen mogelijk maakt
Alleen de gebieden die bij de vorige inventarisatie (in verschillende mate) als biologisch interessant waren aangemerkt, werden geactualiseerd. Dit betreft ongeveer 25% van het Brusselse grondgebied en komt overeen met 1807 "polygonen" (gebieden die worden begrensd door een gesloten lijn, homogeen zijn in termen van biologische waarde en dus een karteringseenheid vormen). Mogelijke habitatveranderingen voor deze 1807 polygonen werden beoordeeld door luchtfoto's (orthofotoplannen) uit 1996 en 2018 met elkaar te vergelijken. Er werden bezoeken ter plaatse gebracht wanneer de interpretatie van de foto's geen betrouwbare beoordeling van de ontwikkeling van de habitats mogelijk maakte. Sommige van de in 1996 gedefinieerde polygonen werden verdeeld wanneer een aanzienlijk deel ervan was geëvolueerd.
Voorbeeld van een polygoon met ongewijzigde natuurlijke habitat en/of gebruik tussen 1996 en 2018
Bron: Biotope Environnement sa en Stratec 2020
De veranderingen in (natuurlijke) habitats en/of gebruiksvormen op het niveau van elke onderzochte polygoon werden als volgt gekarakteriseerd:
- volledige verstedelijking van de polygoon;
- ongewijzigde habitat en/of gebruik;
- ecologische successie (bv. populierenbos op weg naar regeneratieIn bosbouw, operatie waarbij een rijpe bebossing (of boompopulatie) op natuurlijke of kunstmatige wijze wordt vervangen. na kaalkap);
- ecologische successie met gevaar voor verlies van biologische kwaliteit: deze categorie is niet in de eindlaag opgenomen omdat in deze gevallen systematisch een veldbezoek is uitgevoerd om de ontwikkeling van de kwaliteit te beoordelen;
- gedeeltelijke wijziging van habitats of gebruik;
- significante wijziging van habitats of gebruik.
Aan elke polygoon van de BWK 1996 en de BWK 2018 is een waarde toegekend die overeenstemt met de biologische beoordeling
Classificatie die wordt gebruikt om de biologische kwaliteit van gebieden te beschrijven
De mogelijke waarden zijn ontleend aan de historisch gebruikte Nederlandstalige classificatie en zijn als volgt verdeeld:
- z: biologisch zeer waardevol
- w: biologisch waardevol
- m: biologisch minder waardevol
- wz: combinatie van de vorige categorieën
- mz: combinatie van de vorige categorieën
- mw: combinatie van de vorige bovenstaande categorieën
- mwz: combinatie van de vorige categorieën
De vergelijking van de aan elke polygoon toegekende waarden (gegevens van 1996 versus gegevens van 2018) maakt het mogelijk de evolutie van de biologische kwaliteit van alle bestudeerde "historische" sites in te schatten. Indien bijvoorbeeld de aan een polygoon toegekende waarde werd gewijzigd van w in m, werd de achteruitgang als zeer aanzienlijk beschouwd. Als deze waarde veranderde van z naar w werd de achteruitgang als gering beschouwd.
Uit de op deze basis uitgevoerde analyse is gebleken dat:
- de biologische kwaliteit van 0,2% van de onderzochte gebieden (9 ha) verbeterd is;
- de biologische kwaliteit van 94% van de onderzochte gebieden (3904 ha) behouden is;
- de biologische kwaliteit van 0,1% van de onderzochte gebieden (6 ha) licht achteruitgegaan is;
- de biologische kwaliteit van 2,5% van de onderzochte gebieden (103 ha) ernstig achteruitgegaan is;
- de biologische kwaliteit van 3,2% van de onderzochte gebieden (132 ha) zeer ernstig achteruitgegaan is.
In 94% van de gebieden die in 1996 als gebieden van groot belang zijn aangemerkt, is de biologische waarde tussen 1996 en 2018 dus behouden gebleven.
In 5,6% is deze waarde echter achteruitgegaan, met name ten gevolge van een gedeeltelijke of volledige verstedelijking. In 0,2% van de onderzochte gebieden werd een verbetering vastgesteld.
Een methode om de biologische waarde van elk stadsblok te beoordelen op basis van geogelokaliseerde gegevens
Voor het eerst is ook de biologische kwaliteit van het volledige grondgebied van het gewest beoordeeld. De basiseenheid waarop de beoordeling wordt uitgevoerd is het stadsblok, dat veel wordt gebruikt in de ruimtelijke ordening. Dit komt overeen met een groep percelen, al dan niet bebouwd, die volledig van de andere zijn gescheiden door wegen (over de gehele omtrek). De criteria die worden gebruikt voor de biologische evaluatie van de blokken moeten kunnen worden beoordeeld op basis van beschikbare geogelokaliseerde gegevens (geen veldwerk).
Twee categorieën criteria werden gebruikt om de biologische waarde van de blokken te evalueren: de zogenaamde "interne" criteria, die verband houden met de opvangcapaciteit van de blokken, en de zogenaamde "externe" criteria, die verband houden met de onmiddellijke omgeving van de blokken. Het betreft criteria die bevorderlijk zijn voor het behoud en de ontwikkeling van de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora)., zoals de mate van begroeiing, de grootte van het stadsblok, de mate van openheid en de verbindingen met andere waardevolle stadsblokken (bevorderlijk voor de verplaatsing van soorten), de waarneming van bepaalde biotopen in het veld, enz.
Interne en externe evaluatiecriteria
- "Interne" criteria, gekoppeld aan de opvangcapaciteit van de stadsblokken:
- begroeide oppervlakte en mate van begroeiing van het stadsblok (vegetatiekaart, gegevens uit 2016);
- aanwezigheid van biologisch waardevolle biotopen (BWK 1996 geactualiseerde - gegevens van 2018, kaart van de Natura 2000-stations, kaart van de natuurreservaten);
- doorlaatbaarheid voor de verplaatsing van de fauna (op basis van bouw- en stedenbouwkundige gegevens).
Zowel de criteria "begroeide oppervlakte" (absolute waarde) als "mate van begroeiing" (relatieve waarde) worden in aanmerking genomen om het onderscheid tussen stadsblokken op basis van vegetatie te verbeteren, door een continuüm te creëren dat gaat van "kleine begroeide oppervlakte met een laag aandeel vegetatie" tot "grote begroeide oppervlakte met een hoog aandeel vegetatie".
Het criterium "doorlaatbaarheid voor verplaatsing" meet de mate van openheid van het stadsblok naar de omliggende stadsblokken. Voor elk stadsblok wordt de doorlaatbaarheid geëvalueerd volgens een dubbele regel met enerzijds de evaluatie van de doorlaatbaarheid van een fictieve ring op 5 tot 15 meter van de binnenkant van het stadsblok op basis van het aandeel van de gebouwen die het stadsblok bezetten, en anderzijds de evaluatie van de globale doorlaatbaarheid van het stadsblok op basis van het aandeel van de gebouwen die het stadsblok bezetten. De toegekende score wordt dan bepaald op basis van het laagste doorlaatbaarheidsniveau.
Doorlaatbaarheid van de stadsblokken
Bron: Biotope Environnement sa en Stratec 2020
Legende: Rood = gesloten, oranje = halfopen, groen = open

- Externe" criteria, die verband houden met de omgeving van de stadsblokken:
- score van aangrenzende stadsblokken met betrekking tot hun interne criteria;
- aanwezigheid van elementen die gunstig zijn voor de verplaatsing van individuen (verbinding) binnen een straal van 100 m rond het stadsblok (rivieren, dijken en begroeide bermen van wegen en spoorwegen);
- aanwezigheid van elementen van biologisch belang in Vlaanderen (gebaseerd op de BWK van het Vlaamse Gewest).
De algemene evaluatie voor de interne en externe criteria is de som van de scores voor elk criterium. De totale scores kunnen variëren van 0 tot 9 voor interne criteria en 0 tot 6 voor externe criteria, d.w.z. een totaal per stadsblok van 0 tot 15. De resulterende kaart is een instrument voor het toezicht op en de objectivering van de biologische waarde van de gebieden die het gewestelijke grondgebied vormen, op basis van een eenheid die relevant is in termen van ruimtelijke ordening.
Aangezien wegen geen bebouwde gebieden zijn, zijn ze niet opgenomen in de kruising van de gegevens. De biotopenkaart heeft echter de elementen van wegen aan het licht gebracht die belangrijk worden geacht voor de ontwikkeling van de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora).. Daarom zijn deze wegen in de definitieve kaart opgenomen als lineaire elementen, d.w.z. "wegen met een significante ecologische verbinding".
De eindverslagen van deze studie bevatten meer details over de gebruikte methodologie (zie de onderstaande links).
De gebieden met een hoge en zeer hoge biologische waarde beslaan 19% van het gewest
De biologische waarderingskaart in haar nieuwe versie van 2021 is het resultaat van het gecombineerde resultaat van de twee ontwikkelingsfasen, namelijk de bijwerking van de BWK van 1996 en de gewestelijke analyse van de stadsblokken. In de uiteindelijke output werden de twee beoordelingen gelijk gewogen (elk 50% voor de eindscore).
De BWK 2021 brengt dus de biologische waarde van alle stadsblokken op gewestelijk niveau duidelijk in kaart, waarbij nog steeds de belangrijkste elementen, die historisch werden beoordeeld en die de neiging hebben los te komen van hun omringende "matrix", worden onderscheiden. De benadering is ook nuttig omdat ze niet uitgaat van de afwezigheid van biologische waarde van gebieden die in de laatste decennia niet werden onderzocht.
Biologische waarderingskaart van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (gegevens 2018)
Bron: Leefmilieu Brussel – Afdeling Groene Ruimten 2022
De biologische waarde wordt nu uitgedrukt in 5 categorieën van A tot E (A staat voor de biologisch meest interessante gebieden en E voor de minst interessante). Sites met hoge tot zeer hoge biologische waardeErkende waarde van een site, beoordeeld op basis van een reeks criteria zoals de aanwezigheid van weinig verstoorde hydrologische elementen (bronnen), de diversiteit en schaarste van de plaatselijke dier- en plantsoorten, de aanwezigheid van schaarse soorten, de rijpheid van de vegetatie (onvervangbare site behalve op zeer lange termijn, b.v. een eeuwenoud bos), enz. (dus A en B) zijn gebieden die een belangrijke bijdrage leveren aan de bescherming van de gewestelijke biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). (fauna, flora en natuurlijke habitats) en die meestal reeds in eerdere BWK's werden belicht.
Beschrijving van de 5 categorieën biologische waarden
Foto's ter illustratie van de 5 categorieën biologische waarde
Bron: Biotope Environnement sa en Stratec 2020

A: Zeer hoge biologische waardeErkende waarde van een site, beoordeeld op basis van een reeks criteria zoals de aanwezigheid van weinig verstoorde hydrologische elementen (bronnen), de diversiteit en schaarste van de plaatselijke dier- en plantsoorten, de aanwezigheid van schaarse soorten, de rijpheid van de vegetatie (onvervangbare site behalve op zeer lange termijn, b.v. een eeuwenoud bos), enz.
Categorie A omvat de gebieden met een zeer hoge biologische waarde. Deze sites vormen de belangrijkste gebieden op het vlak van biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In veel gevallen maken ze deel uit van beschermde gebieden of van gebieden met een hoge mate van natuurlijkheid. Deze categorie omvat gebieden zoals het Zoniënwoud, de Kinsendaal-Kriekenput en vijvers zoals in Neerpede en het Woluwepark. Deze gebieden zijn over het algemeen op een meer gedetailleerd niveau dan dat van het stadsblok gedefinieerd.
B: Hoge biologische waarde
Categorie B verzamelt de gebieden met een hoge biologisch waarde. Ze vormen ook de centrale gebieden op het vlak van biodiversiteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het verschil met categorie A is niet erg uitgesproken en het onderscheid wordt voornamelijk gemaakt met betrekking tot de biotoopNatuurlijke omgeving waarin een plant of dier kan leven en zich kan voortplanten. Een biotoop is de kleinst mogelijke geografische onderverdeling van de habitat. en de natuurlijkheid. In veel gevallen vormt de combinatie van deze twee categorieën een ononderbroken geheel. In categorie B vinden we sites zoals het Woluwepark, het Terkamerenbos of braakliggende gronden zoals de site Schaarbeek-Vorming. Deze gebieden zijn over het algemeen op een meer gedetailleerd niveau dan dat van het stadsblok gedefinieerd.
C: Belangrijke biologische waarde
Categorie C omvat gebieden met een belangrijke biologische waarde. Deze groene ruimten zijn vaak belangrijk in termen van hun aaneengesloten oppervlakte en leveren daarom een grote bijdrage aan de groene infrastructuur van het gewest. Deze categorie omvat sites zoals het Josafatpark, het Jubelpark en de Brusselse begraafplaats. Grote delen van de woonwijken aan de rand van het Zoniënwoud kunnen tot deze categorie worden gerekend.
D: Significante biologische waarde
Categorie D omvat gebieden met een significante biologische waarde. Het betreft middelgrote groengebieden (Hallepoort), grote aaneengesloten gebieden met weinig begroeiing (industriegebieden langs het Kanaal) of een combinatie van kleine, goed met elkaar verbonden gebieden (woongebieden met open habitats). Deze ruimten leveren een belangrijke bijdrage aan de biodiversiteit en de groene infrastructuur in stedelijke gebieden.
E: Beperkte biologische waarde
Categorie E omvat gebieden met een beperkte biologische waarde. Zij bestaan hoofdzakelijk uit gesloten ruimten in dichtbebouwde stedelijke gebieden, met hier en daar groene elementen, die soms met elkaar in verbinding staan. De groene infrastructuur in categorie E omvat binnentuinen in stadsblokken, pleinen of kleine open ruimten. Deze gebieden zijn belangrijke voor de ontwikkeling van aan gebouwen gerelateerde fauna, zoals de gierzwaluw of de huismus.
Merk op dat het totaal van de oppervlakten van de verschillende categorieën niet gelijk is aan de oppervlakte van het gewest, omdat sommige elementen niet zijn geëvalueerd (b.v. wegen zonder biologisch belang).
De gebieden met een hoge tot zeer hoge biologische waardeErkende waarde van een site, beoordeeld op basis van een reeks criteria zoals de aanwezigheid van weinig verstoorde hydrologische elementen (bronnen), de diversiteit en schaarste van de plaatselijke dier- en plantsoorten, de aanwezigheid van schaarse soorten, de rijpheid van de vegetatie (onvervangbare site behalve op zeer lange termijn, b.v. een eeuwenoud bos), enz. (A, B, C) bestrijken bijna 40% van het gebied. Deze gebieden dragen het meest bij aan het behoud en de ontwikkeling van de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). in de stad. De overgrote meerderheid ligt in de tweede kroon van Brussel, met een oververtegenwoordiging in het zuidoostelijke deel ervan (Ukkel, Watermaal-Bosvoorde, Oudergem, Sint-Pieters-Woluwe en Sint-Lambrechts-Woluwe). Deze gebieden getuigen van het bosbouw- en plattelandsverleden van de Brusselse periferie en zijn, soms, relatief goed met elkaar verbonden.
De meeste gebieden van categorie A en B (19% van het grondgebied) worden beschermd door verschillende regelgevingsinstrumenten, hetzij via actieve bescherming (Natura 2000-gebieden, natuur- en bosreservaten), hetzij via passieve bescherming (GBP-groenzones, met uitzondering van buitensport- en recreatiegebieden) (zie indicator "Beschermde semi-natuurlijke gebieden en groene ruimten"). Voor 96% van de oppervlakte van de gebieden van categorie A geldt ten minste één beschermingsstatuut. Voor de gebieden van categorie B bedraagt de door deze statuten beschermde oppervlakte 67,8%, terwijl ze voor categorie C tot 25,2% daalt.
Voor de stadsblokken van de categorieën D en E zien we zeer verschillende stedelijke contexten naargelang van hun bestemming. Men kan zich bijvoorbeeld in een residentieel, industrieel, commercieel of administratief stedelijk weefsel bevinden. Voor deze stadsblokken zullen de strategieën voor natuurontwikkeling in hoge mate afhangen van het soort gebruik.
Binnen de eerste kroon zijn de bevolking en bebouwing dichter (zie de focus over de vegetatiebedekking van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest). Gebieden van de categorieën A en B komen bijna niet voor en het zijn de grote openbare groene ruimten - meestal historische parken - die het meest bijdragen aan de biologische kwaliteit. Voorbeelden zijn het Jubelpark, het Leopoldpark, het park van Vorst en het Josafatpark, die tot categorie C behoren. In dit deel van de stad zijn de groene ruimten veel meer versnipperd. Particuliere tuinen en verbindingswegen zoals beplante lanen en spoordijken zorgen soms voor verbindingen tussen groene ruimten in de vorm van "Japanse paden" of "stepping stones" (stukjes natuurlijke habitat die fungeren als onderbroken verbindingen), of zelfs ecologische corridors, aangezien de continuïteit op de grond het efficiëntst is voor de verplaatsing van de soorten.
In de Vijfhoek valt het overgrote deel van de bebouwing in categorie E, de laagste categorie. Enkele verspreide gebieden vallen in categorie D, zoals het Egmontpark, het Putterieplein en het gebied van de oude dokken. De enige stadsblokken in de Vijfhoek die categorie C halen, zijn het Park van Brussel en het Koninklijk Paleis.
De BWK, een instrument voor analyse en bijstand bij de territoriale planning
De BWK geeft informatie over de biologische waarde van de verschillende gebieden in het gewest. Ze is een analyse- en hulpinstrument voor de ruimtelijke ordening en kan worden vergeleken met andere thematische kaarten (bodem, water, bestemmingsplannen, enz.). Ze maakt het met name mogelijk belangrijke gebieden voor het behoud van de biodiversiteit te identificeren die een beschermingsstatuut of een versterking daarvan zouden verdienen.
Deze kaart draagt ook bij tot de actualisering van andere strategische documenten, zoals de cartografische weergave van het Brussels ecologisch netwerk zoals bepaald door de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud, of de herziening van het Gewestelijk Bestemmingsplan.
De onderstaande kaart toont de gebieden met biologische waarde A of B die momenteel noch als groene of landbouwgebieden (met uitzondering van sport- en recreatiegebieden in de open lucht), noch als natuur- of bosreservaten, noch als speciale beschermingszones in het kader van Natura 2000, noch als aangewezen natuurgebieden in het kader van de GBP worden beschermd.
Biologische waarderingskaart van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: zones A en B zonder actieve of passieve bescherming (gegevens 2018)
Bron: Leefmilieu Brussel – Afdeling Groene Ruimten 2022
De BWK is niet het enige instrument
Na (of in afwachting van) haar publicatie eind 2021 wordt de biologische waarderingskaart als één van de belangrijkste instrumenten van het beleid voor natuurbehoud in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest beschouwd. Niettemin moet het instrument - dat louter indicatief blijft - in zijn context worden geplaatst en moet worden gewezen op zijn methodologische en interpretatieve beperkingen. De biologische waarderingskaart pretendeert niet de som te zijn van alle kennis over het Brusselse stedelijke ecosysteemGeheel van de planten- en dierengemeenschappen in een territorium, beschouwd in hun wisselwerking met de milieufactoren..
Men moet vooral onthouden dat deze kaart alleen rekening houdt met parameters met betrekking tot de natuurlijke habitats en de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora).. Elementen zoals de landschappelijke bijdrage, het sociaal-recreatieve belang, de erfgoedwaarde of het lokale belang als infiltratiezone of koelte-eiland zijn niet in de analyse opgenomen. De behaalde score is dus niet representatief voor de bredere "milieuwaarde" of "ecosysteemwaarde" van elk beoordeeld element. Groene ruimten in het stadscentrum en in gebieden met een gebrek aan openbaar toegankelijk groen kunnen, ondanks hun lagere biologische waarde (ruimten met weinig verbinding met het ecologisch netwerk, parken die zeer veel publiek aantrekken, schralere vegetatie, enz.) een hogere "milieuwaarde" hebben dan uit hun score op de BWK blijkt.
De BWK houdt, zoals meegedeeld, geen rekening met de evolutie in de tijd van de habitats, noch in positieve (kwalitatieve verbetering, aanleg van groene ruimten, enz.), noch in negatieve zin (aantasting van de ruimten, mineralisatie, verstedelijking, enz.) voor het volledige gewestelijke grondgebied. Ze moet worden gezien als een momentopname, en de interpretaties en analyses van tendensen worden elders gepresenteerd, met name in het verslag over de toestand van het milieu of het verslag over de toestand van de natuur.
Aangezien de beoordeling gedeeltelijk gebaseerd is op de vorige biologische waarderingskaart, die slechts een deel van de historisch als biologisch belangrijk aangemerkte elementen omvatte, is het mogelijk dat de biologische waarde van sommige terreinen in particulier bezit (met weinig of geen toegang) of van kleine ecologische elementen die ten tijde van de eerste BWK's niet werden geregistreerd, in de beoordeling onvolmaakt tot uiting komt. Terwijl de fauna goed geïntegreerd is in de analyses van de historische sites, blijven de beschikbare gegevens over de verspreiding van de soorten in de particuliere sites in essentie onsystematisch en meer "opportunistisch". Voor de biologische beoordeling van de stadsblokken op de schaal van het volledige grondgebied is het dus relevanter rekening te houden met gegevens over de vegetatie en de versnippering - en dus over een bepaalde opvangcapaciteit van de fauna.
De analyse per stadsblok heeft weliswaar het voordeel dat een eenheid wordt gebruikt die bij stadsplanners goed bekend is, maar kan op kleine schaal een mate van vertekening teweegbrengen, vooral op plaatsen waar stadsontwikkeling plaatsvindt. Dit is het geval met zeer grote stadsblokken die gedeeltelijk door wegen of volledig door spoorwegen worden doorkruist en min of meer verstedelijkt zijn, maar waarvan met name de totale oppervlakte de score naar boven trekt. Toch kunnen de relatieve variabelen (vegetatiegraad, interne/externe doorlaatbaarheid) een relevant resultaat opleveren.
Op deze evoluerende sites kan de situatie ook aanzienlijk veranderen in enkele maanden, dus sneller dan de tijd die nodig is om de gegevens te verwerven, te verwerken, in kaart te brengen en te valideren (meer dan 3 jaar voor het volledige proces). Lokaal kunnen de resultaten dus minder betrouwbaar zijn. De vergelijking van de gegevens van de BWK met die van andere kaarten voor territoriale analyse (jaarlijks beschikbare orthofotoplannen, historische kaarten, ecologische netwerkkaart, vegetatiekaart, faunawaarnemingen, enz.) maakt het mogelijk de interpretaties te verfijnen door rekening te houden met recentere gegevens, naarmate deze beschikbaar zijn.
De gegevens van de BWK worden dus als indicatie gepresenteerd en maken een analyse van geval per geval, ook ter plekke, niet overbodig. Deze analyse zou moeten voorafgaan aan elk plan of project (b.v. in het kader van milieueffectrapportages en studies).
Om te downloaden
Factsheets
Verslagen over de staat van het leefmilieu
- Focus: Semi-natuurlijke sites en beschermde groene ruimten (2023)
- Focus: Plantenbedekking in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (2023)
Studies en rapporten
- DUBOIS Q., 2020. Actualisation de la carte d’évaluation biologique de la Région de Bruxelles-Capitale. Note explicative de la phase 1 - carte des biotopes, Biotope environnement sa et Stratec, Etude réalisée pour le compte de Bruxelles Environnement, 9 p. (.pdf) (enkel in het Frans)
- DUBOIS Q., 2020. Actualisation de la carte d’évaluation biologique de la Région de Bruxelles-capitale. Note explicative de la phase 2 - Evaluation de la qualité biologique des îlots urbains à l’échelle de la Région de Bruxelles-Capitale (.PDF), Biotope environnement sa en Stratec, Studie uitgevoerd voor Leefmilieu Brussel, 12 p. (.pdf) (enkel in het Frans)
Plannen en programma's
De fragmentatie van natuurlijke habitats
Focus - Bijgewerkt: november 2022
Een betere connectiviteit van de natuurlijke habitats vormt een belangrijke uitdaging voor het behoud van de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). in het Brussels Gewest. Het probleem van de versnippering van de habitats blijft bijzonder groot voor de dichtbebouwde wijken, maar stelt zich ook in de rand, en vooral in het Zoniënwoud. Het Brussels Gewest en het Vlaams Gewest hebben verschillende constructies of voorzieningen aangelegd om de gevolgen van de versnippering in dit gewestoverschrijdend bosmassief te verzachten. Deze inspanningen blijken doeltreffend, en moeten dus worden voortgezet. Het behoud en de versterking van de groene ruimten die toegankelijk zijn voor de Brusselaars vormt ook een belangrijke gewestelijke uitdaging die deel uitmaakt van een samenwerking tussen de gewesten.
De fragmentatie van de natuurlijke habitats bedreigt de biodiversiteit
Zowel op wereldschaal als lokaal leidt de uitbreiding van de bebouwde oppervlakte tot een versnippering van de natuurlijke habitats, met biodiversiteitsverlies tot gevolg.
De aanwezigheid en het behoud van bepaalde dier- en plantensoorten hangt immers niet alleen af van de beschikbaarheid van natuurlijke habitats van voldoende grootte en kwaliteit, maar ook van de mogelijkheid voor deze soorten om zich te verplaatsen tussen de gebieden, om voedsel of nieuwe territoria te zoeken, voor de voortplanting of voor de migratie. De verdwijning van aansluitingen tussen de natuurlijke milieus en het isolement van deze milieus door obstakels waar de soorten moeilijk - of zelfs onmogelijk - overheen raken, kunnen negatieve genetische en demografische gevolgen hebben voor het overleven op lange termijn van bepaalde soorten, vooral omdat hun reactie- en aanpassingsvermogen erop achteruitgaat. Het “barrière-effect” kan toe te schrijven zijn aan vervoersinfrastructuren (wegen, parkings maar ook spoorwegen, het kanaal enz.) of gebouwen, maar bijvoorbeeld ook aan kunstverlichting die nachtelijk actieve soorten verstoort.
De dichtheid van het Brusselse wegennet en de bebouwing beperkt tal van soorten sterk in hun bewegingsvrijheid
Het behoud van de connectiviteit en de vermindering van de versnippering van de natuurlijke habitats vormen belangrijke uitdagingen voor de Brusselse biodiversiteit.
Een kaart van de fragmentatie van de natuurlijke habitats werd opgesteld voor het Brussels Gewest. Deze kaart is gebaseerd op 2 types van gegevens:
- de “doorlatendheid” voor verplaatsingen van elk stedelijk huizenblok: ze meet de mate van openheid (afhankelijk van de bebouwing in de perimeter en binnen het huizenblok) van het huizenblok ten opzichte van de omliggende huizenblokken (gegevens gebruikt voor de biologische waarderingskaart 2020. Voor meer informatie, zie de focus over de BWK);
- de verkeersdrukte op elk wegsegment (gegevens 2016).
Dit is evenwel maar een eerste benadering die bijvoorbeeld geen rekening houdt met de bestaande oversteekvoorzieningen voor de fauna of met de verhoging van bepaalde wegen door viaducten (zoals ter hoogte van de ring aan de westkant van het Gewest).
Hierbij moet echter worden opgemerkt dat hoewel de verkeersaders en spoorlijnen en zelfs het kanaal obstakels vormen voor de vrije beweging van fauna en flora, ze ook deel kunnen uitmaken van het groene netwerk doordat ze “ecologische corridors” vormen waarlangs bepaalde soorten zich kunnen verplaatsen (bermen, begroeide taluds en oevers, laanbomen, netwerk van oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...). met eventueel begroeide kunstmatige eilanden, enz.).
Fragmentatie van de Brusselse natuurlijke habitats door wegen en gebouwen
Bron: Afdeling groene ruimten 2022
De kaart toont dat de ruimtelijke connectiviteit tussen de groene ruimten kleiner is in de gebieden van de Vijfhoek en de eerste kroon waar de meeste begroeide ruimten bestaan uit vaak kleine tuinen in gesloten huizenblokken. Ze toont ook aan dat de grote verkeersaders obstakels vormen voor de verspreiding van de soorten.
De versnippering vormt ook een probleem in de tweede kroon, vooral in het Zoniënwoud dat wordt doorkruist door tal van transportinfrastructuren (snelwegen, gewestwegen, spoorlijn ...).
Behalve de verkeerswegen en de gebouwen, die tastbare barrières zijn, kan ook de lichtvervuiling lichtschuwe soorten hinderen in hun verplaatsingen (zie focus over de lichtvervuiling).
Vooral kikkers, padden, watersalamanders en egels sneuvelen in het verkeer
Dieren die een weg, of in een kleiner aantal gevallen een spoorweg, oversteken, lopen het gevaar te worden aangereden of overreden. Het Belgische wegennet is uitermate dicht, en voor tal van diersoorten zijn verkeersongevallen een belangrijke oorzaak van niet-natuurlijke sterfte. “Dieren onder de wielen” is een project van het Vlaams Gewest in samenwerking met de vzw Natuurpunt. Het heeft tot doel de dieren die sneuvelen op de weg te registreren en in kaart te brengen. Het initiatief steunt op een participatief wetenschappelijk project dat de burgers ertoe aanmoedigt hun waarnemingen online door te geven, bij voorkeur met systematische registratie van hun traject (Dieren onder de wielen of Waarnemingen). Aan de hand van deze gegevens kunnen zwarte punten worden bepaald en oplossingen aangereikt.
Op 5 jaar tijd werden in het kader van dit project 1.750 amfibieën, reptielen, zoogdieren en vogels die sneuvelden op de weg geregistreerd in het Brussels Gewest. Op nationale schaal loopt dit cijfer op tot meer dan 63 000 individuen. Deze gegevens zijn overigens zwaar onderschat: volgens Natuurpunt heeft onderzoek aangetoond dat meldingen van aangereden dieren slechts “het topje van de ijsberg” zijn. Bovendien is het aantal meldingen in de lockdownperiode van 2020 sterk gedaald.
Registratie van dode dieren op de weg in het Brussels Gewest gedurende 5 jaar (8 juli 2017 – 8 juli 2022)
Bron: waarnemingen.be (Natuurpunt)
Hoewel deze registratie ver van volledig is, toont ze toch duidelijk aan dat de meest voorkomende verkeersslachtoffers soorten zijn die zich langzaam verplaatsen, zoals kikkers, padden, watersalamanders en egels. Ook duiven, die graag in de stad vertoeven en hun voedsel zoeken op de grond, zijn vaak het slachtoffer van aanrijdingen, tot in het stadscentrum toe.
Behalve voor de stadsduif geldt voor alle soorten een strikte bescherming op Brussels grondgebied krachtens de Natuurordonnantie. De steenmarter staat op de lijst van soorten van gewestelijk belang.
In de betrokken periode werden bijna 1 500 dode amfibieën en, in mindere mate, reptielen geteld op de Brusselse wegen. De sterfte ligt veruit het hoogst in maart, wanneer de amfibieën aan hun voortplantingstrek beginnen. Dit cijfer ligt overigens veel lager dan de realiteit, aangezien de slachtoffers niet systematisch worden geteld, er onvoldoende rekening wordt gehouden met de omvang van het fenomeen van de lentetrek en deze soorten zo klein zijn.
Leefmilieu Brussel kent een jaarlijkse subsidie toe aan Natagora met het doel reddingsacties voor amfibieën in het Brussels Gewest te ondersteunen en te coördineren.
Op basis van deze acties en de gegevens die werden ingezameld in het kader van de samenstelling van de atlas van de amfibieën en reptielen werd een cartografie opgesteld van de zwarte punten voor de paddentrek in de lente (zie factsheet Amfibieën en reptielen).
In de loop van de voorbije 5 jaar werden ongeveer 200 zoogdieren die het leven lieten op de weg geregistreerd. Dit waren hoofdzakelijk vossen, maar ook egels, steenmarters en eekhoorns.
Het dichte wegennet in Brussel heeft dus een impact op de sterfte. Daarnaast beperkt het de bewegingsvrijheid van de terrestrische zoogdieren, maar ook van de vleermuizen die grote open ruimten vermijden en structuren nodig hebben om zich te oriënteren (echolocatie). Ook de versnippering door verlichte infrastructuren en de koplampen van auto’s vormen een bedreiging voor de vleermuizen (impact op de insectenpopulaties, verstoring van de vliegroutes …). Meer in het algemeen kan de lichtvervuiling barrières creëren waar nachtdieren niet doorheen kunnen.
Maatregelen voor de connectiviteit tussen de groene ruimten
Een van de belangrijkste doelstellingen van de ordonnantie betreffende het natuurbehoud die werd goedgekeurd in 2012, is de definitie van het begrip Brussels ecologisch netwerk (BEN). Dit BEN werd in kaart gebracht in het Natuurplan (2016) dat een reeks maatregelen voorziet voor de versterking ervan.
Goed om te weten
Het Brussels ecologisch netwerk is een samenhangend geheel van zones met natuurlijke, semi-natuurlijke en kunstmatige elementen van het gewestelijk grondgebied die beheerd en/of gerestaureerd moeten worden om te helpen garanderen dat de voorwaarden voor het behoud van de natuurlijke habitats en de soorten in een gunstige staat van instandhouding aanwezig zijn. Het omvat:
- De centrale gebieden, gebieden met een (heel) grote biologische waarde die in belangrijke mate bijdragen aan de bescherming van de soorten, vooral degene die een actief beschermingsstatuut genieten (natuur- of bosreservaten, Natura 2000-gebieden);
- De ontwikkelingsgebieden, die vaak uitbreidingsgebieden zijn van de centrale gebieden, die een hoge biologische waardeErkende waarde van een site, beoordeeld op basis van een reeks criteria zoals de aanwezigheid van weinig verstoorde hydrologische elementen (bronnen), de diversiteit en schaarste van de plaatselijke dier- en plantsoorten, de aanwezigheid van schaarse soorten, de rijpheid van de vegetatie (onvervangbare site behalve op zeer lange termijn, b.v. een eeuwenoud bos), enz. hebben of kunnen hebben, of die dit kunnen worden door een passend onderhoud of de juiste aanlegwerken;
- De verbindingsgebieden, die reeds bestaan of (opnieuw) gecreëerd moeten worden, en die met name bestaan uit structuren die de soorten in staat moeten stellen om zich te verspreiden en te migreren binnen het netwerk, tussen de complexen van centrale gebieden en ontwikkelingsgebieden, over de hele stedelijke matrix (m.a.w. de gebieden die worden gebouwd en/of die niet zijn opgenomen in het netwerk).
Dit beleid van onderhoud of herstel van de connectiviteit tussen natuurlijke habitats wordt echter al meerdere jaren uitgevoerd in het kader van het programma van het groene netwerk (zie focus) dat werd opgestart door Leefmilieu Brussel in 1996 en dat vervolgens werd voorgesteld in het gewestelijk ontwikkelingsplan (GewOP 2002). De laatste versie ervan is overgenomen in het gewestelijk plan voor duurzame ontwikkelingOntwikkelingswijze die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder daarmee voor de toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Het gaat dus om een demarche die ernaar streeft de continuïteit van de economische en sociale ontwikkeling in de tijd voort te zetten, met eerbied voor het leefmilieu en zonder de natuurlijke hulpbronnen die nodig zijn voor de menselijke activiteiten in gevaar te brengen. (GPDO, 2018). Het groene netwerk is ook opgenomen in de definities en schriftelijke voorschriften van het gewestelijk bestemmingsplan (GBP). De definitie van het BEN wordt erin overgenomen, maar het wordt niet in kaart gebracht.
De herverbindingsstrategie steunt op een aantal maatregelen zoals het in aanmerking nemen van de connectiviteit van de natuurlijke habitats in het beleid voor toekenning van stedenbouwkundige vergunningen, de bescherming van groene ruimten met een hoge biologische waardeErkende waarde van een site, beoordeeld op basis van een reeks criteria zoals de aanwezigheid van weinig verstoorde hydrologische elementen (bronnen), de diversiteit en schaarste van de plaatselijke dier- en plantsoorten, de aanwezigheid van schaarse soorten, de rijpheid van de vegetatie (onvervangbare site behalve op zeer lange termijn, b.v. een eeuwenoud bos), enz. (zie focus over de semi-natuurlijke gebieden en beschermde groene ruimten), de herverbinding van bepaalde waterlopen met het rivierenstelsel en het openleggen van meerdere riviersegmenten (programma van Blauw netwerkProgramma dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest sinds 1999 heeft opgezet om het water en de vochtige zones op het grondgebied ervan te herstellen. Het programma heeft verschillende doelstellingen: 1) scheiding van afvalwater en zuiver water om de wateraanvoer in de zuiveringsstations te beperken; 2) herstelling van sommige bestanddelen van het gewestelijke hydrografische netwerk; 3) heraanleg van een aantal stukken rivier, vijvers en vochtige zones om hun biologische waarde te herwaarderen, zodat ze eventueel bijzondere beschermingsmaatregelen kunnen genieten; 4) vrijwaring van de landschappelijke en recreatieve functie van deze sites., zie factsheet), de ontwikkeling van de groene wandelingLandschappellijke route bestemd voor traag verkeer, dat de natuurlijke en semi-natuurlijke groene ruimten van de tweede kroon verbindt. Ze laat toe om een rondgang van het hele Gewest te doen langs een veilig en bebakende weg., het ecologisch beheer van de ruimten die verbonden zijn aan de transportinfrastructuren, de uitvoering van voorzieningen zoals ecoducten of het beheer van de lichtvervuiling (zie fiche lichtvervuiling).
Naast de analyse van de ruimtelijke connectiviteit van de natuurlijke ruimten is het ook nodig een denkoefening te houden over de verschillende behoeften en ecologische niches van de soorten en het vormen van ecologische subnetwerken om hieraan te voldoen.
Goed om te weten
Een onderzoek had betrekking op de potentiële rol van het groene netwerk als biologische corridor voor de plantensoorten in het Brussels Gewest. Dit onderzoek toonde met name de effectieve bewegingen aan van de bestuivende soorten en een verspreiding van het stuifmeel langs lineaire landschapselementen (beboste stroken, Woluwe), binnen en tussen populaties voor de vijf bestudeerde plantensoorten.
Bron: VAN ROSSUM F. 2007 “For a sustainable conservation of biodiversity in Brussels urban environment: role of the Green Network as functional corridors between fragmented plant populations”, studie uitgevoerd door de onderzoekseenheid van Professor L.Triest (Algemene Plantkunde en Natuurbeheer, VUB) in het kader van een programma gefinancierd door INNOVIRIS
Een bos waarvan de verbindingen moeten worden hersteld
Versnippering van het Zoniënwoud door transportinfrastructuren
Bron: Leefmilieu Brussel – departement Bos, 2022
Het aantal weg- en spoorinfrastructuren die het bosgebied doorkruisen, is bijzonder groot in het Zoniënwoud. Dit gebied is dan ook sterk versnipperd, wat de verplaatsingen van het publiek en van de fauna tussen de verschillende delen van het woud bemoeilijkt.
Volgens het beheerplan voor het Zoniënwoud moeten de Terhulpsesteenweg en de andere grote verkeersaders en snelwegen doorheen het Zoniënwoud omwille van de verkeersdrukte en -snelheid worden beschouwd als overdag ondoorlatend voor de meeste zoogdiersoorten. Bovendien wordt een aantal secundaire wegen vaak gebruikt als sluipweg om files te vermijden.
De fauna betaalt hierdoor een hoge tol, vooral doordat de dieren worden opgeschrikt door de gebruikers van het bos - in het bijzonder door honden die niet aan de leiband worden gehouden - wat hen er vaak toe aanzet over te steken.
Tijdens de enquête “Dood doet leven” die in de periode 2008-2012 (4 jaar) werd uitgevoerd, werden iets meer dan 200 grote zoogdieren geregistreerd als slachtoffers van wegverkeersongevallen in het Zoniënmassief (dat zich uitstrekt over de drie gewesten). Dit zijn vooral de reeën (ongeveer 60% van de gemelde slachtoffers) en de vossen (ongeveer 30%). Ook twee dode everzwijnen werden geteld. Sinds de enquête werden nieuwe voorzieningen voor herverbinding ingevoerd en werden wildrasters gezet (zie lager).
Deze versnippering van het bosgebied is op termijn ook schadelijk voor de genetische mix van bepaalde dierenpopulaties die zich opsplitsen in subpopulaties die mogelijk in hun overleven bedreigd zijn.
Er is nood aan maatregelen om de impact van de transportinfrastructuren te verminderen, zodat wandelaars overal door kunnen en fauna-uitwisselingen mogelijk zijn. Deze pijler werd dan ook vastgelegd als prioritair in het kader van de structuurvisie voor het Zoniënwoud.
Meerdere constructies of voorzieningen, ondersteund door eerdere studies, werden de voorbije tien jaar uitgevoerd om de effecten van de ecologische versnippering van bosmilieu te beperken:
- een ecoduct over spoorlijn 161 (Brussels Gewest);
- een ecoduct in Groenendaal over de Ring 0 (Vlaams Gewest);
- faunapassages in bestaande tunnels;
- nieuwe faunatunnels (ecospuien of ecotunnels);
- de inrichting van een travee van het viaduct van Dry Borren (Oudergem)
- wildrasters langs de E411, de R0 en spoorlijn L161 om de dieren naar veilige oversteekplaatsen te geleiden (de randen van deze infrastructuren werden ook aangelegd om een diversiteit aan soorten en structuren te waarborgen);
- een boombrug voor kleine in bomen levende zoogdieren (Vlaams Gewest);
- overwinteringsverblijven voor vleermuizen (Brussels Gewest).
Alleen al de twee ecoducten verbinden samen meer dan 2 000 ha van het bos. Een deel van deze verwezenlijkingen maakt deel uit van de compensatiemaatregelen die het Brussels Gewest eiste voor het verlies van bosoppervlakte ten gevolge van het op vier sporen brengen van de spoorlijn Brussel-Namen (L161) of, meer recentelijk, voor het leggen van een gasleiding doorheen het Zoniënwoud. Andere inrichtingswerken werden uitgevoerd in het kader van het Europese project Life+ OZON (2013-2018) dat tot doel heeft de impact van de versnippering door de vele drukke verkeersaders doorheen het Zoniënwoud te verminderen. In mei 2021 werd de bouw van een derde ecoduct, over de Terhulpsesteenweg in Watermaal-Bosvoorde, opgenomen in het programma van het Beliris-akkoord. Dit project wordt op dit moment bestudeerd. Op termijn zal het de twee Brusselse delen van het woud die zijn beschermd als Unesco-werelderfgoed verbinden.
Andere initiatieven moeten nog worden ontwikkeld om de voorziening voor ecologische herverbinding van de verschillende delen van het Zoniëngebied te vervolledigen en om op die manier aansluitingen met de aangrenzende bosgebieden te garanderen (Meerdaalwoud en Hallerbos).
Zoniënwoud en omliggende groene ruimten
Bron: Leefmilieu Brussel, departement Bos, 2022
Voorzieningen voor herverbinding die hun doeltreffendheid hebben bewezen
De doeltreffendheid van de ecoducten en ecotunnels werd meermaals aangetoond. Meer specifiek waren de realisaties in het kader van het project Life+ OZON het voorwerp van een monitoring om de impact van deze installaties op de fauna en de flora te beoordelen. Hieruit bleek dat de faunapassages (ecoducten, ecotunnels, ecospuien enz.) die werden aangelegd ter hoogte van bepaalde weg- en spoorinfrastructuren vooral worden gebruikt door kleine en grote zoogdieren. Ook werd vastgesteld dat veel minder dieren werden aangereden nadat afsluitingen werden geplaatst langs de ring.
Door de monitoring ter hoogte van het ecoduct van Groenendaal kon worden vastgesteld dat 11 soorten vleermuizen in de buurt en 17 andere soorten zoogdieren de infrastructuur hebben gebruikt. Het ecoduct wordt ook gebruikt door amfibieën en reptielen, en ook enkele zeldzame insecten werden erop waargenomen.
Ook de boombrug werd door camera’s gevolgd, maar hier werd geen enkele passage vastgesteld tussen 2014 en 2017. Om die reden werden geen andere boombruggen gebouwd.
De versterking van de openbare ruimten in en rond Brussel
Het aantal open milieus (weilanden, grasperken, akkers, moestuinen en ruigten) in het Brussels Gewest is klein en versnipperd (cfr. Factsheet over de analyse van de onbebouwde oppervlakten).
Het onderhoud van de open en semi-open milieus is een grote uitdaging voor het gewest. Bloemenweiden omringd door kleine landschapselementen vormen de habitat van tal van opmerkelijke dier- en plantensoorten, die de laatste jaren een sterke terugval kennen. Naast hun hoge biologische waardeErkende waarde van een site, beoordeeld op basis van een reeks criteria zoals de aanwezigheid van weinig verstoorde hydrologische elementen (bronnen), de diversiteit en schaarste van de plaatselijke dier- en plantsoorten, de aanwezigheid van schaarse soorten, de rijpheid van de vegetatie (onvervangbare site behalve op zeer lange termijn, b.v. een eeuwenoud bos), enz. hebben de open gebieden en de agrarische relicten ook een groot potentieel voor de ontwikkeling van de stadslandbouw en een hoge patrimoniale, landschappelijke en recreatieve waarde die bewaard zou moeten blijven (Natuurplan 2016). Studies die in het Brussels Gewest werden uitgevoerd, wijzen op het belang van goed beheerde stadsmoestuinen, als aanvulling bij andere types groene ruimten, voor het behoud van de wilde bijen (zie factsheet over de ongewervelden).
De meest uitgestrekte open landschappen bevinden zich vooral in het westen en het noorden van het gewest. Het landbouwgebied van Neerpede (Anderlecht) is de Brusselse poort naar het Pajottenland, het zeer vruchtbare en heuvelachtige gedeelte van de groene gordel rond Brussel. Ook ter hoogte van het Scheutbos (Molenbeek), het Hoogveld en het Kattebroek, en in mindere mate in de valleien van de Verrewinkelbeek en de Geleytsbeek, zijn er belangrijke verbindingen van open ruimten met het aangrenzende Vlaamse Gewest.
In deze context, en conform een van de doelstellingen van het Natuurplan 2016, werken het Brussels Gewest en het Vlaams Gewest samen aan de instandhouding en de versterking van de open ruimten (in de stedenbouwkundige betekenis van de term, namelijk ruimten die niet zijn ingenomen door bouwwerken: ruimten bestemd voor natuur en landbouw, omgeving van gebouwen, bermen langs lineaire transportinfrastructuren, sportvelden en speelpleinen, industrieterreinen of industrieel braaklandDoor de mens verwaarloosde zone die geleidelijk wordt ingenomen door spontane plantengroei. enz.) in Brussel en in de Vlaamse rand (zie de gewestoverschrijdende studie “Open Brussels, een netwerk voor open ruimten in en rond Brussel”).
Om te downloaden
Factsheets
- Analyse van de onbebouwde oppervlakten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest door interpretatie van satellietbeelden - 2013 (.pdf)
- Het groene netwerk - 2017 (.pdf)
- Het blauwe netwerk – 2017 (.pdf)
- Amfibieën en reptielen in het Brussels Gewest – 2022 (.pdf)
- De lichtvervuiling in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (binnenkort)
Fiches van de staat van het leefmilieu
- De biologische waarderingskaart van het Brussels Gewest - 2022
- Vegetatiebedekking in het Brussels Gewest – 2023
- Het groene netwerk - 2015
Andere publicaties van Leefmilieu Brussel
- Rapport over de staat van de natuur in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest – 2012 (.pdf)
- Kaart “Fragmentatie van de groene ruimten”
- Kaart “Fragmentatie van open en gesloten milieus”
- Kaart “Brussels ecologisch netwerk”
Studies en verslagen
- AGENTSCHAP VOOR NATUUR EN BOS, AGENTSCHAP WEGEN EN VERKEER, LEEFMILIEU BRUSSEL 2019 (?). ”Herstel van natuurlijke habitats voor kritische bedreigde soorten door middel van ontsnippering van het Zoniënwoud”, 16 pp.
- AGORA & IRSNB 1998. “Etude de conception du maillage vert - Le maillage vert écologique en Région de Bruxelles-Capitale” (alleen in het Frans), studie uitgevoerd in opdracht van Leefmilieu Brussel, 40 pp.(.pdf)
- RAES D. 2013. “4 jaar Dood doet Leven, ook in het Zoniënwoud - Eindverslag”, 17 pp. (.pdf)
- VAN DE VOORDE ET AL. 2010.“Mapping update and analysis of the evolution of non-built (green) spaces in the Brussels Capital Region – Part I & II”, studie uitgevoerd in opdracht van Leefmilieu Brussel, 35 pp. (.pdf)
- VANWIJNSBERGHE S., VAN DER WIJDEN B., SCHOONBROODT O. 2021. “Impact du développement des infrastructures de transport sur la forêt - L’exemple de la ligne de chemin de fer Bruxelles-Namur en forêt de Soignes » (alleen in het Frans)
Plannen en programma’s
- Gewestelijk natuurplan 2016-2020 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 2016 (.pdf)
- Beheerplan voor het Brussels gedeelte van het Zoniënwoud, Boek I - Plaatsbeschrijving, 2019 (.pdf)
- Beheerplan van het Brusselse Zoniënwoud, Boek II - Beheerdoelstellingen en -maatregelen, 2019 (.pdf)
- Beheerplan voor het Brussels gedeelte van het Zoniënwoud, Boek III - Beheerplannen voor de archeologische sites, natuurreservaten en bosreservaten, 2019 (.pdf)
Natuurlijke habitats in de Brusselse groene ruimten
Focus - Actualisering : december 2011
Ondanks zijn stedelijke karakter en zijn beperkte oppervlakte (16.138 hectare) vindt men op het Brusselse grondgebied een aanzienlijke diversiteit aan natuurlijke habitats.
Boshabitats
Door de aanwezigheid van het Zoniënwoud (1.657 ha in het Brussels Gewest) zijn de boshabitats ruim vertegenwoordigd, aangezien ze bijna 3.620 ha ofwel 22 % van het grondgebied uitmaken. Dit cijfer omvat de "centrale gebieden" (grote beboste domeinen) - d.w.z. gebieden van (aangetoonde of potentiële) hoge biologische waardeErkende waarde van een site, beoordeeld op basis van een reeks criteria zoals de aanwezigheid van weinig verstoorde hydrologische elementen (bronnen), de diversiteit en schaarste van de plaatselijke dier- en plantsoorten, de aanwezigheid van schaarse soorten, de rijpheid van de vegetatie (onvervangbare site behalve op zeer lange termijn, b.v. een eeuwenoud bos), enz. die van groot belang zijn voor de werking van het Brusselse ecologische netwerk (geheel van gebieden waarvan het beheer dient bij te dragen tot de instandhouding of het herstel van een gunstige staat van instandhouding voor soorten of habitats) - evenals "ontwikkelingsgebieden" die eveneens als interessante gebieden gelden in termen van biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora)., maar die sterker ingekapseld kunnen zijn in het stedelijke weefsel (residentiële tuinen, stadsparken, enz.).
Het merendeel van de boshabitats heeft een hoge biologische waarde die zich met name laat verklaren door de hoge gemiddelde leeftijd van de bomen, de diversiteit van het reliëf en de bodem en de anciënniteit van de bezetting door het bos. De aanwezigheid van bepaalde types van boshabitats die op Europees niveau als zeldzaam en/of kenmerkend worden beschouwd, heeft het overigens mogelijk gemaakt om 1.872 ha van voornamelijk publieke bossen en wouden op te nemen in het "Natura 2000"-netwerk van habitats van communautair belang die het voorwerp uitmaken van een specifiek beschermingsstatuut. In het Brusselse deel van het Zoniënwoud is 112 ha bovendien beschermd als bosreservaatHet bosreservaat is een bos of een deel hiervan dat wordt beschermd met het doel kenmerkende of merkwaardige uitzichten of opstanden van inheemse houtsoorten in stand te houden en er de gaafheid van de bodem en van het milieu te vrijwaren., waarvan 36 ha als integraal reservaat.
Volgens een eerste (op het niveau van het Zoniënwoud nog maar gedeeltelijk en volgens de erg strikte criteria van de "Habitatrichtlijn" 92/43/EEG uitgevoerde) evaluatie van de staat van instandhouding van de Brusselse natuurlijke habitats bevindt slechts een beperkt gedeelte van de boshabitats zich op dit ogenblik in een gunstige staat van instandhouding. Verschillende criteria en indicatoren leveren niettemin relatief goede resultaten op. Bovendien blijkt uit de waargenomen aanwezigheid van meer dan 90 % van de soorten die karakteristiek zijn voor deze types van habitats dat er een goed potentieel bestaat voor een kwalitatieve verbetering van deze omgevingen.
De verbetering van de staat van instandhouding van deze habitats berust voor alles op de wijziging van de structuur (verticale en horizontale verdeling van de bomen) en de samenstelling van de vegetatie alsook op een verhoogde aanwezigheid van dood hout. In sommige bosstations vormen de verstoringen die verband houden met recreatieactiviteiten of lozingen van afvalwaterWater dat in huishouding of industrie dienst heeft gedaan en gewoonlijk met verschillende stoffen beladen is., eveneens een prioriteit. Ten slotte blijkt de aanwezigheid van invasieve exotische soorten op bepaalde plaatsen ook problematisch.
Weiland- en grasvegetatiehabitats
In het Brussels Gewest situeren de grasformaties zich vooral in relictuele landelijke gebieden en, in hun ornamentele of recreatieve vorm, in parken en tuinen. Deze habitats bestrijken een oppervlakte van 1.083 ha, goed voor bijna 7 % van het grondgebied, en worden beheerd door erg uiteenlopende actoren.
Slechts een gering gedeelte (20 ha) van de grasvegetatie in het Brussels Gewest is opgenomen in de habitats van communautair belang. Niettemin bevindt bijna 90 % van de weilanden, de rietvelden en de moeraszeggen zich in "Natura 2000"-gebied en worden zij door de nieuwe ordonnantie betreffende het natuurbehoud beschouwd als "natuurlijke habitats van gewestelijk belang" omwille van hun belang voor het gewestelijk natuurlijk erfgoed en/of hun ongunstige staat van instandhouding. Verder geniet bijna 100 ha grasformaties het statuut van natuurreservaatGebied dat om wetenschappelijke, esthetische of educatieve redenen wettelijk wordt beschermd met het doel een of meer kenmerken van het landschap in stand te houden. . Desalniettemin bestaat er geen enkel beschermingsstatuut voor 80 % van de weilanden en andere vormen van grasvegetatie op het gewestelijke grondgebied hoewel zij soms erg interessante biotopen bevatten. Over het algemeen wordt voor het merendeel van deze groene ruimten geen aangepast ecologisch beheer gevoerd.
Vochtige habitats
Dankzij de valleien van de Zenne en de Woluwe beschikt het Gewest over tal van vochtige gebieden. Onder druk van de verstedelijking zijn deze omgevingen echter geleidelijk aan verdwenen en vertegenwoordigen zij thans een totale oppervlakte van zo’n 170 ha, waarvan de helft zich in het woud bevindt (sommige types van bos- en grashabitats worden ten andere ook als vochtige habitats beschouwd). Deze habitats spelen nochtans een belangrijke rol voor het stedelijk milieu: natuurlijke waterzuivering, bescherming tegen overstromingen, ondersteuning van de biodiversiteit, opslag van CO2, landschappelijke en pedagogische waarde, …
80 % van de vochtige gebieden geniet een beschermingsstatuut als habitat van communautair of gewestelijk belang en/of als natuur- of bosreservaat . Ondanks deze bescherming staan deze vochtige gebieden onder druk door verschillende oorzaken: de belangrijkste bedreigingen zijn de eutrofiëringOvermatige toevoer van voedingsstoffen in het water, met als gevolg een woekering van de vegetatie, zuurstofvermindering en onevenwicht van het ecosysteem., de ruderalisering (aanzienlijke verandering van een site door ongecontroleerde menselijke activiteiten, zoals de accumulatie van puin) en de uitdroging.
Aquatische habitats
Hoewel Brussel initieel een waterstad was, gelegen in een relatief dicht hydrografisch net, is dit net heden ten dage extreem gereduceerd en zijn verloop aan de oppervlakte onderbroken. Het Gewest telt op dit ogenblik nog circa 91 km aan waterlopen - waarvan 60 km in de openlucht - evenals een kanaal dat het Gewest over een lengte van 14,5 km doorkruist. In termen van oppervlakte zijn de vijvers goed voor 101,4 ha en is het kanaal goed voor 81,6 ha, wat het totaal op iets meer dan 1 % van het gewestelijke grondgebied brengt.
De vijvers zijn verder klein, van het eutrofe tot zelfs hypereutrofe type (d.w.z. rijk of erg rijk aan nutriënten) en ondiep. Gezien hun potentieel, zouden sommige evenwel kunnen evolueren naar het Europese habitattype 3150 “natuurlijk eutrofe meren (Magnopotamion – Hydrocharition)".
De verbetering van de meest aangetaste aquatische habitats berust voor alles op het verder verbeteren van de fysisch-chemische en chemische kwaliteit van het oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...)..
Braaklanden
Het is moeilijk om deze categorie nauwkeurig te omschrijven en zij kan de andere habitattypes overlappen. Meestal gaat het om "braakliggende terreinen" op verwaarloosde percelen waar al dan niet gebouwen op staan. Het zijn gebieden waar zich in alle vrijheid een spontane vegetatie kan ontwikkelen., Aangezien de steden andere abiotische invloeden genieten dan het platteland (in het bijzonder een warmer en droger klimaat), treffen we bovendien op de stedelijke braaklanden specifieke microhabitats aan voor tal van soorten. Daardoor zijn de braaklanden vaak van een bijzonder groot biologisch belang. Bovendien hebben ze dikwijls een officieuze recreatieve functie en vertegenwoordigen sommige van hen de enige mogelijkheid om voldoende grote nieuwe openbare parken aan te leggen in de centrale wijken.
Tussen 1998 en 2008 zouden naar schatting 20 à 25 % van deze braaklanden zijn bebouwd. Deze evolutie heeft te maken met de grote druk vanuit de vastgoedsector op deze ruimten, waarvan de grote meerderheid in het GBP niet als groene gebieden zijn bestemd (departement Strategie Groene ruimten 2012 op basis van verschillende bronnen). Ook de inpalming van de stedelijke braaklanden door invasieve exotische soorten is zorgwekkend.
Tuinen, parken en privédomeinen
De parken, tuinen en privédomeinen zijn goed voor 50 à 60 % van de Brusselse groene ruimten. Afgezien van hun sociale en patrimoniale functies, vervullen de parken en tuinen ook belangrijke hydrologische functies (waterretentie en/of infiltratie van regenwater) en spelen zij een grote rol voor de ecologie (voor sommige van hen is dit te wijten aan hun grote ecologische rijkdom en voor andere omdat zij een verbindingsgebied vormen tussen groene ruimten). De diversiteit van deze ruimten, hun multifunctionaliteit, hun eventuele klassering of hun privatieve karakter maken het echter vaak moeilijk om de bescherming van de biodiversiteit in hun beheer te integreren.
Om te downloaden
Factsheet(s)
Rapport(en) van Leefmilieu Brussel
Uit de Synthese 2007-2008 van de Staat van het Leefmilieu
Studie(s)
- « Opstellen van een structuurvisie voor het Brussels Ecologisch Netwerk », études IBGE-BIM studies, 531 pagina’s + bijlage (beperkte verspreiding)
Plannen en programma's