De fauna in het Brussels Gewest
- Biodiversiteit
- Dieren
- Het milieu: stand van zaken
- Fauna
- Ongewervelden
Evolutie van de avifauna
Indicator – Actualisering: december 2025
Van de veertigtal meest voorkomende vogelsoorten waarvoor een trend kan worden vastgesteld, zijn er 16 in achteruitgang. Daarnaast zijn minstens 6 andere inheemse soorten, die vroeger algemeen voorkwamen in het Brussels Gewest, ernstig bedreigd. De algemene vogelsoorten met de meest opmerkelijke daling over lange termijn zijn de soorten die in gebouwen nestelen en de trekvogels. Een algemeen gunstige evolutie wordt daarentegen vastgesteld voor de exotische soorten en de kraaiachtigen.
De vogels, goede indicatoren van de staat van de biodiversiteit
De vogels zijn uitermate geschikt als biodiversiteitsindicator. Hun bijzonder groot vermogen om zich te verspreiden, stelt hen immers in staat snel te reageren op veranderingen in het leefmilieu. Zij zijn bovendien aanwezig in de meeste biotopen en (semi-)verstedelijkte milieus en vertegenwoordigd op vrijwel alle niveaus van de voedselketen, ook op de hoogste niveaus (insectivoren, predatoren). Ze zijn ook gemakkelijk te observeren.
De follow-up van de Brusselse avifauna gebeurt op verschillende manieren: uitvoering van atlassen die een overzicht geeft van de verspreiding en de aantallen van de nestbouwende vogels (om de 15-20 jaar), jaarlijkse follow-up van de algemene avifauna of van specifieke groepen om trends te beoordelen (o.a. watervogels), specifieke wetenschappelijke studies, monitoring van soorten van communautair en regionaal belang, enz. Dit werk werd tot nog toe voornamelijk verzekerd door Aves, de ornithologische pool van de vzw Natagora, op vraag van Leefmilieu Brussel.
Een achteruitgang op lange termijn voor bijna 40% van de onderzochte soorten waarvoor er een trend is vastgesteld
De jaarlijkse opvolging van de algemene broedvogels wordt georganiseerd sinds 1992. Dat gebeurt via de “luisterpunt”-methode, die erin bestaat in de lente alle vogels te inventariseren die gedurende een tijdspanne van 15 minuten worden gezien of gehoord tijdens 2 bezoeken aan een vaste waarnemingssite, die elk jaar dezelfde is. Deze methode, die vooral geschikt is voor soorten die hun territorium afbakenen door te zingen, maakt het mogelijk om iets minder dan de helft van de Brusselse nestbouwende avifauna te volgen. Trekvogels die in het voorjaar een tussenstop in Brussel maken maar er nooit nestelen, soorten waarvoor de luisterpuntmethode ontoereikend is (watervogels, zwaluwen, nachtroofvogels ...) en zeldzame nestbouwende vogels waarvoor het aantal contacten ontoereikend is, zijn hier niet bij betrokken.
Het netwerk van luisterpunten telt vandaag 116 stations; deze vertegenwoordigen zowel de sterk uiteenlopende groene ruimten in het Brusselse als de dicht bebouwde omgevingen.
Voor de periode 1992-2024 is voor 41 soorten een statistisch significante trend vastgesteld (soorten die voldoende regelmatig worden gezien of gehoord, m.a.w. de meeste van de soorten verspreid in het Brussels Gewest en bijna een derde van de broedende avifauna).
Van deze soorten:
- neemt 1 soort (ofwel 2,4%) sterk af, namelijk de huismus (Passer domesticus);
- nemen 15 soorten (ofwel 36,6%) af;
- zijn 15 soorten (ofwel 36,6%) stabiel op de lange termijn;
- nemen 8 soorten (ofwel 19,5%) toe, waaronder 2 exotische soorten (de halsbandparkiet en de fazant);
- nemen 2 soorten (ofwel 4.9%) sterk toe, waaronder 1 exotische soortNiet-inheemse, ingevoerde soort. Tegengesteld aan een inheemse soort. (de Nijlgans).
Langetermijntrend van de populaties van 41 algemene Brusselse vogelsoorten (in % per trendcategorie, 1992–2024)
Bron : Pailhès M. en Derouaux A. ; 2025 (Natagora-Aves)
Merk op dat deze balans slechts betrekking heeft op een deel van de avifauna, dat voornamelijk uit de meest verspreide nestbouwende soorten bestaat. Naast soorten waarvan het gedrag zich niet leent voor monitoring via luisterpunten, worden sommige veel voorkomende soorten zelden waargenomen of variëren hun populaties te veel van jaar tot jaar, waardoor het ook onmogelijk is om met voldoende zekerheid een evolutionaire trend vast te stellen. Dit is het geval voor 16 soorten, waarvan er 6 voorheen algemeen waren.
Een groot aantal soorten die niet met de methode van de luisterpunten worden gevolgd, vallen op gewestelijke schaal terug. Meestal betreft het soorten met hogere ecologische eisen tijdens de nestbouw.
Onderstaande grafiek toont de vooruitgang, de stabiliteit of de terugval van soorten.
Er is een negatieve langetermijntrend geconstateerd voor 16 van de 41 algemene vogelsoorten waarvoor een trend kon worden vastgesteld (1992-2024)
Bron : Pailhès M. en Derouaux A. 2025 (Natagora-Aves)
De definitie van de vijf categorieën voor populatietrends is gebaseerd op het gemiddelde jaarlijkse groeipercentage en de betrouwbaarheid van de raming. Een sterke afname komt overeen met een halvering van de abundantie in 15 jaar en een sterke toename met een verdubbeling van de populatie in 15 jaar (voor meer details, zie Monitoring van de vogelpopulaties in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Rapport 2022, blz. 18).
Voor meer informatie over het evolutiepercentage van de veelvoorkomende avifauna sinds 1992
Lees de transcriptietekst
Trend over de periode 1992-2024
- Sterke toename : Kauw, Nijlgans (exotische soort)
- Toename : Buizerd, Halsbandparkiet (exotische soort), Vink, Boomklever, Zwarte kraai, Grote bonte specht, Zwartkop, Roodborst
- Stabiel : Fazant, Vlaamse gaai, Holenduif, Boomkruiper, Zanglijster, Houtduif, Groene specht, Pimpelmees, Koolmees, Glanskopmees, Vuurgoudhaan, Blauwe Reiger, Waterhoen, Zwarte Roodstaart, Staartmees
- Achteruitgang : Tjiftjaf, Winterkoning, Ekster, Wilde eend , Heggemus, Gierzwaluw, Merel, Kuifmees, Groenling, Grasmus, Goudhaan, Turkse tortel, Spreeuw, Tuinfluiter, Fitis
- Sterke daling : Huismus
De aantallen van verschillende soorten die vroeger erg veel voorkwamen zijn sterk gedaald
Van 4 soorten daalden de aantallen met meer dan 80% sinds 1992. Dat was het geval voor de Fitis, de huismus, de tuinfluiter en de spreeuw. Van die vogels werden de huismus en de spreeuw als erg alledaagse vogels in Brussel en in steden in het algemeen.
7 andere soorten zijn in dezelfde periode met tussen de 50 en 80% afgenomen: de goudhaan, de grasmus, de groenling, de kuifmees, de merel, de gierzwaluw en de heggenmus.
Met dalingen van aantallen die dicht bij 50% liggen, is de afname van populaties van zeer algemene soorten zoals de staartmees (onlangs omgedoopt tot de oriet) en de zwarte roodstaart zorgwekkend. Die tuin-, park- en bosvogels hebben een voedingspatroon dat voornamelijk draait rond ongewervelden in de bodem, in de humusachtige bosgrond en in de onderbegroeiing van de beboste habitats waar ze komen. Hoewel episodische schommelingen in de populaties van bepaalde soorten kunnen worden verklaard door strenge winters, nemen onderzoekers een algemene trend waar die de periodes van koude winters lijkt te overstijgen, zoals in het geval van de heggenmus.
Verscheidene factoren kunnen bijdragen tot de verklaring van de achteruitgang van vele soorten, waaronder:
- de vermindering en versnippering van groene ruimten en braakliggende terreinen (zie de indicator van het rapport over de toestand van het Leefmilieu gewijd aan de vegetatiebedekking);
- de schaarste van voedselbronnen (bv. sterke achteruitgang van insectenpopulaties, grassen, wilde bessenplanten, boomgaarden, kippenhokken ...) en van gunstige gebieden om te nestelen;
- de verontreiniging, met inbegrip van pesticiden die men zelfs terugvindt in het nestmateriaal (zie Recreatie en biodiversiteit in het Zonïenwoud en andere Natura 2000-gebieden);
- de klimaatveranderingWijst op trage variaties van de klimaatskenmerken mettertijd, op een welbepaalde plaats: opwarming of afkoeling. Sommige vormen van luchtvervuiling, veroorzaakt door menselijke activiteiten, zijn een bedreiging voor het klimaat in de zin dat er een globale opwarming zou kunnen ontstaan. Dit verschijnsel kan belangrijke schade veroorzaken: stijging van de zeeniveaus, verergering van de uiterste klimaatsverschijnselen (droogtes, overstromingen, wervelstormen, enz.), destabilisatie van de bossen, bedreiging voor de zoetwatervoorraden, moeilijkheden voor de landbouw, woestijnvorming, vermindering van de biodiversiteit, verspreiding van tropische ziekten, enz.;
- de renovatie van gebouwen, waardoor de mogelijkheden tot nestbouw van holbewonende soorten worden beperkt;
- de aviaire epizoötieën (bv. het Usutu-virus voor merelpopulaties). Deze ziekten zijn ernstiger bij individuen die al gestrest zijn door de bovengenoemde factoren.
De matkop is niet meer in de tabel opgenomen omdat hij als regionale nestbouwende soort is uitgestorven. De resultaten voor de gierzwaluw, een zeer mobiele soort, moeten met de nodige voorzichtigheid worden gehanteerd en beschouwd worden als een indicatie van de algemene aanwezigheid.
De generalistische soorten nemen toe
Minder veeleisende soorten zoals duiven en kraaiachtigen zijn in staat zich aan te passen aan wat de stedelijke omgeving hen biedt. Het aantal kauwen is sinds 1992 bijvoorbeeld 17 keer zo groot geworden. De populatie van de ekster, die volgens de bevolking toeneemt, is daarentegen statistisch stabiel, met een lichte daling op de lange termijn.
Laten we ook de aanwezigheid van de fazant in de grafiek opmerken, een exotische soortNiet-inheemse, ingevoerde soort. Tegengesteld aan een inheemse soort. die ingevoerd werd als siervogel en als prooi voor de jacht op landbouwvlaktes. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt deze voornamelijk in Neerpede en in de Vogelzangbeek (Anderlecht) waargenomen. Deze soort is een aangetoonde bedreiging voor hagedissen (waaronder de hazelworm) en slangen. Overigens vormt volgens het FAVV de concentratie van niet-immune fazanten op eenzelfde plek (omwille van grootschalige uitzettingen) een uitvergrotende factor voor vogelgriepepidemies (persoonlijke communicatie met A. Paquet, 2023, zie referentie hieronder).
Contrasterende trends afhankelijk van de soort
Voor de periode 1992-2024 zijn de alledaagse vogels met de meest opmerkelijke afname de trekvogels en de soorten die in gebouwen nestelen. Een globaal gezien gunstige evolutie wordt daarentegen vastgesteld voor de exotische soorten en de kraaiachtigen. Voor inheemse holbewonende soorten is de trend over het algemeen stabiel.
De volgende grafieken tonen de evolutie van specifieke vogelgroepen.
De analyse per groep van soorten (MSI, Multi Species Index) is gebaseerd op een geometrisch gemiddelde van de trendlijnen van de verschillende soorten van eenzelfde groep. Het “gewicht” van elke soort wordt beschouwd als gelijk aan de andere terwijl de omvang van hun respectievelijke populatie kan verschillen. Het is belangrijk rekening te houden met deze bijzondere berekening om de trends correct te interpreteren.
De trendlijn wordt opgesteld op basis van de jaarlijkse fluctuaties van de MSI-index. De twee stippellijnen aan weerszijden van deze lijn geven de foutenmarge weer die bij de trendlijn hoort. De jaarlijkse tendens wordt verkregen door de helling te meten van een rechte, een soort regressielijn, die voor de gekozen jaren berekend wordt door een statistisch model. De analyse houdt enkel rekening met de soorten waarvan de trends statistisch belangrijk zijn.
Voor de inheemse alledaagse soorten zijn, voor de periode 1992-2024, de resultaten statistisch significant voor 33 soorten.
Tussen 1992 en 2024 daalde de Multi Species Index voor 33 veel voorkomende inheemse vogelsoorten met 30%
Bron : Pailhès M. et Derouaux A. 2025 (Natagora-Aves)
Lees de transcriptietekst
Algemene langtermijntrends in de populaties van 33 veel voorkomende inheemse vogelsoorten
Trend 1992-2024: achteruitgang
Trend 2014-2024: stabiel
De statistische analyse van de Multi Species Index (MSI), die werd uitgevoerd voor een groep van inheemse soorten, suggereert een gematigde afname (MSI -30% sinds 1992) op lange termijn en een stabiele tendens sinds 10 jaar.
Ook op Europees niveau brengt de monitoring van de alledaagse vogelsoorten een aanzienlijke afname op lange termijn.
Meer weten over de tendensen op Europees niveau
Deze afname op de lange termijn (25 jaar) is vooral te zien bij vogelsoorten die afhankelijk zijn van landbouwgebieden (SOER, 2020). Volgens het Europees Milieuagentschap (SOER 2020) is deze trend vóór alles verbonden met het verlies, de fragmentering en achteruitgang van de natuurlijke en semi-natuurlijke ecosystemen (die grotendeels het gevolg zijn van de intensifiëring van de landbouw) en met de groeiende verstedelijking van de grond die de lichtvervuiling en geluidsoverlast vergroot. De drastische afname van insectenpopulaties heeft ook gevolgen voor de vele vogelsoorten die van insecten afhankelijk zijn als voedsel of om hun jongen te voeden. Deze trend wordt bevestigd door een recent onderzoek waarin wordt geschat dat, op het niveau van de Europese Unie, de aantallen van 378 inheemse vogelsoorten die in Europa broeden (van de 445) tussen 1980 en 2017 met 16% tot 18% zijn gedaald. De grootste veranderingen zijn waargenomen bij soorten die geassocieerd worden met landbouw- en graslandomgevingen, kustlijnen en migrerende soorten over lange afstanden (Burns e.a. 2021).
Tussen 1992 en 2024 is de Multi Species Index voor 25 inheemse vogelsoorten die aanwezig zijn in het Zoniënwoud globaal gezien stabiel gebleven
Bron : Pailhès M. et Derouaux A. 2025 (Natagora-Aves)
Lees de transcriptietekst
Algemene langtermijntrends in de populaties van 25 inheemse vogelsoorten die aanwezig zijn in het Zoniënwoud
Trend 1992-2024: stabiel
Trend 2014-2024: onzekere
Deze groep is het gecombineerde resultaat van alle luisterpunten in het Brusselse deel van het Zoniënwoud en omvat 25 soorten. Tussen 1992 en 2024 zou de Multi Species Index met betrekking tot deze groep relatief stabiel zijn gebleven (MSI -7% over de periode 1992-2024). In vergelijking met andere soorten, zoals die in woonwijken of soorten die in gebouwen nestelen, doen de gewone vogels van het Zoniënwoud het beter. Uit de analyse van de luisterresultaten blijkt bijvoorbeeld dat de merel in het bos goed standhoudt, terwijl het aantal merels op de rest van het Brussels grondgebied sterk is gedaald.
Tussen 1992 en 2024 is de Multi Species Index voor 14 vogelsoorten van de “residentiële wijken” globaal gezien gedaald met 47%
Bron : Pailhès M. et Derouaux A. 2025 (Natagora-Aves)
Lees de transcriptietekst
Algemene langtermijntrends in de populaties van 14 vogelsoorten van de “residentiële wijken” (luisterpunten buiten het Zoniënwoud)
Trend 1992-2024: achteruitgang
Trend 2014-2024: achteruitgang
Deze groep is het gecombineerde resultaat van alle luisterpunten buiten het Brusselse deel van het Zoniënwoud en omvat 14 soorten.
Tussen 1992 en 2024 daalde de Multi Species Index voor deze groep met 47%. Tot deze groep behoren de koolmees, de pimpelmees, de staartmees, het roodborstje, het winterkoninkje, de heggenmus, de merel, de spreeuw, de houtduif, de groenling, de Turkse tortel, de ekster, de zwarte kraai en de huismus.
Tussen 1992 en 2024 is de multispecifieke index voor 4 exotische vogelsoorten globaal gezien vervijfvoudigd
Bron : Pailhès M. et Derouaux A. 2025 (Natagora-Aves)
Lees de transcriptietekst
Algemene langtermijntrends in de populaties van 4 exotische vogelssorten
Trend 1992-2024: toename
Trend 2014-2024: onzekere
De groep van exotische soorten groeit sterk (MSI +408% over de periode 1992-2024), maar lijkt de jongste jaren te stabiliseren. Deze groep omvat de Nijlgans, de grote Canadese gans, de halsbandparkiet en de monniksparkiet. De grote Alexanderparkiet, hoewel sterk in opmars in Brussel, is nog niet opgenomen in deze resultaten.
De magelhaengans en de zwarte zwaan bouwen geen nest meer in Brussel en zijn bijna verdwenen.
Tussen 1992 en 2024 is de Multi Species Index voor 4 vogelsoorten die op gebouwen nestelen globaal gezien gedaald met drie vierde
Bron : Pailhès M. et Derouaux A. 2025 (Natagora-Aves)
Lees de transcriptietekst
Algemene langtermijntrends in de populaties van 4 vogelsoorten die op gebouwen nestelen
Trend 1992-2024: achteruitgang
Trend 2014-2024: onzekere
De vogelsoorten die hun nest bouwen in de holtes van de gebouwen (bulstergaten, scheuren, onder de kroonlijsten en de dakpannen, achter goten ...), typisch voor de “grijze zone” van het Brussels Gewest (in tegenstelling tot de groene gordel), gaan achteruit in de periode 1992-2024 (MSI -75%). Deze groep omvat de huismus (sterke achteruitgang op lange termijn), de spreeuw (gaat achteruit), de roodstaart (gaat achteruit) en de gierzwaluw (gaat achteruit). De laatste jaren is er sprake van een stabiliserende trend, maar dit moet nog worden bevestigd. Bovendien kan deze schijnbare stabiliteit overeenkomen met een afname van de populatie tot haar minimum, een drempel waaronder de soort zich mogelijk niet langer als broedvogel in het Gewest kan handhaven.
De rotsduif (huisduif) werd niet in aanmerking genomen voor de berekening van de index, omdat het geen strikte holbroeder is. Deze soort neemt toe.
Goed om te weten
Meerdere factoren verklaren de indrukwekkende daling van soorten die nestelen op gebouwen en die zo emblematisch zijn voor steden: de renovatie van gebouwen waarbij oude holtes worden verwijderd (dakgoten, steigergaten ...), de moderne gebouwen bieden weinig plaats aan de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). (ijzer, beton en glas), de globale afname van de biomassaGeheel van planten en dieren, alsook het daarmee gepaard gaande organische afval. De plantaardige biomassa komt uit de fotosynthese voort en is een bron van hernieuwbare energie. van insecten (zie gedocumenteerde fiche over de ongewervelden) en voor wat de mussen betreft, het graantekort. Bij isolatiewerken voorzieningen aanbrengen die deze soorten verwelkomen, is een grote uitdaging op het vlak van het behoud van de biodiversiteit.
Voor meer informatie zie de gedocumenteerde fiche ‘Avifauna in gebouwen en mobilisatie voor het behoud ervan’.
Tussen 1992 en 2024 is de Multi Species Index voor 11 inheemse holenbroedersoorten stabiel gebleven op middellange en lange termijn
Bron : Pailhès M. et Derouaux A. 2025 (Natagora-Aves)
Lees de transcriptietekst
Algemene langtermijntrends in de populaties van 11 inheemse holenbroedersoorten
Trend 1992-2024: stabiel
Trend 2014-2024: stabiel
De inheemse holbewonende soorten hebben de jongste drie decennia een stabiele tendens vertoond. Deze groep omvat de holenduif, de groene specht, de grote bonte specht, de zwarte mees, de koolmees, de pimpelmees, de glanskop, de boomklever, de boomkruiper, de spreeuw en de kauw.
Van deze 11 soorten gaat 1 soort achteruit, 3 andere zijn stabiel, 6 gaan erop vooruit en de tendens is onzeker voor 1 soort. Drie holenbroedersoorten werden niet meegenomen in de analyse. Dit zijn onder andere de matkop, die op het punt van lokaal uitsterven lijkt te staan, de middelste bonte specht en de zwarte specht, die te schaars zijn om statistisch significante trends op te leveren.
Tussen 1992 en 2024 is de Multi Species Index voor 4 kraaiachtigen globaal gezien vermenigvuldigd met 2
Bron : Pailhès M. et Derouaux A. 2025 (Natagora-Aves)
Lees de transcriptietekst
Algemene langtermijntrends in de populaties van 4 kraaiachtigen
Trend 1992-2024: toename
Trend 2014-2024: onzekere
De kraaiachtigen nemen toe (MSI: +103 % op lange termijn). Deze groep omvat de zwarte kraai (stijging), de kauw (sterke stijging), de ekster (achteruitgang) en de gaai (stabiel).
De roek duikt nog niet op in de statistisch belangrijke resultaten hoewel hij zich snel vestigt in de hoofdstad. Enkele kolonies van verschillende omvang werden reeds geteld.
Tussen 1992 en 2024 is de Multi Species Index voor 5 trekvogelsoorten globaal gezien met meer dan de helft verminderd
Bron : Pailhès M. et Derouaux A. 2025 (Natagora-Aves)
Lees de transcriptietekst
Algemene langtermijntrends in de populaties van 5 trekvogelsoorten
Trend 1992-2024: achteruitgang
Trend 2014-2024: onzekere
De groep van trekvogels, allemaal insectenetend (gierzwaluw, grasmus, zwartkop, fitis, tjiftjaf), kent een opmerkelijke achteruitgang (MSI -55%) op lange termijn, maar lijkt sinds een paar jaar iets minder snel achteruit te gaan. Een deel van de groep insectenetende trekvogels bestaat uit soorten (Sylviidae) die verbonden zijn aan de braakliggende terreinen. Aangezien deze laatste geleidelijk verdwijnen als gevolg van de verstedelijking dragen de Sylviidae (grasmussen en andere) zeker bij tot de globale negatieve trend van de geobserveerde groep op lange termijn. We merken op dat verscheidene migrerende soorten met te weinig waarnemingen niet meer in de tendensanalyse zijn opgenomen.
Tijdens broedperiodes is bijna een kwart van de aanwezige watervogels een exoot
Sinds 1995 wordt één keer per jaar in een twintigtal vochtige gebieden in Brussel een monitoring uitgevoerd in de loop van de tweede helft van de maand mei, tijdens het broedseizoen.
In 2024 konden dankzij de monitoring 16 soorten en één hybride worden geteld. De 5 meest wijdverspreide populaties zijn de meerkoet (Fulica atra), de grote Canadese gans (Branta canadensis) de wilde eend (Anas platyrhynchos), de Nijlgans (Alopochen aegyptiaca) en de kuifeend (Aythya fuligula). Onder deze soorten zijn twee uitheemse soorten sterk in opmars, namelijk de Canadese gans en de Nijlgans. Samen vertegenwoordigen ze 27,8% van de volwassen en jonge watervogels die in het voorjaar van 2024 werden geteld. Dit percentage was vergelijkbaar in het voorjaar van 2022 en 2020 (44% in 2018).
Tijdens de meest recente tellingen werden ook 2 andere exoten aangetroffen: de mandarijneend (Aix galericulata) en de carolina-eend (Aix sponsa). Deze laatste werd niet waargenomen in 2024.
Goed om te weten
De Nijlgans en de grote Canadese gans zijn in de wet opgenomen als invasieve exoten en dat respectievelijk in de Europese en de Brusselse wetgeving (zie de indicator Invasieve uitheemse soorten).
Deze parkvogels waren erg in trek in privétuinen omwille van hun uiterlijk, maar ze ontsnapten uit die tuinen om zich in het wild te vestigen. Deze soorten, die nestelen in het Brussels Gewest, verzamelen zich in grote groepen wanneer ze ruien. Als deze vogels enkele weken op dezelfde plek samenkomen, kunnen ze door vertrapping en uitwerpselen aanzienlijke schade aanrichten aan beek- en rivierhabitats. Hierdoor worden paden en gazons ongeschikt voor vrijetijdsbesteding en komen er meer voedingsstoffen in het water terecht, wat leidt tot de ontwikkeling van blauwalgen en botulisme. Andere invloeden zijn ook problematisch, zoals hun potentieel als dragers van ziekten die avifauna aantasten (kuddegedrag) of hun agressief gedrag tegenover wandelaars en/of hun competitief karakter tegenover andere soorten (agressiviteit, bezetting van nestplaatsen door ganzen zeer vroeg in het jaar, nesten stelen, intensieve begrazing).
De meest soortenrijke locaties zijn de grote vijver van Bosvoorde en de aangrenzende Silexvijver, het Koninklijk Domein (Laken), de vijvers van Elsene, het Roodkloosterpark (Oudergem), het Maloupark (Sint-Lambrechts-Woluwe) en de vijvers van Neerpede (Anderlecht). Het Koninklijk Domein alleen al telt meer dan een vijfde van de watervogels.
Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest herbergt een rijke biodiversiteit aan watervogels in de winter
De jaarlijkse telling van overwinterende watervogels, die sinds 1966 wordt georganiseerd door Natagora-Aves, maakt deel uit van een wereldwijd programma van wintertellingen van watervogels dat wordt gecoördineerd door Wetlands International.
Tijdens de winter van 2023-2024 werden ongeveer veertig sites bezocht bij 4 gelegenheden et en werden 33 soorten watervogels (in de brede zin van het woord) en 6 hybriden behorend tot 8 families geteld, wat wijst op een rijke biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora)..
Met een getelde populatie van tussen 500 en meer dan 1000 individuen (januari 2024) zijn de meest talrijke soorten, in aflopende volgorde: de meerkoet (Fulica atra), de kokmeeuw (Chroicocephalus ridibundus), de wilde eend (Anas platyrhinchos), de grote Canadese gans (Branta canadensis) en de zilvermeeuw (Larus argentatus).
Ze worden gevolgd door het waterhoen (Gallinula chloropus), de kuifeend (Aythya fuligula), de krakeend (Mareca strepera), de tafeleend (Aythya ferina) en de Nijlgans (Alopochen aegyptiaca), soorten waarvan de aantallen variëren van ongeveer 300 tot 100 individuen.
Tijdens de winter van 2023-2024 waren de drie locaties met de grootste biodiversiteit het Koninklijk Domein van Laken, de vijvers van Hertoginnedal (Oudergem) en de vijvers van Neerpede (Anderlecht). Wat de aantallen betreft, herbergen het Koninklijk Domein van Laken en het noordelijke deel van het kanaal (Haren) veruit de grootste populaties.
Goed om te weten
Volgens Natagora-Aves tonen de tellingen over het algemeen een vooruitgang van heel wat inheemse soorten aan die verbonden zijn aan het watermilieu. Die evolutie zou gelinkt zijn aan de gedeeltelijke of volledige bescherming die hun werd geboden sinds het einde van de 20e eeuw en de verwezenlijking van ecologieherstelprogramma’s voor vochtige gebieden en dat zowel in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest als in buurgewesten en -landen. In dit opzicht is er de renaturering van bepaalde oevers van het Rood Klooster met in het bijzonder de aanleg van een rietveld dat ondanks de beperkte oppervlakte en de locatie op een druk bezochte site talrijke zeldzame soorten aantrekt, zowel in de broedperiode als in de overwinteringsperiode.
5 soorten spechten zijn aanwezig in het Zoniënwoud
De spechten zijn erkende bio-indicatoren voor de gezondheid en de rijpheid van het bosmilieu. Afhankelijk van hun soort hebben zij habitats nodig met zeer oude bomen en bomen met een grote diameter, dood hout, korstmossen, randen… In het Brusselse Zoniënwoud broeden 5 soorten spechten (grote bonte specht, kleine bonte specht, groene specht, zwarte specht, middelste bonte specht) van de zes die in België broeden. De grijskopspecht, een zeldzame soort in België, die verdween uit het Zoniënwoud op het einde van de 19e eeuw, was daar uitzonderlijk aanwezig in 2018.
Met 5 broedende soorten spechten is het Zoniënwoud een van de Belgische bossen die het rijkst zijn aan spechten. Een dergelijke biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). komt niet zo vaak voor in West-Europa en getuigt van de ecologische kwaliteit van het Zoniënwoud.
Een positieve impact op de avifauna door de verbetering van de kwaliteit van de Zenne en de renaturering ervan?
3 soorten zwaluwen worden door de Natuurordonnantie als 'soorten van regionaal' belang' beschouwd.
Na een drastische terugval tussen 1992 en 2002 als nestbouwende soort zijn de populaties huiszwaluwen (Delichon urbicum) sterk vooruitgegaan, van 33 koppels in 2002 naar 393 in 2020, waarschijnlijk dankzij verscheidene campagnes voor het plaatsen van nestkastjes in een aantal Brusselse gemeenten. Er werd een significante daling vastgesteld in 2021-2022, jaren waarin respectievelijk 333 en 262 nesten in gebruik waren. Avec respectivement 477 et 522 nids occupés sur l’ensemble des colonies, les années 2023 et, plus encore, 2024 ont été particulièrement bonnes pour cette espèce.
Met respectievelijk 477 en 522 bezette nesten verspreid over alle kolonies waren de jaren 2023 en, nog meer, 2024 bijzonder goed voor deze soort.
Sinds 1992 zijn 5 nieuwe kolonies ontstaan, waarvan de laatste in 2022 (moeras van Wiels in Vorst, Brass-gebouw), 2023 (voormalige Meudon-brouwerij in Neder-Over-Heembeek) en 2024 (Elandstraat, wijk Dries, Watermaal-Bosvoorde). Anderzijds zijn er sinds het begin van de jaren 2000 4 kolonies verdwenen. Een sterke toename van de grootte wordt bovendien waargenomen bij de twee zogenaamde ‘natuurlijke’ kolonies van Haren (Maalderij Ceres) en Vorst (Gerijstraat). Deze kolonies, geheel of grotendeels bestaande uit natuurlijke moddernesten, bevatten meer dan twee derde van alle nesten in het Gewest en liggen direct bij de Zenne en het kanaal. De zwaluwen in Watermaal-Bosvoorde en Sint-Pieters-Woluwe daarentegen zijn afhankelijk van kunstnesten in privéwoningen of scholen en vertonen een positieve trend, die echter trager en meer fluctuerend is.
Ondanks deze positieve ontwikkeling wijst het lage huidige aantal kolonies (9), veel lager dan tijdens de telling van 1989-1991, op een blijvende kwetsbaarheid van de soort en op de moeilijkheid voor deze zwaluwen om spontaan nieuwe kolonies te stichten. De toename van het aantal nieuwe kolonies, in combinatie met de versterking van bestaande kolonies, zal het voortbestaan van de soort op lange termijn garanderen.
De redenen voor de toename van kolonies langs de Zenne/het kanaal moeten nog in detail worden bestudeerd. Volgens de experts die de avifauna volgen, is de belangrijkste voedselbron voor de zwaluwen van Haren en Vorst waarschijnlijk de Zenne, waar een massale opkomst van tweevleugeligen met aquatische larven (bijvoorbeeld muggen) een waardevolle aanvoer van kleine prooien vormen. Observatie van de kolonies laat zien dat ze zich dagelijks voeden op de Zenne. Het kanaal, en misschien de laatste stukjes braakliggend terrein en spoorwegbermen, bevorderen ook de opkomst van vliegende insecten. Algemeen stellen dezelfde auteurs dat waterzuivering van de Zenne, het openleggen van bepaalde trajecten, ecologische inrichting van de oevers, en het behoud van open braakliggende terreinen in de buurt al een positief effect beginnen te hebben op de avifauna, die zich geleidelijk herstelt.
De boerenzwaluw (Hirundo rustica) heeft sterk te lijden onder de verdwijning van de landelijke ruimten in het Gewest. De tellingen wijzen op een bestand van 10 tot 20 koppels die werden gelokaliseerd in de landelijke gebieden van Neerpede, hoewel dat type zwaluw nog veel voorkwam en mooi verdeeld was over de groene gordel van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in de jaren 80 en 90. In 2024 broedde er weer een koppel op de Bezemhoek (Watermaal-Bosvoorde).
Nestbouw van oeverzwaluwen langs het kanaal na meer dan 40 jaar afwezig te zijn geweest
De oeverzwaluw nestelde in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot het einde van de jaren 70, maar werd er, met uitzondering van zijn migratie, niet meer waargenomen. In 2021 werden de nesten van minstens 10 koppeltjes en hun kleintjes waargenomen dicht bij een nestkastmuur (gevuld met zandBodemdeeltjes die groter zijn dan 0,05 mm) die datzelfde jaar geïnstalleerd werd langs het kanaal in Neder-Over-Heembeek voor deze soort die nestelt in zanderige oevers. Sindsdien is het aantal koppels gestaag gegroeid. In 2024 waren er ongeveer vijftig holtes bezet.
Het aantal gierzwaluwen kent een neerwaartse tendens
Een specifieke studie over de gierzwaluw (Weiserbs e.a. 2020) werd uitgevoerd tussen 2016 en 2018. Deze studie heeft onze kennis van de habitatvoorkeuren en -gewoonten van deze populatie verbeterd en een beter inzicht verschaft in de manier waarop de populatie in stand kan worden gehouden en de achteruitgang een halt kan worden toegeroepen.
Samenvattend concluderen de auteurs van de studie dat kleine kolonies de overhand hebben. Zij bezetten vooral holten onder richels, in woonwijken met overwegend tweegezinswoningen, gelegen langs betrekkelijk smalle wegen. Omwille van zijn habitat ondervindt deze soort mogelijk een impact van de renovaties die gebouwen meestal hermetischer maken (zie ook de bovenstaande paragraaf over de evolutie van de soorten die verbonden zijn met gebouwen).
Er werd ook een monsternemingsprotocol opgesteld om een routinematige monitoring op gewestelijke schaal op te zetten. Het aantal gierzwaluwen kent een neerwaartse tendens.
Gedetailleerdere gegevens over de tendensen, de waarnemingen en de naar voren gebrachte hypotheses om de daling van de populaties van de gierzwaluwen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te verklaren, kunnen geraadpleegd worden via de factsheet over de avifauna in de bebouwde omgeving.
Van de 7 vogelsoorten die werden gevolgd in het kader van de Natura 2000-wetgeving werden er 5 in een gunstige staat van instandhouding geëvalueerd
In overeenstemming met de beschermingsmaatregelen opgelegd voor de Natura 2000-sites, werd een monitoring uitgevoerd op bepaalde diersoorten en natuurlijke habitats. In dit kader werd de staat van instandhouding van 7 vogelsoorten die aanwezig zijn in het Brussels Gewest en die zijn vermeld in bijlage I van de Vogelrichtlijn (die bevat een overzicht van de soorten die als bijzonder bedreigd worden beschouwd; ongeveer 70 ervan bouwen hun nest, overwinteren of zijn op doortocht in België) in 2016 geëvalueerd.
De lokale staat van instandhouding werd als gunstig beoordeeld voor 5 vogelsoorten, nl.:
- de in het Zoniënwoud aanwezige wespendief;
- de op verschillende sites op het volledig Brussels grondgebied aanwezige slechtvalk;
- de op verschillende sites op het volledig Brussels grondgebied aanwezige ijsvogel;
- de in het Zoniënwoud aanwezige zwarte specht;
- de in het Zoniënwoud aanwezige middelste bonte specht.
Hij werd echter ongunstig bevonden voor 2 soorten die sporadisch in het Gewest worden waargenomen: de nachtzwaluw en de grote zilverreiger (zie voor meer details de Focus Staat van instandhouding van de soorten die onder de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn vallen).
De instandhouding of zelfs de uitbreiding van deze soorten op gewestelijk niveau impliceert de vrijwaring van hun biotopen (uitgestrekte open plekken en zandgronden in het Zoniënwoud, gediversifieerd woud met eiken en dennen, behoud van oude, dode en holtebomen, vochtige zones met steile en vrije oevers, platteland rijk aan hagen en weiden, …).
In 2013 raamden de 3 Gewesten – in overeenstemming met de Vogelrichtlijn, via welke onder meer monitoring werd opgelegd – opnieuw het bestand en de tendensen betreffende de broedvogels om bij te dragen aan het opstellen van een rapport op nationale schaal. Daaruit blijkt dat 107 vogelsoorten (waaronder 11 uitheemse) in de periode 2000-2012 hun nest bouwden in het Brussels Gewest. Dat vertegenwoordigt bijna 60% van het totaal aantal broedvogelsoorten in België. De beschikbare gegevens tonen stabiliteit of toename van de Brusselse populaties aan bij 50% van de soorten, en een daling bij 20% ervan. Overigens, zouden volgens het rapport tussen 2000 en 2012 5 nieuwe broedvogelsoorten zich hebben gevestigd en zouden 6 soorten lokaal uitgestorven zijn, zouden zich 5 nieuwe broedvogelsoorten zijn komen vestigen, terwijl er 6 lokaal zouden zijn uitgestorven.
Een nieuwe vogelatlas 2022-2025 van Brussel
Aves, de ornithologenvereniging van Natagora, in samenwerking met Natuurpunt Studie kreeg de opdracht om een nieuwe vogelatlas van de broedvogels en overwinteraars van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op te stellen. Dit project doet, net als de voorgaande, een beroep op de medewerking van vrijwillige vogelkenners. Deze heeft als doel de lijst van de broed- en overwinterende soorten, de aantallen en de verdeling van elke soort vast te leggen die aanwezig zijn op het Brusselse grondgebied. Het moet ook een evaluatie mogelijk maken van de impact van verschillende belastende factoren op de Brusselse avifauna en van de genomen beschermingsmaatregelen.
Een eerste verslag over broedende soorten werd eind 2025 gepubliceerd. Dit zijn de belangrijkste bevindingen:
Het aantal broedende soorten is vrijwel identiek aan dat wat in de vorige atlas voor de periode 2000-2004 (103 tegenover 102 soorten momenteel), maar er zijn veranderingen in de samenstelling: 15 soorten worden inmiddels als verdwenen beschouwd en 14 soorten zijn nieuw in de hoofdstad.
De meeste van deze 102 broedvogelsoorten hebben een beperkte geografische verspreiding en een populatie van niet meer dan 100 paren. Dit weerspiegelt het grote aandeel zeldzame soorten binnen de broedvogelpopulatie. De meest voorkomende soorten (14 soorten met elk meer dan duizend paren) bestaan voornamelijk uit kleine sedentaire of migrerende zangvogels, kraaiachtigen, duifachtigen en soorten die verbonden zijn met door de mens beïnvloede omgevingen (huismus en gierzwaluw).
De soorten die verband houden met wetlands doen het over het algemeen goed, met name dankzij het beheer van deze habitats dat de afgelopen jaren op regionaal niveau is uitgevoerd (verbetering van de waterkwaliteit, herstel van oevers, behoud/aanleg van rietvelden, heropening van de Zenne...). Van de 14 nieuwe broedvogelsoorten die in de laatste atlas zijn opgenomen, zijn er 9 verbonden met aquatische habitats (krakeend, waterral, kleine karekiet, Cetti’s zanger...).
Daarentegen nemen de soorten verbonden met open en halfopen milieus (in dit geval stedelijke braakliggende terreinen en landbouwgebieden) over het algemeen af, en sommige soorten die in de vorige editie al als afnemend werden beschouwd, zijn zelfs verdwenen. De bodemverzegeling (verstedelijking, kunstmatige veranderingen...) is sinds de jaren 1990 in de hoofdstad toegenomen, deels op braakliggende terreinen. Deze bijzondere habitats herbergen een unieke fauna en flora die uit de regio dreigen te verdwijnen naarmate ze kunstmatig worden veranderd. Tot de verdwenen of sterk in aantal afnemende soorten behoren onder meer: de spotvogel, de graspieper, de kneu, de torenvalk, de grasmus... Het behoud van braakliggende terreinen in de stad is van groot belang voor het voortbestaan van bepaalde soorten in de regio.
De bosvogelsoorten in Brussel lijken het goed te doen, met name dankzij de aanwezigheid van vijf soorten spechten (kleine bonte specht, middelste bonte specht, grote bonte specht, zwarte specht en groene specht), waarvan de populaties stabiel zijn of toenemen, en roofvogels die in goede gezondheid verkeren in het Zoniënwoud (buizerd, havik, wespendief...).
De stedelijke avifauna van Brussel telt momenteel 6 exotische broedvogelsoorten, waaronder drie papegaaiachtigen (grote Alexanderparkiet, halsbandparkiet en monniksparkiet) en drie watervogelsoorten (grote Canadese gans, nijlgans en mandarijneend). Hun evolutie in de afgelopen 20 jaar is verschillend, maar over het algemeen neemt het aantal van 4 van deze 6 soorten toe. Het aantal halsbandparkieten lijkt een verzadigingspunt te hebben bereikt met een stabiele populatie die zelfs de neiging lijkt te hebben om het Brusselse grondgebied te verlaten en zich te verspreiden naar de Vlaams‑Brabant en Waals‑Brabant. De grote Alexanderparkiet daarentegen breidt zich momenteel uit.
Om te downoaden
Methodologische fiche
Tabellen met de gegevens
- Gemiddelde jaarlijkse groei (%) en populatietrends voor 42 algemene broedvogelsoorten in het Brussels Gewest (1992 - 2024) (.xls)
- Populatietrends van algemene broedvogelsoorten in het Brussels Gewest (1992 - 2024) - Multi Species Index van abundantie (Basis 100 (1992 = 100)) (.xls)
- Gemiddelde jaarlijkse groei Multi Species Index van abundantie (%), % evolutie sinds het begin van de monitoring (1992) en populatietrends sinds 1992 voor 38 algemene broedvogelsoorten in het Brussels Gewest per milieutype (1992 - 2024) (.xls)
Factsheets
- Lokale staat van instandhouding voor habitat- en vogelrichtlijnsoorten binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 2018 (.pdf)
- Avifauna in gebouwen en mobilisatie voor het behoud ervan, 2024 (.pdf)
Fiches van de Staat van het Leefmilieu
Andere publicaties van Leefmilieu Brussel
- Rapport over de staat van de natuur in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 2022 (.pdf)
- Kaart “Gierzwaluw in Brussel”
- Kaart “Brusselse mussen”
- Folder “Vogels in het Brussel Hoofdstedelijk Gewest” , 2018 (.pdf)
Studies en rapporten
- BELGIE 2013. « National summary for 2008-2012 for Article 12, Belgium », Belgische rapportering in verband met Vogels (79/409/EEC) en Habitat richtlijnen (92/43/EEC), 23 p. (.pdf) (enkel in het Engels)
- BURNS F., EATON M., BURFIELD J., KLVAŇOVÁ A., ŠILAROVÁ E., STANEVA A., GREGORY R 2021. “ Abundance decline in the avifauna of the European Union reveals cross-continental similarities in biodiversity change ”; in Ecology and Evolution 2021; 11:16647–16660. (.pdf) (enkel in het Engels)
- EUROPEAN ENVIRONNEMENT AGENCY 2019. « The European environment - state and outlook 2020 - Knowledge for transition to a sustainable Europe ”, 499 p (enkel in het Engels)
- IPBES 2018. “ The IPBES regional assessment report on biodiversity and ecosystem services for Europe and Central Asia ”, 892 p. (.pdf) (enkel in het Engels)
- PAILHES M., PAQUET A., FEYS S., PAQUET J.-Y. et DEROUAUX A., 2025. « Atlas des oiseaux nicheurs de la Région de Bruxelles-Capitale 2022-2024 », studie uitgevoerd door Natagora Aves (departement Studies) in opdracht van Leefmilieu Brussel, 156 p. (.pdf) (enkel in het Frans)
- PAILHES 2023. « Nidification des hirondelles à Bruxelles en 2023 », blog Aves-Natagora (enkel in het Frans)
- PAILHES M. 2024. « Monitoring des populations d’oiseaux en Région de Bruxelles-Capitale - Rapport final 2024 », studie uitgevoerd door Natagora Aves (departement Studies) in opdracht van Leefmilieu Brussel, 82 p. (.pdf) (andere jaren beschikbaar) (enkel in het Frans)
- PAQUET A., WEISERBS A. 2018. ” In Brussel waargenomen zeldzame vogels, 2007-2017– Brussels vogelnieuws n°6 ”, studie uitgevoerd door Natagora Aves in opdracht van Leefmilieu Brussel, 7 p. (.pdf)
- WEISERBS A., PAQUET A., WAUTERS M., SEVRIN D. 2020. “ Population et habitat du Martinet noir Apus apus en Région de Bruxelles-Capitale ”, in AVES, 57/2.(.pdf) (enkel in het Frans)
- WEISERBS A. 2016. « De stand van de broedvogels in 2008-2012 – Brussels vogelnieuws n°5 », studie uitgevoerd door Natagora Aves in opdracht van Leefmilieu Brussel, 7 p. (.pdf)
- WEISERBS A. 2013. « De status van Natura 2000 vogelsoorten in het Brussels Hoofdstedelik Gewest – Brussels vogelnieuw n°4 », studie uitgevoerd door Natagora Aves in opdracht van Leefmilieu Brussel, 7 p. (.pdf)
- WEISERBS A. 2012. « Van Gierzwaluw tot zwaluw - Brussels vogelnieuws n°3 », studie uitgevoerd door Natagora Aves in opdracht van Leefmilieu Brussel, 7 p. (.pdf)
- WEISERBS A. 2010. « Brussels vogelnieuws - n°2 : Evolutie van de verspreiding - Brussels vogelnieuws n°2 », studie uitgevoerd door Natagora Aves in opdracht van Leefmilieu Brussel, 7 p. (.pdf)
- IPBES 2018. “ The IPBES regional assessment report on biodiversity and ecosystem services for Europe and Central Asia ”, 892 pages (.pdf) (enkel in het Engels)
- WEISERBS A. & PAQUET A. 2009. « Algemene broedvogels van het Brussels Gewest - Brussels vogelnieuws n°1 », studie uitgevoerd door Natagora Aves in opdracht van Leefmilieu Brussel, 7 (.pdf) (enkel in het Frans)
- WEISERBS A. & JACOB J.-P. 2007. « Oiseaux nicheurs de Bruxelles 2000-2004: répartition, effectifs, évolution », studie uitgevoerd door Natagora Aves in opdracht van Leefmilieu Brussel, 292 p. (.pdf) (enkel in het Frans)
Plannen en programma‘s
Nuttige links
- Natagora – Aves (enkel in het Frans)
- Belgisch ringwerk (Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen)
- Belgian Biodiversity platform (enkel in het Engels)
De zoogdieren in het Brussels Gewest
Focus - Actualisering : juni 2021
De tweede zoogdierenatlas in het Brussels Gewest inventariseert de aanwezigheid van 47 inheemse en vijf uitheemse soorten in de periode 2001-2017. Dit komt overeen met bijna 70% van de Belgische zoogdierenfauna (met inbegrip van uitheemse en mariene soorten). Drie soorten die tijdens de eerste atlasperiode (1997-2000) werden geïdentificeerd, werden tijdens de tweede atlasperiode niet meer waargenomen, namelijk twee vleermuissoorten en de otter. Daarentegen werden zes nieuwe soorten geïnventariseerd: het everzwijn, de bever, twee soorten vleermuizen en twee uitheemse soorten. Voor 13% van de inheemse soorten tonen de waarnemingen een afname van het verspreidingsgebied tussen de twee atlasperiodes.
Een nieuwe zoogdierenatlas, gemaakt met de hulp van de burgers
De eerste zoogdierenatlas in het Brussels Gewest bestreek de periode 1997-2000. Een tweede atlas, over de periode 2001-2017, werd onlangs voltooid.
Dit project, dat werd uitgevoerd door Natuurpunt en Natagora in opdracht van Leefmilieu Brussel, verzamelde alle bestaande gegevens over zoogdieren in het Brussels Gewest uit eerdere studies. Deze gegevens werden aangevuld met bijkomende gegevens die met de hulp van burgers werden verzameld. Het grote publiek werd gevraagd waarnemingen van gemakkelijk herkenbare zoogdieren te melden via een website. Voor de inventarisatie van de moeilijker te herkennen soorten werden ongeveer 60 vrijwilligers opgeleid om respectievelijk met cameravallen en (niet-dodelijke) vallen te werken. Na de validatie van de gegevens werden 24.109 waarnemingsgegevens van 1909 tot 2017 verzameld, waarvan er 20.392 betrekking hebben op de periode die de huidige atlas bestrijkt. Meer uitleg over de gebruikte methodologie is te vinden in de factsheet over zoogdieren.
De verzamelde informatie draagt bij tot een betere kennis van de evolutie van de zoogdiersoorten die in het Brussels Gewest voorkomen en vormt een waardevolle ondersteuning voor het uitwerken van passende beschermings- en beheermaatregelen.
47 inheemse zoogdiersoorten geobserveerd tussen 2001 en 2017
De onderstaande tabel toont de volledige lijst van wilde zoogdiersoorten die in het Brussels Gewest zijn waargenomen, ingedeeld volgens de zeldzaamheidsklasse (2001-2017). Hij laat zien in hoeveel kilometerhokken (van het raster dat werd gebruikt om de waarnemingen van de atlas vast te leggen) de soort werd waargenomen vóór 2000 (areaal vóór 2000) en in de periode tussen 2001 en 2017 (areaal 2001-2017), en toont de trend van de uitbreiding (de methode voor het berekenen van de mate van zeldzaamheid en de trends wordt uitgelegd in de factsheet over zoogdieren).
In de periode 2001-2017 werden 52 soorten zoogdieren waargenomen in het Brussels Gewest, wat gelet op de beperkte gewestelijke oppervlakte (162 km2) een vrij grote soortenrijkdom betekent. Vijf van deze soorten zijn uitheems. Bovendien zijn 20 van deze soorten (waaronder vier exoten) occasioneel of zeer zeldzaam.
Drie soorten van de eerste atlas werden niet waargenomen tijdens de tweede atlasperiode:
- Twee soorten vleermuizen: de mopsvleermuis en de vale vleermuis, soorten waarvan de laatste waarnemingen in het Gewest dateren van het eind van de jaren '90;
- de Europese otter, die sinds de tweede helft van de 20ste eeuw in het Gewest als uitgestorven wordt beschouwd.
Daarentegen zijn zes soorten nieuw in vergelijking met de vorige atlasperiode:
- het everzwijn;
- de Europese bever (1 waarneming);
- Twee soorten vleermuizen: de Kuhls dwergvleermuis (twee waarnemingen) en de tweekleurige vleermuis (twee waarnemingen);
- Twee uitheemse soorten: de Chinese muntjak (één waarneming) en de wasbeer (twee waarnemingen, waarvan één in het Vlaamse Gewest nabij de gewestgrens).
In 2010 werd voor het eerst een bever waargenomen in het Brussels Gewest, meer bepaald in het kanaal. Een andere positieve vaststelling is dat sommige soorten die lange tijd niet in het gewest werden waargenomen, weer heel schuchter hun opwachting hebben gemaakt. Dat is het geval voor de das en de boommarter.
In Vlaanderen zijn 13 inheemse zoogdiersoorten aanwezig die niet of niet meer voorkomen in het Brussels Gewest. Voor vier van deze soorten kan geen vestiging in het Brussels Gewest meer worden verwacht wegens de ongeschiktheid van de aanwezige habitats of hun verspreidingsgebied. Anderzijds werden twee soorten vleermuizen waargenomen in Brussel, maar niet in Vlaanderen (de grote hoefijzerneus, de Kuhls dwergvleermuis).
Evenzo telt het Waalse Gewest 17 inheemse zoogdiersoorten die niet of niet meer voorkomen in het Brussels Gewest, waaronder vijf soorten waarvan de vestiging in het Brusselse Gewest uitgesloten lijkt. Alle soorten die in het Brussels Gewest zijn waargenomen, zijn ook aanwezig in het Waals Gewest.
In totaal zijn in België 75 soorten wilde zoogdieren geregistreerd, waaronder zeezoogdieren en exoten.
Een gewest met bijzonder veel vleermuizen
Aan de 17 soorten vleermuizen die in de zoogdierenatlas zijn opgenomen, moet de grijze grootoorvleermuis (Plecotus austriacus) worden toegevoegd die door Pletocus de vleermuizenwerkgroep van Natagora) geregistreerd is in het kader van de monitoring die het voor het Brussels Gewest uitvoert. Als we weten dat België 23 soorten vleermuizen telt, is de fauna van Brussel bijzonder rijk aan Chiroptera.
Deze rijkdom is te verklaren door de zeer hoge biologische waardeErkende waarde van een site, beoordeeld op basis van een reeks criteria zoals de aanwezigheid van weinig verstoorde hydrologische elementen (bronnen), de diversiteit en schaarste van de plaatselijke dier- en plantsoorten, de aanwezigheid van schaarse soorten, de rijpheid van de vegetatie (onvervangbare site behalve op zeer lange termijn, b.v. een eeuwenoud bos), enz. van het Zoniënwoud en zijn ligging in de nabijheid van gunstige jachtgebieden, met name boven en rond de vijvers van het hydrografisch netwerk van de Woluwe. De aanwezigheid van veel oude bomen met holten is ook een essentieel element voor de meeste vleermuizen. De aanwezigheid van zes soorten vleermuizen van communautair belang (zie de focus over de lokale staat van instandhouding van de soorten opgenomen in de “Habitatrichtlijn” en de “Vogelrichtlijn”) was een bepalende factor voor de aanwijzing van de speciale beschermingszones die samen het Brusselse Natura 2000-netwerk vormen.
De vos, de dwergvleermuis, de rode eekhoorn en de steenmarter zijn de soorten met het grootste aantal waarnemingen
Sommige soorten, die meestal overal voorkomen (d.w.z. in verschillende habitats aanwezig zijn) en een groot aanpassingsvermogen hebben, vinden in het stedelijk milieu gunstige omstandigheden voor hun ontwikkeling. In 2017 bijvoorbeeld is de vos aanwezig op een groot deel van het Brusselse grondgebied (164 van de 200 mazen die het gewest bestrijken). Deze soort, die minder schuw is geworden, heeft zich aangepast aan de mens en maakt gebruik van het overvloedige voedsel dat in de stad aanwezig is, vooral in vuilnisbakken. Meer recent heeft de steenmarter zich eveneens snel uitgebreid: terwijl de waarnemingen van vóór 2001 zich over 3 kilometerhokken uitstrekten, besloegen ze tijdens de tweede atlas 100 mazen. Merk op dat vossen en steenmarters territoriale roofdieren zijn en daarom van nature in betrekkelijk lage dichtheden aanwezig zijn. De vos, de steenmarter, maar ook de dwergvleermuis en de rode eekhoorn zijn de zoogdieren waarvoor de waarnemingen het grootste gebied bestrijken.
Voor 13% van de inheemse soorten vertonen de waarnemingen een afname van het verspreidingsgebied tussen de twee atlasperiodes.
Percentage zoogdieren per trendklasse (ruimtelijk verloop, inclusief exoten)
Bron : Zoogdierenatlas 2001-2017
De trend geeft aan of de soort in de periode 2001-2017 in meer of minder kilomeerhokken werd waargenomen in vergelijking met de periode vóór 2001. Deze tendens is positief of stabiel voor ongeveer driekwart van de inheemse soorten. Men mag echter niet uit het oog verliezen dat als de soort in de laatste atlasperiode in meer kilometerhokken werd aangetroffen dan vóór 2001, dit niet noodzakelijk betekent dat het verspreidingsgebied van de soort daadwerkelijk is toegenomen. Deze toename kan verband houden met een grotere intensiteit van de waarnemingen, verbeterde opsporingsmethoden of een betere kennis van de ecologie van de soorten en hun habitat.
Anderzijds zijn de waarnemingen geografisch minder uitgebreid voor ongeveer 13% van de inheemse soorten: de mol, twee soorten woelmuizen, de waterspitsmuis, en ook drie soorten vleermuizen. Dit wijst waarschijnlijk op een afname van het verspreidingsgebied van deze soorten.
Een verscheidenheid aan soorten die de verscheidenheid aan milieus weerspiegelt
De rijkste gebieden voor zoogdiersoorten zijn het Zoniënwoud, de Woluwevallei, het Laarbeekbos, het Ter Kamerenbos, het Verrewinkelbos en enkele andere semi-natuurlijke gebieden zoals de Vogelzang of het Scheutbos. De rijkdom aan zoogdieren hangt niet alleen samen met de aanwezigheid van talrijke bosgebieden en de aangrenzende borders, maar ook met de aanwezigheid van talrijke waterlopen en vijvers (knelgebieden voor vleermuizen, habitat voor met name de waterspitsmuis en de bunzing), overblijvende kruidenformaties (haas, dwergmuis) of braamstruiken, struiken en fruitstruiken (egel, muis, rat, steenmarter, wezel, enz.).
De rijkste kilometerhokken tellen tot 26 zoogdiersoorten.
De ruimtelijke spreiding van de soortenrijkdom kan worden verklaard door het meer of minder groene karakter van de rastermazen, maar ook door het feit dat de onderzoeksinspanningen meer op de groene gebieden zijn geconcentreerd.
Rijkdom aan zoogdiersoorten waargenomen per kilometerhok gedurende 2001-2017
Bron : Atlas van de zoogdieren 2001-2017
De steenmarter en de boommarter, soorten van regionaal belang, breiden zich uit
In de Natuurverordening werd het begrip "soorten van gewestelijk belang" ingevoerd. Ze worden gedefinieerd als "inheemse soorten voor de instandhouding waarvan het Gewest een bijzondere verantwoordelijkheid draagt vanwege hun belang voor het gewestelijk natuurerfgoed en/of vanwege hun ongunstige staat van instandhouding". Deze status geldt voor 4 soorten zoogdieren: de steenmarter(Martes foina), de boommarter(Martes martes), de eikelmuis(Eliomys quercinus) en de hazelmuis(Muscardinus avellanarius).
Zoals eerder vermeld, is de steenmarter - een synanthropische soort - de laatste tien jaar sterk in aantal toegenomen, in die mate zelfs dat zijn aanwezigheid in het gewest zeer algemeen is geworden, wat met enkele samenlevingsproblemen gepaard gaat (zie infofiche).
De boommarter, een ander klein roofdier, is een bosbewoner. In het Brussels Gewest is de soort zeer zeldzaam, aangezien ze slechts één keer werd waargenomen tijdens de realisatie van de eerste en de tweede atlas.
Anderzijds waren de waarnemingen van de eikelmuis talrijker en geografisch veel meer verspreid tijdens de recente atlas, wat zou kunnen wijzen op een uitbreiding van de soort op het Brusselse grondgebied.
In het Brussels Gewest werd geen enkele hazelmuis waargenomen. Gezien het beperkte verspreidingsvermogen van de soort en het feit dat de dichtstbijzijnde populatie momenteel op ongeveer 50 km afstand ligt, gescheiden door zeer ongeschikte habitats, is het zeer onwaarschijnlijk dat de soort in de nabije toekomst het Brussels Gewest zal bereiken.
Vijf invasieve uitheemse zoogdiersoorten in het Brussels Gewest
Sinds de laatste atlas zijn twee nieuwe invasieve uitheemse soorten uitzonderlijk waargenomen: de Chinese muntjak en de wasbeer. Beide soorten zijn opgenomen in de Europese lijst van invasieve uitheemse soorten. Daarnaast worden nog steeds drie soorten waargenomen die al ten tijde van de eerste atlasperiode aanwezig waren: de Siberische aardeekhoorn (algemeen bekend als de Koreaanse eekhoorn) en, veel zeldzamer, de muskusrat en het damhert. De Siberische grondeekhoorn en de muskusrat zijn ook opgenomen in de bovengenoemde Europese lijst. Het damhert is opgenomen in de Brusselse lijst van invasieve soorten (Bijlage IV Natuurordonnantie. Zie de focus invasieve uitheemse soorten ).
Volgens de risico-analyses van het Belgisch forum voor invasieve soorten zou de Siberische aardeekhoorn, die algemeen voorkomt in het Zoniënwoud en omgeving, een impact kunnen hebben op broedvogels of op inheemse knaagdiersoorten die in het bos aanwezig zijn. Geen van de uitgevoerde monitoringstudies heeft formeel bewijs gevonden van een effect op de avifauna van het Zoniënwoud. In peri-urbane bossen kan de grondeekhoorn ook bijdragen tot een verhoogde overdracht van de ziekte van Lyme (https://ias.biodiversity.be/species/show/31, geraadpleegd op 8/9/2020).
Instandhouding en ontsnippering van habitats, een uitdaging voor de biodiversiteit
Het zeer dichte Brusselse wegennet beperkt de bewegingsvrijheid van landzoogdieren, maar ook van vleermuizen, die grote open ruimten mijden en structuren nodig hebben om zich te oriënteren (echolocatie). De verlichting vormt eveneens een bedreiging voor de vleermuizen (invloed op insectenpopulaties, verstoring van de vliegroutes, enz.).
Voor grote zoogdieren die zich voeden aan de rand van het bos of op open plekken, is de sterke verstedelijking aan de rand van het Zoniënwoud in de afgelopen decennia nadelig geweest. Ook voor andere zoogdieren die minder met het bos te maken hebben, heeft de vernietiging en versnippering van habitats zoals bosjes en struikgewas negatieve gevolgen gehad.
In het algemeen is het behoud van de verbindingen en de vermindering van de versnippering van natuurlijke habitats een belangrijke uitdaging voor de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora).. Zowel in het Brusselse als in het Vlaamse Gewest zijn de afgelopen jaren verschillende studies over dit onderwerp uitgevoerd, die tot diverse heraansluitingsprojecten in het Zoniënmassief hebben geleid (zie de focus over de reeën ). Andere projecten worden momenteel bestudeerd. De wetenschappelijke monitoring heeft aangetoond dat de oversteekplaatsen voor wilde dieren (ecoducten, tunnels, ecobuizen) die ter hoogte van bepaalde weg- of spoorweginfrastructuren zijn aangelegd, hoofdzakelijk door kleine en grote zoogdieren worden gebruikt en dat het plaatsen van hekken langs de randen van de ring het aantal verongelukte dieren aanzienlijk heeft verminderd.
In het Brussels Gewest omvat het behoud en de herverbinding van habitats ook de ontwikkeling van het Brussels ecologisch netwerk en de bescherming van groene ruimten met een hoge biologische waardeErkende waarde van een site, beoordeeld op basis van een reeks criteria zoals de aanwezigheid van weinig verstoorde hydrologische elementen (bronnen), de diversiteit en schaarste van de plaatselijke dier- en plantsoorten, de aanwezigheid van schaarse soorten, de rijpheid van de vegetatie (onvervangbare site behalve op zeer lange termijn, b.v. een eeuwenoud bos), enz. (zie de focus en de factsheet over semi-natuurlijke gebieden en beschermde groene ruimten, evenals de focus op het groene netwerk). Ook met het probleem van de lichtvervuiling wordt rekening gehouden, met name via de voorwaarden die worden opgelegd in de milieuvergunningen en bij de inrichting van de openbare ruimte.
Om te downloaden
Factsheets
- 1. Zoogdieren in het Brussels Gewest (.pdf)
- 10. Natuurlijke habitats in de Brusselse groengebieden (.pdf)
- 19. De ree in thet Brussels Hoofdstedelijk gewest (.pdf)
Fiches van de Staat van het Leefmilieu
- Focus : De ree in thet Brussels Gewest (2020)
- Monitoring van de soorten (2020)
- Invasieve uitheemse soorten (2020)
- Semi-natuurlijke sites en beschermde groene ruimten (2021)
- Focus : De fragmentatie en het isolement van de groene ruimten (2014)
- Focus : Het groene netwerk (2015)
- Focus : Natuurlijke habitats in de Brusselse groene ruimten (2011)
Andere publicaties van Leefmilieu Brussel
- Zoogdieren in het Brussel Hoofdstedelijk Gewest
- De steenmarter (infofiches-Biodiversiteit)
- Nestkasten voor de eekhoorn (infofiches-Biodiversiteit)
- Nestkasten voor de egel (infofiches-Biodiversiteit)
- Nestkasten voor de eikelmuis (infofiches-Biodiversiteit)
- De vos
- De ree
- Het everzwijn
- Kaart « Brussels ecologisch netwerk »
- Kaart “Brusselse egels”
- Kaart “Brusselse eikelmuis”
- Kaart “Brusselse eekhoorns”
Studies en rapporten
- NATUURPUNT 2020. « Van dwergspitsmuis tot wild zwijn: deze soorten profiteren van faunapassages in Zoniënwoud”, in Natuurbericht, juni 2020.
- VERCAYIE D., PAQUET A., FEYS S., WILLEMS W. & PAQUET J-Y. 2020. « Zoogdierenatlas van het Brussels Gewest. 2001-2017 », rapport Natuurpunt Studie 2017/39 in opdracht van Leefmilieu Brussel, Mechelen. (wordt binnenkort gepubliceerd)
- VERCAYIE D. & SWINNEN K. 2018. “Monitoring van de ecologische infrastructuur ter ontsnippering van het Zoniënwoud”, eindrapport, Rapport Natuurpunt Studie 2018/12, Mechelen.
Plannen en programma‘s
Nuttige links
Evolutie van vleermuispopulaties in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Focus - Actualisering: maart 2023
In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn 20 soorten vleermuizen aanwezig (waarvan één wordt beschouwd als uitgestorven op gewestelijk niveau sinds het eind van de 20ste eeuw). Dat is een mooie specifieke rijkdom voor een sterk verstedelijkte omgeving. Die diversiteit kan deels verklaard worden door de aanwezigheid van het Zoniënwoud en een reeks vijvers in het stroomgebied van de Woluwe. De opvolging van de Brusselse vleermuispopulaties vertoont waaronder een toename van het aantal vleermuizen in het Zoniënwoud. Dat onderzoek legt ook de nadruk op het feit dat de lichtschuwe vleermuizen waargenomen worden in de buitenrand van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, in de zones waar er geen lichtverontreiniging is.
Een grote variatie aan habitats
Vleermuizen (of Chiroptera) maken gebruik van een grote variatie aan habitats, voor hun voortplanting, voeding, overwintering. Afhankelijk van de soorten en seizoenen verblijven ze in holtes van oude bomen, gebouwen (van daken tot kelders, inclusief spleten) of in ondergrondse omgevingen (grotten, tunnels ...). Veel soorten leven in bossen. Daar vinden ze voedsel en verblifplaatsen. Bepaalde vleermuissoorten zoals de dwergvleermuizen verkiezen bosranden en plekken die meer open zijn. De vleermuizen jagen op natuurlijke sites, zoals bossen, waterrijke omgevingen, parken, bosranden of bomenrijen. Hun vliegroutes om van hun verblijfplaats(en) naar hun jachtterreinen te gaan volgen de lineaire en verticale elementen van het landschap, zoals met bomen omzoomde wegen en kanalen, beboste stroken, hagen en bosranden.
Omwille van hun insectendieet en hun positie aan het einde van de voedselketen, de diversiteit van de milieus die zij bewonen, hun grote gevoeligheid voor wijzigingen van de omgeving en hun extreme specialisatie (verblijfplaatsen, insecten waarop ze jagen ...) zijn vleermuizen goede indicatoren voor de toestand van de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). en het functioneren van de ecosystemen.
Onder controle houden van insectenpopulaties
Naar gelang de soorten en de periode van het jaar zijn de prooien van Europese vleermuizen vliegen, muggen, vlinders, kevers en spinnen. Vliegen vergt veel energie dus ze moeten veel insecten vinden op een zo kort mogelijke tijd. Volgens Plecotus-Natagora kan een vleermuis op één nacht ongeveer 1/4de van zijn lichaamsgewicht of meer consumeren. Voor een soort van een gemiddelde grootte die 8 gram weegt, houdt dat in dat deze ongeveer 1 kg insecten per jaar verorbert. Op die manier dragen vleermuizen bij aan het onder controle houden van insectenpopulaties, met inbegrip van insecten die ziektedragers zijn of gewassen verwoesten. Zo kan bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), de vleermuissoort die het meest voorkomt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 2000 à 3000 muggenvangen op een zomernacht.
Verschillende factoren bedreigen de vleermuizen
Vleermuizen zijn erg kwetsbare dieren omdat ze zich erg traag voortplanten (één jong per vrouwtje per jaar), evolueren in verschillende soorten habitats en slecht reageren op bruuske wijzigingen van hun omgeving. Sinds het midden van de 20ste eeuw werd een scherpe daling in de aantallen van alle Europese soorten vleermuizen vastgesteld. Die is voornamelijk te wijten aan de transformatie en de fragmentatie van hun natuurlijke habitats, de intensivering van land- en bosbouw, het gebruik van pesticiden (ook voor dakgebintes) en gerichte vernietigingsacties (EUROBATS). Insecticiden zijn op twee manieren schadelijk voor vleermuizen. Niet enkel daalt door het gebruik ervan het aantal prooien waarop ze kunnen jagen, maar insecticiden stapelen zich ook op in hun organisme wat ertoe kan leiden dat ze vergiftigd raken.
De vleermuizen ondergaan spijtig genoeg nog steeds veel druk:
- De verdwijning of aanpassing van verblijfplekken: renovatie en isolatie van gebouwen of bruggen, sluiting van de ingang van hun ondergrondse verblijfplaatsen, vellen van bomen met holtes, verlichting van monumenten ...
- De daling van de kwaliteit van landschappen en natuur: de verdwijning van hagen, beboste taluds, boomgaarden of vochtige zones, de verbrokkeling van habitats en verbindingen die verbroken worden waardoor soorten zich soms niet meer tussen zones kunnen verplaatsen die het grootste ecologische nut voor hen hebben (zie Fragmentatie van natuurlijke habitats)
- Lichtvervuiling die veel negatieve gevolgen heeft zowel voor de vleermuizen als voor vele andere diersoorten (zie Lichtverontreiniging in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest)
- Verstoringen tijdens de overwintering of de voortplanting (vooral door speleologen)
- Gebruik van chemische producten: behandeling van dakgebintes, pesticiden, antiparasitaire middelen ... ;
- Rechtstreekse mortaliteit: jacht door huiskatten, >impact van windturbines ...
- Het verdwijnen van de prooien
Goed om te weten
Vliegroutes
Plaatsen waar vleermuizen overdag rusten zijn vaak meerdere kilometers verwijderd van hun jachtzones. Aangezien de meeste vleermuizen open ruimten vermijden (gebrek aan herkenningspunten die nodig zijn voor echolocatie), gebruiken zij zogenaamde vliegroutes om zich te verplaatsen tussen hun slaapplaatsen en jachtgebieden. Deze routes, dezelfde die elke nacht worden gebruikt, lopen langs lineaire landschapselementen zoals boom- en struiklijnen, bosranden, hagen ... De instandhouding van vliegroutes door het behoud van deze landschapselementen is dan ook essentieel voor vleermuizen. Deze elementen behouden is ook bevorderlijk voor andere dieren zoals insecten en vogels. Daarom is het nodig om zelfs in stedelijke omgevingen het ecologisch netwerk te onderhouden en te ontwikkelen.
Maatregelen die bevorderlijk zijn voor vleermuizen …
In de meeste Europese landen worden vleermuizen en hun habitats nu wettelijk beschermd. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden de vleermuizen – net zoals andere inheemse zoogdieren – beschermd door de Natuurordonnantie. Ze genieten van een strikte bescherming op het hele grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Een aantal gewestelijke maatregelen en acties dragen bij aan de bescherming van vleermuizen: aanwijzing van beschermde natuurgebieden (zie hieronder), onderhoud van oude bomen, aanleg van verblijfplekken, beperking of aanpassing van nachtverlichting, verbod op pesticiden in de openbare ruimte, inrichting van bomenrijen en open plekken, totstandbrenging van een ecologisch netwerk ... Een doeltreffende bescherming is gebaseerd op de bescherming van zowel overwinterings- als zomerverblijfplaatsen, jachtgebieden en vliegroutes.
... die resultaten boeken
Er werd een uitgebreid vleermuizenmonitoringsproject op Europees niveau doorgevoerd. In dat verband werden de gegevens van 6000 overwintersites van 27 vleermuissoorten in 6 biogeografische zones, in 9 landen, over een periode van 6 tot 26 jaar geanalyseerd. Dankzij die gegevens konden er voor 16 soorten trends worden bepaald. De studie, gepubliceerd door het Europees Milieuagentschap in 2013, meldt een stijging van 43% van het aantal vleermuizen op overwinteringsplaatsen tussen 1993 en 2011. Negen van de onderzochte soorten vertonen op Europees vlak een positieve trend en één soort vertoont een significante afname. Deze bemoedigende resultaten moeten echter worden getemperd door het feit dat ze gebaseerd zijn op een beperkt aantal soorten en locaties.
In Frankrijk lijken volgens het nationaal actieplan voor vleermuizen 2016-2025 (gepubliceerd in 2017) bepaalde populaties in aantallen te stijgen. De aantallen zijn echter nog ver verwijderd van de aantallen van in de jaren 50-60. Andere populatieaantallen dalen echter.
De aanwezigheid van 6 zeldzame vleermuissoorten heeft bijgedragen tot de aanwijzing van Natura 2000-gebieden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Het Natura 2000-netwerk is een Europees netwerk van natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden die een bijzondere beschermingsstatus genieten vanwege de habitats of soorten die er voorkomen. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werd in 2015 en 2016 de aanwijzing van de drie speciale beschermingszones van Natura 2000 grotendeels bepaald door de aanwezigheid van 6 zeldzame vleermuissoorten (die van communautair belang worden geacht) (zie Semi-natuurlijke gebieden en beschermde groene ruimten).
De ontdekking in 2017 van een zeldzame soort (de ingekorven vleermuis, Myotis emarginatus) op het Engelandplateau heeft in 2019 bijgedragen tot de rechtvaardiging van een uitbreiding van dit Natura 2000-gebied met 13 ha.
Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is een Europese referentie op het vlak van vleermuizenmonitoring
In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden in opdracht van Leefmilieu Brussel regelmatig vleermuistellingen georganiseerd. De monitoring van de toestand en de evolutie van de populaties van de verschillende vleermuissoorten wordt opgelegd door de Europese Habitatrichtlijn (Natura 2000), de Internationale Overeenkomst betreffende de instandhouding van vleermuizen in Europa (ontwikkeld in het kader van het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten of het Verdrag van Bonn) en door de gewestelijke Ordonnantie van 1 maart 2012 inzake natuurbehoud. De gegevens worden ook gebruikt voor beheerdoeleinden, bijvoorbeeld om advies te verstrekken bij vergunningsprocedures.
Het Brusselse monitoringprotocol werd op poten gezet in 2006 en is sindsdien weinig veranderd. (Er werden andere methodes getest, maar de resultaten bleken weinig afdoend). Het protocol baseert zich op:
- meer dan 400 luisterpunten in waterrijke omgevingen
- een dertigtal transecten in bossen (een transect is 1 lijn met 20 luisterpunten)
De jachtactiviteit van de vleermuizen op de vijvers en waterpartijen en in de bosmassieven werd gemeten met een ultrasoondetector op deze luisterpunten.
Een derde van de luisterpunten en transecten worden elk jaar geïnventariseerd en dat drie keer per jaar. Het aantal “contacten” (detectie van ultrasonen van een vleermuis) per luisterpunt wordt genoteerd. Daarbij wordt er een onderscheid gemaakt tussen deze taxonomische groepen: de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus sp.), de Myotis-soorten (Myotis sp.) en de groep Bosvleermuis, Rosse vleermuis en Laatvlieger Eptesicus sp./ Nyctalus sp.
Sinds 1982 worden de winterverblijven opgevolgd. In Brussel zijn er een veertigtal overwinterplekken gekend. Sinds 2008 worden een 20-tal daarvan jaarlijks opgevolgd.
Om specifieke vragen te beantwoorden kunnen andere inventarisatiemethoden worden gebruikt: automatisch registratiesysteem, vleermuizen vangen (zeldzame soorten identificeren, een zender plaatsen), gebouwen onderzoeken, nestkasten monitoren ... Voor bepaalde locaties die een potentieel belang hebben of om een bepaalde reden zorgwekkend zijn, worden er extra inventarisaties uitgevoerd.
Het complementaire karakter van de gebruikte inventarisatiemethoden maakt een min of meer nauwkeurige monitoring van alle soorten mogelijk.
Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is op Europees niveau een referentie voor de monitoring aan de hand van luisterpunten in waterrijke omgeving en bostranssecten: andere regio’s kennen zo’n regelmatige monitoring over zo'n lange periode niet. Dat wordt mogelijk gemaakt dankzij de inzet van vele vrijwilligers.
Goed om te weten
Echolocatie
Vleermuizen hebben een vrij goed gezichtsvermogen maar dat is slecht aangepast aan nachtzicht. Daarom hebben ze een ander systeem ontwikkeld om in het donker te navigeren en te jagen: echolocatie. Dat houdt in dat ze ultrasone geluiden uitzenden, waarvan de echo hen in staat stelt hun weg te vinden en hun prooi te lokaliseren. De uitgezonden geluidsimpulsen variëren naar gelang van het gedrag van de vleermuis (jacht, prooi vangen, doorreis ...) en de soort. Dit vermogen van vleermuizen wordt gebruikt voor hun telling en studie: dankzij een ultrasone detector (of batbox) kunnen de door vleermuizen uitgezonden golven waargenomen worden, kan hun gedrag nauwkeuriger weergegeven worden en soms kan zo de soort geïdentificeerd worden.
Voor meer informatie over de monitoring- en gegevensanalysemethodologieën vindt u in het verslag “Analyse des données de monitoring et développement de critères pour l’état de conservation local des chiroptères en Région de Bruxelles-Capitale” .
Een gewest dat uitermate grote rijkdom heeft op het vlak van vleermuizen
In 2018-2019 werd er een onderzoek uitgevoerd om de vleermuismonitoringgegevens die in 40 jaar werden verzameld in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te verzamelen, organiseren en analyseren (Brabant et al., 2019).
In totaal werden er van de 24 vleermuissoorten die geobserveerd zijn in België 20 geïnventariseerd. Bepaalde van die soorten werden echter slechts zelden geobserveerd in Brussel. Een soort, de mopsvleermuis of de dwarsoorvleermuis (Barbastella barbastellus), wordt als waarschijnlijk lokaal uitgestorven beschouwd. (De laatste waarneming dateert van het einde van de 20ste eeuw).
Die grote diversiteit kan deels verklaard worden door de aanwezigheid van twee milieus waar de lichtverontreiniging gering is:
- Het Zoniënwoud is vooral essentieel omwille van de holtes in de bomen die zowel in de zomer als de winter dienstdoen als verblijfplaats voor de vleermuizen. De oude bomen bieden niet enkel veel schuilplaatsen, maar herbergen ook veel insecten. Waterpoelen in het bos zijn de zones waar de meeste jagende vleermuizen worden waargenomen. Ook de open plekken in het bos en de weilanden onder in de vallei zijn belangrijke voedplaatsen voor vleermuizen.
- De reeks vijvers in het stroomgebied van de Woluwe waarvan de aantrekkingskracht voor vleermuizen verband houdt met de opkomst van waterinsecten die er meestal hun larvenstadium ontwikkelen. De aantrekkingskracht van de vijvers is ook sterk afhankelijk van de kwaliteit en de continuïteit van de boomverbindingen met de schuilplaatsen in het bos.
Het stadscentrum dat grotendeels bebouwd is, maar onderbroken wordt door parken, tuinen en groen tussen huizenblokken, biedt een interessante habitat voor antropofiele soorten. Dat zijn opportunistische en minder lichtschuwe soorten zoals de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus) en de laatvlieger (Eptesicus serotinus). Het aantal soorten blijft echter redelijk laag in vergelijking met wat er geobserveerd kan worden in het Zoniënwoud bijvoorbeeld.
Specifieke rijkdom van vleermuizen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (2001-2018)
Bron: Brabant et al. 2019
In het algemeen zijn de interessantste geografische zones voor vleermuizen de omgeving van de Verdronkenkinderenvijvers, de omgeving van het Rood-Klooster, het Engelandplateau en het Terkamerenbos.
De gewone dwergvleermuis en de laatvlieger, twee antropofiele soorten aanwezig in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (2001-2018)
Bron: Leefmilieu Brussel 2019
De gewone dwergvleermuis is verreweg de meest uniform verspreide vleermuis. Ook wordt deze in de meest uiteenlopende omgevingen waargenomen. Deze werd aangetroffen langs de randen van het Zoniënwoud, in parken, in woonwijken met bomen, in sommige lanen met grote bomen, boven stedelijke en randstedelijke vijvers en, af en toe, in het stadscentrum. Het is de enige soort die goed vertegenwoordigd is buiten groene gebieden met een hoge biologische waardeErkende waarde van een site, beoordeeld op basis van een reeks criteria zoals de aanwezigheid van weinig verstoorde hydrologische elementen (bronnen), de diversiteit en schaarste van de plaatselijke dier- en plantsoorten, de aanwezigheid van schaarse soorten, de rijpheid van de vegetatie (onvervangbare site behalve op zeer lange termijn, b.v. een eeuwenoud bos), enz.. Zeer hoge concentraties kunnen worden waargenomen waar zich bomen en waterpartijen bevinden. De gewone dwergvleermuis is ook een van de zeldzame Europese soorten die gebruikmaakt van stads- of wegverlichting om op insecten te jagen.
Voor elk van de genoemde soorten zijn regionale verspreidingskaarten gemaakt, zoals de onderstaande voor de gewone dwergvleermuis. De gegevens werden ook geanalyseerd volgens verschillende variabelen die beschikbaar zijn op basis van kaartinformatie (afstand tot het bos, lichtindex en habitattype/grondgebruik, Natura 2000-habitats, Natura 2000-gebieden, leeftijd en aard van de populaties, fragmentatie van het landschap).
Kaart van de verdeling van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) over het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Bron: Brabant et al. 2019
Binnenterreinen van huizenblokken zijn vooral belangrijk voor de gewone dwergvleermuis die zulke zones gebruikt als jachtzones in een erg verstedelijkt gebied.
Een andere veelvoorkomende soort is de laatvlieger. De waarnemingen zijn echter geconcentreerd in het zuiden van het gewest.
Goed om te weten
Van de 16 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aanwezige soorten waarvoor een beschermingsstatus op het niveau van het Vlaamse Gewest kon worden vastgesteld (voldoende gegevens), worden er 13 beschouwd als (zeer) zeldzaam, (zeer) kwetsbaar, bedreigd of waarschijnlijk uitgestorven in Vlaanderen.
Hieruit blijkt zo nodig dat de instandhoudingsmaatregelen voor vleermuizen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet alleen belangrijk zijn voor de gewestelijke biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora)., maar ook op grotere schaal.
Dwergvleermuizen stijgen qua aantal en qua verspreiding
De verschillende analyses die werden uitgevoerd op basis van de luisterpunten tonen een stijging van de groep van de dwergvleermuizen over de periode van 2006-2017 in bosrijke en waterrijke omgevingen zowel qua aantal als qua verspreiding. Uit een analyse per soort blijkt dat deze toename duidelijk verband houdt met de toename van het aantal gewone dwergvleermuizen in bosgebieden, terwijl deze in waterrijke omgevingen verband houdt met de toename van het aantal soorten dwergvleermuizen.
Het aantal vleermuizen van het geslacht Myotis neemt toe in bosgebieden maar lijkt af te nemen in waterrijke omgevingen
In bosgebieden wijst de analyse van de gegevens van de luisterpunten op een toename van het aantal vleermuizen van het geslacht Myotis. In waterrijke omgeving is voor deze groep de enige trend een afname in aantallen.
Het aantal vleermuizen van de groep Eptesicus/Nyctalus stijgt in bosomgevingen
Uit de abundantiegegevens blijkt een duidelijke toename van de Eptesicus/Nyctalus-groep in bosgebieden. Drie taxa in deze groep vertonen een significante groei: de laatvlieger (Eptesicus serotinus), de bosvleermuis (Nyctalus leisleri) en de groep met niet nader gedetermineerde Rosse vleermuis, Bosvleermuis en Laatvlieger (Eptesicus/Nyctalus sp.). In een waterrijke omgeving geeft de analyse per soort een toename aan van drie groepen: de laatvlieger, de bosvleermuis (voornamelijk in 2015 en 2016) en Nyctalus sp.groep.
65% van de vleermuizen overwinteren in ondergrondse duikers
In het algemeen is de specifieke diversiteit van vleermuizen in de overwinteringsplaatsen vrij laag in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Ongeveer 65% van de vleermuizen overwintert in duikers (doorgangen onder wegen of spoorwegen). Het is dan ook van essentieel belang dat er rekening wordt gehouden met dit soort sites voor de bescherming van vleermuizen tijdens de winterperiode.
Uit de meetgegevens blijkt het effect van bepaalde maatregelen
De bostranssecten vertonen een toename van het aantal contacten en het aantal soorten op een groot aantal sites.
De aanwezigheid van vleermuizen in bossen en hun activiteiten zijn sterk afhankelijk van de wijze waarop bosbouwactiviteiten worden uitgevoerd. De structuur van de bossen, hun levensduur en de verschillende soorten zijn van invloed op de aanwezige voedselbronnen en de potentiële verblijfplaatsen. De natuurlijke beheermethode van het Brusselse bosmilieu lijkt dus een gunstige invloed te hebben op de aanwezigheid van vleermuizen (zie Boserfgoed van het Brusselse Zoniënwoud).
Verschillende waterpunten vertonen een toename van het aantal contacten en soorten. Sommige sites die samenhangen met watermilieus vertonen daarentegen een daling van het aantal contacten en soorten. Het lijkt erop dat sommige ontwikkelingen een negatief effect hebben op vleermuizen (verlichting van de site, geluidsoverlast, kappen van bomen), terwijl andere een positief effect hebben (droogleggen van vijvers, opschonen, graven van vijvers, sloten...).
Uit de verzamelde gegevens blijkt ook dat de aanwezigheid van lichtschuwe vleermuissoorten zich aan de rand van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevindt, in gebieden die gevrijwaard blijven van lichtvervuiling. De verlichting veroorzaakt dus een onevenwicht door plaatselijk voordeel te bieden voor de lichttolerante soorten, die vaak couranter zijn, en door lichtschuwe soorten, die vaak zeldzaam en bedreigd zijn, te verdringen.
Een donker netwerk om de verplaatsing van vleermuizen en de biodiversiteit in het algemeen te bevorderen
Goed om te weten
De meeste vleermuissoorten in onze streken, met name de hoefijzerneuzen (Rhinolophus spp.) en de vale vleermuis (Myotis spp.), vermijden licht (lichtschuwe soorten). Sommige vleermuizen kunnen van een deel van hun jachtgebied worden afgesneden. Simpelweg omdat er verlichting wordt geplaatst op een weg of pad op hun gebruikelijke route. Ook zal een vleermuis niet meer jagen op een terrein als het verlicht wordt. Kunstlicht 's nachts kan dus leiden tot versnippering van populaties die vaak al kwetsbaar zijn. De gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrelus) en de laatvlieger (Eptesicus serotinus), die minder lichtschuw zijn, jagen op insecten die door lichtpunten worden aangetrokken. Dat is niet noodzakelijk een goede zaak, want insecten die door het licht worden aangetrokken zullen de onverlichte gebieden verlaten, waardoor de lichtschuwe soorten van hun gebruikelijke voedselvoorraad worden beroofd. Uit onderzoek is ook gebleken dat vleermuiskolonies waarvan de toegangen tot hun jachtgebieden verlicht zijn, later op jacht vertrekken dan bij kolonies waar dat niet het geval is. Deze vertraging kan betekenen dat vleermuizen langer moeten vliegen om evenveel prooien te vangen, aangezien er helemaal aan het begin van de nacht meer insecten beschikbaar zijn.
Meer algemeen verstoort openbare verlichting 's nachts de cycli van blootstelling aan licht, met schadelijke gevolgen voor fauna, flora en ecosystemen en vermoedelijke of bewezen effecten op de menselijke gezondheid (voor meer informatie, zie het document de lichtvervuiling in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest).
Zoals in alle steden is lichtvervuiling alomtegenwoordig in het gewest. Gezien de impact ervan op het milieu (ecosystemen, energieverbruik en daarmee gepaard gaande uitstoot van broeikasgassen), op het erfgoed (afwezigheid van een sterrenhemel) en mogelijk op de volksgezondheid, beginnen steeds meer steden lichtvervuiling te integreren in hun stedenbouwkundige beslissingen. Het gewestelijk lichtplan, herzien in 2017, vermeldt de impact van de openbare verlichting op de biotopen. Dat plan voorziet weliswaar in bepaalde maatregelen om de milieu-impact van openbare verlichting te verminderen (vermindering of afschaffing van alle onnodige verlichting, het naar beneden richten van de lichten, de keuze van de golflengtes en van de apparatuur ...), maar die zijn ontoereikend met betrekking tot de problematiek van de nachtelijke biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora)., met name insecten. Momenteel wordt er nagedacht over de invoering van een donker netwerk in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat het op termijn mogelijk moet maken om bij de openbare verlichting meer rekening te houden met de natuur.
Het donker netwerk, ook wel het lichtluw netwerk genoemd, is een aaneenschakeling van donkere plekken die erop gericht is een ecologisch netwerk te behouden of opnieuw te creëren dat bevorderlijk is voor het nachtleven. Voor vleermuizen zou het de isolatie van donkere natuurgebieden verminderen en corridors creëren naar natuurgebieden die groot genoeg zijn voor hen om te jagen. Ook de ontwikkelingen van het kanaal en de Zenne, die een natuurlijke migratiecorridor vormen, zouden moeten worden bekeken.
Hierbij dient opgemerkt dat de recente “Strategie voor bestuivende en ondersteunende insecten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 2023-2030” met name tot doel heeft “Een reeks technische aanbevelingen en voorschriften formuleren om de negatieve gevolgen van nachtverlichting voor fauna en flora te beperken, rekening houdend met de verschillende beperkingen en verwachtingen van de samenleving (veiligheid, toegankelijkheid, enz.)”.
Meer informatie over de huidige denkoefening over het donker netwerk, over het beheer van lichtvervuiling in de groene ruimten die door Leefmilieu Brussel worden beheerd en over voorbeelden van openbare verlichting in Brussel die rekening houden met de nachtelijke biodiversiteit vindt u in het document Lichtverontreiniging in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Om te downloaden
Documenten
Factsheet
- n°1. Zoogdieren in het Brussels Gewest, 2021 (.pdf)
- n°24.Lichtverontreiniging in het Brussels Gewest, 2022 (.pdf)
- n°26. De vleermuizen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 2022 (.pdf)
Fiches van de Staat van het Leefmilieu
- De zoogdieren in het Brussels Gewest, 2021
- De fragmentatie van natuurlijke habitats, 2022
- Semi-natuurlijke sites en beschermde groene ruimten, 2021
- Boserfgoed van het Brusselse Zoniënwoud, 2021
- Biologische kwaliteit van de voornaamste waterlopen en vijvers, 2022
Andere publicaties van Leefmilieu Brussel
- Vleermuizen – Leer ze kennen en beschermen, 2019 (.pdf)
- Rapport over de staat van de natuur in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 2012 (.pdf)
Studies en rapporten
- ADRIAENS P. 2020. “ Actualisatie van de monitoringstrategie voor de evaluatie van de natuur in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.” Corridor cvba, studie gerealiseerd in opdracht van Leefmilieu Brussel, Nazareth, 38 p.
- BRABANT C., NYSSEN P., WEISERBS A. & SAN MARTIN G., 2019. “Analyse des données de monitoring et développement de critères pour l’état de conservation local des Chiroptères en Région de Bruxelles-Capitale”, studie gerealiseerd door Natagora in opdracht van Leefmilieu Brussel (enkel in het Frans)
- DELORMEAU C. 2020. « Lumière…sur la nuit bruxelloise », Natagora website (enkel in het Frans)
- CONSEILLERS BIODIVERSITE DES CHAMBRES D’AGRICULTURE DE LA REGION CENTRE VAL DE LOIRE. « Les chauves-souris, des insectivores opportunistes », flash biodiversité n°8 (enkel in het Frans)
- EUROPEAN ENVIRONNMENT AGENCY 2013. “European bat population trends – A prototype biodiversity indicator”, EEA Technical report n°196/2013 (enkel in het Engels) (.pdf)
- FRANSE REPUBLIEK - MINISTERIE VAN MILIEU, ENERGIE EN ZEE 2017. “ Plan national d’actions en faveur des Chiroptères 2016-2025” (enkel in het Frans)
- FRANSE REPUBLIEK - INRAE WEBSITE. « Chauve-souris soit, qui mal y pense ? » (enkel in het Frans)
- Sow A., Seye D., Faye E., Benoit L., Galan M., Haran J., Brévault T. 2020. “in Crop Protection, 132:105127, 8 p. (enkel in het Engels)
- Vercayie D., Paquet A., Feys S., Willems W. & J-Y. Paquet, 2017. “Zoogdierenatlas van het Brussels gewest 2001-2017”, studie uitgevoerd in opdracht van Leefmilieu Brussel
Plannen en programma‘s
Nuttige links
De ree in het Brussels Gewest
Focus – Update: augustus 2026
In het Zoniënwoud leeft een populatie reeën waarvan het voortbestaan onzeker is. Na een daling van hun aantal tussen 2014 en 2022 lijkt de populatie zich te stabiliseren op een aanzienlijk lager niveau. Twee belangrijke factoren kunnen die evolutie verklaren: Ten eerste is er de toenemende recreatiedruk, die de leefruimte van de reeën verkleint, hun dagritme (grazen) verstoort en zorgt voor stress en een aanzienlijk energieverbruik wanneer ze vluchten. Ten tweede zijn loslopende honden de directe oorzaak van een aanzienlijke sterfte onder deze hertachtigen.
Een soort die voornamelijk aanwezig is in het Zoniënwoud... maar niet alleen daar
Samen met het everzwijn, dat discreet aanwezig is in het Brusselse Zoniënwoud, is de ree het laatste grote plantenetende wilde zoogdier dat nog in het Gewest leeft (in de 19de eeuw werd de soort weliswaar opnieuw uitgezet).
Reeën leven in bossen en bosjes, maar hebben ook open ruimten nodig. De soort komt vooral voor bij de overgang tussen verschillende biotopen (bosranden, grasland met bosjes enz.). In Brussel is ze vooral aanwezig in het Zoniënwoud, met een zeer variabele dichtheid afhankelijk van de sector. Sinds 2001 zijn er ook waarnemingen gedaan in andere semi-natuurlijke gebieden zoals in het noordwesten rond Jette-Ganshoren of in Neerpede (Anderlecht).
Als herbivoren helpen reeën de vegetatie in hun ecosysteemGeheel van de planten- en dierengemeenschappen in een territorium, beschouwd in hun wisselwerking met de milieufactoren. te beheren, aangezien ze aan jonge bomen knabbelen. Zo dragen ze bij aan het onderhoud van open plekken of halfopen gebieden, maar kunnen ze soms ook de herbebossing bemoeilijken wanneer ze zich te goed doen aan jonge aanplantingen. Net als andere dieren vertrappen ze de bodem, waardoor ze sommige zaden ondergraven en andere blootleggen.
Meer over de ecologie van de ree
De ree (Capreolus capreolus) behoort tot de familie van de hertachtigen (Cervidae) en de orde van de evenhoevigen (artiodactyla) (d.w.z. het dier loopt op twee hoefdragende tenen aan elke poot). De soort leeft in bossen en bosjes, en komt vooral voor bij de overgang tussen verschillende biotopen (bosranden, grasland met bosjes enz.). Omdat ze zeer flexibel zijn in hun voedselkeuze, zijn reeën te vinden in verschillende biotopen, zolang ze maar voldoende beschutting hebben (kreupelhout, bramenmassieven, struikgewas, jonge naaldbossen, varens enz.). Als voedsel geven ze de voorkeur aan plantendelen die veel eiwitten en koolhydraten en weinig cellulose bevatten. Daarom houden ze vooral van knoppen, jonge twijgen en jonge bladeren.
Meestal leven reeën alleen. In de wintermaanden leven ze echter soms samen in groepen. Tijdens de bronsttijd bakenen de mannetjes (bokken) hun territorium af en tolereren ze geen andere mannetjes. Die territoria kunnen enkele tientallen hectaren groot zijn. De leefgebieden van de vrouwtjes of reegeiten overlappen elkaar vaak (bijvoorbeeld de gebieden van een moeder en haar dochters). Reeën zijn vooral 's nachts en in de schemering actief.
De bronsttijd duurt van half juli tot half augustus. In de lente werpt een reegeit 1 tot 3 jongen, met een geboortepiek rond 1 juni. De kalveren zijn kwetsbaar. Ze liggen vaak op de grond om aan gevaar te ontsnappen. Dankzij hun vacht blijven ze onopgemerkt voor roofdieren. De jongen worden na de eerste winter door hun moeder verjaagd, maar komen in de herfst vaak terug en verlaten hun territorium pas in het tweede jaar voorgoed. In onze streken zijn alleen vossen een natuurlijke vijand voor jonge reeën. Het verkeer en de jacht zijn de voornaamste oorzaken van de mortaliteit van de soort in België. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is de jacht verboden sinds 1991. Ook loslopende honden zijn een oorzaak van sterfte, met name in het Brussels Gewest, waar de bosgebieden intensief worden bezocht.
Meer informatie over de ree is te vinden op de website Renature die wordt beheerd door Leefmilieu Brussel.
In het Brussels Gewest komen reeën vooral voor in het Zoniënwoud
Bron: bru.observations.be 08/2026, waarnemingen juni 2021-juni 2026 (137 individuen op 55 vierkante kilometer)
Samenwerking tussen de drie Gewesten om de reeënpopulaties te volgen
Sinds 2008 voeren de drie Gewesten samen een programma uit om de reeënpopulaties in het Zoniënwoud te monitoren.
Ze gebruiken daarvoor de kilometerindex (KI), die tendensen in de evolutie van de reeënpopulatie aan het licht brengt zonder echter de exacte dichtheid te bepalen.
Elk jaar leggen boswachters en opgeleide vrijwilligers gelijktijdig en volgens een strikt protocol vooraf bepaalde circuits van 3 tot 5 km te voet af. Sinds 2009 vinden de tellingen plaats op vier ochtenden van een bepaalde maand, langs 24 parcours die samen 116,7 km lang zijn (118,4 km tot 2022 en 25 parcours in 2008). Zo wordt er normaal gesproken elk jaar 467 km afgelegd om de reeën in het hele bosmassief te tellen.
Elk jaar worden 24 parcours gevolgd om de evolutie van de reeënpopulaties in het Zoniënwoud in kaart te brengen
Bron: Leefmilieu Brussel 2019
Het totale aantal waargenomen reeën wordt vervolgens gedeeld door het aantal afgelegde kilometers en omgezet in een kilometerindex (aantal waargenomen reeën per kilometer). Deze waarde is gezien het gebruikte protocol statistisch significant en van jaar tot jaar vergelijkbaar. Ze wordt gebruikt om populatievariaties op te sporen (groei, stabiliteit of regressie) en geeft de bosbeheerders de mogelijkheid om in te grijpen als dat nodig is.
Een reeënpopulatie die zich lijkt te stabiliseren na een aanzienlijke daling
Van 2008 tot 2013 werd de globale reeënpopulatie geschat op minstens 150 individuen, verspreid over de 5.000 hectare van het Zoniënmassief, d.w.z. gemiddeld meer dan 3 individuen per 100 hectare (of km2) (HUYSENTRUYT et al., 2016). Die lage dichtheid kan worden verklaard door het feit dat het boslandschap van de 'beukenkathedraal' hier domineert (een gelijkjarig, eensoortig bos dat weinig voedsel biedt voor de ree). Ook andere factoren, die hieronder worden toegelicht, spelen een rol.
Na een daling van het aantal reeën lijkt een nieuw evenwicht te zijn bereikt
Bron: Pallemaerts L. et al. 2025
De in 2025 waargenomen resultaten bevestigen dat de populatie zich heeft gestabiliseerd op een niveau dat aanzienlijk lager ligt dan vóór 2014. Van 2008 tot 2013 bleef de kilometerindex stabiel en bedroeg het aantal waargenomen reeën per kilometer ongeveer 1,1. In de tweede periode bedroeg het jaargemiddelde 0,6 reeën per kilometer (met uitzondering van 2020, een jaar dat niet representatief is). Het lijkt erop dat na een periode van daling een nieuw evenwicht is bereikt. Er lijkt zich een lichte stijging af te tekenen, maar die moet nog worden bevestigd tijdens de komende monitoringcampagnes.
Binnen één en dezelfde campagne kan het aantal waarnemingen sterk variëren van de ene telsessie tot de andere
Bron: Pallemaerts L. et al. 2025
Lees de transcriptietekst
Het geringe aantal waarnemingen in 2014, 2015, 2016, 2017 en 2023 is waarschijnlijk een gevolg van de weersomstandigheden (mist, felle regenbuien of sneeuw).
Tussen de periode 2008-2013 en de periode 2016-2025 is de gemiddelde KI voor vrijwel alle parcours gedaald
Bron: Pallemaerts L. et al. 2025
Als we de gemiddelde KI per parcours berekenen voor de periodes 2008-2013 (vóór de sterke daling van het aantal reeën) en 2016-2025 (daarna), zien we voor 20 van de 24 parcours een afname van het aantal reewaarnemingen. Voor 9 parcours overlappen de 95%-betrouwbaarheidsintervallen van de gemiddelde KI van beide periodes elkaar niet, wat wijst op een duidelijke daling van de gemiddelde KI sinds de periode 2008-2013 op die parcours. De onderstaande grafiek laat ook zien dat de reeëndichtheid ongelijk verdeeld is over de verschillende sectoren.
Verschillende hypotheses om de daling van het aantal te verklaren
Op basis van de hypothese dat de overvloedige natuurlijke verjonging van de beuk die sinds 2005 in het Zoniënwoud werd waargenomen, de oorzaak zou kunnen zijn van een lagere detecteerbaarheid van de dieren tijdens de tellingen (dichtheid van de onderbegroeiing), werd de monitoring van de reeën vanaf 2018 aangevuld met een beoordeling van de zichtbaarheid van de parcours. Uit die aanvullende analyse is gebleken dat de daling van de KI die sinds 2014 is waargenomen, niet hoofdzakelijk kon worden verklaard door een afname van de detecteerbaarheid van de dieren. Uit de afstandsmetingen bleek namelijk dat de gemiddelde detectieafstand stabiel was, zonder dalende trend die zou duiden op een geleidelijke verslechtering van het zicht.
Wetenschappers concludeerden dat de afname van het aantal waarnemingen hoogstwaarschijnlijk verband houdt met een daadwerkelijke daling van de reeënpopulatie in het Zoniënwoud.
Daarom hebben onderzoekers en beheerders andere hypotheses overwogen om deze evolutie te verklaren (Vanwijnsberghe S. 2023 & Pallemaerts L. et al. 2023):
- Sterfte door het wegverkeer: deze hypothese is weinig waarschijnlijk gelet op de plaatsing, in het kader van het Life+-OZON-project (2013-2018), van een omheining langs de autosnelweg E411 en de Ring 0 en de bewezen doeltreffendheid daarvan (Feys S. et al. 2020).
- Stroperij: deze oorzaak lijkt niet doorslaggevend te zijn.
- Predatie door everzwijnen
De kleine populatie everzwijnen die momenteel in het Zoniënwoud leeft, kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de afname van de reeënpopulatie in het woud. Die populatie is immers 25 keer kleiner dan die in de bossen van de Gaumestreek, waar de reeënpopulatie nochtans een dichtheid heeft die vergelijkbaar is met die van het Zoniënwoud (Globen C., 2023).
- Predatie door vossen (voornamelijk op reekalfjes)
Die hypothese lijkt ook weinig aannemelijk, aangezien de dichtheid van vossen in het Zoniënwoud iets lager is dan in de bossen van de Gaumestreek.
- Sterfte door ziekte
Op enkele kadavers werd een autopsie uitgevoerd waarbij geen bijzondere problemen aan het licht zijn gekomen. Het systematisch uitvoeren van autopsies op dood aangetroffen dieren is een maatregel die moet worden ingevoerd om meer inzicht te krijgen in die risicofactor.
- Afname van de immigratie en/of toename van de emigratie
Het Zoniënmassief omvat het Zoniënwoud en verschillende aangrenzende particuliere en openbare terreinen die geschikte leefgebieden voor reeën bieden (boommassieven, graslanden en bosranden). Reeën kunnen zich binnen dat massief verplaatsen om gebieden op te zoeken die voor hen gunstiger zijn. Zo vermeldt Vanwijnsberghe S. (2023) dat er zich in 2010 drie à vier reeën op het privédomein van Argenteuil zijn komen vestigen, dankzij een opening in de omheining. Sindsdien is die populatie toegenomen op het domein, waar de dieren ongestoorde rust vinden. Bovendien werden volgens dezelfde auteur een aantal grote privéterreinen die grenzen aan het Zoniënwoud – zoals de internationale school van Bosvoorde – onlangs om veiligheidsredenen omheind. De kleine reeënpopulaties die daar aanwezig zijn, zijn dus geïsoleerd en dragen niet langer bij aan de bloedvermenging die nodig is voor een goede gezondheid van de reeënpopulatie. Die evolutie roept de vraag op hoe groot een reeënpopulatie minimaal moet zijn om het risico op genetische instorting van die populatie te vermijden.
Een ander interessant voorbeeld van uitbreiding van een reeënpopulatie is het feit dat zich in 2015 een kleine groep reeën vestigde in de Molenbeekvallei. Dat werd mogelijk gemaakt door infrastructuurwerken onder de Ring.
… maar recreatiedruk en loslopende honden lijken de belangrijkste oorzaken van de daling te zijn
Als stadsrandbos wordt het Zoniënwoud druk bezocht door wandelaars met of zonder hond, joggers, fietsers ... Het netwerk van paden is er ook bijzonder dicht en geregeld ontstaan nieuwe, wilde paden door de passage van bezoekers (zie focus Recreatie en biodiversiteit in het Zoniënwoud en andere Natura 2000-gebieden).
Dat hoge aantal bezoekers, in het bijzonder buiten de officiële paden, in combinatie met het probleem van honden van niet-aangelijnde honden (ongeveer 4 op de 10 honden in zones waar een aanlijnplicht geldt), zorgt voor een verstoring van de wilde fauna, die rust nodig heeft om te kunnen overleven. Herhaaldelijke verstoringen zorgen namelijk voor een aanzienlijk energieverbruik, stress en hebben een bewezen impact op de foerageertijden.
In dat verband is uit een recente studie (Globen C. 2023) gebleken dat het gedrag van de reeën in het Zoniënwoud verschilt van dat van een referentiepopulatie met een vergelijkbare dichtheid die niet onder druk staat van het publiek (reeën in de bossen van de Gaumestreek, die tijdens de Afrikaanse varkenspest-crisis van 2019 gesloten waren voor het publiek). In de Gaumestreek zijn de reeën, zoals te verwachten, vooral actief rond zonsopgang en zonsondergang. Door de sterke menselijke aanwezigheid verschuiven en verkorten de reeën in het Zoniënwoud de momenten waarop ze voedsel zoeken, en ontwikkelen ze nachtelijk gedrag. Zoals Vanwijnsberghe S. (2023) samenvat: "(…) de periodes waarin reeën actief zijn in het Zoniënwoud zijn beperkt. Daardoor wordt het voor de reeën moeilijker om zich te voeden, omdat ze worden gedwongen minder kieskeurig te zijn in hun voedselplekken en korter te eten. Het is bekend dat de ree een zeer selectieve eter is. Als reeën geen toegang hebben tot het meest voedzame en lichtst verteerbare voedsel, kan dat leiden tot gewichtsverlies en, in extreme gevallen, tot een vermindering van de vruchtbaarheid, wat op termijn kan leiden tot instorting van de populatie. (…) Tijdens de zoogperiode kan het gewichtsverlies ook gevolgen hebben voor de reegeit die dan niet kan voldoen aan de voedingsbehoeften van haar kalfje".
Bovendien wordt vastgesteld dat reeën afwezig zijn op plaatsen die veel bezoekers aantrekken, zoals het Ter Kamerenbos en het Park van Tervuren, hoewel de leefomgeving er voor hen gunstig is (Vanwijnsberghe S. 2023).
Zwerfhonden en honden die niet aangelijnd en/of niet onder controle zijn, vormen ook een bedreiging voor de reeën. In het Brusselse Zoniënwoud zijn in vier jaar tijd (2019-2022) minstens 32 reeën gestorven door een aanval van een hond.
Omwille van de kwetsbaarheid van de reeënpopulatie moeten bezoekers op de paden blijven en honden aan de lijn worden gehouden
Rekening houdend met deze resultaten is het belangrijk om de toestand van de reeënpopulatie in het Zoniënwoud verder te bestuderen aan de hand van andere informatie en gegevens dan die van de KI (cameravallen en nachttellingen met warmtebeeldcamera’s waarmee verschillende soorten kunnen worden bestudeerd, afschotcijfers van reeën die in de omgeving van het Zoniënmassief worden bejaagd enz.).
Sinds november 2024 werden 40 cameravallen geplaatst in het Zoniënwoud. Dit soort monitoring levert op termijn talrijke inzichten op en nuttige aanvullende informatie voor de interpretatie van de resultaten van de KI-methode (bijv. het aantal jongen per vrouwtje, trends in de aanwezigheid en verspreiding van vossen en everzwijnen, de aanwezigheid van mensen en van al dan niet loslopende honden enz.). De eerste resultaten zouden eind 2026 beschikbaar moeten zijn. Bosbeheerders blijven bovendien waakzaam met betrekking tot het toenemende fenomeen van predatie door honden, de gezondheidstoestand van de reeën en tekenen van mogelijke stroperij op hertachtigen.
Het geval van de ree illustreert ook hoe belangrijk het is om in het wild levende dieren weer de rust te bieden die ze nodig hebben om te overleven. Dat houdt in dat het publiek alleen op de paden mag lopen en dat honden verplicht aan de lijn moeten, behalve in nog nader te bepalen afgebakende zones dicht bij de toegangen tot het bos.
Voorzieningen om de connectiviteit binnen het Zoniënmassief te verbeteren
In het kader van de intergewestelijke samenwerking zoeken de Gewesten naar oplossingen voor de versnippering van het woud, door verbindingen aan te leggen (ecoducten, ecobuizen, hangbruggen enz.). Er zijn al twee ecoducten aangelegd. Eén in het Brusselse deel, boven lijn 161 (in het kader van de compensaties voor het GEN-ontwikkelingsproject), het andere in het Vlaamse deel in het kader van het Europese Life+OZON-project boven Ring 0. Die voorzieningen verbeteren de connectiviteit binnen het Zoniënmassief - en vergroten zo het leefgebied van de betreffende dierenpopulaties - en verminderen de sterfte onder de fauna als gevolg van verkeersongevallen.
Goed om te weten
Een studie van het Vlaams Gewest in 2019-2020 heeft de impact van 3 verbindingsvoorzieningen in het Zoniënwoud onderzocht. Een van de bevindingen is dat het ecoduct over de Ring veel gebruikt wordt door wilde dieren, vooral vossen en reeën (Natuurpunt 2020). Daarnaast is ook het aantal verkeersdoden gedaald dankzij de barrières die langs de ring zijn aangebracht. Andere verbindingsprojecten worden momenteel bestudeerd.
Om te downloaden
Factsheets
Fiches van de Staat van het Leefmilieu
- Focus : Zoogdieren in het Brussels Gewest, 2021
- Focus : De fragmentatie van natuurlijke habitats, 2022
Andere publicaties van Leefmilieu Brussel
- Zoogdieren in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, folder (.pdf)
- Kaart « Fragmentatie van de groene ruimten», 2008
- Info-fiche : De ree (.pdf)
Studies en rapporten
- ANONIEM 2014. « La biodiversité en Wallonie – Evolution des populations – Grand gibier ». Accessed 28/05/2020 (deze webpagina is niet langer toegankelijk).
- FEYS S., BOERS K., JACOBS M., LAMBRECHTS J., LEFEVRE A., STEEMAN R., VANORMELINGEN P., VAN DE POEL S., WILLEMS W. 2020. “Monitoring van drie ontsnipperende maatregelen in het Zoniënwoud”, Natuurpunt Studie i.o.v. Vlaamse Overheid, Departement Omgeving, Mechelen, België, 261 p (.pdf)
- GLOBEN C. 2023. “Étude de l’impact du dérangement humain sur une population de chevreuils (Capreolus careolus L.) en forêt de Soignes », eindwerk. Promotor : A. Licoppe (DEMNA) ; co-promotor : S. Vanwijnsberghe (Leefmilieu Brussel). ULiège, Gembloux Agro-Bio Tech, 45 p. (.pdf) (enkel in het Frans)
- HUYSENTRUYT F., VERCAMMEN J., MALENGREAUX C., LICOPPE A. , CASAER J. 2016. « Ondersteuningsproject bij de uitvoering van de reemonitoring in het Zoniënwoud. Jaarlijks rapport. Periode : 2008-2016 ». Wildlife and Man, ANB, SPW, BE-IBGE, 34 pp. (.pdf)
- LEEFMILIEU BRUSSEL 2020. "Zoogdierenatlas van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest", ongepubliceerd
- MALENGREAUX C., CASAER J. 2008. « Mission d’appui pour la mise en place d’un recensement chevreuil dans le massif sonien », studie gerealiseerd door Wildlife & Man in samenwerking met INBO in opdracht van Leefmilieu Brussel (BHG), Agentschap Natuur & Bos (Vlaanderen) et SPW (Wallonië), 41 pp. (.pdf) (enkel in het Frans)
- NATUURPUNT 2020. « Van dwergspitsmuis tot wild zwijn: deze soorten profiteren van faunapassages in Zoniënwoud”, in Natuurbericht, juni 2020.
- PALLEMAERTS L., BOONE N. , DEVISSCHER S., HUYSENTRUYT F., LICOPPE A., MALENGREAUX C., VERCAMMEN J., CASAER J. 2025. « Ondersteuningsproject bij de uitvoering van de reemonitoring in het Zoniënwoud. Jaarlijks rapport – Referentieperiode: 2008-2025 », Verslagen Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2025, Brussels. (.pdf)
- SPW – DIRECTION DE L ETAT ENVIRONNEMENTAL 2017. « Rapport sur l’état de l’environnement wallon 2017 », 365 pp. (.pdf) (enkel in het Frans)
- VANWIJNSBERGHE S. 2023 "Impact du public sur le chevreuil en forêt de Soignes", aparte uitgave Forêt.Nature n°166 (p. 38-52), januari-februari-maart 2023. (enkel in het Frans)
Plannen en programma‘s
Amfibieën en reptielen in het Brussels Gewest
Focus - Actualisering : januari 2022
In de eerste amfibieën- en reptielenatlas (2005) werd een algemene achteruitgang van de inheemse soorten vastgesteld: zes soorten (van de 14) die vroeger voorkwamen, konden niet meer worden waargenomen en werden als plaatselijk uitgestorven beschouwd. De tweede atlas, die ongeveer tien jaar later werd opgesteld, bevestigt deze vaststelling, want op één uitzondering na kon geen van deze soorten worden teruggevonden, ondanks een aanzienlijke toename van de kennis. Het fenomeen van de aanwezigheid van uitheemse soorten of soorten die uit het zuiden van België komen, waarop reeds in de eerste atlas de aandacht werd gevestigd, is nog toegenomen. In vergelijking met de eerste atlas is het aantal waargenomen amfibieënsoorten per km2 meer dan verdubbeld en zijn nieuwe interessante sites geïdentificeerd.
Bedreigde soorten
Amfibieën die in onze streken voorkomen, zijn kikkers, padden, tritons en salamanders. Water is voor deze soorten van cruciaal belang, want hun eieren zijn niet bedekt met een schaal en de jonge larven die uit het ei komen, leven uitsluitend in het water waar hun metamorfose plaatsvindt. Volwassen amfibieën leiden over het algemeen een hoofdzakelijk terrestrisch leven in koele, beschutte omgevingen en zijn aquatisch wanneer ze zich voortplanten.
Deze soorten zijn zeer kwetsbaar omdat ze afhankelijk zijn van uiteenlopende ecologische omstandigheden, met name de aanwezigheid van geschikte aquatische en terrestrische milieus die zich dicht of zelfs zeer dicht bij elkaar bevinden. Amfibieënpopulaties nemen overal ter wereld drastisch af als gevolg van vervuiling, de verspreiding van besmettelijke ziekten (mycosen) en de aantasting en versnippering van hun habitat.
Amfibieën spelen nochtans een belangrijke ecologische rol in onze ecosystemen, met name omdat ze als roofdieren en/of prooien een belangrijke schakel in de voedselketen vormen.
Goed om te weten
Amfibieën hoeven niet te drinken omdat het water direct door hun huid wordt opgenomen.
Op grond van de Natuurordonnantie zijn alle Europese amfibieën- en reptielensoorten beschermd in het hele Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Een nieuwe amfibieën- en reptielenatlas, gemaakt met de hulp van de burgers
In het kader van het Brussels programma voor informatie en toezicht inzake biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). werd een eerste amfibieën- en reptielenatlas opgesteld die de periode 1984-2003 bestrijkt. In de daaropvolgende jaren werden specifieke studies uitgevoerd naar de populaties van de groene kikker en de vuursalamander.
Eind 2016 lanceerde Leefmilieu Brussel een nieuwe grote telling van wilde amfibieën en reptielen, in samenwerking met natuurverenigingen Natagora en Natuurpunt. Dit project bestreek een periode van 3 jaar (tussen 2016 en 2019), maar omvatte alle gegevens die tussen januari 2004 en september 2019 waren verzameld.
De uitwerking van deze nieuwe atlas was gebaseerd op de medewerking van vrijwilligers die, door hun waarnemingen te melden, in grote mate hebben bijgedragen tot de samenstelling van de database (‘burgerwetenschap’- of ‘citizen science’-project, zie factsheet over zoogdieren en ‘Burgers verzamelen gegevens over de Brusselse biodiversiteit - crowdsourcing’). Er werden verschillende acties gevoerd om deze vrijwilligers te mobiliseren en op te leiden (webpagina, opleidingen, technische handleidingen, enz.). De deelnemers werden uitgenodigd om hun waarnemingen en foto’s in te voeren op de website ‘Waarnemingen.be'. Deze gegevens werden vervolgens door meerdere experts gevalideerd.
Meer informatie over de inventarisatiemethode is te vinden in de factsheet over amfibieën en reptielen in het Brussels Gewest en in de atlas.
Uitheemse soorten zoals schildpadden die al dan niet opzettelijk op het grondgebied van het Gewest zijn geïntroduceerd (uit gevangenschap ontsnapte dieren), werden eveneens in de inventaris opgenomen indien hun aanwezigheid in het wild reeds lange tijd werd vastgesteld, ongeacht of ze zich daar al dan niet voortplanten.
Wat het probleem van de introducties betreft, hebben de opstellers van de atlas een onderscheid gemaakt tussen:
- Inheemse soorten, waarvan de aanwezigheid in het Brussels Gewest het resultaat is van natuurlijke processen, zonder tussenkomst van de mens.
- Neo-inheemse soorten, die al dan niet opzettelijk zijn geïntroduceerd, maar die van nature voorkomen binnen maximaal enkele tientallen kilometers van Brussel. Soorten die in hun inheemse staat zijn uitgestorven, maar die in het betrokken gebied voorkomen in de vorm van niet-officieel geïntroduceerde populaties, kunnen onder deze categorie vallen.
- Uitheemse soorten, die al dan niet opzettelijk zijn geïntroduceerd en waarvan het gebied ver verwijderd is van hun oorspronkelijke verspreidingsgebied en daarvan verschilt.
8 inheemse of neo-inheemse amfibieënsoorten zijn waargenomen en 4 soorten worden als uitgestorven beschouwd in het Brussels Gewest
Van de 12 amfibieënsoorten die ooit in het Brussels Gewest voorkwamen, komen er vandaag nog 8 voor, waarvan één (vroedmeesterpad) in de vorm van geherintroduceerde populaties (neo-inheemse soortNiet door de mens geïmporteerde soort, die dus afkomstig is uit de eigen streek.). De populaties van rugstreeppadden, kamsalamanders, poelkikkers en boomkikkers zijn al meer dan 30 jaar verdwenen en worden in het Gewest als uitgestorven beschouwd. Hoewel de vroegere aanwezigheid van rugstreeppadden, kamsalamanders en boomkikkers in het Brussels Gewest vaststaat, bestaat er enige twijfel over de aanwezigheid van de poelkikker.
De amfibieën- en reptielenatlas bevat een beschrijving van elke geïnventariseerde soort, met inbegrip van de verspreiding van de soort, de habitat, de dichtheid en de maatregelen die nodig zijn om het behoud ervan te garanderen. De lezer kan ook de infofiches raadplegen die beschikbaar zijn in de online bibliotheek.
De gewone pad en de bruine kikker zijn de meest waargenomen en wijdverspreide amfibieënsoorten
De gewone pad en de bruine kikker zijn de meest waargenomen en wijdverspreide amfibieënsoorten in de periode 2004-2019. Ze worden gevolgd door de alpenwatersalamander en de kleine watersalamander. In termen van het aantal kilometerhokken waarin de soorten zijn waargenomen, is de bruine kikker koploper met 103 hokken (op een totaal van 200 hokken die het Gewest volledig of gedeeltelijk bestrijken), gevolgd door de gewone pad (91), de alpenwatersalamander (81) en de kleine watersalamander (56).
De vuursalamander en de groene kikker zijn bijzonder zeldzame soorten in het Brussels Gewest. De salamanderpopulaties komen uitsluitend voor in het Zoniënwoud, in de hoger gelegen delen van de vallei van de Vuilbeek en de Karregatbeek, waar ze een geïsoleerde populatie vormen. Hun dichtheid is laag in vergelijking met andere populaties in Vlaanderen (Van Doorn, 2020). De aanwezigheid van de salamander in het Zoniënwoud is al meer dan een eeuw bekend, maar in de 20e eeuw zijn de waarnemingen van de soort zeer zeldzaam gebleven.
Een gemiddelde van 2,3 amfibieënsoorten per kilometerhok geteld voor de periode 2004-2019, dat wil zeggen meer dan het dubbele van het aantal dat in de vorige atlas werd beschreven
De onderstaande kaart toont het aantal amfibieënsoorten die zijn waargenomen per kilometerhok voor de periode 2004-2019:
Amfibieën werden in 70% van de kilometerhokken aangetroffen. Hoewel het aantal waarnemingen per hok afneemt naar het stadscentrum toe, zijn ook in het dichtbebouwde centrum amfibieën aanwezig. Het gaat om inheemse soorten (vaak geïntroduceerd in het stadscentrum) en uitheemse soorten (meerkikkers in de ruime zin).
De meest gevarieerde kilometerhokken van het Gewest (tot 8 soorten) bevinden zich in de rand en komen overeen met de vijvers en waterlopen van het Rood Klooster, de Geleytsbeek, de Neerpedebeek en de Molenbeek (met onder meer de moerassen van Jette en Ganshoren). Andere sites zijn ook zeer gevarieerd, met name langs de vallei van de Woluwe en de zijrivieren ervan, langs de Vogelzangbeek, in het Koninklijk Domein of in Neder-Over-Heembeek voorbij het militair hospitaal en in de vallei van de Tweebeek.
In vergelijking met de vorige atlas is het aantal gemelde amfibieënsoorten per kilometerhok aanzienlijk toegenomen. Terwijl voor de periode 1984-2003 gemiddeld één soort per hok werd gemeld, is voor de periode 2004-2019 een gemiddelde van 2,3 soorten per hok gemeld.
De meest opmerkelijke ontdekkingen betreffen:
- het hele noordelijke deel van het Gewest: met name Neder-Over-Heembeek en de vallei van de Tweebeek (moerassen, vochtige zones ...), Laken, Jette (Koning Boudewijnpark), Molenbeek (Scheutbos);
- het uiterste westen: het hele westen van de gemeente Anderlecht, maar ook het Bemptpark in Vorst;
- het zuidoostelijke derde deel van het grondgebied: verschillende sectoren van het Zoniënwoud en zijn omgeving, het Bergojepark, het Woluwepark, enz.
- enkele hokken in het stadscentrum met sites die voor de eerste atlas niet werden onderzocht, zoals het Josaphatpark en het Kruidtuinpark.
Hoewel deze verbetering kan worden verklaard door de grotere onderzoeksinspanningen voor de tweede atlas, houdt ze zeker ook gedeeltelijk verband met de acties die op gewestelijk niveau zijn ondernomen om natuurlijkere milieus te herstellen, met name via het programma ‘Blauw netwerkProgramma dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest sinds 1999 heeft opgezet om het water en de vochtige zones op het grondgebied ervan te herstellen. Het programma heeft verschillende doelstellingen: 1) scheiding van afvalwater en zuiver water om de wateraanvoer in de zuiveringsstations te beperken; 2) herstelling van sommige bestanddelen van het gewestelijke hydrografische netwerk; 3) heraanleg van een aantal stukken rivier, vijvers en vochtige zones om hun biologische waarde te herwaarderen, zodat ze eventueel bijzondere beschermingsmaatregelen kunnen genieten; 4) vrijwaring van de landschappelijke en recreatieve functie van deze sites.’ (zie factsheet over het onderwerp), en met de algemene verbetering van de kwaliteit van het oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...)..
De meerkikker: een uitheemse soort waarvan de aanwezigheid sterk is toegenomen in het Brussels Gewest
De groep van de ‘groene kikkers’ en ‘meerkikkers’ (geslacht Pelophylax) bestaat uit verschillende taxa, waarvan sommige met elkaar kunnen kruisen. De middelste groene kikker (Pelophylax kl. esculentus) is op die manier een kruising tussen de poelkikker (Pelophylax lessonae) en de meerkikker (Pelophylax ridibundus). De eerste twee zijn inheems in België, maar de derde niet. Hun identificatie kan lastig zijn door de gelijkenissen tussen sommige van deze taxa en de variaties binnen eenzelfde taxon. Naast deze identificatieproblemen is er ook nog het probleem van de introducties: de groep van de ‘meerkikkers’ omvat in feite verschillende soorten, die allemaal uitheems zijn en waarvan er verschillende in Brussel zijn gemeld. Ze zijn niet gemakkelijk te identificeren in het veld. Minstens twee van deze soorten, de meerkikker (Pelophylax ridibundus) en de Anatolische meerkikker (Pelophylax cf. bedriagae), komen met zekerheid voor op het grondgebied van het Gewest.
In de periode die de tweede atlas bestrijkt, werden op verschillende plaatsen in Brussel kikkers van het geslacht Pelophylax gemeld. In de meeste gevallen bleek na onderzoek van de foto's dat het om meerkikkers ging. Voor de periode 2004-2019 werd de aanwezigheid van groene kikkers niettemin slechts op twee sites gevalideerd (de moerassen van Jette-Ganshoren en het zuiden van Anderlecht). Dit is goed nieuws aangezien deze soort bij de vorige atlas niet geteld kon worden en als plaatselijk uitgestorven werd beschouwd (de laatste waarnemingen werden in de jaren ‘90 gedaan in het Moeraske en in enkele vijvers in Bosvoorde). Volgens de opstellers van de huidige atlas is het niettemin zeer waarschijnlijk dat de waargenomen individuen afkomstig zijn van inheemse populaties die bij de vorige atlas niet werden opgemerkt.
De meerkikker is vandaag een van de meest verspreide amfibieën in Brussel en is de enige niet-inheemse amfibie waarbij acclimatisatie in het Gewest is vastgesteld. Van alle amfibieën en reptielen is de meerkikker bovendien de soortengroep die er het sterkst op is vooruitgegaan sinds de vorige atlas. Vóór 2004 werden meerkikkers waargenomen in 13 kilometerhokken. Sindsdien zijn ze geïnventariseerd in 46 kilometerhokken die verscheidene gemeenten bestrijken. Deze toename van het aantal bekende sites is zeker voor een deel te danken aan een betere kennis van de verspreiding, maar het is ook aannemelijk dat de meerkikker, die in 1992 voor het eerst in Brussel is waargenomen, de laatste jaren bepaalde delen van de stad heeft gekoloniseerd.
De meerkikker is opgenomen in de lijst van invasieve soorten van de ordonnantie Natuur. De vrees in verband met zijn aanwezigheid in onze ecosystemen is te wijten aan zijn invasief karakter (meerdere legsels per jaar, groot verspreidingsvermogen, pionierssoort, groter dan de inheemse groene kikker, vroege ontwaking uit de winterslaap...), maar ook aan het feit dat deze soort kan kruisen met de inheemse groene kikker, met het risico dat het genoom van de inheemse groene kikker wordt vervangen door dat van de meerkikker. Over de impact van deze uitheemse kikkers op de inheemse fauna is echter niet veel bekend.
4 inheemse of neo-inheemse reptielensoorten werden waargenomen
Het Brussels Gewest telt 2 inheemse reptielensoorten: de hazelworm en de levendbarende hagedis. Deze soorten zijn niet wijdverspreid en komen vooral voor in het Zoniënwoud en op enkele andere plaatsen.
De muurhagedis en de ringslang, die vandaag in het Gewest voorkomen, worden als neo-inheemse soorten beschouwd aangezien hun natuurlijke verspreidingsgebied ten zuiden van Samber en Maas ligt. Sinds de jaren ‘90 hebben geïntroduceerde populaties van de muurhagedis zich ook ten noorden van deze lijn verspreid, vooral langs spoorwegen. De soort komt nu voor in heel Vlaanderen en in het noorden van Wallonië. In het Brussels Gewest is de aanwezigheid van deze hagedis bevestigd in de belangrijkste spoorweg- en industriezones van het Gewest, die een geschikte habitat bieden (aanwezigheid van open milieus, droge terreinen met aanwezigheid van stenen, enz.). De muurhagedis is een soort die krachtens de Europese wetgeving (Habitatrichtlijn) strikt moet worden beschermd, en die als zodanig specifiek wordt opgevolgd (zie focus Lokale staat van instandhouding voor Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten)
In Brussel is één populatie van de ringslang aanwezig, in de moerassen van Jette-Ganshoren en de omgeving ervan. Deze geïntroduceerde populatie is volledig geïsoleerd, aangezien de dichtstbijzijnde bekende populaties, die eveneens zijn geïntroduceerd, zich op ongeveer 40 km afstand bevinden.
Verschillende soorten schildpadden die het gevolg zijn van introducties, komen voor in het Gewest en worden op grote schaal waargenomen. Met ongeveer 600 waarnemingen in de periode 2004-2019 is de roodwangschildpad het meest verspreide reptiel in Brussel. Deze soort komt vandaag voor in vele vochtige zones en vijvers in Brussel, en ook aan de rand van het Zoniënwoud.
In hun jonge jaren zijn roodwangschildpadden vraatzuchtige carnivoren die zich voeden met aquatische organismen. De volwassen dieren zijn hoofdzakelijk vegetarisch, maar kunnen het ook gemunt hebben op vissen, amfibieën en kuikens van watervogels. De schade die ze veroorzaken in biologisch rijke milieus, kan dan ook problematisch zijn. Het klimaat in het Brussels Gewest is (nog) niet warm genoeg om een succesvolle voortplanting mogelijk te maken, maar er zijn reeds gevallen van voortplanting van Noord-Amerikaanse waterschildpadden geconstateerd, met name in Frankrijk.
Voor meer informatie over het probleem van invasieve soorten (met inbegrip van uitheemse schildpadden) raadpleegt u het onderwerp ‘Invasieve uitheemse soorten’ in de rubriek ‘Het leefmilieu, een stand van zaken’ op de website van Leefmilieu Brussel.
Inheemse amfibieënsoorten waarvan de verdwijning wordt bevestigd
In de eerste amfibieën- en reptielenatlas werd een algemene achteruitgang van de inheemse soorten vastgesteld. Met name zes inheemse soorten die in het verleden in de hoofdstad voorkwamen, werden als uitgestorven beschouwd. De huidige atlas bevestigt deze vaststelling, aangezien op één uitzondering na (de groene kikker) geen van de als uitgestorven beschouwde soorten kon worden teruggevonden, ook al nam de kennis de laatste 15-20 jaar aanzienlijk toe.
En een toenemend aantal neo-inheemse of uitheemse soorten
Het fenomeen van de recente vestiging van soorten die vreemd zijn aan de Brusselse fauna, waarop reeds in de eerste atlas de aandacht werd gevestigd, is de laatste tijd toegenomen. Het betreft enerzijds de recente verschijning van neo-inheemse soorten en anderzijds de vermeerdering en uitbreiding van uitheemse soorten, met name verschillende niet-geacclimatiseerde waterschildpadden, meerkikkers en Anatolische meerkikkers.
Maatregelen voor het beheer van amfibieën en reptielen die moeten worden voortgezet en versterkt
Het Brussels Gewest kent dezelfde trend als andere regio's in West-Europa: een afname van de populaties, zowel van sterk bedreigde als van vaker voorkomende soorten. De achteruitgang en versnippering van geschikte aquatische en terrestrische habitats, door uitdroging of overwelving, zijn de belangrijkste historische oorzaken van deze afname. De toenemende verstedelijking, met inbegrip van intensieve bebouwing en een steeds dichter wordend wegennet, vormt vandaag een bedreiging voor de habitats van amfibieën en reptielen. Daarom worden maatregelen genomen om de habitats te beschermen en te herstellen: openlegging van overwelfde waterlopen, aanleg van poelen, herstel van aangetaste vochtige zones, aanleg van ecologische oevers, herstel van de onderlinge verbinding van vochtige zones, verwijdering van vissen uit bepaalde waterpartijen, onderhoud van open plekken in het bos die gunstig zijn voor reptielen, aanleg van paddentunnels (die nog steeds zeldzaam zijn) of specifieke maatregelen ten gunste van bepaalde soorten zoals de vuursalamander. Bovendien organiseren natuurbeschermingsverenigingen tijdens de trek reddingsacties langs de weg voor amfibieën.
Om te downloaden
Factsheets
- 5. Amfibieën- en reptielen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (.pdf) (2022)
- 18. Lokale staat van instandhouding voor habitat- en vogelrichtlijnsoorten binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (.pdf) (2018)
Fiches van de Staat van het Leefmilieu
Andere publicaties van Leefmilieu Brussel
- Rapport over de staat van de natuur in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (.pdf) (2012)
- Zoekkaart : Amfibieën en Reptielen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
- Muurhagedis (infofiche -biodiversiteit) (.pdf)
- Levendbarende hagedis (infofiche - biodiversiteit) (.pdf)
- Bastaardkikker (infofiche - biodiversiteit) (.pdf)
- Bruine kikker (infofiche - biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora).) (.pdf)
- Vroedmeesterpad (infofiche - biodiversiteit) (.pdf)
- Gevlekte ringslang (infofiche - biodiversiteit) (.pdf)
- Gewone pad (infofiche - biodiversiteit) (.pdf)
- Meerkikker s.l. (infofiche - biodiversiteit) (.pdf)
- Hazelworm (infofiche - biodiversiteit) (.pdf)
- Vuursalamander (infofiche - biodiversiteit) (.pdf)
- Alpenwatersalamander (infofiche - biodiversiteit) (.pdf)
- Vinpootsalamander (infofiche - biodiversiteit) (.pdf)
- Kleine watersalamander (infofiche - biodiversiteit) (.pdf)
Studies en rapporten
- GRAITSON E, PAQUET A. & VERBELEN D. 2022 « Amfibieën- en reptielenatlas van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest », Natagora, Natuurpunt en Leefmilieu Brussel
- JOORIS R. 2007. “Inventarisatie amfibieën en reptielen in het Brussels Hoofstedelijk Gewest”, Natuurpunt (.pdf)
- VAN DOORN L. 2020. « The Fire Salamander in the Brussels-Capital Region”, monitoring Report 2020
- VAN DOORN L & WELLEKENS B. 2017. « The Fire Salamander in the Brussels-Capital Region - Present and Future”, Monitoring Report 2009-2017
- VERBELEN D. & GRAITSON E., 2017. « Handleiding inventarisatie Amfibieën en Reptielen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest”, Natuurpunt & Natagora
- WEISERBS A. & JACOB J.-P. 2005. « Amfibieën en reptielen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest – Atlas 2005», Aves & Aves & Brussels Instituut voor Milieubeheer
Plannen en programma‘s
Nuttige links
De vissen
Focus – Actualisatie: augustus 2024
Sinds 2004 zijn er 28 verschillende soorten waargenomen in de Zenne, het Kanaal en de Woluwevallei. 11 van deze soorten zijn exotisch en worden soms als invasief beschouwd. Bemoedigende trends zijn onder andere de terugkeer van een vijftiental vissoorten naar de Zenne in Brussel sinds 2016, waaronder ecologisch veeleisende soorten zoals de bittervoorn en de paling. De monitoring brengt ook een aantal zwakke punten aan het licht, zoals de afwezigheid van bepaalde referentiesoorten en het ontbreken van migrerende soorten. Het toenemende aantal exoten, waarvan sommige invasief zijn, is ook een reden tot bezorgdheid. Om de toestand van de vispopulaties te verbeteren, moeten we onze inspanningen op verschillende fronten voortzetten: vermindering van de lozingen van vervuilende stoffen (vooral tijdens periodes van hevige regenval), verbetering van de hydromorfologie, bestrijding van invasieve soorten, enz.
28 soorten geregistreerd in de Brusselse wateren
Om te voldoen aan de opvolgings- en evaluatieverplichtingen van de biologische kwaliteit van de waterlopen die opgelegd zijn door de kaderrichtlijn Water (KRW), voert Leefmilieu Brussel elke drie jaar (sinds 2004) inventarisaties uit van de vissoorten die aanwezig zijn in de belangrijkste waterlopen.
Dankzij de zes staalnamecampagnes die sinds 2004 zijn uitgevoerd, kon er een overzicht opgesteld worden van 28 vissoorten in de Zenne, het Kanaal en de vallei van de Woluwe. Bepaalde van die soorten zijn slechts erg beperkt waargenomen.
Het visbestand dat van nature uit aanwezig is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn vissen die van rustige wateren houden, namelijk karperachtigen: brasem, karper, snoek, baars, paling, voorn, bittervoorn, zeelt, snoekbaars, stekelbaars ... Die wateren zijn kenmerkend wateren met een trage of gemiddelde snelheid. Geïnteresseerde lezers kunnen zich beroepen op de affiche die online beschikbaar is met de lijst en de illustratie van de vissoorten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de oppervlaktewateren. Die soorten planten zich snel voort en zijn goed bestand tegen de druk van het vissen (Waals Gewest, 2023). Zalmrijk water, die sneller stromen, zijn niet te vinden in het Gewest. Verschillende soorten die niet kenmerkend zijn voor ‘karperachtige water’ zijn echter wel aanwezig in de Brusselse waterlopen en waterpartijen, met name omwille van visserij.
Bij de observaties werden verschillende soorten waargenomen:
- 17 inheemse soorten
- 11 niet-inheemse soorten waarvan de meerderheid genaturaliseerd is (bijvoorbeeld de karper).
Twee van die uitheemse soorten staan op de Europese lijst van invasieve uitheemse soorten die de Europese Unie zorgen baren: de zonnebaars en de blauwbandgrondel. Als we de lijst die is opgesteld door het Belgisch forum invasieve soorten in beschouwing nemen, moeten vier andere soorten die aanwezig zijn in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ook worden aanzien als invasieve soorten: de zwartbekgrondel, de snoekbaars, de giebel of goudvis en de bruine Amerikaanse dwergmeerval (erg sporadisch gezien tijdens een campagne) (zie ook de indicator van de invasieve uitheemse soorten).
16 soorten waargenomen in de Zenne in 2022
In 2004, bij de eerste evaluatiecampagne van de biologische kwaliteit van de waterlopen, was er omwille van de kwaliteit van de Zenne (met name het zuurstofgehalte) geen visbestand mogelijk, waardoor er geen enkel visstaal kon worden afgenomen. Tijdens de twee volgende campagnes konden er dan wel stalen worden afgenomen (2007 en 2013), maar in 2013 kon slechts één vis geïnventariseerd worden.
Die situatie staat in schril contrast met de meer dan 200 vissen van 15 verschillende soorten die zijn bovengehaald bij de staalnames die werden uitgevoerd in 2016. In 2019 en 2022 werden er respectievelijk 9 en 16 soorten geteld. Die stijging is vooral omwille van de inspanningen in verband met afvalwaterzuiveringAfvalwaterzuivering is het in die mate zuiveren van afvalwater van organische en chemische afvalstoffen dat het biologische leven in rivieren, meren en zeeën geen hinder ondervindt van het lozen van dit gezuiverde afvalwater. en dat zowel voor water vooraleer het Brussel binnenkomt als op gewestelijk niveau (zie indicator afvalwaterzuivering).
Hoe wordt de index van de biologische kwaliteit in verband met het biologisch element vissen gemeten?
De berekening van de biologische index van vissen baseert zich op het onderzoek van de vispopulaties die aanwezig zijn in de waterlopen en vijvers. Hij is gebaseerd op heel wat parameters die vergezeld gaan van referentiewaarden die specifiek zijn aan elke waterloop en die gaan over:
- de samenstelling: de diversiteit qua soorten, de tropische samenstelling (aandeel visetende vissen, omnivoren ...), de aanwezigheid van bepaalde soorten die de kwaliteit van de waterlopen aantonen (bv. de paling voor de Zenne), de aanwezigheid van migrerende vissen ...
- de abundantie: aantallen, biomassaGeheel van planten en dieren, alsook het daarmee gepaard gaande organische afval. De plantaardige biomassa komt uit de fotosynthese voort en is een bron van hernieuwbare energie. ...
- de leeftijdsstructuur van de gemeenschappen
De score van de kwaliteitsindex geeft het verschil weer tussen de waargenomen situatie en een referentiesituatie. Deze wordt bepaald aan de hand van verschillende methodes: de bouw van een referentienetwerk met sites die representatief zijn voor een zeer goede ecologische kwaliteit, model, het oordeel van experts of een combinatie van deze verschillende methodes.
Onderzoek in het kader van de evaluatie van de biologische kwaliteit van de Brusselse waterlopen heeft het mogelijk gemaakt om een lijst op te stellen van 17 vissoorten die historisch aanwezig waren in de Zenne toen deze weinig of niet verstoord werd door menselijke activiteiten.
In 2022 waren 10 van deze referentiesoorten aanwezig in de Zenne (7 in 2019, 11 in 2016). Sommige van de bemonsterde soorten zijn ecologisch veeleisend, zoals de bittervoorn, het bermpje en de kopvoorn.
Goed om te weten
De Europese aal, een vaak waargenomen soort, staat op de rode lijst van wereldwijd bedreigde soorten van de Internationale unie voor natuurbescherming (International Union for Conservation of Nature) als een wereldwijd ernstig bedreigde soort.
De Zenne vertoont over het algemeen een goede score voor de specifieke diversiteit (aantal soorten en evenwicht tussen de verschillende soorten), de scores voor de andere parameters zijn over het algemeen echter zwak (1 of 2 op een schaal van 4). Als gevolg hiervan blijft, ondanks de duidelijke vooruitgang die is geboekt met betrekking tot de vissen in de Zenne, de indexscore met betrekking tot vissen “slecht” of in het beste geval “matig” op de twee bemonsteringspunten die zich aan de ingang en de uitgang van het grondgebied bevinden (zie indicator voor de biologische kwaliteit van de belangrijkste waterlopen en vijvers).
Het beheer van de viskwaliteit van de Zenne staat voor een aantal uitdagingen
De belangrijkste obstakels voor het verbeteren van de visbestandskwaliteit in de Zenne zijn:
- tijdens hevige regenval, de lozingen van stormoverlaten en van de “regenweerketen” van de twee gewestelijke waterzuiveringsstations, waardoor het zuurstofgehalte in de Zenne daalt (zie indicator afvalwaterzuivering);
- tijdens periodes van hitte en droogteDroogte is een natuurlijk fenomeen waarbij de beschikbaarheid van water afneemt als gevolg van een gebrek aan neerslag, wat op termijn tot een watertekort kan leiden. Dit moet niet worden verward met een ‘hittegolf’ of ‘hitteperiode’, ook al hebben deze wel degelijk invloed op de beschikbaarheid van water (toename van de watervraag)., de vermindering van het debiet (al laag voor de Zenne) en de stijging van de temperaturen, die de watervervuiling verergeren en de concentraties opgeloste zuurstof doen dalen (in dit opzicht is de droogte die heerste in 2019 een belangrijke verklarende factor voor de verslechtering van de toestand van de visfauna die dat jaar werd waargenomen) (zie indicator voor de fysisch-chemische kwaliteit van de oppervlaktewateren);
- de ingrijpende hydromorfologische veranderingen (oevers grotendeels gebetonneerd, overwelving van twee derde van haar traject in Brussel, aanwezigheid van een onoverbrugbare structuur voor vissen) (zie focus op de hydromorfologische toestand van de Brusselse waterlopen).
Er zijn ook verschillende invasieve uitheemse soorten aanwezig. Dit geldt in het bijzonder voor de Chinese krab (Eriocheir sinensis), die op de Europese lijst van invasieve soorten staat. De Chinese krab tast de lokale fauna en flora aan door in de oevers te graven en het water troebel te maken, waterplanten te vertrappen en op te eten, evenals kleine ongewervelden, larven en viseieren. De soort is al wijdverspreid in Vlaanderen, waar ze een bedreiging vormt voor aquatische ecosystemen.
Kanaal: aanzienlijke aanwezigheid van invasieve exoten
Het aantal geïnventariseerde vissoorten in het kanaal varieert tussen 11 en 15, afhankelijk van de campagne. De biologische kwaliteitsindex voor vissen vertoont geen duidelijke trend in de tijd en schommelt tussen “slecht” (2004 en 2016 op de twee meetpunten), “matig” (2007, 2019, 2022) en “gemiddeld” (2013). Over het algemeen is de indexscore iets beter daar waar het kanaal Brussel binnenkomt dan daar waar het kanaal Brussel buiten stroomt.
De samenstelling van de fauna van het kanaal is sterk verstoord door de dominantie van invasieve uitheemse soorten, wat vaak het geval is in bevaarbare waterlopen. De inventarisatie van 2022 bracht, net als die van 2019 en 2016, een groot aantal zwartbekgrondels aan het licht, een vissoort die in 2013 voor het eerst in Brussel werd waargenomen en die zich sindsdien snel lijkt te hebben verspreid. Onder de ongewervelden zijn ook Chinese wolhandkrabben en, in mindere mate, rivierkreeften, waarschijnlijk de gevlekte Amerikaanse variant, waargenomen. Van deze soorten is bekend dat ze druk uitoefenen op macro-ongewervelden, maar ook op eieren en kleine vissen (predatie, concurrentie om voedsel). Alle uitheemse rivierkreeftsoorten vormen ook een bedreiging voor inheemse rivierkreeften.
Er zijn nog andere obstakels voor de ontwikkeling van het waterleven in het kanaal geïdentificeerd, waaronder het constante opnieuw in suspensie brengen van sedimenten en golven in verband met de scheepvaart, de vaak betonnen en steile oevers en de ontoereikende fysisch-chemische kwaliteit van het water. Om het gebrek aan vegetatie te compenseren, heeft de Haven van Brussel vegetatievlotten getest met onderwaterschuilplaatsen die de voortplanting van vissen en ongewervelde waterdieren bevorderen. Na de positieve resultaten werd het experiment uitgebreid (zie indicator voor de biologische kwaliteit van de voornaamste waterlopen en vijvers).
Woluwe en Roodkloosterbeek: sterke bodemverharding, een hinderpaal voor vissen
In de Woluwe, bemonsterd aan het einde van het gewestelijke grondgebied, was de indexscore voor vissen middelmatig in alle meetcampagnes, behalve in 2019 en 2004, toen deze gemiddeld was. Het aantal waargenomen soorten varieerde tussen 5 en 10, afhankelijk van het jaar. De zwakte van de index is voornamelijk te wijten aan de afwezigheid van verschillende referentie- en migrerende soorten.
Deze middelmatige score wordt grotendeels verklaard door de verslechterde hydromorfologische toestand van de Woluwe en, in het bijzonder, door de aanwezigheid van 28 structuren (bv. sluisdeuren aan de vijvers) die de vrije circulatie van vissen verhinderen of belemmeren, met name voor de voortplanting (zie de focus op de hydromorfologische staat van de Brusselse waterlopen).
Een positief punt is dat de dominante soorten qua dichtheid soorten zijn die veel zuurstof nodig hebben, zoals de bittervoorn - een beschermde soort die jaar na jaar gehandhaafd blijft - en de riviergrondel.
De Roodkloosterbeek, een zijrivier van de Woluwe, heeft sinds de eerste monitoringscampagne een middelmatige biologische kwaliteitsindex voor vissen. Deze lage score kan worden verklaard door een aantal factoren: lage specifieke diversiteit (zeer grote overheersing van de riviergrondel), een onevenwichtige leeftijdsstructuur en de afwezigheid van referentiesoorten die representatief zijn voor een goede ecologische gezondheid van het leefmilieu. De verslechterde hydromorfologie van de Roodkloosterbeek (schaduw, rechte loop, kunstmatige oevers, dwarse obstakels) blijkt de belangrijkste belemmering te zijn voor de ontwikkeling van waterplanten en vissen. De afvloeiing van de E411 en de ring kan mogelijk ook een impact hebben op de waterkwaliteit van deze waterloop, met een effect op de vissen.
In 2019 en 2022 waren 2 van de 3 gecontroleerde vijvers van middelmatige tot slechte viskwaliteit. In de lange vijver in het Woluwepark is de visstand aanzienlijk verbeterd en deze vijver zal in 2022 een gemiddelde kwaliteitsindex hebben.
Grote aantallen exotische rivierkreeften in vijvers in het Woluwedal
De gevlekte Amerikaanse rivierkreeft (Orconectes limosus), een soort die op de Europese lijst van zorgwekkende invasieve uitheemse soorten staat, en de Turkse rivierkreeft (Pontastacus leptodactylus) zijn zeer talrijk in bepaalde vijvers in het Woluwedal. De eerste gerapporteerde waarnemingen dateren van 2008 (waarnemingen.be - Life Riparias en monitoring van de biologische kwaliteit van de Brusselse waterlopen en de vijvers). De aanwezigheid van deze rivierkreeften heeft een impact op de vegetatie (rechtstreekse consumptie en verminderde watertransparantie), maar ook op bepaalde soorten kleine aquatische fauna (zie indicator voor de biologische kwaliteit van de grote waterlopen en vijvers).
Andere invasieve soorten, waaronder lettersierschildpad (Trachemys scripta), worden af en toe waargenomen (zie indicator invasieve uitheemse soorten).
Goed om te weten
Het LIFE RIPARIAS-project (2021-2026) heeft als doel het beheer van bepaalde invasieve uitheemse soorten in België te optimaliseren. Het wordt gecoördineerd door Leefmilieu Brussel, in samenwerking met 10 partners uit de 3 gewesten van het land en die verbonden zijn aan overheidsinstellingen, de academische wereld en vrijwilligersorganisaties.
Het project richt zich op verschillende soorten planten en rivierkreeften die langs de rivieren en in vijvers voorkomen, met de nadruk op een intergewestelijk proefgebied dat de stroomgebieden van de Dijle, de Zenne (inclusief de Woluwe, een zijrivier van de Zenne) en de Mark omvat.
De bittervoorn, een beschermde soort, komt voor in de Woluwe maar ook in het Kanaal en de Zenne
Deze kleine vis, die van nature voorkomt in gebieden met stilstaand of traag stromend water, wordt steeds zeldzamer in België.
Goed om te weten
De bittervoorn (Rhodeus sericeus) heeft een speciale beschermingsstatus door zijn opname in bijlage II van de Habitatrichtlijn, waarin soorten van communautair belang (bedreigde, kwetsbare, zeldzame of endemische soorten) zijn opgenomen. De aanwezigheid van deze soort heeft geleid tot de aanwijzing van het Woluwedal als speciale beschermingszone in het kader van Natura 2000.
De bescherming van de bittervoorn omvat een aantal maatregelen, waaronder:
- de verbetering van de waterkwaliteit (goede zuurstofvoorziening en vermindering van de vervuiling, die een impact heeft op de prooien van de bittervoorn)
- het behoud van zijn habitat: swales, dode armen van rivieren en vijvers ...
- het behoud van de anodontamosselen, die zeer gevoelig zijn voor vervuiling en essentieel zijn voor zijn voortplanting
Klik hier voor meer informatie over de bittervoorn.
In de Woluwe is de bittervoorn, samen met de riviergrondel, de meest vertegenwoordigde soort qua aantallen. Deze soort is over het algemeen ook goed vertegenwoordigd in de lange vijver van het Woluwepark en, in mindere mate, in de vijver van Bosvoorde.
Daarnaast hebben de bemonsteringscampagnes van 2013, 2016 en 2022 de aanwezigheid van de bittervoorn in het Kanaal aangetoond. In de Zenne werd de soort waargenomen in 2016 (daar waar de Zenne het Brussels grondgebied binnenkomt) en 2022 (daar waar de Zenne het grondgebied binnenkomt en verlaat).
Als een soort die beschermd is onder de Habitatrichtlijn, wordt de status van de bittervoornpopulaties geëvalueerd. Volgens de meest recente evaluatie, van 2016, was de staat van instandhouding:
- gunstig voor de bittervoornpopulaties die aanwezig zijn in de Woluwe en de vijvers, ondanks dat er aan bepaalde criteria in verband met de kwaliteit van de habitat niet voldaan werd;
- ongunstig voor de bittervoornpopulaties van de Zenne en het kanaal, waarschijnlijk omwille van een te lage kwaliteit van het water en de hydromorfologie van die waterlopen (artificiële oevers, overwelving van de Zenne ...).
Klik hier voor meer informatie over de beoordeling van de lokale staat van instandhouding voor habitat- en vogelrichtlijnsoorten binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Talrijke beheersmaatregelen dragen bij tot een verbetering van de levensomstandigheden van de visfauna
De toestand van de visfauna hangt nauw samen met een goede waterkwaliteit (zie Fysisch-chemische kwaliteit van het oppervlaktewater en Chemische kwaliteit van het oppervlaktewater) en in het bijzonder met een voldoende hoog gehalte aan opgeloste zuurstof. Het verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...). omvat verschillende maatregelen, zoals het voorkomen van lozingen (vervuild afvloeiend water, illegale lozingen, overloop van stormoverstorten, enzovoort), het schoonmaken van waterlopen en vijvers (vervuild slib) en het behandelen van afvalwaterWater dat in huishouding of industrie dienst heeft gedaan en gewoonlijk met verschillende stoffen beladen is..
Ook andere maatregelen dragen bij tot een aanzienlijke verbetering van de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). van de waterlopen: verwijdering van fysieke barrières voor de migratie van waterfauna, natuurlijk beheer en herbegroeiing van oevers, creatie van gediversifieerde natuurlijke habitats die gunstig zijn voor aquatische gemeenschappen en controle van vispopulaties (aantallen en soorten).
De voorbije jaren werd er aanzienlijke vooruitgang geboekt op het vlak van afvalwaterzuiveringAfvalwaterzuivering is het in die mate zuiveren van afvalwater van organische en chemische afvalstoffen dat het biologische leven in rivieren, meren en zeeën geen hinder ondervindt van het lozen van dit gezuiverde afvalwater., wat resulteerde in een zeer significante algemene verbetering van de fysisch-chemische kwaliteit van het water in de Zenne. Tegelijkertijd is het Gewest al meer dan twee decennia bezig met de geleidelijke uitvoering van het programma Blauw NetwerkProgramma dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest sinds 1999 heeft opgezet om het water en de vochtige zones op het grondgebied ervan te herstellen. Het programma heeft verschillende doelstellingen: 1) scheiding van afvalwater en zuiver water om de wateraanvoer in de zuiveringsstations te beperken; 2) herstelling van sommige bestanddelen van het gewestelijke hydrografische netwerk; 3) heraanleg van een aantal stukken rivier, vijvers en vochtige zones om hun biologische waarde te herwaarderen, zodat ze eventueel bijzondere beschermingsmaatregelen kunnen genieten; 4) vrijwaring van de landschappelijke en recreatieve functie van deze sites. (zie informatiefiche Blauw Netwerk). Sommige van deze projecten maken deel uit van het intergewestelijke Belini-project dat gefinancierd wordt door het Life-programma van de Europese Commissie. Dit project voert een reeks maatregelen uit om de kwaliteit van de rivieren de Zenne, de Dijle en de Demer (stroomgebied van de Schelde) te verbeteren, met name wat betreft hun aantrekkelijkheid voor vissen.
Kleinere interventies worden ook op regelmatige basis uitgevoerd, zoals actief beheer van het waterpeil, verwijderen van boomstammen en afval, beperken van schaduw en bladval, reinigen van de bedding van waterlopen, vegetatiebeheer ... Een gedeeltelijke of volledige tijdelijke drooglegging van vijvers is ook gebruikelijk op Brusselse vijvers. Dit helpt om de aanslibbing te verminderen (door het slib te mineraliseren), de vispopulatie onder controle te houden (voor meer informatie over de biomanipulaties, zie de fiche over vissen in het Brussels Gewest) en heeft een positief effect op de ontwikkeling van waterplanten.
Vissen is toegestaan in het kanaal en in bepaalde vijvers op voorwaarde dat men in het bezit is van een vergunning en de nodige toelatingen, en de reglementering wordt nageleefd. Dit reglement, dat momenteel wordt herzien, is met name bedoeld om ervoor te zorgen dat vissen verenigbaar is met andere activiteiten en het bereiken van de ecologische doelstellingen niet belemmert voor de verschillende waterlopen en vijvers.
Om te downloaden
Factsheets
- Vissen in het Brussels hoofdstedelijk Gewest, 2024 (.pdf)
- Biologische kwaliteit van de Brusselse waterlopen en vijvers, 2022 (.pdf)
- Lokale staat van instandhouding voor habitat- en vogelrichtlijnsoorten binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 2018 (.pdf)
- Brusselse waterlopen en vijver, 2017 (.pdf)
Fiches van de Staat van het Leefmilieu
- Biologische kwaliteit van de voornaamste waterlopen en vijvers
- Hydromorfologische staat van de Brusselse waterlopen
- Invasieve uitheemse soorten
Andere publicaties van Leefmilieu Brussel
Studies en rapporten
- BEIRINCKX L., DOLMANS V., MAESELE R., VAN WICHELEN J., VAN THUYNE G., VANSCHOENWINKEL B. & STIERS I. 2024. “Biologische kwaliteit van waterlopen, kanaal en vijvers in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in 2022”, eindrapport, studie in opdracht van Leefmilieu Brussel door VUB en l’INBO, 166 pp.(.pdf)
- MTBE 2017. « Analyse de l’état hydromorphologique de la Senne, du Canal et de la Woluwe en Région de Bruxelles-Capitale et inventaire des obstacles à la migration des poissons – Rapport 3 : Résultats et analyse», eindrapport, studie in opdracht van Leefmilieu Brussel, 132 pp + bijlagen. (enkel in het Frans) (.pdf)
Plannen en programma‘s
Nuttige links
Libellen en waterjuffers in het Brussels Gewest
Focus - Actualisering: juni 2022
Uit de atlas van de libellen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest blijkt dat van de ongeveer 69 soorten Odonata die tussen 2015 en 2019 in België werden geregistreerd, in dezelfde periode 49 soorten met zekerheid werden waargenomen op het grondgebied van het gewest, waarvan er 34 goed ingeburgerd lijken te zijn. Ondanks zijn beperkte oppervlakte van 162 km², zijn hoge bebouwingsdichtheid en zijn bevolking van meer dan 1,2 miljoen inwoners, herbergt Brussel een verrassend groot deel van de libellensoorten die in België voorkomen. De algemene populatiestatus en de staat van instandhouding van de meeste soorten zijn sinds het begin van deze eeuw aanzienlijk verbeterd.
De Odonata als indicatie van de milieukwaliteit
Libellen (Anisoptera) en waterjuffers (Zygoptera) behoren tot de orde van de Odonata. De aanwezigheid van deze insecten is nauw verbonden met de aanwezigheid van open water, aangezien hun larven een aquatische levenswijze hebben. Hun lange levensduur als larve, hun hoge positie in de trofische keten en hun gevoeligheid voor de chemische kwaliteit van het water maken hen tot goede bio-indicatoren voor de toestand van de aquatische ecosystemen en de semi-natuurlijke gebieden die deze ecosystemen omringen (Lafontaine et al. 2019). De oppervlakte van de watermassa's, de lengte en de natuurlijkheid van de oevers zijn eveneens van invloed op de rijkdom aan Odonata, evenals de aanwezigheid van zonnige zones op de oevers (Lafontaine et al. 2013). De gelijktijdige aanwezigheid van veel Odonatasoorten in een gebied of regio is een duidelijk teken dat de voorwaarden voor hun voortbestaan en dus de kwaliteit en de diversiteit van de ecosystemen worden gerespecteerd. Sommige soorten zijn ook afhankelijk van specifieke milieus (b.v. de aanwezigheid van stilstaand water of van specifieke planten). Libellen en waterjuffers zijn ook zeer aantrekkelijk voor het publiek en relatief gemakkelijk te observeren en te identificeren.
Een atlas opgesteld met de steun van de participatieve wetenschap
Een eerste inventaris van de verschillende Odonatasoorten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werd uitgevoerd door onderzoekers van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) en was het voorwerp van een in 2013 gepubliceerde samenvatting (LAFONTAINE et al., 2013). Deze publicatie werd gevolgd door de invoer van een toenemend aantal gegevens over deze insecten door vrijwillige waarnemers op het participatieve wetenschapsplatform waarnemingen.be. Dit is het uitgangspunt van de atlas, de eerste die voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is opgesteld (in 2006 werd een nationale atlas opgesteld). Deze atlas is te danken aan de vrijwillige waarnemers, onder toezicht van het KBIN en met de steun van Leefmilieu Brussel. De gegevens voor de atlas werden verzameld over een periode van 5 jaar, van 2015 tot 2019. In de analyses werd ook rekening gehouden met oudere gegevens.
In de periode 1989-2019 werden meer dan 23.000 waarnemingen ingevoerd
De gegevens werden verzameld in mazen van 1 km² (overeenkomend met UTM- of Universal Transversale Mercator-vierkanten). Het gewest telt 200 mazen (waarvan sommige zich slechts zeer gedeeltelijk binnen de gewestelijke perimeter bevinden). Daarvan zijn respectievelijk 154 en 144 mazen tussen 1989 en 2019 (de periode waarop de atlas betrekking heeft) en tussen 2015 en 2019 (de periode waarin de atlas werd opgesteld) ten minste één keer onderzocht. Een aantal mazen werd niet onderzocht, in de meeste gevallen omdat ze geen potentiële habitats voor Odonata bevatten en/of omdat ze te ver buiten het gewest liggen en slechts een deel van het Brusselse grondgebied bestrijken. Een maas werd als voldoende onderzocht beschouwd als er ten minste 3 waarnemingen werden gedaan (het geval voor 117 mazen) of, beter nog, als er ten minste 3 soorten werden waargenomen (het geval voor 111 mazen).
De waarnemingen werden ingevoerd in de databank waarnemingen.be (zie Burgers verzamelen gegevens over de Brusselse biodiversiteit), met precieze X- en Y-coördinaten. De meest onverwachte van de in deze periode verzamelde gegevens werden door deskundigen gevalideerd aan de hand van foto's, en soms zelfs rechtstreeks op het terrein.
De waarnemers kregen verschillende observatiestatussen voorgesteld, gaande van de eenvoudige waarneming van de aanwezigheid tot de waarneming van voortplantingstekenen (aantal op een plaats waargenomen individuen, paring, leggen van eitjes, afgeworpen vellen, larven, enz.). Deze statussen werden gebruikt om de voortplantingsstatus van de soort vast te stellen.
In totaal werden tussen 1989 en 2019 meer dan 23.000 waarnemingen van Odonata geregistreerd op de website waarnemingen.be. Het aantal waarnemingen is in de loop der jaren toegenomen, vooral in de periode van de atlas (17.500 nieuwe gegevens).
De laatste vijftien jaar is het aantal Odonatasoorten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bijna verdubbeld, vooral na de komst van zuidelijke soorten
Tot op heden zijn in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in totaal 59 soorten ten minste één keer waargenomen (72 in heel België), waarvan sommige slechts in de 19de eeuw werden waargenomen. Tegen het begin van de 21ste eeuw was het aantal Odonata in de regio gedaald tot 27 soorten. De trend is sindsdien omgebogen en tijdens de onderzoeken voor de atlas werden tussen 2015 en 2019 niet minder dan 49 soorten waargenomen.
Uit de gegevens die in de periode 2020-2021 voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op waarnemingen.be werden ingevoerd, blijkt dat er in die periode 45 soorten Odonata werden geregistreerd, waaronder een nieuwe soort, de sierlijke witsnuitlibel (Leucorrhinia caudalis), die onlangs aan de lijst van gewestelijke soorten is toegevoegd, en ten minste twee soorten die zich daar voor het eerst hebben voortgeplant (Ceriagrion tenellum en Aeshna affinis). De twee laatste soorten waren reeds waargenomen tijdens de periode van de atlas, maar er waren geen aanwijzingen dat ze zich ter plaatse voortplantten.
Deze vrij uitzonderlijke soortenrijkdom in een stedelijke omgeving kan worden verklaard door het naast elkaar bestaan van kwalitatief goede bosgebieden en een nog steeds belangrijk hydrografisch netwerk, waarvoor daadkrachtige beheermaatregelen de laatste jaren de waterkwaliteit aanzienlijk hebben verbeterd (Lafontaine et al., 2013).
Het aantal soorten dat regelmatig in het gewest wordt waargenomen, is de laatste jaren dan ook aanzienlijk toegenomen. Dit is deels te danken aan de terugkeer van soorten die sinds de 19de eeuw niet meer waren gezien, maar ook aan de komst van volledig nieuwe soorten. In het bijzonder, en hoogstwaarschijnlijk in verband met de opwarming van de aarde, zijn sinds het begin van de 21ste eeuw veel zuidelijke soorten ontdekt, zodat het aantal in België en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aanwezige Odonatasoorten is toegenomen.
Meer dan 65% van de Odonatasoorten die van oudsher in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bekend zijn, nemen toe of zijn aanwezig met overvloedige en stabiele populaties
Zoals blijkt uit onderstaande tabel van de 49 soorten die tussen 2015 en 2019 werden waargenomen:
- zijn 21 niet-bedreigde soorten die zich voortplanten;
- zijn 4 zeldzame/zeer zeldzame soorten die zich voortplanten;
- zijn 3 kwetsbare soorten die zich voortplanten;
- zijn 5 zeldzame/zeer zeldzame bezoekers en zeldzame/zeer zeldzame soorten die zich voortplanten;
- is 1 een zeldzame bezoeker en een nieuwe soort die zich voortplant;
- is 1 een onregelmatige en invasieve soort die zich voortplant;
- zijn 14 zeldzame/zeer zeldzame bezoekers.
Bijna twee derde van de Odonatasoorten die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voorkomen, planten zich dus hier voort. Van deze soorten is ongeveer een kwart zeldzaam, zeer zeldzaam of kwetsbaar.
De atlas heeft het mogelijk gemaakt de status van de soort te verduidelijken, met name wat de voortplanting in het gewest betreft.
Evolutie van de stand van de Odonatasoorten die van oudsher in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voorkomen (59 soorten)
Bronnen: Lafontaine et al. 2019 en Lafontaine 2022 (persoonlijke mededeling), waarnemingen.be (observatiegegevens 2020-2021)
*Uitgestorven (BHG): soorten die in het BHG gedocumenteerd zijn aan de hand van oude gegevens (vaak vóór 1900), maar die na 1980 niet meer zijn waargenomen
Tijdens de observatieperiode 2020-2021 is de toestand van sommige soorten in gunstige of ongunstige zin veranderd (zie tabel).
Van de 59 soorten die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn waargenomen (soms vóór 1900), worden er 8 beschouwd als uitgestorven in het gewest en bevinden 3 zich in een slechtere situatie dan in het verleden. Bijna de helft van hen bevindt zich in een betere situatie en iets minder dan een kwart wordt geacht zich in een stabiele situatie te bevinden met een aanzienlijk aantal individuen die zich voortplanten.
Donkergroen = positieve evolutie
Lichtgroen = ongewijzigde status
Oranje = negatieve evolutie
Rood = uitgestorven in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
? = occasionele bezoeker, status niet gedefinieerd
(Voor meer leesbaarheid kun je de tabel ook downloaden in pdf-formaat).
In minder dan twee decennia is de toestand van de Odonatapopulaties sterk verbeterd, zowel wat betreft het aantal waargenomen soorten als hun staat van instandhouding.
Deze positieve trend is vooral te danken aan een beter beheer van de zoetwaterecosystemen in Brussel, waarmee de Odonata sterk verbonden zijn.
Het programma voor het blauwe netwerk heeft geleid tot een algemene verbetering van de waterkwaliteit en het oeverbeheer, de openstelling van bepaalde stukken van waterlopen, een toename van het debiet en een beter beheer van de vispopulaties, met een vermindering van de visstand (vissen zijn predatoren van de libel). Hieruit blijkt dat een passend beheer zeer snel gunstige gevolgen voor de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). kan opleveren.
Merk op dat ook de waarnemingsdruk is toegenomen, wat heeft geleid tot steeds meer ingevoerde waarnemingen, vooral tijdens de periode van de atlas.
320 voor Odonata gunstige locaties geïdentificeerd
Tussen 2010 en 2019 konden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in totaal 546 potentiële sites worden geïdentificeerd. Deze gebieden omvatten zowel lotische (ecosystemen met stromend water) als lentische (ecosystemen met stilstaand, langzaam vernieuwd water, zoals meren, vennen, vijvers of poelen) milieus die bijzonder geschikt zijn voor Odonata. Op 320 van deze 546 locaties werd tussen 2010 en 2019 ten minste één libellensoort geregistreerd.
Slechts 20 sites in het gewest herbergen echter ten minste 20 verschillende soorten Odonata (Lafontaine et al., 2019).
Lees de transcriptietekst
Zicht op het Woluwepark en zijn vijvers.
Twaalf van deze 20 gebieden bevinden zich in het stroomgebied van de Hoog-Woluwe, dat de nabijheid van het Zoniënwoud combineert met de aanwezigheid van vijvers van zeer goede kwaliteit die goed met elkaar in verbinding staan. Zeven locaties liggen verspreid in kleine bekkens die een combinatie zijn van bosjes, beken, vijvers en soms moerassen. Het braaklandDoor de mens verwaarloosde zone die geleidelijk wordt ingenomen door spontane plantengroei. van Josafat is uniek door zijn ligging ver van het watersysteem en door de afwezigheid van vijvers (zie kader hieronder). Met 29 soorten is het niettemin het vierde grootste gebied in het gewest en het enige buiten de Hoog-Woluwe dat meer dan 25 soorten herbergt, d.w.z. meer dan de helft van de gewestelijke soorten.
Er zijn echter nog steeds bedreigingen voor de soorten
De algemene toestand van de Brusselse soorten is dus sinds het begin van de 21ste eeuw aanzienlijk verbeterd. Toch zijn er nog steeds bepaalde bedreigingen voor de Odonatapopulaties, met name het risico van een geleidelijke verdwijning van bepaalde sites. Omgevingen die kansen bieden voor een hele reeks bijzondere soorten – zoals braakland, vooral als het gedeeltelijk nat is, open plekken, bosranden (waarvan het herstel voorzien in het Beheerplan van het Zoniënwoud maar waarvan een deel in het verleden verloren is gegaan) en natuurlijke weiden – zijn steeds minder aanwezig in Brussel. Sommige soorten planten zich voort in tijdelijke poelen, die bijvoorbeeld te vinden zijn op braakliggende terreinen, zoals het braakland van Josafat, dat bijzonder rijk is aan Odonatasoorten.
Het braakland van Josafat, één van de rijkste vindplaatsen van Odonata in het gewest
Van 2012 tot 2022 werden inventarisaties van de Odonata uitgevoerd op het terrein van het voormalige spoorwegstation Schaarbeek-Josafat, het zogenaamde "braakland van Josafat". Het is een postindustrieel braakliggend terrein van ongeveer 24 ha, ingesloten in het stedelijk weefsel van het noordoosten van Brussel. Het gebied is momenteel op de biologische waarderingskaart grotendeels ingedeeld als A (zeer hoge biologische waardeErkende waarde van een site, beoordeeld op basis van een reeks criteria zoals de aanwezigheid van weinig verstoorde hydrologische elementen (bronnen), de diversiteit en schaarste van de plaatselijke dier- en plantsoorten, de aanwezigheid van schaarse soorten, de rijpheid van de vegetatie (onvervangbare site behalve op zeer lange termijn, b.v. een eeuwenoud bos), enz.). De vegetatie op het terrein is zeer gevarieerd en er zijn twee ondiepe poelen. Het is bijzonder rijk aan vliesvleugeligen en Odonata.
In 2019 waren hier al 29 soorten Odonata geregistreerd, meer dan de helft van de soorten van het gewest. Sindsdien zijn er nog vijf soorten ontdekt, met als laatste de smaragdlibel (Cordulia aenea) in april en mei 2022. Het braakland is ook de enige plaats in het gewest waar de vermenigvuldiging van de zwervende pantserjuffer (Lestes barbarus) en de tengere pantserjuffer (Lestes virens) is aangetoond door de waarneming van tandems (parende koppels) en eitjes in augustus en september 2019. De zwarte heidelibel (Sympetrum danae) heeft zich augustus 2014 op het braakland voortgeplant toen er poelen ontstonden. Deze poelen werden kort daarna vernietigd door het aanbrengen van grond. Sindsdien is in de regio geen broedpopulatie van deze soort meer aangetroffen, hoewel er wel zwervende exemplaren zijn waargenomen. Het gebied blijkt ook de belangrijkste broedplaats te zijn voor de zeldzame tengere grasjuffer (Ischnura pumilio) en de gaffelwaterjuffer (Coenagrion scitulum). De bruine winterjuffer (Sympecma fusca) wordt hier meer waargenomen dan elders in Brussel.
De uitzonderlijke rijkdom aan libellen van het braakland van Josafat, een atypische plaats gezien haar afstand tot het hydrografisch netwerk en de vijvers, is waarschijnlijk te danken aan drie factoren:
- door zijn omvang, zijn floristische en entomologische diversiteit en de afwezigheid van onderbrekingen en scheidingen is het braakland een bevoorrecht jachtgebied voor de volwassen dieren van talrijke soorten;
- de ondiepe, zeer zonnige poelen omringd door moerasvegetatie, die zich na de werken in 2012 op natuurlijke wijze hebben ontwikkeld en die de afgelopen jaren door zorgvuldig beheer zijn herschapen, vormen een uiterst gunstig broedmilieu met een dichtbije en gemakkelijke toegang tot foerageerplaatsen (waar de Odonata zich voeden);
- de Diegemse vlakte, waar de site zich bevindt, is door zijn topografie een belangrijke toegangsweg tot de stad voor de trek, zoals blijkt uit de talrijke waarnemingen van passerende of rustende vogels.
Om te downloaden
Verslagen over de staat van het leefmilieu
- Focus: Monitoring van de soorten (februari 2020)
- Focus: Biologische kwaliteit van de voornaamste waterlopen en vijvers (februari 2020)
Andere publicaties van Leefmilieu Brussel
Studies en rapporten
- LAFONTAINE, R-M., CARPENTIER, C., GOFFETTE, J., OGER, M., MAREE S., PASAU, B., DAEMS, V., DE BOECK, B., BOECKX, A., BOON, L. & DEVILLERS, P. 2019. Atlas des libellules de la Région de Bruxelles Capitale. Rapport final à la subvention SUB/2018/IRSNB – Bruxelles Environnement
- DEVILLERS P., LAFONTAINE R.-M, PASAU B., DAEMS V., DE BOECK B., BOECKX A., BOON L., DEVILLERS-TERSCHUREN J., 2019, "La friche Josaphat à Bruxelles, Schaerbeek. Un site urbain enclavé d'une richesse odonatologique exceptionnelle", Les Naturalistes belges 100, 3 (2019): 1-22, 22p. (.PDF)opent een nieuw venster
- LAFONTAINE, R.-M., DELSINNE, T., DEVILLERS, P., 2013, "Évolution des populations de libellules de la Région de Bruxelles-Capitale - leurs récentes augmentation - importance de la gestion des étangs", Les Naturalistes belges, 2013, 94, 2-3-4: 33-70, 44 p. (.PDF)
- LAFONTAINE R.-M., persoonlijke mededeling, 2022.
Plannen en programma's
Biodiversiteit: dagvlinders
Focus - Actualisering : december 2009
Ondanks zijn stedelijk karakter kan het Brussels gewest bogen op een zeer rijke flora en fauna. Meer dan 14% van zijn grondgebied is ingekleurd als “Speciale Beschermingszone” in het kader van het Europese netwerk Natura 2000. Deze gebieden herbergen natuurlijke habitats en diersoorten die bijzonder zeldzaam zijn op Europese schaal: enkele soorten vleermuizen (mopsvleermuis, vale vleermuis, …), het vliegend hert (het grootste insect van Europa), bepaalde boshabitats (zoals alluviale elzen- en essenbosjes), …
De biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). steunt op een kwetsbaar ecologisch evenwicht en staat onder sterke druk op verschillende vlakken. In het Brussels gewest is dit vooral het gevolg van de voortschrijdende verstedelijking die ten koste gaat van de vaak rijke groene ruimten (braaklandDoor de mens verwaarloosde zone die geleidelijk wordt ingenomen door spontane plantengroei., halfnatuurlijke ruimten), de recreatieve druk en de aanwezigheid van invasieve uitheemse soorten (zie fiche Invasieve uitheemse soorten).
Voor het beheer van dit natuurlijk patrimonium steunt Leefmilieu Brussel o.a. op de gegevens verzameld in het kader van thematische studies die gevoerd worden met het oog op een wetenschappelijke en systematische follow-up van de fauna, de flora en de lokale ecosystemen. Zo werd een inventaris van dagvlinders opgesteld in de periode 2006-2008. De database telt ruim 6 600 observaties in de periode 1830-2008, en is gebaseerd op terreinobservaties (71%), verzamelingen van particulieren en musea (21%) en de wetenschappelijke literatuur (8%). De participatie van het publiek in het verzamelen van observaties werd aangemoedigd, met name door de publicatie en de verspreiding van een identificatiegids van vlinders en de organisatie van telwandelingen en telweekends.
De database telt 69 soorten dagvlinders, voor 46 ervan staat vast dat ze zich gedurende een lange periode hebben voortgeplant in het Brussels Gewest (standvlinders). Op basis van de observaties na 1997 zijn naar schatting 18 (39%) van deze 46 soorten uitgestorven in het Gewest, en zijn er 8 (17%) zeer zeldzaam geworden.
Verdeling van 46 soorten standdagvlinders volgens zeldzaamheidsklasse – Brussels gewest (periode 1997-2008)
Bron : Leefmilieu Brussel, dpt. Biodiversiteit
Het Gewest telt op dit moment 28 standvlinders, waaronder het ica- rusblauwtje, de citroenvlinder, het landkaartje, het groot koolwitje, de koninginnenpage, de kleine vos en de dagpauwoog. Drie soorten zijn ingedeeld bij de bedreigde soorten (de grote weerschijnvlinder, de sleedoornpage en het groentje).
Vroeger waren 5 gemeenten (Ukkel, Watermaal-Bosvoorde, Oudergem, Brussel-Stad en Anderlecht) elk een thuishaven van meer dan 25 soorten standvlinders. Alleen de gemeente Ukkel kan zich vandaag nog op een dergelijke soortenrijkdom beroepen.
In vergelijking met andere taxonomische groepen, lijken de dagvlinderpopulaties biezonder sterk te hebben geleden onder de wijziging van de biotopen door de grootschalige verstedelijking van het Gewest in de voorbije decennia (zeldzaam worden van open milieus en waterrijke gebieden, versnippering, …). Bepaalde groepen die zich thuis voelen in de waterrijke gebieden, zoals amfibieën en waterjuffers, zijn ten andere eveneens sterk bedreigd
Evolutie per gemeente van de soortenrijkdom aan dagvlinders (vergelijking van de waarnemingen in de periodes 1830-1996 en 1997-2008)
Bron : Leefmilieu Brussel, dpt. BiodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora).
* De ogenschijnlijke toename van soorten zou het gevolg kunnen zijn van een vertekening t.g.v. onvoldoende waarnemingen tijdens de periode 1830-1996
(Toegang tot de interactieve kaart)
Het vliegend hert, een emblematische soort in dood hout
Focus - Actualisering: februari 2025
Door habitatverlies en -versnippering is de populatie van het vliegend hert in België sterk afgenomen. In het Brussels gewest is er nog een populatie van deze grote kever aanwezig in de gemeente Watermaal-Bosvoorde. De staat van instandhouding daar is echter zorgwekkend: hoewel waarnemingsgegevens laten zien dat het broedgebied recentelijk enigszins is uitgebreid, lijken de aantallen af te nemen op twee locaties waar de soort vroeger op grote schaal voorkwam. Een studie heeft ook aangetoond dat er momenteel bijna geen genetische uitwisseling is tussen de populaties van Bosvoorde en die van Vlaams-Brabant (Overijse, Sint-Genesius-Rode), wat het risico op lokaal uitsterven verhoogt.
Een bijzonder kwetsbaar insect
Het vliegend hert (Lucanus cervus) is de grootste kever in Europa: het mannetje kan 8 of zelfs 9 cm lang worden. Naast de grootte is het vooral het 'gewei' van het mannetje dat tot de verbeelding spreekt. Dat gewei bestaat uit enorme kaken waarmee hij zijn territorium kan verdedigen tegen andere mannetjes. Het wordt ook gebruikt om vrouwtjes tegen te houden tijdens het paren en om natuurlijke vijanden zoals bepaalde vogelsoorten (kraaien, spechten, uilen, enz.), vleermuizen, katten en egels te intimideren.
Het vliegend hert heeft zeer specifieke habitatvereisten. Deze warmteminnende kever houdt vooral van zuidhellingen met halfopen vegetatie. Hij heeft ook dood hout met een grote diameter of grote loofbomen aan het einde van hun leven nodig die in contact staan met de grond, evenals goed gedraineerde, losse grond. Het is op de wortels en stammen van dat dode hout dat de kever zijn eitjes legt en waar de larven zich over meerdere jaren kunnen ontwikkelen. Die voeden zich met dood vermolmd hout dat is aangetast door witrot (schimmels). Grote boomgaarden, kreupelbossen, bosranden, holle wegen, parken en beboste tuinen vormen zijn favoriete habitats.
Na drie tot vijf jaar onder de grond te hebben doorgebracht als larven, vervellen deze insecten en komen ze pas de volgende lente tevoorschijn. De mannetjes hebben dan nog maar een paar weken om te paren voordat ze sterven. Het is vooral in de schemering, op warme zomeravonden, dat het volwassen dier zijn schuilplaats verlaat. Met hun groot uitgevallen kaken verdedigen de mannetjes de beste paringsplaatsen (oude, zieke bomen met sapuitvloei waar ze zich mee voeden). Eenmaal bevrucht (rond begin juli), vliegen de vrouwtjes niet meer, maar zoeken ze dood hout om hun eieren in te leggen.
Voor het beheer of herstellen van een populatie is het ook belangrijk om te weten dat het vliegend hert door zijn gewicht niet goed kan vliegen en daarom geen lange afstanden aflegt. Het maximale verspreidingsvermogen wordt geschat op ongeveer 1 km voor vrouwtjes en 3 km voor mannetjes. Thomaes (2009) schatte het kolonisatievermogen van deze kever op 1,3 km in 30 jaar.
Hun trage levenscyclus (3-5 jaar onder de grond), hun korte vlieg- en paartijd en hun zeer beperkte verspreidingscapaciteit maken het vliegend hert tot een bijzonder kwetsbare soort, vooral in gebieden die onderhevig zijn aan snelle habitatveranderingen.
De overleving van deze soort wordt ook in gevaar gebracht door de specifieke aard van zijn habitat (larven en volwassen dieren), de hoge predatiedruk waaraan hij wordt blootgesteld, zijn neiging om zich op te warmen aan asfalt (waar de dieren vaak worden overreden) en de aantrekkingskracht van bepaalde kunstmatige verlichting (vooral in donkere gebieden).
Een op Europees en gewestelijk niveau beschermde soort
Het vliegend hert, net zoals de meeste soorten die hun hele of een deel van hun levenscyclus doorbrengen in rottend hout (saproxylische soorten), gaat sterk achteruit in veel Europese landen en regio's (zie ook de focus Dood hout in de Brusselse boshabitats).
Omdat deze soort met uitsterven wordt bedreigd, wordt ze op grond van de Habitatrichtlijn beschermd als soort van communautair belang. In dat opzicht heeft zijn aanwezigheid in het Brussels Gewest bijgedragen tot de selectie van 2 van de 3 gewestelijke Natura 2000-gebieden (Zoniënwoud met bosrand, aangrenzende bosgebieden en Woluwevallei en Bossen en open gebieden in het zuiden van het Brussels Gewest) (zie indicator Semi-natuurlijke sites en beschermde groene ruimten).
In het licht van zijn zeldzaamheid en het belang van de populatie van het vliegend hert in het Brussels Gewest voor het behoud van de soort op transregionale schaal, geniet het vliegend hert ook een speciale beschermingsstatus onder de Brusselse wetgeving als soort van gewestelijk belang.
Een afname van de soort in de afgelopen eeuw
Thomaes et al. (2010) bestudeerden de verspreiding en voorkeursplaatsen van het vliegend hert in België. Historisch gezien was het vliegend hert aanwezig in talrijke ecoregio's, vooral in brede valleien en randstedelijke gebieden en in leemstreken en laaggebergte. Volgens die auteurs is een afname van de populaties op landelijk niveau in de loop van de afgelopen eeuw waarschijnlijk. In 2010 kon dat echter op basis van de beschikbare historische gegevens alleen met zekerheid worden gezegd voor Brabant. Historische en huidige waarnemingen laten een afname zien in de verspreiding van de soort in de jaren 1960 en 1970. Terwijl er vroeger een doorlopende populatie was van Halle tot Leuven, zijn er nu bewezen populaties bekend in Overijse, Sint-Genesius-Rode, Beersel en Watermaal-Bosvoorde. Sinds de publicatie van dat artikel is ook een duidelijke lokale afname aangetoond voor de populatie van het vliegend hert in de regio's Antwerpen en Kempen (persoonlijke communicatie van A. Thomaes).
Het vliegend hert is een warmteminnende soort die een halfopen habitat en een warm microklimaat nodig heeft. In het Brussels Gewest en in Brabant werd de soort het vaakst waargenomen in bosranden, in de nabijheid van wouden. Die overgangszones tussen dichte bossen en open gebieden zoals graslanden en akkers lijken steeds meer te verdwijnen, net als hagen, boomgaarden, kreupelhout enz.
Relictpopulaties worden momenteel aangetroffen in randstedelijke omgevingen met bomen zoals boomgaarden, tuinen, parken, heggen, geïsoleerde bomen en taluds met veel zonlicht en bomen, bosranden enz.
In Vlaanderen en Wallonië wordt de soort respectievelijk als "bedreigd" en "kwetsbaar" beschouwd (Rode lijsten Thomaes et al., 2015 & Dufrêne et al., 2003 op het portaal wallonie.be, vliegend hert).
Watermaal-Bosvoorde is de thuisbasis van de grootste bekende populatie van het vliegend hert in het gewest
Op Brussels niveau herbergt de tuinwijk "Le Logis" (Watermaal-Bosvoorde) de grootste bekende populatie van het vliegend hert. Die tuinwijk heeft, net als de aangrenzende tuinwijk Floréal, een overvloed aan groene ruimten beplant met hagen en bomen. Meer in het algemeen vormt de gemeente, die rijk is aan groene en halfnatuurlijke ruimten, een overgangszone tussen het Zoniënwoud en het hart van de stad, waar de verstedelijking dichter is.
De oude en soms afgestorven Japanse kerselaars (Prunus serrulata), die langs veel straten van de tuinwijk Le Logis staan, bieden broedgelegenheid voor het vliegend hert, net als de taluds met bomen die veel zonlicht krijgen onder de zogeheten "Drie Linden" (de taluds Drie Linden, Buizerd en Valkerij). Er is ook een belangrijke broedplaats in de buurt in oude eiken treinbielzen die grenzen aan een buurtschool op het Jagersveldplateau.
De aanwezigheid van het vliegend hert op het talud Drie Linden heeft ertoe geleid dat het talud werd opgenomen als een van de deelgebieden van het Natura 2000-gebied dat verbonden is met het Zoniënwoud en de Woluwevallei. Een tweede talud, een paar honderd meter naar het westen, waar zich ook een kleinere populatie bevindt, maakt integraal deel uit van dat Natura 2000-gebied. Het doel van het beheerplan voor die twee deelgebieden is om de populaties van het vliegend hert uit te breiden en te ontwikkelen.
Goed om te weten
De volledige beplanting met bomen werd aangelegd bij de bouw van de twee tuinwijken (1920-1921). Vanwege de leeftijd en slechte gezondheid van veel van de bomen worden de Japanse kerselaars in Le Logis-Floréal geleidelijk aan vervangen. De uitdaging is om de visuele en erfgoedkundige waarde van die beplanting te bewaren en tegelijkertijd de populatie van het vliegend hert die er leeft te behouden. De eerste werken werden uitgevoerd in de G. Benoidtlaan, die grenst aan het talud Drie Linden. De vergunning, afgegeven in 2015, omvatte de identieke vernieuwing (zelfde soort, zelfde plaats) van de Japanse kerselaars langs deze weg. In het kader van de Natuurordonnantie legde de verleende vergunning het behoud op van 20 stobben ("totems") die mogelijk larven van het vliegend hert bevatten (dode of afstervende bomen). Om de uniformiteit van de bomenrijen te garanderen, is echter gevraagd om zoveel mogelijk stobben binnen 2 jaar te vervangen, met een maximum van 10 jaar voor de laatste aanplantingen. De vergunning legde ook het behoud op van blokken van andere gekapte stammen, gegroepeerd in een piramide in de buurt van de bomenrijen, zodat de insectenpopulatie zich kon verplaatsen zonder al te veel individuen te verliezen. Volgens een wetenschappelijke studie die aan het einde van die heraanleg werd uitgevoerd, blijken die compenserende maatregelen onvoldoende te zijn geweest om de lokale populatie van het vliegend hert in stand te houden (zie hieronder). Ze moeten worden aangescherpt voor toekomstige projecten.
Na een duidelijke afname van de populatie van het vliegend hert in Bosvoorde is nu een voorzichtige uitbreiding van de soort zichtbaar
Volgens Cammaerts (2023) toont de beschikbare informatie aan dat de soort tijdens de tweede helft van de 19e eeuw zeer algemeen voorkwam in de zuidoostelijke rand van Brussel. Met zijn persoonlijke observaties en enquêtes stelde de onderzoeker vast dat er tussen 1960 en 1980 een kleine populatie van het vliegend hert aanwezig was op het talud Drie Linden. Die is sinds eind jaren negentig geslonken.
De soort is daar echter nog steeds aanwezig en heeft vanaf de oorspronkelijke plek op de talud Drie Linden nieuwe plekken gekoloniseerd. In 2013 schatte een studie uitgevoerd volgens de 'vangst-markering-hervangst'-methode (zie hieronder) dat de lokale populatie in Watermaal-Bosvoorde uit minstens 200 tot 300 individuen bestaat en stabiel blijft (Cammaerts geciteerd in Nijs et al. 2013).
Als beschermde soort wordt de staat van instandhouding van populaties van het vliegend hert elke 6 jaar beoordeeld en gerapporteerd aan de Europese Commissie. In 2016 werd die gunstig geacht voor de populatie in Bosvoorde, in het licht van het aantal waargenomen individuen en de kennis van verschillende broedplaatsen (zie focus Lokale staat van instandhouding van de soorten opgenomen in de "Habitatrichtlijn" en "Vogelrichtlijn"). In Vlaanderen werd die staat als zeer ongunstig beoordeeld (Thomaes 2020).
In het begin van de jaren 2000 bevonden de broedplaatsen zich volgens Cammaerts (2023) binnen een ellips van 400 m x 700 m. De onderstaande kaart uit 2023 toont een uitbreiding van dat broedgebied (in groen).
Habitatkaart vliegend hert in Watermaal-Bosvoorde en omstreken (2013-2023)
Bronnen : gegevens INBO (Thomaes), waarnemingen.be en Leefmilieu Brussel
Deze kaart benadrukt de cruciale verbindende rol van bepaalde met bomen omzoomde wegen en taluds van spoorlijnen (groene lijnen), die deze soort in staat stellen om nieuwe gebieden te veroveren waar de habitat gunstig is.
De gebieden in het blauw (sites waar het vliegend hert is waargenomen, maar zonder bewijs van voortplanting) komen waarschijnlijk overeen met recente uitbreidingen van de habitat van het vliegend hert vanuit historische kernen. Er zijn ook nieuwe gebieden geïdentificeerd waar de soort zich voortplant, in het bijzonder in de stationswijk van Boondaal. Waarnemingsbias kan in dit geval niet volledig worden uitgesloten, aangezien wetenschappers die met het vliegend hert werken hun onderzoeksgebieden de afgelopen jaren hebben uitgebreid. Er moet ook worden opgemerkt dat de waarnemingen hoofdzakelijk beperkt zijn tot openbare of toegankelijke ruimten en geen betrekking hebben op privétuinen.
De laatste jaren zijn er ook meer waarnemingen van de soort aan de rand van het Zoniënwoud (vooral in de omgeving van de begraafplaats van Bosvoorde) en in open of halfopen gebieden in de buurt van de spoorlijn. Die ontwikkeling, mogelijk een teken van het begin van een zuidwaartse uitbreiding, moet de komende jaren in de gaten worden gehouden.
Een paar verspreide waarnemingen gebeurden elders in het Brussels gewest, waaronder in de Vogelzangwijk en verder naar het noorden. De toekomst zal uitwijzen of die zullen leiden tot de vestiging van nieuwe populaties of dat ze eerder te maken hebben met de soms vruchteloze zoektocht naar een vrouwtje door mannetjes die, dat mag niet vergeten worden, kilometers ver kunnen vliegen of met auto's vervoerd kunnen worden. Ook verkeerde identificaties zijn mogelijk omdat het vliegend hert, vooral het vrouwtje, door het grote publiek vaak wordt verward met andere kevers als het klein vliegend hert (Dorcus parallelipipedus) of de Europese neushoornkever (Oryctes nasicornis). Daarom vertrouwen specialisten die de uitbreiding van de soort in het Brusselse en Vlaamse Gewest bestuderen momenteel enkel op gevalideerde gegevens (ondersteund door foto's als de bron niet volledig betrouwbaar is). In dat opzicht moet worden opgemerkt dat in een wetenschappelijk advies uit 2017 over de aanwezigheid van het vliegend hert in het Brussels Gewest een expert vaststelde dat er sinds 1990 geen gevalideerde waarnemingen van dat insect meer zijn geweest op Ukkels grondgebied, en dat ondanks gericht onderzoek (Thomaes 2017).
Bosvoorde: studies en opvolging voor meer inzicht in en een betere bescherming van het vliegend hert
Twee sites zijn onlangs onderworpen aan wetenschappelijke studies en opvolging, namelijk het gebied rond de beschermde taluds van de tuinwijken (G. Benoidtlaan en Drie Lindenstraat) en de site van een school een paar honderd meter lager, op het Jagersveldplateau.
Goed om te weten
De 'vangst-markering-hervangst'-methode (CMR-methode): wat is dat?
De CMR-methode is een statistische methode die vaak gebruikt wordt in de ecologie om de toestand van een dierenpopulatie in te schatten. Een hopelijk representatief deel van de populatie wordt gevangen, gemerkt en vervolgens op dezelfde plek weer vrijgelaten. Kort daarna wordt uit diezelfde populatie en onder dezelfde omstandigheden opnieuw een steekproef genomen. Ervan uitgaande dat het aandeel gemerkte individuen in de hervangen steekproef identiek is aan het aandeel in de totale populatie, kan de grootte van de totale populatie worden geschat op basis van het aandeel gemerkte individuen in de individuen die tijdens de tweede bemonstering zijn gevangen. In de praktijk wordt die vangst en schatting dagelijks herhaald totdat er voldoende duidelijke populatieschattingen kunnen worden gemaakt.
In de buurt van de G. Benoidtlaan werd in 2022 en 2023 een CMR-studie uitgevoerd (ongepubliceerde thesissen van Saenen 2023 en Jafari, begeleid door professor Merckx van de VUB en Thomaes, onderzoeker bij het INBO).
De bemonstering van de populatie van het vliegend hert gebeurde langs een transect van iets meer dan 2 km langs openbare wegen. Voor elk gevangen individu werd de volgende informatie verzameld: geslacht, activiteit, lichaamslengte, kaaklengte (mannetjes), tijd en locatie. De landschapskenmerken van het transect werden ook bestudeerd.
De populatiedichtheid in het bemonsteringsgebied werd geschat op ongeveer 46 individuen per hectare. Dat is veel lager dan wat werd geschat met een vergelijkbare methode in Overijse (214 en 155 individuen/ha) en in Voeren (Saenen 2022).
Het onderzoek maakte het ook mogelijk om:
- de verbanden tussen verschillende factoren beter af te bakenen (bv. omgevingstemperatuur, grootte van lichaam en kaak, verspreiding van habitats, risico om ontdekt te worden door een predator, mobiliteit enz.);
- vast te stellen dat de populaties van het vliegend hert (stedelijke omgeving) een kleiner lichaam en kleinere kaken hebben dan landelijkere populaties, wat zich vertaalt in een grotere mobiliteit en een voordeel zou kunnen opleveren in een gefragmenteerde habitat (zie hieronder);
- beter te begrijpen hoe gunstige habitats kunnen worden opgezet voor volwassen insecten en larven en hoe de connectiviteit van het groene netwerk van Bosvoorde voor die insecten kan worden vergroot.
Er werd ook een kaart opgesteld met de waarnemingen van het vliegend hert tussen 2008 en 2022 in het zuiden van het Gewest (inclusief gevalideerde waarnemingen van het Observations.be-platform, zie de focus "Burgerwetenschap: burgers verzamelen gegevens over de Brusselse biodiversiteit") en de habitat (aan- of afwezigheid van bomen).
De vernieuwing van dreefbomen, ware verspreidingscorridors, moet de 'dood hout'-habitat in stand houden
Een ander deel van het onderzoek vergeleek, volgens hetzelfde protocol en in dezelfde transecten, het aantal individuen dat in 2 opeenvolgende jaren werd waargenomen. Het doel van die aanpak was om de mogelijke impact te belichten van de gedeeltelijke verwijdering van een voor de larven van het vliegend hert geschikte habitat, die plaatsvond tussen de bemonsteringsjaren (2022 en 2023). Tijdens de winter van 2022-2023 werden immers de laatste overblijvende oude stobben ("totems") van de Japanse kerselaars langs de G. Benoidtlaan volledig gerooid om nieuwe aanplant mogelijk te maken (zie kaderstuk hierboven).
De onderzoekers vergeleken het verschil, tussen 2022 en 2023, in het aantal vliegende herten dat werd waargenomen in de delen van de transecten die ongewijzigd waren gebleven en in de delen waar de habitat was verwijderd. Terwijl dat aantal min of meer stabiel bleef in het deel van het transect waar de habitat was behouden (van 232 naar 189 individuen, d.w.z. -19% waarnemingen, wat verklaard kan worden door interjaarlijkse schommelingen en een iets kortere studieperiode in 2023), stelden de onderzoekers een scherpe daling vast van het aantal vliegende herten in het deel waar de habitat was verwijderd (van 44 naar 10 individuen, d.w.z. -77% waarnemingen). Dat verschil tussen de 2 delen is statistisch significant.
De gedeeltelijke verdwijning van de 'dood hout'-habitat op de G. Benoidtlaan heeft een aanzienlijke negatieve invloed gehad op de plaatselijke populatie van het vliegend hert
Bron: INBO-gegevens (A. Thomaes), 2023
Lees de transcriptietekst
De afbeelding toont 2 identieke luchtfoto's van de G. Benoidtlaan site en het omliggende gebied. Op elk van deze foto's staat de volgende informatie :
- Een blauw omlijnd gebied dat overeenkomt met het totale bemonsteringsgebied en dat transecten toont met en zonder habitatverlies;
- Een rood omlijnd gebied waar tussen 2022 en 2023 de habitat van dood hout is verwijderd (verwijdering van de overblijvende stronken van de oude rij Japanse kersenbomen op de G. Benoidtlaan);
- Punten die overeenkomen met waarnemingen van het Vliegend hert in 2022 en 2023, gedaan tijdens bemonstering in de rode en blauwe zones.
Deze kaarten maken het mogelijk om visueel het effect van habitatverwijdering op het aantal Vliegend hert te detecteren: terwijl de waarnemingen in de rode zone met meer dan ¾ afnamen, daalde het aantal waarnemingen in de blauwe zone slechts licht tussen de 2 jaren.
Die afbraak van een belangrijke schakel in het ecologische netwerk van deze soort heeft niet alleen een impact op de omvang van de lokale populatie van het vliegend hert, maar kan ook leiden tot de isolatie van populaties op verschillende plaatsen. Dat kan genetische gevolgen (verminderde diversiteit) en demografische gevolgen hebben die schadelijk zijn voor het overleven op lange termijn van de zo geïsoleerde populaties (zie focus De fragmentatie van natuurlijke habitats).
De compenserende maatregelen die enkele jaren geleden voor de G. Benoidtlaan werden genomen om de gevolgen van de vernieuwing van de Japanse kerselaars voor de plaatselijke populatie van het vliegend hert te voorkomen (zie kaderstuk hierboven) lijken dus niet voldoende te zijn geweest. Ze zullen moeten worden aangescherpt wanneer in de toekomst bomen langs de weg worden vervangen, vooral door op lange termijn dood hout ter plaatse te houden. Anders bestaat het risico dat het behoud van de populaties van het vliegend hert in de tuinwijken in gevaar komt door de achteruitgang van het ecologische netwerk. Gedeeltelijk herstel van de habitat moet ook waar mogelijk worden uitgevoerd op de G. Benoidtlaan.
Er moet worden opgemerkt dat in september 2024 in dezelfde wijk een nieuw project is gestart om meer dan 330 dreefbomen te herplanten, in straten waar ook de aanwezigheid van het vliegend hert is vastgesteld. In tegenstelling tot wat er gebeurde op de G. Benoidtlaan, omvat de vergunning het behoud van de stobben ("totems") en de herplant van nieuwe bomen op een afstand (met uitzondering van een paar plaatsen waar dat technisch niet mogelijk is). Laten we hopen dat die maatregel om dode of afstervende boomstronken ter plaatse te behouden de achteruitgang van het ecologische netwerk en de afname van het aantal vliegende herten zal voorkomen.
Daarnaast werd in 2023 een expertise uitgevoerd naar de maatregelen die moeten worden ingesteld om de habitat van het vliegend hert te beschermen bij de vernieuwing van de bomen aan en rond de L. Vander Swaelmenlaan. Volgens de experts speelt die laan een cruciale rol als functionele corridor tussen verschillende locaties waar het vliegend hert voorkomt of kan voorkomen. Dankzij die expertise kan Leefmilieu Brussel zijn adviezen consolideren tijdens overlegcommissies over het verlenen van vergunningen voor de vernieuwing van bomen in habitatzones die gunstig zijn voor het vliegend hert.
Bosvoorde: de populatie van het vliegend hert op het Jagersveld in gevaar
In het begin van de jaren 2000 was het Jagersveldplateau de thuisbasis van de grootste populatie van het vliegend hert. Die kwam oorspronkelijk van het talud Drie Linden zo'n 550 meter naar het noordoosten. Ze nam haar intrek in een eikenhouten palissade die in 1986 werd uitgegraven in het zandige talud langs het Jagersveld (Cammaerts 2023) en die de oprit vormt naar een school. In 2001 en 2007 werden twee CMR-inventarisaties (zie hierboven) uitgevoerd door Cammaerts. Naast dat gedetailleerde onderzoek verzamelde de onderzoeker systematisch de overblijfselen van kevers (vaak de koppen) die tussen 2001 en 2023 door hun predatoren werden achtergelaten. De bevindingen van die studie (biologie en lokale kenmerken van de soort) helpen bij het verduidelijken van de beheersmaatregelen die ingevoerd moeten worden om het behoud van de Brusselse populaties van het vliegend hert te garanderen.
Dankzij die opvolging van meer dan 20 jaar kon de auteur ook een neerwaartse trend waarnemen in het aantal keveroverblijfselen na 2015, met een dieptepunt in 2023. De onderzoeker merkte ook een duidelijke vermindering op in het aantal waarnemingen van levende kevers. Volgens Cammaerts is de hypothese van een afname van de populatie van het vliegend hert op het Jagersveld waarschijnlijk, hoewel de invloed van een verandering in de aard of de overvloed van predatoren - waardoor het aantal gevonden overblijfselen afneemt - niet kan worden uitgesloten. Nog volgens dezelfde auteur lijkt die afname hand in hand te gaan met een vermindering van de mogelijkheden om eieren te leggen, gekoppeld aan de langzame fysieke achteruitgang van het gebied:
- in 2005, vervanging van 36 balken waarin larven van het vliegend hert leefden;
- in 2007, omheining van een deel van het gebied, wat geleidelijk leidde tot de opeenhoping van een bladertapijt en de natuurlijke uitzaaiing van esdoorns, waardoor de mogelijkheden om eieren te leggen afnamen;
- gebrek aan onderhoud langs de houten palissade, wat heeft geleid tot de ontwikkeling van vegetatie (vergeet niet dat deze kevers een voorkeur hebben voor meer open omgevingen);
- en vooral de verslechtering van de palissade in de afgelopen jaren.
Volgens Cammaerts zal de populatie van het vliegend hert in het Jagersveld verdwijnen als de palissade en haar directe omgeving, die de habitat vormen voor de larven en poppen, zo blijven evolueren. Dat zou des te schadelijker zijn omdat de habitat van de soort in de buurt ook is aangetast (G. Benoidtlaan). Naar aanleiding van het plan van de school om de palissade te herstellen, heeft Leefmilieu Brussel een analyse laten uitvoeren van de ecologische impact van die werken en de te nemen preventieve maatregelen (SWECO, 2023). Tot op heden zijn de werkzaamheden nog niet uitgevoerd.
De genetische stromen tussen de verschillende overgebleven populaties moeten worden hersteld
Een populatie met een beperkt aantal individuen heeft een lage genetische diversiteit. Dat vermindert het vermogen van die populatie om zich aan te passen aan veranderingen in de omgeving (klimatologische omstandigheden, voedselbronnen, enz.) en verhoogt het risico op lokaal uitsterven.
Recente genetische studies (Cox et al., 2020) van verzamelde insecten en monsters verzameld tussen 2002 en 2016 hebben aangetoond dat de populaties van het vliegend hert die vandaag overleven in Watermaal-Bosvoorde, Overijse en Sint-Genesius-Rode genetisch van elkaar verschillen, wat vroeger niet het geval was. Door het geleidelijke verlies en de versnippering van hun habitat zijn die populaties stukje bij beetje van elkaar geïsoleerd geraakt wat betreft de verspreiding van individuen, waardoor genetische uitwisselingen tussen die populaties slechts sporadisch voorkomen. De analyses tonen ook aan dat de genetische variatie binnen elk van die 3 populaties laag is, vooral in Bosvoorde en Sint-Genesius-Rode.
Inspanningen voor het behoud moeten daarom gericht zijn op het vergroten van habitats binnen en rond bestaande kleine populaties, maar ook op het creëren van habitats in corridors die genen laten circuleren tussen de verschillende populaties. Die acties zijn cruciaal om de levensvatbaarheid van de populaties van het vliegend hert te verbeteren.
Kleinere vliegende herten in een stedelijke omgeving
Onderzoek heeft aangetoond dat wanneer de gemiddelde omgevingstemperatuur stijgt, de activiteitsperiode van het vliegend hert afneemt, wat hun voortplanting beïnvloedt (zie o.a. SAENEN I. 2023). Omdat de gemiddelde temperaturen in de stad hoger zijn dan in de omliggende, landelijkere gebieden (warmte-eilandeffect), is dat fenomeen een factor in de kwetsbaarheid van de stedelijke populaties van het vliegend hert.
Bovendien is een van de bevindingen van de CMR-studie van Saenen (2023) dat de in Bosvoorde bemonsterde vliegende herten kleiner zijn dan die uit populaties in andere Europese landen. De verklaring voor dat fenomeen, dat ook al werd waargenomen in andere studies uitgevoerd op verschillende insecten, is mogelijk te vinden in een versnelling van het metabolisme wanneer de temperatuur hoger is, wat resulteert in een verkorting van de duur van de ontwikkeling van de larven ten nadele van de groei. Een andere verklarende factor zou de slechte kwaliteit (vooral dood hout voor larven) en/of de versnippering van de habitats kunnen zijn. Hoewel een kleine omvang een nadeel kan zijn, kan het door de verbeterde mobiliteit ook een voordeel zijn in een veranderende omgeving waar geschikte habitats schaars zijn (Saenen 2023). De verschillende effecten op de werking van ecosystemen die gepaard gaan met die afname van de omvang van verschillende soorten in een stedelijke omgeving zijn echter nog grotendeels onbekend.
Maatregelen ter bescherming van het vliegend hert in het Brussels Gewest
Als soort van communautair en gewestelijk belang geniet het vliegend hert instandhoudingsdoelstellingen en bijzondere beschermingsmaatregelen. Die zijn vastgelegd in de beheerplannen voor de Natura 2000-deelgebieden waar populaties van het vliegend hert leven of zouden kunnen leven (Zoniënwoud, talud Drie Linden, Tournay-Solvaypark, vijver van Bosvoorde, Ten Reukenpark en Senypark, Engeland enz.).
De beheersmaatregelen hebben betrekking op:
- De bescherming en ontwikkeling van habitats
Het belangrijkste doel is om een netwerk van natuurlijke en kunstmatige habitats die gunstig zijn voor het vliegend hert te creëren, te beginnen op plaatsen waar de soort aanwezig is: behoud van dood hout op stam en oude of afstervende bomen, gedeeltelijke ingraving van stapels dood hout ("piramides"), waarbij voorrang wordt gegeven aan bosranden, open plekken, taluds en hellingen met veel zonlicht.
Sinds 2014 bestaat er voor het beheer van 3 taluds en een vijver in de tuinwijken Le Logis en Floréal, waar het vliegend hert leeft of zou kunnen leven, een beheerscontract tussen de sociale huisvestingsmaatschappij en Leefmilieu Brussel. In dat kader herstelt het Instituut in het bijzonder het licht op de taluds en de vijver (door het bladerdak van het bos uit te dunnen), houdt het dood hout met een grote diameter op de grond en voegt het stammen van Japanse kerselaars toe die mogelijk larven van het vliegend hert herbergen.
Er worden ook maatregelen opgelegd voor het behoud van de populatie van het vliegend hert (en de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). in het algemeen) bij de verlening van bepaalde vergunningen (bv. vergunningen voor de vernieuwing van de bomenrijen met Japanse kerselaars in de tuinwijken).
- Verbetering van de kennis over de ecologie van de soort en de staat van instandhouding op gewestelijk niveau
Er werden verschillende studies uitgevoerd om in de Brusselse context een beter inzicht te krijgen in de ecologische vereisten, fenologie, verspreidingsomstandigheden en de staat van instandhouding van de soort. Die gedetailleerde kennis is essentieel als we weloverwogen beslissingen willen nemen over het behoud van het vliegend hert. De studies worden uitgevoerd op vraag van Leefmilieu Brussel of in het kader van academisch onderzoek.
- Bewustmaking en educatie van belanghebbenden (lokale overheden, particuliere beheerders, bewoners enz.) via publicaties, subsidies, evenementen enz.
En in het Vlaams Gewest
De soort geniet ook gerichte opvolging en beschermingsmaatregelen in het Vlaams Gewest, dat in 2020 een beschermingsprogramma heeft aangenomen. We willen ook vermelden dat het INBO (Instituut voor natuur- en bosonderzoek) midden 2023 een kleinschalig kweekprogramma voor het vliegend hert is gestart om ze in beperkte aantallen uit te zetten in een paar Brabantse gemeenten waar nog populaties voorkomen. Daarvoor werden insecten van verschillende lokale populaties samengebracht om de genetische variëteit van hun nakomelingen te vergroten.
Het vliegend hert, een paraplusoort
Het vliegend hert is een bijzonder emblematische soort, niet in het minst vanwege zijn grootte en indrukwekkende kaken. Het grote publiek betrekken bij activiteiten voor sensibilisatie over en opvolging en bescherming van deze kever is des te nuttiger omdat de beschermingsmaatregelen voor het vliegend hert ook ten goede komen aan andere soorten die naast die kever leven en, in het bijzonder, aan andere saproxylische insecten, die in Europa sterk in aantal afnemen.
Om te downloaden
Fiches van de Staat van het Leefmilieu
- Dood hout in de boshabitats (2024)
- Burgerwetenschap: inzameling van gegevens over de Brusselse biodiversiteit" (2024)
- Semi-natuurlijke sites en beschermde groene ruimten (2023)
- De fragmentatie van natuurlijke habitats (2022)
- Lokale staat van instandhouding van de soorten opgenomen in de "Habitatrichtlijn" en "Vogelrichtlijn"
Andere publicaties van Leefmilieu Brussel
- Soortenhotel : Vliegend Hert (Lucanus cervus)
- Bouw een piramide voor het vliegend hert
- Gunstige inrichtingen voor het vliegend hert (Lucanus cervus) (.pdf)
Studies en rapporten
- Cammaerts R. 2023. “Demographic data on a stag beetle (Lucanus cervus) population self-established in an artificial suburban habitat”, Belgian Journal of Entomology, 144: 1–38 (enkel in het Engels) (.pdf)
- COX K., MCKEOWN N., VANDEN BROECK A., VAN BREUSEGEM A., CAMMAERTS R., THOMAES A. 2020. “Genetic structure of recently fragmented suburban populations of European stag beetle”, Ecology and Evolution. 2020;10:12290–12306 (enkel in het Engels) (.pdf)
- DE KNIJF et al. 2019. “Staat van instandhouding (status en trends) van de soorten van de Habitatrichtlijn. Algemene resultaten - rapportageperiode 2013-2018. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (6), Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel (.pdf)
- FABRI S., GEUDENS G., HEUTZ G. 2017. « Beheerplan voor Natura 2000-gebied in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Deelgebied IA11: Taluds ‘Drielinden’». Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel, 61 pp. (.pdf)
- GODEFROID S., KOEDAM N. (Laboratorium voor algemene Plantkunde en Natuurbeheer - VUB) 2006. “ Contribution au monitoring du Lucane cerf-volant (Lucanus cervus – annexe 2 de la directive Habitat 92/43/CEE) en Région de Bruxelles-Capitale ”. Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel, 19 pp. + bijlagen. (fr en nl) (.pdf)
- MENDEZ M., THOMAES A. 2020. “Biology and conservation of the European stag beetle: recent advances and lessons learned”, Insect Conservation and Diversity (enkel in het Engels)
- NIJS G., LAMBRECHTS J., VERBELEN D., WEISERBS A. 2013. « Opvolging Lokale Staat van Instandhouding van soorten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest », Natuurpunt Studie 2013/7. Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel,108 pp. (.pdf)
- NATUURPUNT 2021. “Populaties van vliegend hert raken steeds meer geïsoleerd”
- Plessers I., Van Brussel S., Hendrickx P., Verheijen W. (ARCADIS) 2008. “Beheerplan voor Natura 2000-gebied in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Gebied IA11: Taluds “Drielinden”. Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel, 24 pp. (.pdf)
- saenen I. 2023. “Phenology, functional morphology and habitat preference of an urban population of the European stag beetle (Lucanus cervus, Linnaeus 1758) assessed via capture-mark-recapture”, Master in Biology, Graduation Option Ecology and Biodiversity-VUB, promotor: Prof. MERCKX Th., co-promotor: THOMAES A. (INBO) (enkel in het Engels)
- SWECO 2023. « Evaluation des dommages environnementaux potentiels et mesures préventives - Lucanes cerf-volant, Watermael-Boitsfort.», rapport, draft v4. Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel (enkel in het Frans)
- Thomaes A., Barbalat S., Bardiani M., Bower L., Campanaro A., FanegaSleziak N., Gonçalo Soutinho J., Govaert S., Harvey D., Hawes C. et al. 2021. “The European stag beetle (Lucanus cervus) - monitoring network: international citizen science cooperation reveals regional differences in phenology and temperature response “, Insects 2021, 12 , 813. (enkel in het Engels)
- THOMAES, A., CHRISTIAENS, B., GOESSENS, S. et al. 2024. « Evaluating log piles as stag beetle conservation measure”, Journal of Insect Conservation 28, 811–819 (enkel in het Engels) (.pdf)
- Thomaes A. , Hendriks P., Fremlin M. 2022. “Thermal effect on larval development of the European stag beetle, Lucanus cervus”, Belgian Journal of Zoology (enkel in het Engels) (.pdf)
- Thomaes A. 2020. “Ontwerp soortbeschermingsprogramma voor vliegend hert (Lucanus cervus) in Vlaanderen”. Intern rapport van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel
- Thomaes A. 2017. “Advies over het voorkomen van vliegend hert in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest”, advies INBO.A.3554 Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel
- THOMAES A., DRUMONT A., CREVECOEUR L., MAES D. 2015 . “Red List of the saproxylic scarab beetles (Coleoptera: Lucanidae, Cetoniidae and Dynastidae) for Flanders”, Bulletin van de Koninklijke Belgische Vereniging voor Entomologie, 151 (2015): 210-219 (enkel in het Engels)
- Thomaes A., Maes D. 2014. “Rode-Lijststatus van het Vliegend hert (Lucanus cervus). Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2014 (1549345)”, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. (.pdf)
- THOMAES A., CAMMAERTS R., KERVYN Th., BECK O., CREVECOEUR L. 2010. “Distribution and site preference of the stag beetle, Lucanus cervus in Belgium (Coleoptera: Lucanidae)”, Bulletin S.R.B.E./K.B.V.E., 146 (2010): 33-46 (enkel in het Engels) (.pdf)
- Thomaes A. 2009. “A protection strategy for the stag beetle (Lucanus cervus (L., 1758), Lucanidae) based on habitat requirements and colonisation capacity”, proceedings of the 5th Symposium and Workshop on the Conservation of Saproxylic Beetles, pp.149-160 (enkel in het Engels) (.pdf)
- Thomaes A., Kervyn T., Beck O., Cammaerts R. 2008. ”Distribution of Lucanus cervus (Coleoptera, Lucanidae) in Belgium : surviving in a changing landscape”, in Vignon V., Asmod&eEacute; J.-F. (eds), proceedings of the 4th Symposium on the Conservation and Workshop of Saproxylic Beetles, Vivoin (72) / France, 27th-29th June, 2006. Rev. Écol. (Terre Vie), suppt. 10. (enkel in het Engels) (.pdf)
- Thomaes A., Beck O., Crevecoeur L., Engelbeen M., Cammaerts, R., Maes D. 2007. “Het Vliegend hert in Vlaanderen en in het Brussels Gewest”, Natuur.focus 6(3):76-82. (.pdf)
- Thomaes A., Vandekerkhove, K. 2004. “Ecologie en verspreiding van Vliegend hert in Vlaanderen”. Rapport IBW Bb R2004.015. Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer, Geraardsbergen. (.pdf)
- Thomaes, A., Kervyn, T., Beck, O. & Cammaerts, R., jaar onbekend. « Stag beetle (Lucanus cervus) distribution in Belgium (Coleoptera: Lucanidae)”, poster. (enkel in het Engels)
- VLAAMSE GEWEST 2020. “Soortenbeschermingsprogramma voor het vliegend hert (Lucanus cervus) in Vlaanderen”
- ZOOM NATURE. « Le lucane cerf-volant, emblème du bois mort », 2019 (enkel in het Frans)
Plannen en programma’s
Nuttige links
- Natuurpunt, Stichting Natuurinformatie, Aves-Natagora
- Belgian Biodiversity platform (enkel in het Engels)
De bijen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Focus - Update: februari 2023
De voorbije jaren werden verschillende studies uitgevoerd om de kennis over de toestand van wilde bijenpopulaties en huisbijenpopulaties in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te verbeteren en om behouds- en herstelmaatregelen te identificeren die gunstig zijn voor bestuivende insecten. 206 soorten wilde bijen werden waargenomen tussen 2010 en 2020, d.w.z. iets meer dan de helft van het aantal soorten dat op nationale schaal aanwezig is. 40% ervan is kwetsbaar of in gevaar. De honingbij (of huisbij) is de 3de meest waargenomen soort en komt in het hele Gewest voor. Tot de stressfactoren voor wilde bijen behoren het risico op concurrentie door honingbijen en de aanwezigheid van pesticideresten in het stuifmeel en de nectar die de bijen verzamelen. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de honingbij niet bedreigd is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Het belang van bijen voor natuurlijke en agrarische ecosystemen
Bijen zijn bestuivende insecten. Door bloemen te bezoeken, voornamelijk om stuifmeel (een bron van eiwitten) en nectar (een bron van suikers) te verzamelen, brengen ze stuifmeel over tussen de mannelijke en vrouwelijke delen van de bloemen, wat zorgt voor hun bevruchting en zaadproductie. Bijen zijn niet de enige dieren die stuifmeel vervoeren, maar hun verzamelgedrag en bepaalde morfologische kenmerken zorgen ervoor dat ze bijzonder effectieve bestuivers zijn.
In Europa is ongeveer 80% van de cultuurplanten en in het wild bloeiende plantensoorten ten minste gedeeltelijk afhankelijk van dierlijke bestuiving door duizenden insectensoorten (Europese Commissie, 2023). Door wilde en gecultiveerde planten te bestuiven, dragen insecten bij aan de diversiteit van flora en landschappen en aan de landbouwproductie. Wat dit laatste punt betreft, hebben onderzoekers geschat dat als de bestuivers zouden verdwijnen op Belgisch niveau, de waarde van de verloren productie (fruit- en oliehoudende gewassen in het bijzonder) 11,1% zou bedragen van de totale waarde van de Belgische plantaardige productie in 2010 (Jacquemin F. et al., 2017).
Goed om te weten
Hommels en bepaalde soorten solitaire bijen gebruiken een speciale bestuivingstechniek: ‘buzz-pollination’ of bewegingsbestuiving. Om stuifmeel van bepaalde planten te verzamelen, kunnen deze soorten de bloemen vastgrijpen en snelle bewegingen maken met hun vleugels, zodat de hele bloem gaat trillen. Dit zoemen maakt het stuifmeel los dat bepaalde bloemen (tomaten, aardappelen, aubergines, paprika's, pepers, enz.) min of meer stevig vasthouden, zodat het stuifmeel op het lichaam van de bij valt.
Op wereldschaal is om en bij de 40% van de insectensoorten met uitsterven bedreigd (Sanchez-Bayo & Wyckhuys, 2019). De achteruitgang van bestuivers - met name beoordeeld door het IPBES (2016) - vormt een rechtstreekse bedreiging voor de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora)., de landschappen, de voeding (hoeveelheid en kwaliteit van het geproduceerde voedsel) en de levenskwaliteit en de gezondheid van de mens (zie met name de gevolgen voor de productie van fruit, groenten, vezels, geneeskrachtige en aromatische planten en voor de kwaliteit van de natuurlijke omgeving, cultureel belang).
Op grond van deze vaststellingen werd op verschillende bevoegdheidsniveaus beslist om initiatieven of actieplannen aan te nemen om bestuivers te helpen. In het Brussel Hoofdstedelijk Gewest werd eind 2022 een strategie voor bestuivende en nuttige insecten goedgekeurd. Deze strategie is met name gebaseerd op de kennis die werd verworven door middel van verschillende studies die de voorbije tien jaar werden uitgevoerd over de wilde bijen die aanwezig zijn op het Brusselse grondgebied, rekening houdend met de specifieke stedelijke kenmerken en de druk waaraan ze worden blootgesteld.
Deze focus vat de belangrijkste conclusies en resultaten van het werk over dit onderwerp samen. Hij geeft ook een overzicht van de belangrijkste gewestelijke gegevens die beschikbaar zijn over populaties van honing- of huisbijen (Apis mellifera) - d.w.z. bijen die door imkers worden gehouden - met uitzondering van gegevens die specifiek verband houden met federale bevoegdheden (gezondheidsstatus van kolonies, enz.). Het vraagstuk van het samenleven van honingbijen en wilde bijen, een terugkerend probleem op het grondgebied van het Gewest, komt eveneens aan bod. Tot slot wordt de recente gewestelijke strategie voor bestuivende en nuttige insecten kort voorgesteld.
Een atlas van de wilde bijen van Brussel op basis van 42.280 gevalideerde waarnemingsgegevens
De eerste atlas van de wilde bijen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (project WildBnB) werd gepubliceerd in 2022. Verschillende actoren op het terrein hebben bijgedragen tot de realisatie ervan: het Agroecology Lab van de ULB, Natuurpunt en Natagora (natuurverenigingen), en het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN). Het project heeft zich gebaseerd op waarnemingen uit inventarisaties door entomologen en op gegevens uit de burgerwetenschap (zie focus Inzameling van gegevens over de Brusselse biodiversiteit door de burgers 'crowdsourcing').
Een centrale database verzamelt gedigitaliseerde historische gegevens (1841-1990), gegevens van het KBIN (1991-2018), van de website waarnemingen.be, van Natuurpunt (2007-2020), van de ULB (2015-2020) en van het project WildBnB zelf (2018-2020). 42.280 waarnemingsgegevens die representatief zijn voor het volledige Brusselse grondgebied werden bevestigd (voor 112.508 waargenomen of gevangen specimens).
Bijna 40% van de 206 wilde bijensoorten die momenteel in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voorkomen, is kwetsbaar of in gevaar
De aanwezigheid van 248 soorten wilde bijen op het gewestelijk grondgebied werd gedocumenteerd (periode 1841-2020). De 249ste soort in Brussel is de Apis mellifera, de honingbij.
Van deze 248 soorten wordt 17% (42 soorten) als uitgestorven beschouwd op gewestelijke schaal. Ze werden niet meer waargenomen in de veldonderzoeken die tussen 2010 en 2020 werden uitgevoerd. 15 soorten hommels behoren tot deze uitgestorven soorten op gewestelijke schaal. Dit is een groep sociale bijen die bijzonder zwaar getroffen is in België: 60% van de soorten is bedreigd of quasi bedreigd en ongeveer 20% is uitgestorven op nationale schaal (Drossart et al., 2019).
Verspreiding van de 248 soorten wilde bijen (uitgezonderd Apis mellifera) in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in de verschillende categorieën van de staat van instandhouding in het Gewest (periode 1841-2020)
Bron: Vereecken et al., 2022
Van de 206 nog aanwezige soorten bevinden 122 soorten zich in een gunstige situatie (niet bedreigd of in uitbreiding) en 81 in een ongunstige situatie (kwetsbaar of in gevaar). De soorten in uitbreiding zijn in de meeste gevallen geïsoleerde waarnemingen van soorten die in de historische gegevens nooit werden waargenomen.
De 206 hedendaagse soorten wilde bijen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest stemmen overeen met 54% van de soorten die aanwezig zijn in België. De 6 bijenfamilies die aanwezig zijn in België, worden ook op het gewestelijk grondgebied waargenomen.
De aantallen van de Brusselse soorten varieert sterk: 8 soorten zijn samen goed voor 61% van de gegevens. 38 soorten werden daarentegen slechts één of twee keer waargenomen tijdens de hele studieperiode.
Ranglijst van de waargenomen bijensoorten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en illustratie van de 'top 8' (aantal waargenomen specimens, database WildBnB, gegevens 1841-2020)
Bron: Vereecken et al., 2022
Lees de transcriptietekst
De 8 bijensoorten die het meest werden waargenomen tijdens het maken van de atlas, in volgorde van het aantal waargenomen exemplaren, zijn: Andrena vaga (Grijze zandbij), Colletes hederae (Klimopbij), Apis mellifera (Honingbij), Bombus pascuorum (Akkerhommel), Colletes cunicularius (Grote zijdebij), Bombus lapidarius (Steenhommel), Andrena flavipes (Grasbij), Andrena bicolor (Tweekleurige zandbij).
Deze grote diversiteit aan bijensoorten in combinatie met vaak lage aantallen van de populaties kan worden verklaard door de grote verscheidenheid aan kleine habitats die kenmerkend zijn voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
De honingbij is de 3de meest waargenomen soort en de 249ste bijensoort in Brussel. Deze soort is overal in het Gewest waargenomen, zowel in het stadscentrum als in meer kwetsbare gebieden zoals Natura 2000-gebieden. Het exacte aantal en de exacte plaats van de bijenkasten en van de productiekolonies is op dit moment nog niet gekend. De jaarlijkse ramingen door de imkers doen vermoeden dat de instandhouding van de honingbij geen uitdaging vormt voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In tegenstelling hiermee benadrukken verschillende studies het belang van de bescherming van de inheemse ondersoort, de Europese donkere bij (Apis mellifera mellifera).
De Josaphatsite, één van sites met de meeste bijensoorten in België
Meer gedetailleerde inventarisaties werden uitgevoerd op 3 sites, waaronder de Josaphatsite (Schaarbeek-Evere). Er werden 127 soorten wilde bijen waargenomen. Van deze waargenomen soorten zijn er 9 met uitsterven bedreigd op nationale (Drossart et al., 2019) of Europese (Nieto et al., 2004) schaal. Op het Brussels grondgebied komen 4 ervan ook exclusief voor in deze ruigte: ze werden niet waargenomen op de andere sites uit de inventaris. Het ecologisch belang van de site voor de wilde bijen is dus vergelijkbaar met dat voor de Odonata (zie focus Libellen en waterjuffers in het Brussels Gewest). Raadpleeg voor meer informatie het artikel van Vereecken et al. 2021 over dit onderwerp.
Een specifieke studie voor het behoud van de bijen van de Kauwberg
Het Natura 2000-gebied van de Kauwberg (Ukkel), waarvan het beheer enkele jaren geleden werd overgenomen door Leefmilieu Brussel, staat ook bekend voor zijn rijkdom aan wilde bijen.
Er zijn verschillende studies uitgevoerd om vast te stellen welke maatregelen nodig zijn om ecologische overwegingen, de ontwikkeling van landbouwactiviteiten en recreatieve activiteiten zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. Een van deze studies had tot doel de aanwezige bijensoorten op de site te identificeren. Er werden 95 soorten wilde bijen waargenomen (2020-2021), waaronder 15 soorten met een bedreigde staat van instandhouding (Nationale rode lijst). Daarnaast werden er beheeraanbevelingen gedaan om de wilde bijen te helpen: voorkeur geven aan specifieke flora, het milieu openstellen, een kap- en weideverbod in de zandgroeve zodat de grondbijen die er nestelen kunnen samenleven met recreatieve en sportieve activiteiten (skate, mountainbiken, enz.). …
Voetpaden waar bijen en andere bestuivende insecten welkom zijn
In de stad worden vaak nesten wilde bijen aangetroffen, of zelfs bijendorpen van nesten (groepen van individuele nesten) in voetpaden en geplaveide lanen (Pauly, 2019).
Het Opzoekingscentrum voor de Wegenbouw heeft samengewerkt met een universitaire dienst om te bepalen welke omstandigheden bevorderlijk zijn om grondbijen te laten nestelen in de weg. Tijdens de studie werden 11 soorten solitaire bijen, 10 soorten wespen en 2 soorten goudwespen waargenomen. De studie toonde ook aan dat er een verschil is tussen de voorkeur van wilde bijen die zich nestelen in voetpaden (zonder voegen, vaak ouder en in slechtere staat) en de vereisten voor het comfort voor de voetgangers die vastgelegd werden in het gewestelijk Good Move-plan. De studie stelt echter maatregelen voor om deze maatschappelijke eisen en het behoud van deze bestuivende insecten te verenigen.
Pesticideresten in het stuifmeel...
In het kader van het project URBEESTRESS, dat verschillende stressfactoren bestudeert die een impact kunnen hebben op de wilde bijenpopulaties in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, werden sporen van pesticiden (fungiciden, herbiciden, insecticiden) geanalyseerd die aanwezig waren in mengsels van stuifmeel die door vrouwelijke metselbijen (bijensoorten met een algemeen voedselgedrag en goed aangepast aan het stedelijk milieu) werden verzameld op een vijftigtal sites. De resultaten laten onder meer zien dat bijna 90% van de geanalyseerde stalen één of meer pesticiden bevat. Er werden 9 verschillende pesticiden aangetroffen, waarvan er 3 nu verboden zijn. De dominante pesticiden zijn het fungicide Boscalid en het insecticide/acaricide Chlorpyrifos, samen goed voor bijna 75% van de pesticiden die in de monsters werden aangetroffen.
De aanwezigheid van deze pesticiden, waarvan sommigen bekend zijn om hun zeer hoge remanentie, vooral in de bodem, en hun giftigheid voor tal van dieren en planten, doet vragen rijzen over hun impact op bijen - en, meer in het algemeen, op de ecosystemen - en de gezondheid van de Brusselaars.
En in sierplanten die in tuincentra worden verkocht
De studie Toxiflore heeft de pesticideresten die worden aangetroffen in sierplanten gekenmerkt en gekwantificeerd. De onderzochte planten worden veel gebruikt voor de aanleg van bloeiende planten in tuinen en openbare ruimten en staan erom bekend dat ze aantrekkelijk zijn voor bijen.
Hieruit bleek het volgende:
- 100% van de monsters genomen van de bladeren, bloemen of pollenstuifmeel van druifhyacinten en heide die afkomstig waren van 4 verschillende leveranciers bevatten minstens één pesticideresidu, met gemiddeld 3 tot 4 verschillende stoffen per monster voor een totaal van 28 verschillende werkzame stoffen, waarvan er 7 verboden waren tijdens de studiefase en 4 andere sindsdien verboden zijn (proefopstelling met 4 afgesloten serres met planten afkomstig uit dezelfde tuincentra en bijenkasten);
- 36 verschillende actieve stoffen, waaronder 2 verboden stoffen, werden teruggevonden in monsters die rechtstreeks afgenomen werden van tuinbouwplanten in groene ruimten in Brussel (reële situatie).
Deze resultaten doen vermoeden dat tuinbouwplanten in openbare en particuliere groene ruimten mogelijk een belangrijke bron van blootstelling aan pesticidencocktails kunnen zijn voor bestuivende insecten, met name bijen. Hoewel planten die uit 'ecologische' tuincentra afkomstig zijn minder pesticiden bevatten, zijn ze er niet helemaal vrij van. Dat heeft waarschijnlijk te maken met de herkomst van de gekweekte bloembollen. Rekening houdend met deze resultaten beveelt de studie aan om de voorkeur te geven aan planten die afkomstig zijn uit duurzame en ecologische productienetwerken.
De honingbij is een bijzonder competitieve soort
Het project URBEESTRESS analyseerde ook de interactienetwerken tussen planten en bestuivers en de concurrentie tussen bestuivende soorten. De resultaten geven aan dat de huisbij of honingbij (Apis mellifera) alomtegenwoordig is in de netwerken van bijen en bloemen over het hele gewestelijke grondgebied, met een intensiteit en een duidelijke concurrentie voor voedselbronnen (stuifmeel en nectar) die sterker is op bepaalde locaties, vooral in de meest verstedelijkte zones.
De gegevens op gewestelijke schaal geven overigens aan dat de sociale en algemene bijen (huisbijen en, in mindere mate, hommels) de soorten vertegenwoordigen die het sterkst concurreren met de andere bestuivers, en die omgekeerd relatief weinig concurrentie ondervinden van de solitaire bijen. Op basis van deze resultaten kunnen we er redelijkerwijs van uitgaan dat de stedelijke bijenhouderij effectief leidt tot een duidelijke concurrentie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en een invloed heeft op de bestuivingsnetwerken op het volledige grondgebied van het Gewest (zie hieronder).
Een groot aantal honingbijen kan een bijkomende milieudruk op de bijen uitoefenen
Voor wilde bijen brengt de stedelijke omgeving een aantal problemen met zich mee. Ten eerste kost het verzamelen van stuifmeel en nectar vaak meer energie dan in landelijke gebieden. De voedselbronnen zijn niet alleen beperkt in hoeveelheid, maar ook verspreid in de ruimte (onder andere door de obstakels van de bebouwing waar ze omheen moeten). Bovendien vergroot de schaarste aan habitats (losse grond, hout, plantenstengels, lege schelpen, verschillende spleten, enz.) ook de afstand tussen de habitat en voedselbronnen. De meeste wilde bijensoorten zijn actief gedurende beperkte perioden in het jaar, wat ongunstig voor ze is wanneer de verzamelperiode niet synchroon loopt met de beschikbaarheid van de voedselbronnen waarvan ze afhankelijk zijn.
Deze problemen hebben aanzienlijk minder invloed op honingbijen, die algemene soorten zijn (ze verzamelen op veel verschillende soorten bloemen, in tegenstelling tot veel wilde bijensoorten, die beperkt zijn tot één of enkele soorten), een vliegautonomie hebben die veel groter is dan die van de meeste andere soorten, en sociale insecten zijn, in tegenstelling tot de meeste wilde bijensoorten. Hun kolonies (bijenkasten) tellen tienduizenden individuen met gespecialiseerde functies (koningin, werksters, mannetjes voor de voortplanting), die in staat zijn om de winter te overleven (koningin en een deel van de werksters). Met kunstmatige habitats (bijenkasten), genetische selectie, beschikbaarheid van water in de zomer, eventuele voeding (diverse suikers) en diergeneeskundige zorg (met name voor het verdelgen van mijten) is de honingbij beter bestand tegen verschillende weersomstandigheden en voedselschaarste. Cane & Tepedino (2016) schatten dat 40 bijenvolken op drie maanden tijd, het equivalent van vier miljoen wilde bijen vertegenwoordigen, waarbij een enkel volk het stuifmeel kan verzamelen die nodig zijn voor 100.000 larven van wilde bijen.
Bovendien lijdt de honingbij aan een hele reeks pathogenen (virussen, schimmels). De overdracht van deze ziekten en parasieten van de huisbij op wilde soorten is een tweede reden tot zorg, vooral voor de andere sociale soorten zoals de hommel.
Door het kunstmatig in stand houden van een groot aantal honingbijen – die sterk concurreren en veel voedsel nodig hebben – kan de bijenteelt een bijkomende milieudruk op de kwetsbare wilde populaties uitoefenen.
In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn honderden bijenkasten verspreid over het hele grondgebied. Hun locaties lijken voornamelijk gekoppeld aan de toegangsmogelijkheden tot een bepaalde locatie en dus niet zozeer aan de landschapskenmerken. Twee grote trends worden vastgesteld: de kleine, centralere installaties, in de Vijfhoek en in de eerste kroon (ook in wijken waar weinig voedselbronnen beschikbaar zijn), die vaak verbonden zijn aan bedrijfsprojecten en aan bijenteelt op het dak, en de meer klassieke installaties in de tweede kroon, rond de reservaten en Natura 2000-gebieden, met de grootste bijenkasten van het gewest.
De plantengemeenschappen zijn nauw verbonden met de lokaal aanwezige bijensoorten
Bron: www.levedebijen.be
De relatie tussen bloemen en bijen is gebaseerd op uitwisseling: de bloemen leveren voedsel voor de bijen en terwijl ze stuifmeel verzamelen, dragen de bijen onbewust stuifmeelkorrels van de ene bloem naar de andere. Deze organismen zijn samen geëvolueerd en hebben zich geleidelijk aan elkaar aangepast door mutatie en selectie:
- De aanpassing van bijen heeft in het bijzonder te maken met de mogelijkheden om stuifmeel te oogsten (op de poten en het achterlijf) en de morfologie van de monddelen (tong) die gebruikt worden om de nectar te bereiken;
- De aanpassing van bloemen heeft te maken met de signalen die gebruikt worden om bestuivers aan te trekken (kleuren, vormen, geuren, enz.), de voedingskwaliteit en de hoeveelheid van de nectar, het tijdstip waarop de bloem opengaat en zelfs de kenmerken van de stuifmeelkorrels, die ervoor zorgen dat ze zich beter hechten aan de haartjes van de bijen.
Bepaalde bloemen kunnen alleen bestoven worden door bijensoorten die het juiste gedrag of de juiste functionele morfologische eigenschappen hebben opdat het stuifmeel zou kunnen vrijkomen of zich zou kunnen vasthechten. Bovendien geldt: hoe gespecialiseerder de bij, hoe sneller ze verzamelt en hoe meer bloemen ze bezoekt (Coppée I. 2014), en dus ook hoe groter de kans op bevruchting.
De interactie tussen bloeiende planten en bestuivers is dus heel sterk, in die mate zelfs dat wijzigingen van de bijenpopulaties – bijvoorbeeld door de introductie van bijenvolken – de werking van de ecosystemen en de gemeenschappen van planten en bestuivers kunnen verstoren. Andersom kan de verdwijning van bepaalde planten op lokale schaal leiden tot de verdwijning van wilde bijensoorten die uitsluitend van deze planten afhankelijk zijn. Afhankelijk van hun aanwezigheid en aantallen zijn wilde bijen getuigen van het behoud van hun habitat.
De wetenschappelijke gemeenschap is het nog steeds niet eens over de effecten van voedselconcurrentie (vooral voor hommels), ziekteoverdracht en veranderingen in plantengemeenschappen. Een steeds stijgend aantal onderzoeken dat de afgelopen jaren is gepubliceerd, lijkt deze effecten echter te bevestigen. Meer gedetailleerde informatie over deze onderzoeksdomeinen vindt u in de factsheet over de bijen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Goed om te weten
Rekening houdend met de hierboven beschreven elementen zijn het samenleven van de soorten, de versterking van de voedselbronnen ten voordele van alle soorten, en het behoud van een familiale, patrimoniale bijenhouderij op niveaus die verenigbaar zijn met het ecologisch evenwicht en met de ambities van de strategieën voor de instandhouding van alle bestuivers zeker de uitdagingen voor het Gewest.
Een Brusselse strategie voor bestuivende insecten
De regering van het Gewest heeft een Brusselse strategie goedgekeurd voor bestuivende en nuttige insecten (de term die hier gebruikt wordt om roof- en parasitoïde insecten als vijanden van plaagorganismen aan te duiden) voor de periode 2022-2030. Dit is in overeenstemming met de Belgische nationale strategie 2021-2030. De belangrijkste doelstelling is om het aantal bedreigde soorten met 50% te verminderen en het aantal soorten die positief evolueren met 50% te verhogen.
Deze strategie bestaat uit een vijftigtal maatregelen. De eerste pijler is het vergroten van de kennis over de toestand van de verschillende soorten bestuivende insecten (inclusief honingbijen), nuttige insecten en invasieve uitheemse insecten (aanwezige soorten, verspreiding, aantallen, kwaliteit en kwantiteit van de beschikbare voedselbronnen, onderliggende dynamiek van de bevindingen, enz.). Deze pijler omvat ook het beoordelen van het effect van beheerde bestuivers en nuttige insecten en het formuleren van aanbevelingen, evenals het evalueren van de interacties en onderlinge afhankelijkheden tussen de landbouw in het Gewest en de bestuivende en nuttige insecten.
Een tweede pijler beschrijft een aantal concrete maatregelen om bepaalde soorten insecten of planten te beschermen en een geschikte habitat te creëren voor een verscheidenheid aan bestuivers (vergroeningOpzettelijke handeling die tot doel heeft vegetatie in groenarme zones in te voeren. van de bebouwde omgeving, verbetering van de ecologische kenmerken van open ruimten, vermindering van het gebruik van pesticiden, diversificatie en beter beheer van aanplantingen, bevordering van de ecologische en lokale productie van planten, versterking van de natuurlijk bestuiving en biologische bestrijding in de landbouw, enz.). Het is ook bedoeld om de inbreng van beheerde bestuivende en nuttige insecten te kaderen en om een geïntegreerd beheer van invasieve uitheemse soorten (waaronder de Aziatische hoornaar) uit te voeren. Ook de ontwikkeling van een sternetwerk is voorzien (zie de focus over vleermuizen en de factsheet over lichtvervuiling).
Pijler 3 richt zich op communicatie en opleidingen voor een breed publiek (burgers, natuurliefhebbers, imkers, beheerders, tuinprofessionals, enz.).
Om te downloaden
Factsheet
Fiches van de Staat van het Leefmilieu
Andere publicaties van Leefmilieu Brussel
- Rapport over de staat van de natuur in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 2022 (.pdf)
- Wilde bijen in het Brussels Hoofstedelijk Gewest, 2018 (.pdf)
- Moestuin - Bijen in mijn tuin, 2018 (.pdf)
Studies en rapporten
- COPPEE I., PEETERS M. 2014. « Biodiversiteit in Belgïe – Bijen in de kijker » , Koninklijke Belgische Vereniging voor Entomologie en Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, pp.20. (.pdf)
- EUROPEESE COMMISSIE 2023. “Vragen en antwoorden over een “new deal voor bestuivers”, website geraadpleegd op 01/02/2023
- COSSERAT P.H. 2016. « Caractérisation et analyse de la biodiversité spécifique et fonctionnelle des communautés d’abeilles sauvages au sein des différents espaces verts de la Région de Bruxelles-Capitale; expérience complémentaire du service écosystémique de pollinisation associé à cette diversité Bruxelles », Université Libre de Bruxelles - service Ecologie du paysage et systèmes de production végétale (proefschrift; promoteur N.J. VEREECKEN) (enkel in het Frans)
- DROSSART, M., RASMONT, P., VANORMELINGEN, P., DUFRÊNE, M., FOLSCHWEILLER, M., PAULY, A., VEREECKEN, N. J., VRAY, S., ZAMBRA, E., D'HAESELEER, J. & MICHEZ, D. 2019. “ Belgian Red List of bees”, . Belgian Science Policy 2018 , BRAIN-be - Mons: Presse universitaire de l’Université de Mons. 140 p. (.pdf) (enkel in het Engels)
- ESPOSITO, F., HAINAUT, H., HAUTIER, L., SAN MARTIN, G., CLAUS, G., SPANOGHE, P., MOLENBERG, J.-M., VEREECKEN, N.J. 2022. « Toxiflore - Evaluation de la contamination par les pesticides des plantes
ornementales attractives pour les abeilles en Région de Bruxelles-Capitale », eindverslag, in opdracht van Leefmilieu Brussel. (enkel in het Frans) - GARIBALDI L.A., GOMEZ CARELLA D.S., NABAES JODAR D.N., SMITH M.R., TIMBERLAKE T.P., MYERS, S.S. 2022. “Exploring connections between pollinator health and human health”, Philosophical transactions of the royal society, 377 (1853). (.pdf) (enkel in het Engels)
- INTERGOVERNMENTAL SCIENCE-POLICY PLATFORM ON BIODIVERSITY AND ECOSYSTEM SERVICES [IPBES] 2016. “Assessment Report on Pollinators, Pollination and Food Production”, Potts, S.G., Imperatriz-Fonseca, V.L., & Ngo, H.T. (eds). Bonn: Secretariat of the IPBES. 552pp. (.pdf) (enkel in het Engels)
- Jacquemin F., Violle C., Rasmont P., Dufrêne M. 2017. « Mapping the dependency of crops on pollinators in Belgium”, ‡ Gembloux Agro-Bio Tech (ULg), Gembloux, Belgium § Centre d'Ecologie Fonctionnelle et Evolutive, Montpellier, France| Université de Mons, Mons, Belgium. (.pdf) (enkel in het Engels)
- Leclercq, N. 2017. « Etude des réseaux d’interactions plantes à fleurs-abeilles en Région de Bruxelles-Capitale », Bruxelles : Université Libre de Bruxelles - service Ecologie du paysage et systèmes de production végétale (proefschrift; promoteur N.J. VEREECKEN). (enkel in het Frans)
- Nieto A., Roberts S.P.M., Kemp J., Rasmont, P., Kuhlmann M., García Criado M., BIESMEIJER J.C., BOGUSCH P., DATHE H.H., DE LA RÚA P., DE MEULEMEESTER T., DEHON M., DEWULF A., ORTIZ-SÁNCHEZ F.J., LHOMME P., PAULY A., POTTS S.G., PRAZ C., QUARANTA M., RADCHENKO V.G., SCHEUCHL E., SMIT J., STRAKA J., TERZO M., TOMOZII B., WINDOW J., & MICHEZ D. 2014. « European Red List Of Bees », Luxembourg:Publication Office Of The European Union. 84 Pp. (.pdf) (enkel in het Engels)
- Noël G., Bideau A., Flamion E., Lamarre M., Crasson P., Bonnet J., & Francis F. 2022. « Kauwbees : étude sur la préservation des abeilles sauvages du Kauwberg (Uccle, Belgique) dans une perspective de développement agricole et ludo-sportif du site », eindverslag, in opdracht van Leefmilieu Brussel. (.pdf) (enkel in het Frans)
- NOËL G., VAN KEYMEULEN V., VAN DAMME O., SMETS S., RUELLE, J., & FRANCIS F. 2022. « Streetbees –
Clauses techniques pour l’aménagement de trottoirs et revêtements permettant l’accueil d’abeilles
sauvages terricoles », studie in opdracht van Leefmilieu Brussel. (.pdf) (enkel in het Frans) - PAULY A. 2019. « Contribution à l’inventaire des abeilles sauvages de la Région de Bruxelles-Capitale et de la Forêt de Soignes » (Hymenoptera : Apoidea), Belgian Journal of Entomology, 79: 1-160. (.pdf) (enkel in het Frans)
- PAULY, A. 2019. « Les abeilles sauvages du Jardin Botanique "Jean Massart" à Bruxelles (Hymenoptera: Apoidea) », Belgian Journal of Entomology, 78: 1-86. (enkel in het Frans)
- RUELLE J. 2022. « Strategie voor bestuivende en nuttige insecten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 2023-2030 », Leefmilieu Brussel, pp.22. (.pdf)
- Vereecken N.J., De Greef S., Vertommen W., Pauly A., Molenberg J.-M., Ruelle J., Cuypers M., & D’Haeseleer J. 2022. “WildBnB - Atlas des abeilles sauvages de la Région de Bruxelles-Capitale », eindverslag, studie in opdracht van Leefmilieu Brussel. (.pdf) (enkel in het Frans)
- VEREECKEN N., WEEKERS T., MARSHALL L., D’HAESELEER J., CUYPERS M., PAULY A., PASAU B., LECLERCQ N., TSHIBUNGU A., MOLENBERG J.-M. & DE GREEF S. 2021. “Five years of citizen science and standardised field surveys in an informal urban green space reveal a threatened Eden for wild bees in Brussels, Belgium”, in“Insect Conservation and Diversity, doi : 10.1111/icad.12514 (.pdf) (enkel in het Engels)
- Vereecken N.J., Dufrêne E., & Aubert M. 2015. « Sur la coexistence entre l’abeille domestique et les abeilles sauvages : rapport de synthèse sur les risques liés à l’introduction de ruches de l’abeille domestique (Apis mellifera) vis-à-vis des abeilles sauvages et de la flore », Observatoire des abeilles. (.pdf) (enkel in het Frans)
- Weekers, T., Esposito, F., Leclercq, N., Stock, M., Piot, N., Hautier, L., San Martin, G., Claus, G.,Spanoghe, P., Molenberg, J.-M., & Vereecken, N.J.2022. “URBEESTRESS - Evaluation des stresseurs des abeilles sauvages urbaines en Région de Bruxelles-Capitale », eindverslag, studie in opdracht van Leefmilieu Brussel. (enkel in het Frans)
Plannen en programma‘s