U bent hier

Stookinstallaties: beperking van de emissies van verontreinigende stoffen

In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is de luchtvervuiling hoofdzakelijk afkomstig van de verwarmingsinstallaties, autoverkeer en een aantal onduidelijke bronnen.

Om de gezondheid van zijn inwoners en het milieu te beschermen, wil het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de emissies van verontreinigende stoffen in de lucht verminderen. Om die doelstelling te bereiken, is één van de acties die het Gewest het gewest onderneemt het vastleggen van regels om de emissies van koolstofmonoxide (CO), stikstofoxiden (NO), zwaveldioxide (SO2) en stof die door stookinstallaties zoals verwarmingsketels, motoren (warmtekrachtkoppeling en noodgroepen) en turbines voortgebracht worden, te monitoren en te beperken.

Het gewest zorgt voor de omzetting van de Richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van 25 november 2015 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties. De informatie in deze rubriek verklaart de bepalingen van het besluit van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 18 januari 2018 betreffende de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties.

In de praktijk gaat het om stookinstallaties die in volgende sectoren gebruikt worden:

  • Elektriciteitsproductie, bijvoorbeeld noodgroepen en installaties voor warmtekrachtkoppeling;
  • Verwarmingssystemen bijvoorbeeld voor flatgebouwen, scholen, universiteiten, ziekenhuizen, kantoren, industriële en andere vestigingen;
  • Productie van warmte of stoom voor industriële doeleinden.

Installaties waarop de emissiegrenswaarden betrekking heeft

De bestaande of nieuwe stookinstallaties met een nominaal ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 1 MW en kleiner dan 50 MW, hoofdzakelijk:

Het vermogen dat in aanmerking dient genomen te worden is het individueel vermogen van een installatie en niet de som van de vermogens van de verschillende installaties die zich in hetzelfde verwarmingslokaal bevinden.

Opgelet, de rubrieken voor de stookinstallaties die onderworpen zijn aan een milieuvergunning werden gewijzigd door de inwerkingtreding van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 januari 2018 betreffende de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties

Uw installatie is ingedeeld als:

  • uw verwarmingsketel een nominaal ingangsvermogen van minstens 100 kW heeft - Rubriek 40;
  • uw warmtekrachtkoppelingsmotor een nominaal ingangsvermogen  van minstens 20 kW heeft - Rubriek 40;
  • uw motor voor een noodgroep een nominaal ingangsvermogen van minstens 20 kW heeft - Rubriek 104.

Voor een warmtekrachtkoppeling of noodgroep: één enkele rubriek van de ingedeelde inrichting is nodig.

Voor de verwarmingsketels en warmtekrachtkoppelingen (rubrieken 40A, B en C), telt u alle verwarmingsketels en warmtekrachtkoppelingen samen die in hetzelfde verwarmingslokaal opgesteld staan, om de klasse van de rubriek te bepalen (A, B of C).

Brandstoffen waar het besluit betrekking op heeft

  • vaste biomassa: hout, pellets…
  • andere vaste brandstoffen: steenkool…
  • gasolie: mazout
  • vloeibare brandstoffen, andere dan gasolie: biodiesel, koolzaadolie…
  • aardgas
  • gasvormige brandstoffen, andere dan aardgas: propaan, butaan, samengesteld gas, biogas…

Het begrip vermogen

Voor stookinstallaties die volgens de milieuvergunning ingedeeld zijn, is het vermogen waar rekening mee gehouden moet worden het nominale ingangsvermogen, dat wil zeggen de door de fabrikant vastgestelde en gewaarborgde maximale hoeveelheid thermische (of calorische) energie, uitgedrukt op basis van de onderste verbrandingswaarde, die door de brandstof kan worden aangevoerd en door het toestel in continu bedrijf kan worden verbruikt, overeenkomstig de vastgelegde normen. Met andere woorden, het vermogen waar rekening mee gehouden moet worden is het vermogen bij de ingang van de installatie.

Binnen de EPB-verwarmingsreglementering daarentegen is het vermogen waarmee voor uw verwarmingsketel rekening gehouden moet worden, het in aanmerking te nemen vermogen om verwarmingswater te produceren van 80/60 °C. Met andere woorden, het vermogen waar rekening mee gehouden moet worden, is dat bij de uitgang van de installatie.

Wat zijn de emissiegrenswaarden?

Brandstof Emissiegrenswaarden
Voor gas en gasolie Raadpleeg de emissiegrenswaarden
Voor andere brandstoffen Raadpleeg de emissiegrenswaarden in het besluit

Hoe een staal van de verontreinigende substanties nemen en dat analyseren?

Voor alle installaties

Een erkend laboratorium in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in de discipline lucht / air, rookgas moet een staal nemen van de verontreinigende substanties waarvoor een emissiegrenswaarde in de milieuvergunning of in het besluit vastgelegd is, en dat staal analyseren.

De laboratoria die geaccrediteerd zijn of in de loop van accreditatie verkeren voor het gebied waarvoor een erkenning wordt aangevraagd, en die minstens in één van de Gewesten erkend zijn, worden geacht erkend te zijn binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Bij elke meting moet de installatie in stabiele omstandigheden werken, met een representatieve en homogene belasting. De metingen mogen niet tijdens de start- en stillegfases uitgevoerd worden. De concentratie van alle verontreinigende substanties wordt tegelijkertijd en op hetzelfde meetpunt gemeten.

Voor de bestaande installaties, voert u uiterlijk voor 27/02/2019 de staalneming en de analyse uit of sluit u een contract met een laboratorium.

Voor nieuwe installaties voert u de staalneming en de analyse uit binnen de vier maanden nadat de vergunning verleend is of nadat de installatie in gebruik genomen is – daarbij gaat u voort op de recentste datum.

Voor installaties op gas of gasolie van minder dan 10 MW

De staalneming en de analyse van de verontreinigende substanties worden uitgevoerd door een erkend laboratorium in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in de discipline lucht / air, rookgas op basis van methodes die betrouwbare, representatieve en vergelijkbare resultaten opleveren.

Voor installaties die een andere brandstof dan gas of gasolie gebruiken

Voor individuele installaties met een nominaal ingangsvermogen van meer dan 10 MW

De staalneming en de analyse van de verontreinigende substanties worden uitgevoerd door een erkend laboratorium in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in de discipline lucht / air, rookgas volgens methodes conform de geharmoniseerde EN-normen.

Bestaan er afwijkingen?

Voor bestaande en nieuwe noodgroepen die op gasolie werken

Die noodgroepen moeten niet aan de emissiegrenswaarden voldoen als het aantal voorziene bedrijfsuren per jaar lager is dan 50 uur.

Voor bestaande verwarmingsketels die maximum 500 uur per jaar gebruikt worden

Alternatieve en aangepaste emissiegrenswaarden kunnen in de milieuvergunning vastgelegd worden op voorwaarde dat ze in de aanvraag voor de milieuvergunning gerechtvaardigd worden. Die rechtvaardiging omvat minimum de volgende informatie:

  • het verbrandingsrendement;
  • de emissies van verontreinigende substanties;
  • de leeftijd van de verwarmingsketel;
  • het aantal voorziene en effectieve bedrijfsuren;
  • het gebruik.

Hoe vaak moeten de metingen uitgevoerd worden?

Type van installatie – vallend onder de algemene bepalingen Nominaal ingangsvermogen Brandstof Frequentie
Motoren (bijv.: warmtekrachtkoppelingsmotor) ≥ 1 à ≤ 20 MW Elke brandstof Om het jaar
Motoren van noodgroepen ≥ 1 à ≤ 20 MW Gasolie Om het jaar
Gasturbines ≥ 1 à ≤ 20 MW Elke brandstof Om het jaar
Verwarmingsketels ≥ 1 à ≤ 20 MW Aardgas Om de twee jaar
Verwarmingsketels ≥ 1 à ≤ 20 MW Elke brandstof behalve aardgas Om het jaar
Motoren, verwarmingsketels en gasturbines > 20 MW Elke brandstof Om het jaar

 

Type van installatie – Afwijkingen Nominaal ingangsvermogen Frequentie
Noodgroepen die maximum 50 uur per jaar in gebruik zijn ≥ 1 à ≤ 20 MW Om de 150 uur en minimum een keer om de 5 jaar
> 20 MW Om de 50 uur en minimum een keer om de 5 jaar
Bestaande verwarmingsketels die maximum 500 uur per jaar in gebruik zijn ≥ 1 à ≤ 20 MW Om de 1500 uur en minimum een keer om de 5 jaar
> 20 MW Om de 500 uur en minimum een keer om de 5 jaar

Wat gebeurt er als de installatie niet aan de emissiegrenswaarden voldoet?

De exploitant moet:

  • ofwel de nodige maatregelen nemen zodat de installatie weer zo snel mogelijk conform is;
  • ofwel de bevoegde overheid op de hoogte brengen dat de emissiegrenswaarden niet gerespecteerd worden en de overheid een voorstel voorleggen om de installatie weer conform te maken, met inbegrip van een planning.
Datum van de update: 16/04/2018