Grondwater: kwaliteit, kwantiteit en modellering
- Water
- Vervuiling
- Ondergrond
- Grondwater
- Pesticiden
- Het milieu: stand van zaken
Vijf grondwaterlichamen
Het Brussels Gewest telt 5 grondwaterlichamen. Ze behoren allemaal tot grensoverschrijdende watervoerende lagen van het stroomgebied van de Schelde.
De 5 Brusselse grondwaterlichamen
Bron: Leefmilieu Brussel
- De eerste twee grondwaterlichamen die we aantreffen vanaf de oppervlakte (en die dus het meest recent zijn) stammen uit het Cenozoïcum, en met name de reeks/het tijdperk van het Eoceen. Het gaat om het “Noordwest Brusseliaan en Tielt zandBodemdeeltjes die groter zijn dan 0,05 mm systeem” (20 km2) en ook het “Brusseliaanzand” (90 km2). Het eerste is vrij maar plaatselijk artesisch, het tweede vrij. Samen maken deze waterlichamen deel uit van het Brusselse ‘freatische systeem’.
- Het tussenliggende waterlichaam dateert eveneens uit het Cenozoïcum, maar uit de reeks/het tijdperk van het Paleoceen. Het gaat om het “Landeniaanzand” (162 km2). Dit waterlichaam is artesisch.
- De twee diepste (en dus oudste) grondwaterlichamen stammen uit het Paleozoïcum, met name de reeksen/tijdperken van het Cambrium en Mesozoïcum, en de reeks/het tijdperk van het Krijt. Het gaat om het “Sokkel en Krijt systeem” (111 km2) et de “Sokkel” (51 km2). Deze twee waterlichamen zijn artesisch.
Voor het grondwater van het Brussels Gewest werden milieudoelstellingen vastgelegd overeenkomstig de Kaderrichtlijn Water en de Kaderordonnantie Water (KRW en KOW), de “dochterrichtlijn” betreffende de bescherming van het grondwater (2006/118/EG en 2014/80:EG) en haar omzettingsbesluiten. Deze komen neer op het bereiken van de “goede kwantitatieve en chemische toestand” voor de 5 grondwaterlichamen, die om de 6 jaar wordt beoordeeld.
Chemische toestand van het grondwater
Indicator – Actualisering: juli 2026
In 2024 bereikten 4 van de 5 grondwaterlichamen van het Brussels Gewest ‘de goede chemische toestand’. Één daarvan, de Sokkel, dreigt echter tegen 2033 in een ‘ontoereikende toestand’ terecht te komen als gevolg van de stijgende ammoniumconcentratie. Het waterlichaam van het Brusseliaanzand is momenteel ingedeeld in een ‘ontoereikende chemische toestand’ vanwege de nitraatverontreiniging, maar volgens de prognoses zou dit in 2033 niet meer het geval zijn. Omdat dit grondwater minder diep ligt en meer rechtstreeks in verbinding staat met menselijke activiteiten, vertoont het ook significante plaatselijke verontreinigingen door tetrachloorethyleen, bepaalde pesticiden, ammonium, chloriden, fosfor en sulfaten. Maar er is ook goed nieuws: de nitraat- en pesticidengehaltes nemen af.
Nagestreefde doelstelling: bereiken van de ‘goede chemische toestand’
De 5 Brusselse grondwaterlichamen moeten de “goede kwantitatieve en chemische toestand” bereiken, die om de 6 jaar wordt beoordeeld (zie inleiding). Het bereiken van de ‘goede chemische toestand’ impliceert de conformiteit met bepaalde milieukwaliteitsdoelstellingen (maximale niet te overschrijden concentraties van bepaalde verontreinigende stoffen):
- kwaliteitsnormen voor nitraten en pesticiden (werkzame stoffen en bepaalde van hun relevante afbraakproducten, ook wel metabolieten genoemd, die als relevant worden beschouwd);
- en vastgestelde drempelwaarden voor een op Europees niveau vastgestelde lijst van verontreinigende stoffen en voor verontreinigende stoffen die als risicovol worden beschouwd voor het Brusselse grondwater. Deze zijn per waterlichaam bepaald in functie van het gebruik van het water. In het Brussels Gewest is dat voornamelijk drinkwatervoorziening, gebruik voor industriële activiteiten of door de tertiaire sector.
De chemische toestand die in deze fiche wordt beschreven, is gebaseerd op het referentiejaar 2024. Er wordt geen rekening gehouden met de wijzigingen die voortvloeien uit de wijzigingsrichtlijn van 2026 (zie kader hieronder). De volledige lijst van de geldende kwaliteitsdoelstellingen is te vinden in de methodologische fiche en ook in factsheet nr.4.
Let op
De kwaliteitsdoelstellingen zullen tegen eind 2027 worden herzien, in het kader van de omzetting van de wijzigingsrichtlijn 2026/805. Er zullen nieuwe kwaliteitsnormen van kracht worden voor de som van tri- en tetrachloorethyleen, voor niet-relevante metabolieten van bestrijdingsmiddelen, maar ook voor opkomende verontreinigende stoffen zoals PFAS en bepaalde geneesmiddelen.
Als bij de beoordeling van de chemische toestand in 2024 rekening was gehouden met deze nieuwe normen, zou het waterlichaam van het Brusseliaanzand voor de som van 4 PFAS (PFHxS, PFOS, PFOA en PFNA) als ontoereikend van kwaliteit zijn beoordeeld.
Verontreinigende stoffen... van nature aanwezig in watervoerende lagen
Tijdens zijn infiltratie door de geologische formaties van de ondergrond en zijn opslag in de aquifer kan het grondwater onder bepaalde omstandigheden op natuurlijke wijze verrijkt worden met chemische elementen (metalen, metalloïden, mineralen en organische moleculen). Deze natuurlijke verrijking komt tot uiting in de aanwezigheid van referentieconcentraties voor de betrokken elementen, ook wel “geochemische achtergrond” genoemd. Dit kunnen soms ongewenste of zelfs schadelijke verontreinigende stoffen zijn voor de menselijke gezondheid, waardoor het water zonder voorafgaande behandeling ongeschikt wordt voor bepaalde toepassingen.
Het is belangrijk hiermee rekening te houden bij het vastleggen van de kwaliteitsdoelstellingen. Studies die in 2018 en 2019 werden uitgevoerd om de geochemische achtergrond in het Brusselse grondwater te bepalen, brachten het bestaan aan het licht van een hoge geochemische achtergrond voor 3 elementen in de 2 waterlichamen van het Sokkel- en Krijtsysteem en het Landeniaanzand (ULg, 2018 en 2019):
- chloriden (Cl-). Als verontreinigende stof die een risico vormt, is de drempelwaardeWaarde vanaf welke initiatieven worden genomen. voor deze 2 waterlichamen verhoogd. Chloriden kunnen het industriële watergebruik beïnvloeden, omdat ze de infrastructuur kunnen aantasten.
- ijzer (Fe) en mangaan (Mn). Deze metaalelementen worden echter niet beschouwd als verontreinigende stoffen die een risico vormen voor het grondwater. Voor bepaalde toepassingen kunnen zij echter hinderlijk zijn, omdat zij leiden tot verkleuring van het water en de vorming van ongewenste afzettingen in de waterleidingen.
Ondanks dat er rekening is gehouden met deze geochemische achtergrond, zullen de 2 bovengenoemde waterlichamen in 2024 een eenmalige overschrijding van de grenswaardeWaarde die dient te worden gerespecteerd om ongewenste effecten op de gezondheid of het leefmilieu te voorkomen. Een grenswaarde die in een reglementering wordt opgenomen, wordt een norm. voor chloriden vertonen. Bovendien is voor het waterlichaam van het Sokkel- en Krijtsysteem een significante stijgende trend voor deze parameter vastgesteld, zonder dat dit echter het bereiken van een goede toestand in 2033 in gevaar brengt.
Hoe wordt de kwaliteit van het grondwater bewaakt?
De monitoring van de chemische toestand van deze 5 grondwaterlichamen, waarmee gestart werd in 2006, gebeurt door de analyse van monsters, die worden genomen ter hoogte van piëzometers, van actieve waterwinningen en van enkele bronnen (uitlaten van waterstromen). Concreet gaat het om 3 afzonderlijke monitoringprogramma’s:
- de toestand- en trendmonitoring die bedoeld is om de algemene staat van elk waterlichaam te karakteriseren, de eventuele langetermijntendensen te identificeren en het opduiken van nieuwe polluenten te detecteren. Eind 2024 gebeurde deze controle op 27 monitoringsites, verspreid over de 5 grondwaterlichamen. Het heeft betrekking op parameters die relevant zijn voor de vervuiling van het grondwater. De controle gebeurt tweejaarlijks voor vrije freatische grondwaterlagen (Noordwest Brusseliaan en Tielt zandBodemdeeltjes die groter zijn dan 0,05 mm systeem, Brusseliaanzand) en jaarlijks voor begrensde watervoerende lagen (Sokkel, Sokkel- en Krijtsysteem, Landeniaanzand). De controlefrequentie voor de artesische waterlagen werd teruggeschroefd naar eenmaal per jaar, in het licht van de verworven kennis en de hydrogeologische context van die waterlichamen.
- de operationele monitoring waarmee men de waterlichamen wil opvolgen die het risico lopen de “goede chemische toestand” niet te bereiken, of die een stijgende tendens voor een bepaalde verontreinigende stof vertonen. Dankzij de operationele controle kunnen eveneens de gevolgen geëvalueerd worden voor de betrokken waterlichamen van de invoering van programma’s ter preventie, bescherming of herstel van de kwaliteit van waterlichamen. Eind 2024 gebeurde een dergelijke controle op 10 monitoringsites, verspreid over het waterlichaam van het Brusseliaanzand en op 4 monitoringsites, verspreid over het waterlichaam van de Sokkel. Op de sites worden 2 keer per jaar monsters genomen voor het Brusseliaanzand en één keer per jaar voor de Sokkel. De monitoring heeft vooral betrekking op de risicoparameters in kwestie (met name de nitraten, het ammonium, sommige pesticiden, de tetrachloorethyleen en een minimale lijst van verontreinigende parameters die geacht worden een risico voor het grondwater in te houden – zie richtlijn 2006/118/EG).
- de aanvullende monitoring binnen het waterlichaam van het Brusseliaanzand, voor het toezicht op:
- de beschermingszone van grondwaterwingebieden die bestemd zijn voor menselijke consumptie;
- de hydrogeologische aanvullingsgebieden van met grondwater verbonden aquatische ecosystemen en grondwaterafhankelijke terrestrische ecosystemen;
- de kwetsbare zone voor nitraten uit agrarische bronnen.
Voor de oppervlakkige waterlagen – in de alluviën van de vallei van de Zenne en de aangrenzende valleien, alsook in de sedimenten van het Kwartair – gebeurt er momenteel geen systematische kwalitatieve monitoring.
4 grondwaterlichamen in ‘goede chemische toestand’
4 van de 5 Brusselse waterlichamen werden in ‘goede chemische toestand’ bevonden op basis van de monitoringsresultaten van 2024:
- het Sokkel- en Krijtsysteem,
- de Sokkel,
- het Landeniaanzand,
- het Noordwest Brusseliaan en Tielt zandBodemdeeltjes die groter zijn dan 0,05 mm systeem.
Het waterlichaam van het Brusseliaanzand, dat we op geringere diepte in de ondergrond aantreffen en die sterker blootgesteld is aan de oppervlaktevervuiling, blijft in ‘ontoereikende chemische toestand’ vanwege de verontreiniging door nitraten.
De vooruitzichten voor 2033 zijn gemengd:
- Het Brusseliaanzand zou voor het eerst de goede toestand bereiken, dankzij de dalende nitraatgehaltes. Maar tetrachloorethyleen moet nauwlettend in de gaten worden gehouden, aangezien de concentratie ervan plaatselijk aanzienlijk en langdurig lijkt toe te nemen.
- De Sokkel zou worden gedeclasseerd naar de categorie ‘ontoereikend’ omdat de kwaliteitsnorm voor ammonium op sommige plaatsen wordt overschreden.
Chemische toestand van de 5 Brusselse grondwaterlichamen (2024) en vastgestelde trends
Bron: Leefmilieu Brussel, 2026
Nitraten: de boosdoeners in het waterlichaam van het Brusseliaanzand
De verontreiniging van het Brusseliaanzand door nitraten is niet nieuw: deze parameter is de reden waarom dit waterlichaam al sinds het begin van de waterkwaliteitsmonitoring als ‘ontoereikend’ wordt beoordeeld.
De gemiddelde concentratie op schaal van het waterlichaam bedroeg in 2024 38 mg/l, terwijl de norm op 50 mg/l ligt. De mate van verontreiniging varieert sterk tussen de monitoringsites, variërend van concentraties onder de kwantificatielimiet (<0,9 mg/l) tot 110 mg/l in 2024. Bijna 1 op de 3 sites (31% van de meetpunten die worden gebruikt om de chemische toestand van het waterlichaam te karakteriseren) overschrijdt de norm.
- De overschrijdingen worden voornamelijk waargenomen in het midden van het Gewest, in sterk verstedelijkte zones.
- De lage nitraatconcentraties worden daarentegen opgemeten in het zuidoosten van het waterlichaam, in het gebied dat overeenkomt met het Zoniënwoud en weinig blootgesteld is aan menselijke activiteiten.
- Tussenliggende concentraties worden gemeten in het zuidwesten van het waterlichaam, in Ukkel, waar weinig verstedelijking is.
Gemiddelde nitraatconcentratie in het Brusseliaanzand in 2024
Bron: Leefmilieu Brussel, 2026, op basis van de analyseresultaten van alle sites
Wist u dit?
De definitie van ‘goede chemische toestand’ van het grondwater omvat ook de schade die de overdracht van water van mindere kwaliteit zou kunnen veroorzaken aquatische en terrestrische ecosystemen die rechtstreeks afhankelijk zijn van grondwater zijn, en voor de waterwingebieden die bestemd zijn voor menselijke consumptie. Het gaat alleen om het waterlichaam van het Brusseliaanzand. De hoge nitraatconcentraties die daar worden gemeten, hebben een negatieve invloed op de staat van instandhouding van bepaalde eutrofe vijvers en Natura 2000-habitats die daarvan afhankelijk zijn. Deze ecosystemen worden bedreigd door een verhoogd risico op eutrofiëringOvermatige toevoer van voedingsstoffen in het water, met als gevolg een woekering van de vegetatie, zuurstofvermindering en onevenwicht van het ecosysteem., wat met name de verspreiding van invasieve soorten bevordert ten koste van inheemse soorten.
Dalende nitraatconcentraties
De waterkwaliteit van het Brusseliaanzand wat nitraten betreft, verbetert echter zodanig dat de goede chemische toestand naar verwachting in 2033 zal worden bereikt. Waarom?
- De gemiddelde concentratie op het niveau van het waterlichaam is tussen 2018 en 2024 gedaald van 41,7 mg/l naar 37,8 mg/l.
- Het percentage van monitoringsites dat de norm overschrijdt, is in dezelfde periode gedaald van 47% naar 31%.
- De concentratietrends op de verschillende monitoringsites in de periode 2009-2024 vertonen een aanzienlijke daling, behalve op 3 van de minst verontreinigde sites (< 25 mg/l), gelegen in het zuiden en zuidoosten, waar een aanzienlijke stijging wordt geregistreerd.
Deze recente gunstige ontwikkeling zou het gevolg zijn van de saneringsmaatregelen (waaronder de gedeeltelijke renovatie en uitbreiding van het rioleringsnet), maar ook van de weersomstandigheden:
- De droogteperiodes in de jaren 2017-2020 hebben waarschijnlijk de uitspoeling van nitraten beperkt.
- De overvloedige neerslag in 2021, 2023 en 2024 heeft daarentegen de uitspoeling ervan bevorderd, maar kan de concentraties plaatselijk ook hebben verdund.
Het nitraatgehalte in het Brusseliaanzand daalt aanzienlijk
Bron: Leefmilieu Brussel, 2026 – gemiddelde concentratie op basis van de Kendall’s Tau-index over de periode 2009-2024 – zie de methodologische fiche voor de karakterisering van de trends
Waarvan zijn deze nitraten afkomstig?
De herkomst van de nitraatvervuiling in het waterlichaam van het Brusseliaanzand werd bepaald aan de hand van stikstof- en zuurstofisotopenanalyses die tussen 2009 en 2015 werden uitgevoerd (UCL, 2013 en 2018). Het isotopenonderzoek maakt het mogelijk de belangrijkste bronnen van nitraatemissie op elke meetlocatie en op de schaal van het waterlichaam te onderscheiden. Er werden 3 belangrijke verontreinigingsbronnen en een vierde, minder belangrijke, geïdentificeerd:
Belangrijkste emissiebronnen van nitraten in het Brusseliaanzand
Bron: UCL, 2013 en 2018
- Stikstofhoudende meststoffen, waarvan de totale bijdrage op de schaal van het waterlichaam 35% zou bedragen (roze en zalmroze op de figuur). De bemesting van particuliere stadstuinen door huishoudens en van openbare groene ruimten of van sportvelden zou dus een grote invloed hebben op deze verontreiniging, vooral in het zuidoosten van het Gewest. Landbouwbemesting in het Vlaams Gewest, stroomopwaarts van het waterlichaam, zou ook een invloed hebben op de nitraatconcentraties die in het zuiden van het Brussels Gewest worden aangetroffen.
- Huishoudelijk afvalwaterWater dat in huishouding of industrie dienst heeft gedaan en gewoonlijk met verschillende stoffen beladen is. (grijs). Deze bijdrage wordt geraamd op 31% op de schaal van het waterlichaam en loopt op tot bijna 50% voor de stations dicht bij sterk verstedelijkte gebieden. Dit afvalwater is voornamelijk het resultaat van verliezen op het rioleringsnet, dat op sommige plaatsen als verouderd wordt beschouwd: volgens de door Vivaqua opgestelde inventaris werd eind 2019 17% van de 1.100 km geïnspecteerde rioolsecties als gevoelig verslechterd beschouwd (en 11% eind 2024). In mindere mate is dit afvalwater afkomstig van het ontbreken van een rioleringssysteem in sommige straten, of zelfs van het bestaan van zinkputten in bepaalde wijken, vooral in het zuiden en zuidwesten van het waterlichaam.
- De afbraak (of mineralisatie) van organisch materiaal door micro-organismen in de bodem (bruin). Het effect ervan is betrekkelijk homogeen in de volledige studiezone en wordt geraamd op 27% van de verontreiniging op de schaal van het waterlichaam. In groene ruimten, en met name in het Zoniënwoud, is dit een natuurlijk proces dat niet als waterverontreiniging wordt beschouwd. In stedelijke gebieden kan mineralisatie van organische bodems optreden nadat deze tijdens stedenbouwkundige projecten zijn omgewerkt.
- Atmosferische afzettingen (blauw), met de laagste bijdrage (7% op de schaal van het waterlichaam). Dit aandeel is echter groter in het Zoniënwoud, in het zuidoosten van het waterlichaam, mogelijk als gevolg van de grotere neerslag.
Om de nitraatconcentraties in het waterlichaam van het Brusseliaanzand te verminderen, voorziet het 4e Waterbeheerplan in:
- De voortzetting van de renovatie en uitbreiding van het rioleringsnet om het doorsijpelen van afvalwater in het grondwater te verminderen. De renovatiewerkzaamheden zullen bij voorrang worden uitgevoerd in de dalbodems, waar het waterlichaam het meest kwetsbaar is, en in de nabijheid van kwetsbare gebieden (waterwinningen, bijbehorende aquatische ecosystemen en terrestrische ecosystemen die afhankelijk zijn van het waterlichaam). De uitbreidingswerkzaamheden zullen worden gepland op basis van de nieuwe kaart met collectieve en autonome saneringszones, die binnenkort zal verschijnen. In collectieve saneringszones is aansluiting op het rioolnet verplicht. In autonome saneringszones is een individueel of semi-collectief zuiveringssysteem vereist voordat het afvalwater wordt geloosd. Zinkputten zullen niet langer worden toegestaan.
- Een vermindering van het gebruik van stikstofhoudende meststoffen door een controle van de voorwaarden voor de exploitatie van landbouw- of soortgelijke ingedeelde inrichtingen, die zijn aangemerkt als risicovol voor stikstofverontreiniging (dierenverblijven, veehouderijen, composteerinstallaties, opslagplaatsen voor mest, gier en kunstmest) en door een betere bewustmaking van particulieren, beheerders van groene ruimten en vakmensen ten aanzien van goede landbouwpraktijken. Daarnaast wordt overwogen de regelgeving aan te scherpen met betrekking tot bodemverbeteraars op basis van bioafval (compostHet natuurlijk proces waarbij organisch materiaal onder gecontroleerde omstandigheden door levende organismen wordt omgezet in humus en voedingsstoffen voor de bodem en zijn bewoners., keukenafval, enz.) en nitraten van agrarische oorsprong.
Pesticiden zijn in aanzienlijke mate aanwezig in het Brusseliaanzand, maar de situatie verbetert
De pesticiden met een significante aanwezigheid ter hoogte van het waterlichaam van het Brusseliaan zandBodemdeeltjes die groter zijn dan 0,05 mm, zijn herbiciden: atrazine, zijn afbraakproducten (desethyl- en desisopropylatrazine), alsook 2,6 dichloorbenzamide (BAM). Andere herbiciden zoals simazine, diuron of bromacil werden eveneens occasioneel en plaatselijk aangetroffen. Deze pesticiden zijn hoofdzakelijk toe te schrijven aan huishoudelijk gebruik, zowel door particulieren als openbare instanties (onderhoud van tuinen, paden, groene ruimten, begraafplaatsen, …).
De overschrijdingen van de normen voor deze stoffen worden hoofdzakelijk waargenomen in 3 monitoringspunten gelegen in sterk verstedelijkte gebieden.
De vervuiling door atrazine, zijn afbraakproducten, diuron en simazine zou getuigen van een historische verontreiniging (zijn allemaal verboden sinds medio jaren 2000) of van het illegaal gebruik van oude productvoorraden. Pesticideverontreiniging gaat nog vele jaren door, wegens de grote stabiliteit van bepaalde van deze moleculen, door hun erg langzame en complexe migratie in de bodem en in de ondergrond (adsorptie-/desorptieprocessen op de bodemdeeltjes) of door het feit dat het grondwater zich slechts langzaam vernieuwt.
Niettemin is de verbetering van de waterkwaliteit van het waterlichaam van het Brusseliaanzand onmiskenbaar:
- Sinds 2018 wordt het ingedeeld in een ‘goede toestand’ met betrekking tot pesticiden (totaal en per stof): van de 114 werkzame stoffen en metabolieten van afzonderlijke pesticiden die tussen 2022 en 2024 zijn geanalyseerd, werd 5% gekwantificeerd.
- En er werden significante en aanhoudende neerwaartse trends vastgesteld over de periode 2009 tot 2024 voor het totaal aan bestrijdingsmiddelen, atrazine en de afbraakproducten daarvan, bromacil, diuron, propazine en simazine. BAM blijft echter nog steeds in aanzienlijke concentraties aanwezig.
Het ziet ernaar uit dat de Europese en federale reglementen met betrekking tot het in de handel brengen en het schrappen van de erkenning van bepaalde pesticiden waardoor zij niet meer kunnen gebruikt worden door particulieren en openbare instanties, werpen dus vruchten af. Ook de “pesticiden” ordonnantie van 2013 evenals het bijhorend gewestelijk programma voor de reductie van pesticiden dragen bij tot de bescherming van de kwaliteit van het grondwater, door het versterken van de vereisten en de voorwaarden voor hun gebruik. Er wordt overwogen de beperkingen op het gebruik van pesticiden uit te breiden tot particuliere terreinen.
De verbetering van de waterkwaliteit zou ook het gevolg kunnen zijn van de overvloedige neerslag in de jaren 2023 en 2024, doordat de concentraties hierdoor worden verdund.
Voorzichtigheid blijft geboden aangezien tussen 2022 en 2024 niet-relevante metabolieten (chloorthalonil R 471811, dimethenamid ESA, trifluorazijnzuur TFA) werden gekwantificeerd, na de uitbreiding van de monitoring naar nieuwe stoffen. De aanwezigheid van deze stoffen moet echter nog door verdere analyse worden bevestigd.
Tetrachloorethyleen, een kankerverwekkende stof, accumuleert in sommige sites van het Brusseliaan zand
Tetrachloorethyleen is in aanzienlijke hoeveelheden aanwezig op 2 meetpunten van het waterlichaam van het Brusseliaanzand, waar de concentraties sinds 2009 aanzienlijk en duurzaam stijgen. Een ervan vertoont in 2024 zelfs een concentratie van 260 µg/l, terwijl de drempelwaardeWaarde vanaf welke initiatieven worden genomen. 10 µg/l bedraagt! Deze site is ook verontreinigd met trichloorethyleen en een van de afbraakproducten daarvan, namelijk cis-1,2-dichloorethyleen.
Hoewel het aantal sites in overschrijding laag is en niet leidt tot een verslechtering van het waterlichaam met betrekking tot deze verbinding, ligt de gemiddelde concentratie op het niveau van het waterlichaam in 2024 boven de drempelwaarde (17,6 µg/l vs 10 µg/l). Bovendien is voor deze parameter in de periode 2009-2024 een significante stijgende trend vastgesteld. Maar het waterlichaam van het Brusseliaanzand zou in 2033 voor deze parameter toch aan de goede chemische toestand moeten voldoen.
Op dit moment is het moeilijk om te bepalen of de waargenomen overschrijdingen het resultaat zijn van vroegere of huidige industriële activiteiten of een combinatie van beide.
Goed om te weten
Deze vluchtige organische verbinding is een solvent dat voornamelijk wordt gebruikt als droogreinigingsmiddel voor textiel in stomerijen, als ontvetter voor metalen, als industrieel oplosmiddel en als tussenproduct in de industrie, bijvoorbeeld voor de productie van koelvloeistoffen. Wegens het carcinogene potentieel is het gebruik ervan sinds 1980 aan banden gelegd en naar verwachting zal het tegen 2030 in Europa verboden zijn.
Tetrachloorethyleen migreert, net als alle vluchtige organochloorverbindingen (bv. trichloorethyleen, chloroform), gemakkelijk vanuit verontreinigde bodems naar het grondwater: het is namelijk weinig tot matig oplosbaar in water, zwaarder dan water en bindt zich nauwelijks aan de organische stoffen die in de bodem aanwezig zijn. De afbraak ervan in het grondwater verloopt traag en leidt tot afbraakproducten (cis-1,2-dichloorethyleen en vinylchloride) die nog schadelijker zijn voor de gezondheid en het milieu dan tetrachloorethyleen.
Het 4e Waterbeheerplan omvat het vaststellen van de bron van de tetrachloorethyleenemissies voor de 2 verontreinigde sites. Het is ook de bedoeling om gebieden in kaart te brengen die een risico lopen op verontreiniging door vluchtige organochloorverbindingen, door de gegevens uit milieuvergunningen en de inventaris van verontreinigde bodems met elkaar te vergelijken. Het plan voorziet ook in strengere voorwaarden voor milieuvergunningen voor sectoren die tetrachloorethyleen gebruiken, in het bevorderen van alternatieve stoffen en in het voortzetten van de saneringHet behandelen van de verontreiniging die een gebied aantast (bodem, water) om dat gebied in zijn oorspronkelijke staat te herstellen of ten minste wettelijk bepaalde waarden te bereiken. van bodems die verontreinigd zijn met vluchtige organische stoffen.
Het ammoniumgehalte in de Sokkel neemt toe
In 2024 werden in verschillende waterlichamen incidentele overschrijdingen van de ammoniumgrenswaarden waargenomen.
In het gesloten waterlichaam van de Sokkel wordt een niet-significante maar aanhoudende stijgende trend in de ammoniumconcentraties waargenomen. En dit kan ertoe leiden dat het waterlichaam in ‘ontoereikende toestand’ wordt ingedeeld in 2033.
Daarentegen verbetert de situatie voor het Brusseliaanzand, met een duidelijke dalende trend voor deze parameter.
Deze hoge ammoniumgehaltes zouden het gevolg zijn van:
- de instroom van vervuild oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...). (huishoudelijk en industrieel afvalwaterWater dat in huishouding of industrie dienst heeft gedaan en gewoonlijk met verschillende stoffen beladen is.) in het grondwater door directe lozingen;
- en/of een fenomeen van nitraatreductie in het geval van het gesloten waterlichaam van de Sokkel. Deze nitraten zouden afkomstig kunnen zijn van de landbouwactiviteiten stroomopwaarts van het Brussels Gewest, ter hoogte van de uitloopgebieden van het waterlichaam. Naarmate de watervoerende laag een afgesloten karakter krijgt, veranderen de omgevingsomstandigheden van oxiderend naar reducerend, waardoor nitraten worden omgezet in ammonium.
De eerste hypothese krijgt de voorkeur omdat er sporen van andere, door menselijke activiteiten veroorzaakte verontreinigende stoffen zijn aangetroffen in het gesloten waterlichaam van de Sokkel, dat dankzij een ondoordringbare geologische laag beschermd is tegen verontreiniging vanaf het oppervlak.
Directe lozingen in het grondwater zijn verboden. Ze kunnen echter wel via putten en piëzometers optreden als de constructies slecht zijn ontworpen, onvoldoende worden onderhouden, onjuist worden geëxploiteerd of niet correct worden afgedicht. Om de rechtstreekse lozing van ammonium en andere stoffen in het grondwater tegen te gaan, voorziet het 4e beheerplan dan ook in een intensivering van het toezicht op deze installaties en in het beheer van verlaten installaties, hetzij door ze op passende wijze af te sluiten, hetzij door ze op te nemen in het grondwatermonitoringsnetwerk.
Sommige andere verontreinigende stoffen onder de loep
Andere verontreinigende stoffen die van bepaalde oppervlakteactiviteiten afkomstig zijn, werden eveneens lokaal en/of occasioneel gemeten op bepaalde monitoringsites. In 2024 werden lokale overschrijdingen vastgesteld voor chloriden en sulfaten in het Brusseliaanzand en voor chloriden in het Sokkel- en Krijtsysteem. Deze 2 parameters zijn indicatoren voor het zoutgehalte van het water.
Om te downloaden
Methodologische fiche(s)
Toegang tot de gegevens
- Chemische toestand van de 5 grondwaterlichamen (2009, 2012, 2018 en 2024) (.xls)
- Applicatie Bruwater, toegang tot de grondwatergegevens
- Applicatie Brugeotool, toegang tot de geologische, hydrogeologische en geothermische gegevens
Factsheet(s)
- 4. Normen en wettelijke referentiewaarden inzake water (.pdf)
- 13. Brussels wettelijk kader inzake water (.pdf)
Autres publications de Bruxelles Environnement
- Interactieve kaart van de geologie
- Interactieve kaart van de meetstations van het niveau en de kwaliteit van het grondwater
- Tabel van de hydrogeologische eenheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (.pdf)
Studie(s) en rapport(en)
- UNIVERSITE DE LIEGE, Thomas C., Brouyère S et Orban P., juli 2019. « Mise en évidence des concentrations géochimiques de référence dans les nappes phréatiques tertiaires et du Socle en zone d’alimentation ». Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel. 235 pp. (enkel in het Frans) (.pdf)
- UNIVERSITE DE LIEGE, Thomas C., Brouyère S et Orban P., 2018. « Caractérisation de la concentration de référence de certains paramètres chimiques présents naturellement dans les masses d’eau souterraine captives du Socle et du Crétacé (BR01) et du Landénien (BR03) en Région de Bruxelles-Capitale". Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel 202 pp. (enkel in het Frans) (.pdf)
- EARTH AND LIFE INSTITUTE – UNIVERSITE CATHOLIQUE DE LOUVAIN (UCL), Petit S., Vanclooster M. et Bogaert P. maart 2018. « Caractérisation de la pollution par les nitrates dans la masse d’eau des Sables du Bruxellien/Yprésien en Région de Bruxelles-Capitale ». Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel. 88 pp. (enkel in het Frans) (.pdf)
- EARTH AND LIFE INSTITUTE – UNIVERSITE CATHOLIQUE DE LOUVAIN (UCL), De Coster A., Vanclooster M., maart 2013. “Studie van de verontreiniging van het Brusseliaans grondwaterlichaam door nitraten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: Actuele toestand en identificatie van de bronnen van de verontreiniging”. Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel. 87 pp. (enkel in het Frans) (.pdf)
Plan(nen) en programma(‘s)
- Waterbeheerplan (WBP) 2022-2027 voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, juli 2023 (.pdf)
- Voorbereidend document voor het Waterbeheerplan van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 2028-2033, maart 2025 (.pdf)
- Gewestelijk Programma voor Pesticidenreductie 2023-2027 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, januari 2023 (.pdf)
Kwantitatieve toestand van het grondwater
Focus – Actualisering: juli 2026
De kwantitatieve toestand van de 5 Brusselse grondwaterlichamen wordt geacht goed te zijn. Dat zou zo moeten blijven tegen 2033, zolang de huidige trends inzake wateronttrekking en instroom in de watervoerende lagen aanhouden. Dit is een goed teken voor met name de 3 diepste waterlichamen, waar het potentieel voor exploitatie door waterwinning beperkt is. Er bestaat daarentegen een risico voor de grondwaterlaag van het Brusseliaanzand: die bereikte eind 2021 en eind 2023 historisch lage niveaus, na meerdere jaren met een tekort aan aanvulling van het grondwater. De overvloedige regenval in de jaren 2021, 2023 en 2024 heeft deze trend omgekeerd, maar voor hoe lang? Door de klimaatveranderingen zou de aanvulling van de grondwaterlagen in 2100 naar verwachting met 10% zijn afgenomen ten opzichte van 2005.
Nagestreefde doelstelling: bereiken van de ‘goede kwantitatieve toestand’
De 5 Brusselse grondwaterlichamen moeten de ‘goede kwantitatieve en chemische toestand’ bereiken, die om de 6 jaar wordt beoordeeld (zie inleiding). De ‘goede kwantitatieve toestand’ van een grondwaterlichaam komt overeen met een duurzaam beheer van het water, dat rekening houdt met de evolutie van de winningen en de aanvulling van de aquifers. Met andere woorden, de onttrekkingen (natuurlijke of kunstmatige uitstroom) moeten in evenwicht zijn met de aanvullingsgraad van de watervoerende laag (instroom). Een ander element waarmee rekening moet worden gehouden, is de uitwisseling van water tussen watervoerende lagen in de ondergrond, zowel verticale overdrachten tussen verschillende niveaus als horizontale overdrachten tussen grensoverschrijdende watervoerende lagen.
Goed om te weten
In het geval van het grondwaterlichaam van het Brusseliaanzand zal de volgende beoordeling van de kwantitatieve toestand ook rekening houden met het basisdebiet van de Woluwe die het voedt en dat in 2026 is vastgesteld, en met minimale grondwaterafvoer die nodig is om de staat van instandhouding van de aquatische en terrestrische ecosystemen die ervan afhankelijk zijn (Natura 2000-habitats) te garanderen.
De karakterisering van de goede toestand is onder meer gebaseerd op de analyse van de evolutie van het grondwaterpeil (of piëzometrische gegevens). De hier gepresenteerde beoordeling van de kwantitatieve situatie in 2024 is gebaseerd op gegevens uit de periode 2000-2024.
Deze karakterisering is ook gebaseerd op de schatting van de beschikbare hulpbron, verkregen dankzij de uitvoering van een hydrogeologische evaluatie in het Brussels Gewest. Het doel van deze beoordeling is om voor een typisch jaar de gemiddelde instroom en uitstroom voor elk waterlichaam te berekenen. Het wordt opgesteld met behulp van numerieke hydrogeologische modellen, waarmee de grondwaterstromen kunnen worden gereproduceerd en gesimuleerd.
De modellen dienen niet alleen om deze balans te berekenen, maar maken het ook mogelijk de gevoeligheid van een waterlaag met betrekking tot de exploitatie ervan (waterwinningen) te beoordelen, de processen voor het transport van verontreinigende stoffen of warmte (geothermische energie) te analyseren en de effecten van verschillende klimaatscenario’s op de toekomstige beschikbaarheid ervan te testen.
Er werden becijferde hydrogeologische modellen ontwikkeld voor 3 van de 5 Brusselse grondwaterlichamen: het Brusseliaanzand, het Noordwest Brusseliaan en Tielt zandBodemdeeltjes die groter zijn dan 0,05 mm systeem, het Landeniaanzand. Voor de 2 waterlichamen van de Sokkel en van het Sokkel- en Krijtsysteem, is de beoordeling van de toestand, bij gebrek aan een model, uitsluitend gebaseerd op de evolutie van de piëzometrische gegevens.
Hoe wordt de kwantitatieve toestand van het grondwater gecontroleerd?
Vier monitoringnetwerken volgen de kwantitatieve toestand van het grondwater:
- Het eerste beoogt de 5 grondwaterlichamen die in het Brussels Gewest zijn afgebakend in het kader van de Kaderrichtlijn Water. Het zorgt in de eerste plaats voor de monitoring van het piëzometrische peil van het grondwater. Eind 2024 omvatte dit 39 meetpunten, verspreid over de vijf waterlichamen. Twee derde van de locaties is uitgerust met automatische meetstations, die elk uur het waterpeil aflezen. Het overblijvende deel omvat manuele stations waar het peil tweemaal per maand door een operator wordt gemeten.
Dit netwerk werd uitgebreid met de meting van het debiet van de bronnen, die in het Brusseliaanzand ontspringen. Tijdens 2 meetcampagnes – in 2018-2019 en vervolgens in 2026-2027 – zijn 6 bronnen gemonitord tijdens zowel hoogwater- als laagwaterperiodes.
- Het tweede is specifiek voor de hydrogeologische toevoerzones van de aquatische en terrestrische ecosystemen die afhankelijk zijn van het Brusseliaanzand (5 piëzometrische stations, waarvan 4 automatisch, en 6 bronnen).
- Het derde controleert specifiek het beschermingsgebied van de waterwinningen voor menselijke consumptie (18 piëzometrische stations die voornamelijk worden gecontroleerd door de waterproducent Vivaqua).
- Het laatste dient voor de quartaire sedimenten en de alluviale waterlagen (9 piëzometrische stations). Aan deze grondwaterlagen wordt bijzondere aandacht besteed, zowel wat betreft de bronbemalingen in het kader van stadsontwikkelingsprojecten als wat betreft mogelijke grondwaterstijgingen in het kader van projecten voor geïntegreerd regenwaterbeheer.
Alle Brusselse grondwaterlichamen verkeren in een goede kwantitatieve toestand
De 5 grondwaterlichamen werden in 2024 beoordeeld als zijnde in goede kwantitatieve toestand. En dat zal zo blijven tegen 2033, voor zover de huidige trends inzake wateronttrekking en instroom in de aquifers worden aangehouden.
Kwantitatieve toestand van de 5 Brusselse grondwaterlichamen (2024)
Bron: Leefmilieu Brussel, 2026
Eerste duidingselement: de evolutie van het grondwaterpeil
De piëzometrische gegevens over de periode 2000-2024 in 4 van de 5 grondwaterlichamen vertonen een gunstige tendens: het waterpeil in de grondlagen vertoont een algemene stijgende tendens of blijft stabiel, zoals hieronder wordt geïllustreerd door de ontwikkeling van het niveau in het Landeniaanzand.
Twee daarvan zijn in de 20e eeuw overmatig geëxploiteerd: het Landeniaanzand en het Sokkel- en Krijtsysteem. In beide gevallen bevond de hotspot van overmatige exploitatie zich ten westen van het Brussels Gewest, in West-Vlaanderen (Van Camp, Walraevens, 2014). Dankzij een goed beheerd onttrekkingsbeleid stijgt het piëzometrische niveau ter hoogte van deze hotspots, wat een positief effect heeft op de piëzometrische niveaus, zelfs tot in het Brussels Gewest.
Het piëzometrische niveau van het waterlichaam van het Landeniaanzand vertoont een stijgende tendens
Bron: Leefmilieu Brussel, 2026 – grafieken uit BruWater betreffende de evolutie van het piëzometrisch niveau bij referentiestation ‘392 Coca’
De enige uitzondering betreft het waterlichaam van het Brusseliaanzand, waarvan de niveaus eind 2021 en eind 2023 historisch laag waren. Deze minimumwaarden werden bereikt na een aanzienlijke daling van de piëzometrische druk gedurende meer dan 10 jaar als gevolg van onvoldoende aanvulling, die op haar beurt het gevolg was van onvoldoende neerslag. Het piëzometrische niveau van het Brusseliaanzand hangt inderdaad rechtstreeks samen met de neerslaghoeveelheden, vanwege de relatief geringe diepte van deze watermassa en het feit dat het om een open watermassa gaat.
Gelukkig heeft de overvloedige regenval in de jaren 2021, 2023 en 2024 ervoor gezorgd dat deze trend is omgebogen. Ondanks deze opleving blijft de gemiddelde piëzometrische stand van het Brusseliaanzand in de recente periode 2020-2024 statistisch gezien aanzienlijk lager dan de waarden die sinds het begin van de metingen zijn geregistreerd.
Het piëzometrische niveau van het waterlichaam van het Brusseliaanzand bereikte eind 2021 en eind 2023 een historisch dieptepunt
Bron: Leefmilieu Brussel, 2026 – grafieken uit BruWater betreffende de evolutie van het piëzometrisch niveau bij referentiestation ‘397 Bonnier’
De ontwikkeling van de piëzometrische metingen in het Brusseliaanzand verschilt echter per meetlocatie:
- In de stroomopwaarts gelegen delen van het waterlichaam (op de plateaus), zoals bij het hierboven genoemde referentiestation, is een algemene neerwaartse trend waar te nemen.
- In de stroomafwaarts gelegen delen van het waterlichaam (in de buurt van de valleibodems/gebieden waar de bronnen aan het oppervlak komen) is de trend stabieler.
Bovendien kunnen de schommelingen in het waterpeil een meerjarige cyclus volgen, zoals bij het referentiestation, of een seizoensgebonden cyclus.
Meerdere factoren zouden deze variabiliteit binnen het waterlichaam van het Brusseliaanzand kunnen verklaren: de milieuomstandigheden van het meetpunt (verstedelijking, enz.), zijn ligging ten opzichte van de grenzen van de aquifer, de diepte van de aquifer loodrecht op het meetpunt, de doorlatendheid van de geologische formaties van de niet-verzadigde zone waar infiltratiewater doorheen loopt, de interactie met het oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...)., ...
Goed om te weten
De waterlichamen van het freatische systeem worden gedeeltelijk in het Brussels Gewest gevoed of aangevuld, voornamelijk op de plateaus. De aanvulling van de artesische waterlichamen vindt uitsluitend buiten de gewestgrenzen plaats, in de alluviale valleien van de Dender en de Dijle in het Vlaams en Waals Gewest.
Het ondoordringbaar maken van de bodems in deze aanvoergebieden kan de infiltratie in het grondwater beperken en daardoor de aanvullingscapaciteit beïnvloeden (zie focus over de ondoorlaatbaarheid van Brusselse bodems).
Tweede duidingselement: de evolutie van gewonnen watervolumes
Ongeveer 150 winningen, verspreid over de verschillende waterlichamen, zijn onderworpen aan een vergunning. Daarvan zijn er ruim 100 daadwerkelijk in gebruik.
In 2024 werd er 2,3 miljoen m3 water gewonnen uit de verschillende lagen, waarvan 84% uit het waterlichaam van het Brusseliaanzand. Het grootste deel van het water dat uit deze grondwaterlaag wordt onttrokken, is namelijk bestemd voor de productie van drinkwater (waterwinningen van Vivaqua in het Terkamerenbos en het Zoniënwoud – zie indicator “Waterbevoorrading en verbruik van het leidingwater”).
De rest van het volume dat uit het Brusselse grondwater wordt onttrokken is bestemd voor tertiair gebruik (15% in 2024) en, in mindere mate, voor industrieel gebruik (3%). Het volume dat bestemd is voor de landbouwsector is gering (1%), maar neemt al zo’n 15 jaar toe.
Wist u dit?
De volumes die in 2024 voor de drinkwatervoorziening uit het Brusselse grondwater werden gehaald, vertegenwoordigen 81% van de totale volumes die eruit worden gehaald. Ze voorzien echter in slechts 3% van de drinkwaterbehoefte van het Brussels Gewest!
Een dalende tendens is duidelijk merkbaar voor de gewonnen volumes waarvoor een vergunning vereist is en dat voor alle waterlichamen en alle gebruiken: - 46% tussen 1990 en 2024. Die algemene daling kan verklaard worden:
- Vooral door een algehele afname in waterwinning voor drinkwatervoorziening van 39% tussen 1990 en 2024. Dit is het gevolg van de dalende piëzometrische waarden van het Brusseliaanzand in de galerij van het Zoniënwoud (die het grondwater via zwaartekrachtstroming afvoert) en van de afname van de volumes die uit de waterwinningsputten in het Terkamerenbos worden onttrokken.
- En in mindere mate door de tertiarisering van de Brusselse economie: waterwinning voor industriële doeleinden neemt alsmaar af, zowel in aantal als in volume. Sinds 2018 is er een lichte stijging opgetekend voor de tertiaire sector: het zou kunnen betekenen dat deze sector steeds meer beroep doet op grondwaterwinning als alternatief voor drinkwater.
De voorspellingen zijn dat de onttrekkingen in het Brussels gewest voor de drinkwatervoorziening en de industriële sector status quo zullen blijven of zullen afnemen. In de tertiaire sector vertonen ze een lichte stijging. Het waterverbruik door de landbouwsector zal naar verwachting blijven stijgen, maar het aandeel ervan is gering.
Wist u dit?
Naast die onttrekkingen waarvoor een vergunning vereist is, wordt er op bouwwerven tijdelijk water opgepompt om het grondwater te bemalen en om de funderingen van bouwwerken droog te kunnen realiseren of om werken met betrekking tot de saneringHet behandelen van de verontreiniging die een gebied aantast (bodem, water) om dat gebied in zijn oorspronkelijke staat te herstellen of ten minste wettelijk bepaalde waarden te bereiken. van verontreinigde bodems te kunnen verrichten.
Er wordt ook permanent water opgepompt:
- om te voorkomen dat de ondergrondse infrastructuren van de metro overstroomd worden (hoofdzakelijk door ondiepe alluviale watervoerende lagen). De betreffende debieten zijn niet met zekerheid gekend, maar zijn in het algemeen redelijk beperkt.
- of met het oog op een geothermisch gebruik van het grondwater, dat in opkomst is. Begin 2026 waren 7 geothermische installaties met een open systeem operationeel. 9 andere waren dat nog niet, maar hadden hun vergunning al gekregen, en 7 extra aanvragen werden op dat moment behandeld. De installaties maken gebruik van 2 diepe artesische watervoerende lagen: het Landeniaanzand en de Sokkel. De onttrokken debieten worden systematisch weer in dezelfde watervoerende laag geïnjecteerd.
Wat is de gevoeligheid van de grondwaterlagen voor onttrekking door waterwinning?
Met behulp van onder meer hydrogeologische modellen werd de gevoeligheid van de waterlichamen voor onttrekking door waterwinning beoordeeld. Met andere woorden, men heeft bepaald wat de relatieve invloed is van de wateronttrekkingsdruk op de kwantitatieve toestand van de grondwaterlagen.
Voor de twee waterlichamen van de Paleo-Mesozoïsche sokkel werd de gevoeligheid, bij gebrek aan een hydrogeologisch model, door deskundigen geraamd. Ze wordt vergelijkbaar geacht met die van het Landeniaanzand, gezien de vele overeenkomsten tussen deze waterlichamen (artesisch karakter van de grondwaterlagen, min of meer identieke infiltratiezones, sterk beperkte aanvulling door een gebrek aan doorlatendheid van de bovenliggende lagen enz.).
- Voor het freatische systeem, bestaande uit de waterlichamen van het Brusseliaanzand en het Noordwest Brusseliaan en Tielt zandBodemdeeltjes die groter zijn dan 0,05 mm systeem, wordt de gevoeligheid voor wateronttrekking als laag beschouwd.
- Voor de drie artesische waterlichamen is ze matig. Met andere woorden hebben zij een beperkt potentieel voor exploitatie door waterwinning. Het is dan ook absoluut noodzakelijk de onttrekkingen nauwgezet te beheren om een duurzaam beheer van de hulpbron te waarborgen.
Een ander specifiek duidingselement voor het freatische systeem: de drainage van grondwater op de bodem van de vallei
Voor het freatische systeem dat in contact staat met oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...)., vormen de onttrekkingen door waterwinning niet het grootste deel van de uitstroom – verre van. De belangrijkste uitstroom is de natuurlijke afwatering van het grondwater in de alluviale valleibodem door het hydrografische net enerzijds en het rioleringssysteem anderzijds. De andere uitstroom betreft de voeding van de bronnen (meer dan 200 geïdentificeerd in 2025), met een klein aandeel, dat vergelijkbaar is met dat van de onttrekkingen door waterwinning.
Derde duidingselement: de evolutie van de gemiddelde jaarlijkse aanvulling
Een waterbalans werd opgesteld op basis van neerslag- en potentiële evapotranspiratiegegevens van het KMI, voor elk jaar van 1976 tot 2024. Het laat zien hoe atmosferische neerslag (P) wordt verdeeld tussen: actuele evapotranspiratieRegenwater wordt in de bodem vastgehouden en verdampt vervolgens naar de atmosfeer. De aanwezigheid van planten versterkt dit fenomeen aanzienlijk. (AET), afvloeiing (R) over grondoppervlakken en aanvulling of infiltratie (I), d.w.z. de hoeveelheid die door de bodem en de ondergrond sijpelt om de grondwaterpeilen te voeden.
Goed om te weten
De periode waarin in principe grondwateraanvulling plaatsvindt, de zogenaamde periode van effectieve aanvulling, zou van september-oktober tot februari-maart lopen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (KMI, 2014 & studie met betrekking tot de modellering van de Brusseliaan-waterlaag, 2015). In de lente en in de zomer is er weinig infiltratie van neerslagwater, omdat dit dan naar plantengroei gaat. Bovendien stromen tijdens onweersbuien in de zomer grote neerslaghoeveelheden over het grondoppervlak weg en ze komen terecht in het rioolstelsel en het oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...)..
Waterbalans in het station van Ukkel (1976-2024)
Bron: Leefmilieu Brussel, op basis van de gegevens van het KMI in het station van Ukkel, 2025
De jaren 2021, 2023 en 2024 worden gekenmerkt door een zeer aanzienlijke aanvulling, door de zeer overvloedige neerslag in die jaren.
Niettemin is er over de periode 1976-2024 een neerwaartse trend in de grondwateraanvulling van bijna 30% vastgesteld. Die is het resultaat van een daling van de neerslag die in deze periode werd waargenomen, gecombineerd met een betrekkelijk constante evapotranspiratieRegenwater wordt in de bodem vastgehouden en verdampt vervolgens naar de atmosfeer. De aanwezigheid van planten versterkt dit fenomeen aanzienlijk..
Klimaatveranderingsmodellen voorspellen bovendien een afname van de aanvulling met ongeveer 10% in 2100 vergeleken met 2005, ongeacht het klimaatscenario (wetenschappelijk consortium CORDEX). Verwacht wordt dat de evapotranspiratieRegenwater wordt in de bodem vastgehouden en verdampt vervolgens naar de atmosfeer. De aanwezigheid van planten versterkt dit fenomeen aanzienlijk. (ETR) zal toenemen, in overeenstemming met de stijgende temperaturen. Het neerslagregime (P) zal veranderen, maar de veranderingen (spreiding in de tijd, frequentie, intensiteit en duur) variëren al naargelang van de klimaatscenario’s.
Wat is de gevoeligheid van het grondwater voor variaties in de aanvulling?
De piëzometrie van het grondwater blijkt sterk gevoelig te zijn voor de aanvullingsvariaties, en dat voor alle vijf waterlichamen.
- Voor het freatische systeem is de gevoeligheid ongeveer 15 maal hoger dan de gevoeligheid voor de onttrekkingen door waterwinning;
- Voor het Landeniaanzand is ze 5 keer hoger.
Wat is de impact van klimaatverandering op het grondwaterpeil?
Een eerste kwantificering van de impact van deze geprogrammeerde daling van de aanvulling op de grondwatervoorraden kon voor het freatische systeem worden uitgevoerd dankzij het hydrogeologische model. Uit de simulatie blijkt dat de piëzometrie van deze waterlichamen tegen 2100 zou kunnen dalen tot een waarde van -0,83 m ten opzichte van 2013, met als gevolg:
- Een daling van 1 tot 4% van het gemiddelde jaarlijkse basisdebiet van het grondwater dat het stelsel van het oppervlaktewaterEr wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt tussen zeewater en binnenwater, wat op zijn beurt in oppervlaktewater en grondwater wordt onderverdeeld. Het oppervlaktewater wijst op het water dat op de oppervlakte van de aarde afvloeit of stagneert en bevat het water van de meren, rivieren en waterpartijen (vijver, kunstmatige bekkens, poelen, ...)./de hoofdcollectoren op de bodem van de vallei voedt. Dit zal leiden tot een daling van het basisdebiet van de Brusselse rivieren en zal dus een directe impact hebben op de waterkwaliteit en op de duurzaamheid van de ecosystemen die verband houden met het grondwater.
- Een daling van 3% van het gemiddelde jaarlijkse debiet van de drainagegalerij in het Zoniënwoud.
Om te downloaden
Toegang tot de gegevens
- Applicatie Bruwater, toegang tot de grondwatergegevens
- Applicatie Brugeotool, toegang tot de geologische, hydrogeologische en geothermische gegevens
Factsheet(s)
- 4. Normen en wettelijke referentiewaarden inzake water (.pdf)
- 13. Brussels wettelijk kader inzake water (.pdf)
Andere publicaties van Leefmilieu Brussel
- Interactieve kaart van de geologie
- Interactieve kaart van de hydrogeologie
- Interactieve kaart van de grondwater winningen
- Interactieve kaart van de meetstations van het niveau en de kwaliteit van het grondwater
- Tabel van de hydrogeologische eenheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (.pdf)
- Brussels Phreatic System Model (BPSM) – versie 1.0 – Hydrogeologische modellering op basis van de eindige-elementenmethode met betrekking tot het freatische systeem, september 2020. 148 pp. (.pdf) (enkel in het Frans)
- BRUSTRATI3D Versie 1.1, Harmonisation et corrections apportées aux rasters des toits des unités stratigraphiques du modèle BRUSTRATI3D version 1.0 et calcul des rasters d’épaisseurs - Addendum au rapport BRUSTRATI3D version 1.0 (Belgische Geologische Dienst), 2018. 56 pp. (.pdf) (enkel in het Frans)
Studie(s) en rapport(en)
- KONINKLIJK BELGISCH INSTITUUT VOOR NATUURWETENSCHAPPEN, BELGISCHE GEOLOGISCHE DIENST (BGD), 2017. “BRUSTRATI3D Versie 1.0, Stratigrafische 3D-modellering van de ondergrond van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest”. Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel. 110 pp. (.pdf) (enkel in het Frans)
- KONINKLIJK BELGISCH INSTITUUT VOOR NATUURWETENSCHAPPEN, BELGISCHE GEOLOGISCHE DIENST (BGD) en AQUALE, augustus 2015. “Geologische 3D-modellering van de aquifer van het Landeniaan – Fase 1”. Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel. 61 pp. (.pdf) (enkel in het Frans)
- KONINKLIJK BELGISCH INSTITUUT VOOR NATUURWETENSCHAPPEN, BELGISCHE GEOLOGISCHE DIENST (BGD) en AQUALE, december 2016. “Uitvoering van een hydrogeologische studie van het grondwaterlichaam van het Landeniaan” - Fase 2. Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel. 278 pp. (.pdf) (enkel in het Frans) p.1-133
- KONINKLIJK BELGISCH INSTITUUT VOOR NATUURWETENSCHAPPEN, BELGISCHE GEOLOGISCHE DIENST (BGD) en AQUALE, november 2015. “Uitvoering van een hydrogeologische studie van het grondwaterlichaam van het Brusseliaan – Fase 1: Geologische 3D-modellering van de geologische formaties die het grondwaterlichaam van het Brusseliaan zand vormen”. Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel. 56 pp. (.pdf) (enkel in het Frans)
- KONINKLIJK BELGISCH INSTITUUT VOOR NATUURWETENSCHAPPEN, BELGISCHE GEOLOGISCHE DIENST (BGD) en AQUALE, december 2015. “Uitvoering van een hydrogeologische studie van het grondwaterlichaam van het Brusseliaan – Fase 2”. Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel. 470 pp. (zonder de bijlagen) (.pdf) (enkel in het Frans)
Plan(nen) en programma(‘s)
Modellering van de ondergrondse waterlagen van de Brusseliaanzanden en het Landeniaan
Focus - Actualisering : januari 2018
De grondwaterlagen van het Brusseliaanzand en het Landeniaan zijn twee strategische waterreserves in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Modelleringen hebben aangetoond dat hun huidige exploitatie voor de drinkwaterbevoorrading en industrieel en tertiair gebruik redelijk en duurzaam lijkt. Hoewel de grondwaterlaag van het Brusseliaanzand goed stand houdt, is het waterniveau gevoelig voor de toevoer van regenwater en dus voor de klimaatveranderingWijst op trage variaties van de klimaatskenmerken mettertijd, op een welbepaalde plaats: opwarming of afkoeling. Sommige vormen van luchtvervuiling, veroorzaakt door menselijke activiteiten, zijn een bedreiging voor het klimaat in de zin dat er een globale opwarming zou kunnen ontstaan. Dit verschijnsel kan belangrijke schade veroorzaken: stijging van de zeeniveaus, verergering van de uiterste klimaatsverschijnselen (droogtes, overstromingen, wervelstormen, enz.), destabilisatie van de bossen, bedreiging voor de zoetwatervoorraden, moeilijkheden voor de landbouw, woestijnvorming, vermindering van de biodiversiteit, verspreiding van tropische ziekten, enz.. De Landeniaanse grondwaterlaag wordt gekenmerkt door een minder bestendige instandhouding en een grotere gevoeligheid voor onttrekking.
Het bereiken van de “goede kwantitatieve toestand”: een uitdaging voor de beheerder
Het grondwater van het Brussels Gewest moet in 2015 en tegen 2021 voldoen aan de doelstellingen die zijn vastgelegd in de Europese richtlijnen (zie focus van het VSL 2011-2014). Een van deze doelstellingen is het bereiken van een “goede kwantitatieve toestand” van de grondwaterlichamen, namelijk een duurzaam beheer van de watervoorraden.
Om te voorspellen of de kwantitatieve toestand van het grondwater ook in de komende jaren zal worden bereikt, moeten we het voortbestaan van de beschikbare watervoorraden ramen. We moeten met andere woorden beoordelen of de watervoorraad duurzaam wordt en zal worden beheerd en of de watertoevoer (aanvulling van de grondwaterlaag) zal volstaan om aan de vraag (onttrekking) te voldoen. Hydrogeologische modellering is hiervoor een zeer nuttig hulpmiddel.
Hydrogeologische modellering: een instrument om de watervoorraden te beoordelen
Daarom heeft Leefmilieu Brussel als beheerder van de grondwaterlichamen een beroep gedaan op de Belgische Geologische Dienst en Aquale om twee van de vijf Brusselse grondwaterlichamen te modelleren: die van het Brusseliaanzand (model Hydrobrux) en die van het Landeniaan (model Hydroland).
Hydrobrux (2012 – 2015) focust op het grondwaterlichaam van het Brusseliaanzand. Deze voorraad bevindt zich op de oostelijke helling van de vallei van de Zenne en is van het grootste belang, want 80% van het onttrokken water in het BHG, voor elk gebruik, is afkomstig van deze laag en de grote meerderheid ervan is bestemd voor de drinkwaterbevoorrading (zie de indicator “Waterbevoorrading en verbruik van het leidingwater”).
Hydroland (2014 – 2016) focust op het grondwaterlichaam van het Landeniaan, een watervoerende laag die dieper is dan die van het Brusseliaanzand en afgesloten (ze bevindt zich namelijk onder een onderdoordringbare laag die onder druk staat). Hoewel aan deze laag minder water wordt onttrokken dan aan het Brusseliaanse grondwaterlichaam, kan ze toch als de tweede strategische grondwaterreserve in het BHG worden beschouwd.
Het doel van deze modellen is het voortbestaan van de watervoorraden te ramen en dus de gevoeligheid van de watervoerende lagen voor de druk waaraan ze zijn onderworpen te beoordelen (variaties in de aanvulling en/of onttrekking), meer bepaald in de context van de klimaatveranderingWijst op trage variaties van de klimaatskenmerken mettertijd, op een welbepaalde plaats: opwarming of afkoeling. Sommige vormen van luchtvervuiling, veroorzaakt door menselijke activiteiten, zijn een bedreiging voor het klimaat in de zin dat er een globale opwarming zou kunnen ontstaan. Dit verschijnsel kan belangrijke schade veroorzaken: stijging van de zeeniveaus, verergering van de uiterste klimaatsverschijnselen (droogtes, overstromingen, wervelstormen, enz.), destabilisatie van de bossen, bedreiging voor de zoetwatervoorraden, moeilijkheden voor de landbouw, woestijnvorming, vermindering van de biodiversiteit, verspreiding van tropische ziekten, enz.. Ze moeten ook de waterstromen die tussen het Brussels en het Vlaams Gewest stromen kwantificeren. Voor Hydrobrux was het in kaart brengen van de interacties tussen de grondwaterlaag van het Brusseliaanzand en de Woluwe-waterloop een bijkomende doelstelling.
Stap 1: ontwikkeling van 3D-modellen van de geologische formaties
De eerste stap was de “bouw” van de 3D-architectuur van de Brusselse ondergrond met het geheel van gekende geologische formaties in het BHG, van aan de oppervlakte tot aan de top van de paleozoïsche sokkel (de oudste en diepste (> 100m) gekende laag in Brussel).
Eerst werden de hoogten van de toppen van formaties afkomstig van 3250 boringen/peilingen in een databank ingevoerd (Microsoft Access). Met behulp van een geografisch informatiesysteem (GIS) werden deze verschillende gegevens vervolgens geïnterpoleerd om de toppen van de verschillende geologische lagen in kaart te brengen. Ten slotte werd de 3D-architectuur opgebouwd door de verschillende oppervlakken die in de vorige stap in 2D werden gemodelleerd op elkaar te plaatsen. Zo werd een 3D-weergave, een zogenoemde “layer cake” verkregen.
Stap 2: hydrogeologische modellering
De tweede grote stap was het modelleren van de bestaande stromen binnen elk van de onderzochte hydrogeologische systemen (Brusseliaanzand of Landeniaan) onder FEFLOW 6.0. Na implementatie van de geologische, hydrogeologische, hydrologische en klimaatgegevens werd het model zodanig gekalibreerd dat het, onder andere, de tussen 2009 en 2013 gemeten piëzometrie weergaf.
Beoordeling van het voortbestaan van de beschikbare voorraden
Het voortbestaan van de beschikbare watervoorraden in het Brusseliaanzand en het Landeniaan werd geraamd via de studie van twee invloedrijke parameters: de infiltratie en de onttrekkingen van water. Door de waarden van deze parameters te wijzigen, werden verschillende scenario’s verkregen.
Voor het Brusseliaanzand blijkt duidelijk dat de infiltratie – of het bijvullen van water van het systeem via de neerslag, de belangrijkste parameter is die de piëzometrie van de laag (nl. het waterniveau) beïnvloedt. De sterke of minder sterke aanvulling van de laag lijkt een meerjarige seizoenscyclus te volgen en hoewel ze vandaag eerder laag is, zou ze in de komende jaren geleidelijk moeten stijgen. Een redelijke stijging van de onttrokken debieten zou de beschikbare voorraden niet mogen bedreigen.
Voor het Landeniaan stijgt de piëzometrie al sinds verschillende jaren, vooral in het noorden van het BHG. Dit wijst erop dat de huidige exploitatie een beperkte invloed lijkt te hebben op de - a priori voldoende - watervoorraden maar geen te sterke stijging van de onttrekkingen zou rechtvaardigen. Dit grondwaterlichaam lijkt inderdaad vrij gevoelig voor de onttrokken debieten.
In de huidige toestand lijkt de exploitatie van deze twee watervoerende lagen dus redelijk en hun beheer duurzaam. De modellen tonen ook aan dat de twee waterlichamen gevoelig kunnen zijn voor de klimaatverandering, via een variabiliteit van de hoeveelheid neerslag.
Kwantificering van de uitwisselingen van grondwater met het Vlaams Gewest
De interregionale uitwisselingen binnen het Brusseliaanzand en Landeniaan werden gekwantificeerd en in kaart gebracht en dit toont een positieve balans aan voor het BHG. De belangrijkste ingangspunten van deze stromen bevinden zich langs de zuidgrens en de oostgrens voor de twee onderzochte watervoerende lagen. Voor het Landeniaan bevinden de belangrijkste ingangspunten zich langs de noord- en westgrens en voor het Brusselliaan uitsluitend langs de noordgrens.
Weergave van de interacties tussen het grondwaterlichaam van het Brusseliaanzand en de Woluwe-waterloop
De laag lijkt voornamelijk te worden gedraineerd door de rivier, vooral in het stroomopwaartse gedeelte van de waterloop, een hoofdzakelijk bebost gebied. Meer stroomafwaarts, in de stedelijke omgeving, zouden de regenwatercollectoren de laag sterker draineren dan de Woluwe, wat dit systeem overigens bijzonder complex maakt voor een nauwkeurige modellering. Door de vele onzekerheden als gevolg van de bijzondere omgeving van de Woluwe (nabijheid van de collector en moeilijk te kwantificeren interacties met de grondwaterlaag), zijn de resultaten die met het model worden verkregen onvolledig en voorlopig.
Naar een derde hydrogeologisch model
De hydrogeologische modellen die in de huidige projecten (Hydrobrux en Hydroland) werden ontwikkeld blijven zeer belangrijke instrumenten, die we kunnen blijven gebruiken, meer bepaald om voorspellingen te maken en beslissingen te nemen in het kader van het duurzaam grondwaterbeheer in het BHG.
We zullen deze instrumenten continu kunnen verbeteren dankzij nieuwe gegevens waarmee we de kalibrering kunnen verfijnen en dankzij een meer diepgaande kennis van het Brussels hydrogeologisch systeem.
Het Hydrobrux-model heeft echter een aantal zwakheden. Eerst en vooral is het moeilijk om de invloed van de collectoren en van het gehele hydrografische netwerk op de onderzochte grondwaterlichamen te integreren. Ten tweede bemoeilijken de sterk verstedelijkte omgeving van het Gewest en de talrijke antropogene wijzigingen die in de loop van honderden jaren aan het hydrografisch systeem werden aangebracht het onderzoek.
Er wordt dus een derde model van het geheel van het Brusselse hydrogeologisch systeem ontwikkeld om de vastgestelde zwakheden op te lossen. Het zou vollediger en nauwkeuriger moeten zijn dan het Hydrobrux-model. De horizontale uitbreiding ervan zal het mogelijk maken om heel het BHG erin op te nemen. De verschillende doorboorde geologische lagen zullen nauwkeuriger worden gedefinieerd en er zal beter rekening worden gehouden met de riolerings- en hydrografische netten.
Om te downloaden
Andere publicaties van Leefmilieu Brussel
- Interactieve kaart van de geologie
- Interactieve kaart van de grondwater winningen
- Interactieve kaart van de meetstations van het niveau en de kwaliteit van het grondwater
- Interactieve kaart van de gegevens van het waterniveau en van de kwaliteit van het grondwater
Studie(s) en rapport(en)
- BELGISCHE GEOLOGISCHE DIENST (Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen) & AQUALE - ECOFOX DEVELOPPEMENT, 2011. Project Hydrobrux. “Etude hydrogéologique de la masse d’eau souterraine des sables du Bruxellien – Phase 1 : Modélisation géologique”. Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel. 56 pp. (enkel in het Frans) (.pdf)
- AQUALE - ECOFOX DEVELOPPEMENT & BELGISCHE GEOLOGISCHE DIENST (Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen), december 2015. Project Hydrobrux. “Etude hydrogéologique de la masse d’eau souterraine des sables du Bruxellien – Phase 2 : Modélisation hydrogéologique”. Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel. 470 pp. (enkel in het Frans) (.pdf)
- BELGISCHE GEOLOGISCHE DIENST (Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen) & AQUALE - ECOFOX DEVELOPPEMENT, augustus 2015. Project Hydroland. “Etude hydrogéologique de la masse d’eau souterraine des sables du Landénien – Phase 1 : Modélisation géologique”. Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel. 61 pp. (enkel in het Frans) (.pdf)
- AQUALE - ECOFOX DEVELOPPEMENT & BELGISCHE GEOLOGISCHE DIENST (Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen), december 2016. Project Hydroland. “Etude hydrogéologique de la masse d’eau souterraine des sables du Landénien – Phase 2 : Modélisation hydrogéologique”. Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel. 273 pp. (enkel in het Frans) (.pdf) http://document.environnement.brussels/opac_css/elecfile/20161215-R-2016-043-Vfinale_p1_a_p133.pdf en (.pdf) et http://document.environnement.brussels/opac_css/elecfile/20161215-R-2016-043-Vfinale_p134_a_p278.pdf
- CAMBIER G. & DEVLEESCHOUWER X., december 2013. “A GIS-based methodology for creating 3D geological models in sedimentary environment : application to the subcrop of Brussels”. Zeitschrift der Deutschen Gesellschaft für Geowissenschaften, 164(4): 557-567, 12 pp. (in het Engels)
- DEVLEESCHOUWER X. & POURIEL F., 2006. “Brussels Urban Geology (BUG) : a 2D and 3D model of the underground by means of GIS”. The Geological Society of London, IAEG2006 Paper number 420. 9 pp. (in het Engels) (.pdf)
Plan(nen) en programma(‘s)