Energie-intensiteit
- Energie
- Het milieu: stand van zaken
- Woning
- Tertiaire sector
Globale energie-intensiteit
Indicator - Actualisering: september 2026
Energie-intensiteit is de verhouding tussen een verbruikte hoeveelheid energie en een representatieve variabele. Op nationaal of internationaal niveau wordt de energie-intensiteit van een land vaak berekend ten opzichte van het BBP of ten opzichte van het aantal inwoners. In het BHG is de globale energie-intensiteit tussen 1990 en 2004 gestegen, maar de laatste jaren stapsgewijs verbeterd: gaande van 20,6 MWh/inwoner in 1990 naar 23,8 in 2004, en 13,7 in 2024 (zonder klimaatnormalisatie).
De gewestelijk energiebalans
Elk jaar stelt Leefmilieu Brussel een energiebalans op van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (BHG). Gebaseerd op het principe van een boekhoudkundige balans verstrekt deze alle energiegerelateerde gegevens voor het hele gewest: de hoeveelheden energie die elk jaar worden geïmporteerd, geëxporteerd, geproduceerd, verwerkt en verbruikt door de verschillende activiteitensectoren op het Brussels grondgebied.
De tijdreeks, die teruggaat tot 1990, wordt elk jaar herzien vanaf het jaar 2014 en aangevuld met een nieuwe gevalideerde jaarbalans. Het laatst beschikbare jaar is momenteel “n-2” ten opzichte van het lopende jaar “n” waarin de nieuwe balans wordt geproduceerd.
De ruwe data van de energiebalans die voor de indicatoren op deze pagina wordt verbruikt, zijn beschikbaar in het kader “Om te downloaden” hieronder.
Wat is energie-intensiteit?
De energie-intensiteit (van een activiteitensector) is de verhouding tussen de hoeveelheid (door die sector) verbruikte energie en een variabele die representatief is voor het activiteitsniveau (van die sector).
Een hogere energie-intensiteit komt dus overeen met:
- ofwel een hoger energieverbruik voor een zelfde niveau van de in aanmerking genomen variabele,
- ofwel een beperking van de gebruikte representatieve variabele (daling van de waarde van de noemer in de berekende verhouding, wanneer het energieverbruik -of teller- constant blijft),
- ofwel een combinatie van beide.
Op nationaal of internationaal niveau wordt de energie-intensiteit van een land vaak berekend in verhouding tot het BBP of in verhouding tot het aantal inwoners. Deze indicatoren worden overigens algemeen gebruikt voor vergelijkingen tussen gewesten of landen.
Een dalende globale energie-intensiteit van het Brussels Gewest
Globaal genomen daalt in Brussel het totaal energieverbruik sinds 2004 terwijl de Brusselse bevolking net geleidelijk toeneemt sinds 1997 (Voor meer informatie, zie de indicator voor het Brussels energieverbruik).
Evolutie van het totale energieverbruik in het Brussels Gewest (met en zonder klimaatnormalisatie) en evolutie van de Brusselse bevolking en evolutie van de gewestelijke energie-intensiteit
Bron: Leefmilieu Brussel (Gewestelijke energiebalansen 2024) en BISA volgens de gegevens van ADSEI (bevolking op 1 januari)
Herinnering: De “klimaatnormalisatie” van het energieverbruik dient om de invloed van het klimaat (GD 15/15) op het verbruik aan het licht te brengen en dus een idee te geven van het verbruik bij een ongewijzigd gebleven klimaat (vergeleken met het gemiddelde klimaat over de referentieperiode).
Dit heeft geleid tot een geleidelijke verbetering van de totale energie-intensiteit als totaal energieverbruik per inwoner: 13,7 MWh/inwoner in 2024 tegenover 23,8 in 2004 en 20,6 in 1990 (zonder klimaatnormalisatie).
Voor elke ruimtelijke entiteit die het voorwerp uitmaakt van een dergelijke berekening moet deze indicator omzichtig worden geanalyseerd omdat hij onvermijdelijk sterk wordt beïnvloed door de socio-economische kenmerken ervan.
Zo stemt het Brussels Hoofdstedelijk Gewest overeen met een stadsgewest dat onder meer wordt gekenmerkt door:
- Een laagste gemiddelde inkomen van de 3 Belgische Gewesten en een ongelijkere spreiding ervan (ook een lager mediaaninkomen) (volgens de fiscale gegevens van Statbel waarnaar wordt verwezen door het BISA). In 2024, 26% van de Brusselse bevolking leeft van een inkomen dat lager ligt dan de armoederisicodrempel (drempel vastgelegd op 60% van het mediaan equivalent besteedbaar inkomen in België, volgens de resultaten van de Europese enquête “Statistics on Income and Living Conditions” EU-SILC);
- Een huisvestingsmarkt die wordt gekenmerkt door een groot aandeel huurders (62% volgens de Belgische Census 2021), wat een invloed heeft op het potentieel aan energieverbeteringen van de bestaande gebouwen;
- Een groot aantal pendelaars (~403.000 volgens de ramingen van de enquête naar de arbeidskrachten 2024 van Statbel), wat inhoudt dat een deel van het energieverbruik voor het vervoer of voor de economische activiteiten te maken heeft met de activiteit van personen die buiten het Gewest wonen;
- Een overwegend tertiaire activiteit en een beperkt industrieel netwerk (volgens de gegevens van het INR).
Een daling van de totale energie-intensiteit (per inwoner) betekent de facto dus niet dat elke inwoner van het BHG steeds minder energie verbruikt. Andere factoren kunnen deze daling verklaren, zoals :
- de evolutie in het kantorenpark (betere isolatie, lager verbruik) ;
- de evolutie in de industriële activiteit (afname van bepaalde types van energie-intensieve activiteiten, transitie naar andere) ;
- wijzigingen op vlak van transport (met name het aantal afgelegde kilometers, de overschakeling op minder energie-intensieve vervoerswijzen).
Een verbetering van de energie-intensiteit (per inwoner) is ook mogelijk bij een bevolkingsaangroei, onafhankelijk van elke evolutie van het socio-economisch weefsel of van de energetische performantie van de gebouwen, het vervoer, enz., maar potentieel ten koste van de levenskwaliteit.
Alvorens conclusies te trekken, moet er een meer gedetailleerde, aanvullende analyse van de verklarende factoren worden uitgevoerd.
Om te downloaden
Methodologische fiche
Tabel met de gegevens
- Evolutie van de globale energie-intensiteit (.xls)
- Bruto-gegevens van de balans (jaarlijkse tabellen van 1990 tot 2024) (.xls)
Andere publicaties van Leefmilieu Brussel
Energie-intensiteit van de huisvesting
Indicator - Actualisering: september 2026
In 2024 verbruikte het gemiddelde huishouden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gemiddeld 11.358 kWh, alle verbruiken en energiedragers samen.
De Energie-intensiteit van de huisvestingssector (bij een constant klimaat) bereikte een maximum in 1999. Daarna zien we een daling van 47 % tussen 1999 en 2024, die voornamelijk wordt toegeschreven aan een minder grote behoefte aan verwarming.
Wat is energie-intensiteit in de huisvestingssector?
De energie-intensiteit van een activiteitensector is de verhouding tussen de hoeveelheid door die sector verbruikte energie en een variabele die representatief is voor het activiteitsniveau (van die sector). Een hogere energie-intensiteit komt dus overeen met:
- ofwel een hoger energieverbruik voor een zelfde niveau van de in aanmerking genomen variabele,
- ofwel een beperking van de gebruikte representatieve variabele (daling van de waarde van de noemer in de berekende verhouding, wanneer het energieverbruik -of teller- constant blijft),
- ofwel een combinatie van beide
In de huisvestingssector komt de verbruikseenheid overeen met één huishouden. De energie-intensiteit van de huisvesting wordt dus bepaald in verhouding tot het aantal gezinnen en kan geraamd worden op basis van het totaal eindverbruik van de huisvestingssector (vervoer niet inbegrepen). Daarvan wordt een schatting gemaakt, met of zonder klimaatnormalisatie, in het kader van de gewestelijke energiebalansen. Ter herinnering: de klimaatnormalisatie is erop gericht om voor het jaar in kwestie de invloed van de temperatuur eruit te lichten en dus een idee te geven van de evolutie van het energieverbruik bij constant klimaat.
Een dalende energie-intensiteit van de huisvesting
In 2024 bedroeg het energieverbruik van de huisvestingssector in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gemiddeld 11.358 kWh per gezin. Het aantal gezinnen stijgt ook jaarlijks, terwijl het totale energieverbruik van woningen afneemt.
Evolutie van de energie-intensiteit van de huisvesting in het Brussels Gewest, met en zonder klimaatnormalisatie van het energieverbruik
Bron: Leefmilieu Brussel (Gewestelijke energiebalans 2024) en BISA (volgens de gegevens van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie), berekeningen van Leefmilieu Brussel, 2026.
Herinnering: De “klimaatnormalisatie” van het energieverbruik dient om de invloed van het klimaat (GD 15/15) op het verbruik aan het licht te brengen en dus een idee te geven van het verbruik bij een ongewijzigd gebleven klimaat.
Het verbruik, en dus de energie-intensiteit van de gezinnen wordt duidelijk beïnvloed door de klimaatomstandigheden van het betrokken jaar (zie afwijkingen ten opzichte van de curve “met klimaatnormalisatie”).
Naast de invloed van het klimaat beïnvloeden ook andere factoren het verbruik van huishoudens. Er is bijvoorbeeld een lichte stijging van de energie-intensiteit in 2020, als gevolg van de lockdowns in verband met de COVID-pandemie (zie de focus over dit onderwerp voor meer informatie). De schommelingen van de energieprijzen, na de sterke stijgingen in 2021 en 2022 en de relatieve daling in 2023 en 2024, spelen waarschijnlijk ook een rol in deze evolutie.
De energie-intensiteit per gezin met klimaatnormalisatie bereikte haar maximum in 1999 en toont sindsdien een dalende trend, een trend die vanaf 2006 meer uitgesproken is. De energie-intensiteit daalde met 47% tussen 1999 en 2024. De intensiteit was in 2024 iets hoger dan in 2023 (+1%), maar bleef lager dan de voorgaande jaren.
Een duidelijke daling in brandstofverbruik voor verwarming
Evolutie van de energie-intensiteit van de huisvesting (waarbij 1990 = referentiejaar) in het Brussels Gewest, in functie van de energiedrager, klimaatgenormaliseerd
Bron: Gewestelijke energiebalans 2024 en BISA (volgens de gegevens van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie), berekeningen van Leefmilieu Brussel, 2026
De globale trend kan worden verduidelijkt door de evolutie van de intensiteit per energiedrager te analyseren: de daling van de totale intensiteit voor deze sector is voornamelijk toe te schrijven aan een duidelijke daling van de brandstofbehoefte voor verwarming per gezin. Daarentegen wordt voor het elektriciteitsverbruik een sterke stijging waargenomen tot in 2007, gevolgd door een daling die minder uitgesproken is dan deze voor de brandstoffen, en die bovendien meermaals werd onderbroken. In 2024 was de lichte stijging van de energie-intensiteit het gevolg van een toename van het elektriciteitsverbruik per huishouden.
Verklarende factoren voor deze ontwikkelingen
Het energieverbruik van huishoudens wordt beïnvloed door een aantal factoren:
- de schommelingen van de energieprijzen, met een algemene stijgende trend, zeer waarschijnlijk aan de basis van energiebesparend gedrag gezien de socio-economische kenmerken van de Brusselse bevolking (met het laagste gemiddelde inkomen van de 3 Belgische Gewesten, en ongelijker verdeeld, waarbij ook het mediaaninkomen lager ligt) (volgens de fiscale gegevens van Statbel, waarnaar het BISA verwijst);
- de verbetering op energievlak van het gebouwenpark (met o.a. isolatie van de gebouwen of nieuwe constructies die op dit vlak beter presteren). Het Brusselse gebouwenpark wordt echter gekenmerkt door een groot aandeel huurders (62% volgens de 2021 census), wat een invloed heeft op potentiële energetische verbeteringen van het bestaande gebouwenpark;
- de verbetering van de energie-efficiëntie van de gebruikte uitrustingen (bv. minder energie-verbruikende elektrische huishoudapparatuur);
- de evolutie van de socio-economische kenmerken van de Brusselse bevolking (groei, samenstelling van de gezinnen, levensstandaard, enz.);
- het effect van energiebesparende gedragingen, verplicht (bijvoorbeeld door reglementeringen) of vrijwillig (ten gevolge van een bewustwording van de bevolking voor de milieuproblemen en het zuinig omspringen met natuurlijke rijkdommen): verlaging van de verwarmingstemperatuur in de gebouwen, enz.,
- het energie- en mobiliteitsbeleid vanuit de overheid.
Om te downloaden
Methodologische fiche
Tabel met de gegevens
- Evolutie van de energie-intensiteit van de huisvesting (.xls)
- Bruto-gegevens van de balans (jaarlijkse tabellen van 1990 tot 2024) (.xls)
Fiche van de Staat van het Leefmilieu
Energie-intensiteit van de dienstensector
Indicator - Actualisering: september 2026
In 2024 bedroeg de energie-intensiteit van de dienstensector in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, d.w.z. het energieverbruik per baan in de sector, gemiddeld 8.994 kWh/baan bij een constant klimaat. Sinds het midden van de jaren 2000 daalt ze onafgebroken.
Wat is energie-intensiteit van de dienstensector?
De energie-intensiteit van een activiteitensector is de verhouding tussen de hoeveelheid door die sector verbruikte energie en een representatieve variabele. Een hogere energie-intensiteit komt dus overeen met:
- ofwel een hoger energieverbruik voor een zelfde niveau van de in aanmerking genomen variabele,
- ofwel een beperking van de gebruikte representatieve variabele (daling van de waarde van de noemer in de berekende verhouding, wanneer het energieverbruik -of teller- constant blijft),
- ofwel een combinatie van beide.
Om de energie-intensiteit van de economische activiteiten te ramen, kunnen twee benaderingen worden gebruikt: op basis van het aantal werknemers of op basis van de productie (toegevoegde waarde). Aangezien de dienstensector (vergelijkbaar met de tertiaire sector) voor heel wat banen zorgt in het Brussels Gewest, wordt de energie-intensiteit van deze sector op basis van het aantal werknemers berekend.
De energie-intensiteit van de dienstensector daalt
In 2024 bedroeg het energieverbruik van de dienstensector in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bij een constant klimaat gemiddeld 8.994 kWh per baan.
Evolutie van de energie-intensiteit van de dienstensector (per baan) in het Brussels Gewest, met en zonder klimaatnormalisatie van het energieverbruik
Bron: Gewestelijke energiebalansen 2024 en Nationale Bank van België, volgens INR, berekeningen van Leefmilieu Brussel, 2026
Herinnering: De “klimaatnormalisatie” van het energieverbruik dient om de invloed van het klimaat (graaddagen 15/15) op het verbruik aan het licht te brengen en dus een idee te geven van het verbruik bij een ongewijzigd gebleven klimaat
Lees de transcriptietekst
De energie-intensiteit van de dienstensector met klimaatnormalisatie is gedaald van 12,55 MWh/baan in 1995 naar 8,99 MWh/baan in 2024.
De energie-intensiteit van de dienstensector (per baan) volgt sinds het midden van de jaren 2000 een dalende trend (-28% tussen 2006 en 2024, na klimaatnormalisatie).
Energie-intensiteit van de dienstensector, per energiedrager
Evolutie van de energie-intensiteit van de dienstensector (per baan) in het Brussels Gewest, in functie van de energiedrager
Basis : 1995 = 100
Bron: Gewestelijke energiebalans en Nationale Bank van België, volgens INR, berekeningen van Leefmilieu Brussel, 2026
Deze algemene trend kan nader verklaard worden door te analyseren hoe de tertiaire intensiteit (per baan) per energiedrager evolueert: van 1998 tot 2011 is er een duidelijke daling merkbaar van het brandstofverbruik (gelijkgesteld aan de verwarmingsbehoeften). Daarna is deze evolutie meer variabel. Na meerdere jaren van daling wordt met name in 2024 opnieuw een lichte stijging vastgesteld. Daarentegen steeg het elektriciteitsverbruik per baan sterk tot in 2006, gevolgd door een daling tot op vandaag.
Verklarende factoren
Er zijn meerdere factoren die deze ontwikkeling kunnen verklaren:
- de evolutie van de tertiaire activiteit in Brussel (type, aantal banen, enz.);
- de evolutie van de uitrusting van de ondernemingen (type en comfortniveau van het vastgoedpark, elektrische en elektronische uitrustingen, enz.);
- de verbetering van de energetische kwaliteit van het gebouwenpark (met o.a. isolatie van de gebouwen of nieuwe constructies die op dit vlak beter presteren);
- de verbetering van de energie-efficiëntie van de gebruikte uitrustingen (in casu: de kantoorautomatisering of verwarmingsinstallaties);
- het effect van energiebesparende gedragingen, opgedrongen (bijvoorbeeld door de stijgende energieprijzen of via reglementeringen) of vrijwillig (omdat de beheerders gevoelig zijn geworden voor de milieuproblemen en voor het zuinig omspringen met natuurlijke rijkdommen of omdat er een lagere bezettingsgraad van kantoren was zoals in 2020): een betere afstelling van de installaties, verlaging van de verwarmingstemperatuur in gebouwen, enz.
Om te downloaden
Energie-intensiteit van de industrie
Indicator - Actualisering: september 2026
In 2023 bedroeg de energie-intensiteit van de industriële sector in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gemiddeld 202.138 kWh per miljoen euro toegevoegde waarde in volume. De aldus berekende energie-intensiteit van de industrie is licht gestegen ten opzichte van 2022 en is vergelijkbaar met de waarden van 2019 en 2020.
Wat is energie-intensiteit in de industriesector?
De energie-intensiteit van een sector is de verhouding tussen de hoeveelheid door die sector verbruikte energie en een representatieve variabele. Een hogere energie-intensiteit komt dus overeen met:
- ofwel een hoger energieverbruik voor een zelfde niveau van de in aanmerking genomen variabele,
- ofwel een beperking van de gebruikte representatieve variabele (daling van de waarde van de noemer in de berekende verhouding, wanneer het energieverbruik -of teller- constant blijft),
- ofwel een combinatie van beide.
Om de energie-intensiteit van de economische activiteiten te ramen, worden er twee benaderingen gehanteerd: de intensiteit kan berekend worden met het aantal werknemers of de productie (toegevoegde waarde). Aangezien de industrie gekenmerkt wordt door een sterke mechanisering van het werk, gaat de voorkeur naar de tweede benadering. De energie-intensiteit van de industriële sector wordt hier zodoende berekend op basis van de gegevens over de toegevoegde waarde in volume. Deze zijn meer representatief voor de geproduceerde hoeveelheden dan de gegevens over de toegevoegde waarde tegen lopende prijzen, aangezien deze laatste onderhevig zijn aan de inflatie. De beschikbare gegevens over toegevoegde waarden hebben betrekking op het referentiejaar “n-3” vergeleken met het jaar “n” waarin ze werden gepubliceerd. Daarom heeft deze indicator een vertraging van een jaar ten opzichte van de andere energie-intensiteitsindicatoren.
De evolutie van de energie-intensiteit van de industrie
In 2023 bedroeg het gemiddelde energieverbruik van de industriële sector in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 202.138 kWh per miljoen euro toegevoegde waarde in volume.
De energie-intensiteit van de industrie varieert aanzienlijk van jaar tot jaar, maar blijft op lange termijn relatief stabiel, met uitzondering van een periode van stijging tussen 2014 en 2018. De intensiteit waargenomen in 2023 ligt licht hoger dan in 2022 (+6%) en is vergelijkbaar met de waarden van 2019 en 2020.
Evolutie van de energie-intensiteit van de industrie (t.o.v. de toegevoegde waarde in volume, uitgedrukt in miljoenen kettingeuro’s) in het Brussels Gewest
Bron: Leefmilieu Brussel (Gewestelijke energiebalans 2024) en BISA, berekeningen van Leefmilieu Brussel, 2026
Verklarende factoren
Deze evolutie kan worden verklaard door verschillende factoren, met name de evolutie van het industriële weefsel (type activiteit) of de schaal van de Brusselse industriële activiteit. De evolutie van de energie-intensiteit hangt inderdaad af van de relatieve evolutie van twee variabelen:
- een daling van het energieverbruik (bv. tussen 2018 en 2020) kan verband houden met een verschuiving in de industriële structuur naar minder energie-intensieve activiteiten, en/of met een rationalisatie van het energieverbruik (betere energie-efficiëntie van de uitrustingen en industriële processen, groeiende aandacht voor energiebesparende gedragingen bijvoorbeeld door de stijgende energieprijzen); en omgekeerd, voor een toename van het verbruik, zoals bijvoorbeeld tussen 2014 en 2018.
- een daling van de activiteit van bepaalde subsectoren die representatief zijn voor de industriële activiteit in het BHG wordt vastgesteld op basis van de toegevoegde waarde in volume over de hele betrokken periode (merk echter op dat het verschil tussen 2008 en 2009 is te wijten aan een methodologische sprong in de berekening van de toegevoegde waarde). Deze daling ligt deels ook aan de oorsprong van de vermindering in energieverbruik.
Evolutie van het energieverbruik, van de toegevoegde waarde in volume en van de energie-intensiteit van de industrie (die eruit voortvloeit) (2005 = 100) in het Brussels Gewest
Bron: Leefmilieu Brussel (Gewestelijke energiebalans 2024) en BISA, berekeningen van Leefmilieu Brussel, 2026