Energieverbruik
- Energie
- Het milieu: stand van zaken
- Vervoer
- Studie
De energiebalans, een waardevolle bron van informatie
Elk jaar stelt Leefmilieu Brussel een energiebalans op van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (BHG). Gebaseerd op het principe van een boekhoudkundige balans verstrekt deze alle energiegerelateerde gegevens voor het hele gewest: de hoeveelheden energie die elk jaar worden geïmporteerd, geëxporteerd, geproduceerd, verwerkt en verbruikt door de verschillende activiteitensectoren op het Brussels grondgebied.
De tijdreeks, die teruggaat tot 1990, wordt elk jaar herzien vanaf het jaar 2014 en aangevuld met een nieuwe gevalideerde jaarbalans. Het laatst beschikbare jaar is momenteel “n-2” ten opzichte van het lopende jaar “n” waarin de nieuwe balans wordt geproduceerd.
Om te downloaden
Tabel met de gegevens
Publicatie van Leefmilieu Brussel
Totaal energieverbruik van het Gewest
Indicator - Actualisering: september 2026
In 2024 heeft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 17.151 GWh verbruikt. Voor alle sectoren samen kende het totale eindverbruik in 2024 weliswaar een daling van 14% in vergelijking met 1990 (-16% met klimaatnormalisatie). Aardgas is momenteel de meest gebruikte energiedrager in het Gewest. De voornaamste energieverbruikers zijn de huisvesting en diensten (38% en 36% van het eindverbruik in 2024), gevolgd door het transport (21%).
Evolutie van het jaarlijkse eindverbruik van energie tussen 1990 en 2024
In 2024 heeft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 17.151 GWh verbruikt. In 2024 daalde het totale eindverbruik met 14% in vergelijking met dat in 1990. De recente trend toont een duidelijke verbetering van de situatie: tot in 2004 steeg het eindverbruik, maar vervolgens daalde het globaal gezien.
Het eindverbruik in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest daalt sinds 2004
Bron: Leefmilieu Brussel - Energiebalansen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 2024
Lees de transcriptietekst
Het eindverbruik van energie in het BHG was 19.877 GWh in 1990, 23.757 GWh in 2004, 23.048 GWh in 2010 en 17.151 GWh in 2024.
Met klimaatnormalisatie was het eindverbruik van energie 20.896 GWh in 1990, 23.624 GWh in 2004, 21.603 GWh in 2010 en 17.456 GWh in 2024.
Die dalende trend is zichtbaar sinds 2010 zonder klimaatnormalisatie, en sinds 2004 als we de evolutie van het eindverbruik bij een genormaliseerd klimaat analyseren.
We herinneren eraan dat de klimaatnormalisatie moet dienen om de invloed van de klimatologische kenmerken op het betreffend jaar aan het licht te brengen (graaddagen 15/15) en dus een idee te geven van de evolutie van het energieverbruik bij een constant klimaat.
Bij een genormaliseerd klimaat lag het Brussels eindverbruik van energie, voor alle sectoren samen, in 2024 16% lager dan dat van 1990. Van 2004 tot 2024 daalde het totale eindverbruik met 26%. Het verbruik lag in 2024 iets hoger dan in 2023, toen de laagste waarde sinds 1990 werd opgetekend, maar blijft lager dan in de voorgaande jaren.
De energiedragers en de energieverbruikende sectoren
De grootste energieverbruikers zijn de huisvesting (woningen, 38%) en de dienstensector (36%). Ze worden gevolgd door de transportsector (21%, dit aandeel is een schatting gebaseerd op met name de Belgische verkoopcijfers van de voertuigbrandstoffen, cijfers die over de drie gewesten werden verdeeld), en de industriesector (3%).
Met de in het gewest verdeelde energie kan worden beantwoord aan tal van noden: de verwarming van gebouwen, elektrische en elektronische uitrustingen, transport, industriële productie, enz. Dit energieverbruik ligt echter wel aan de oorsprong van de uitstoot van broeikasgassen en vervuilende stoffen in de lucht, waarvan de milieu-impact wordt ingeschat via andere indicatoren (zie hoofdstukken Lucht en Klimaat).
Uitsplitsing van het eindverbruik van energie bij werkelijk klimaat in gebouwen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest per sector en aanwending
Bron: Volgens de regionale energiebalans 2024
Lees de transcriptietekst
In 2024 bedroeg het eindverbruik van energie van de huishoudens 6.575 GWh, waarvan 69% voor verwarming, 15% voor sanitair warm water, 12% voor elektrische apparatuur en 4% voor koken.
Het eindverbruik van de dienstensector bedroeg 6.133 GWh, waarvan 52% voor verwarming, 4% voor sanitair warm water, 4% voor airconditioning, ventilatie en koeling, 16% voor verlichting, 16% voor de voeding van informatica- en digitale apparatuur en 8% voor andere toepassingen.
Hoewel het energieverbruik over het algemeen afneemt, vertonen de verschillende activiteitssectoren verschillende evoluties: de daling is meer uitgesproken voor de industrie (-55% in 2024 ten opzichte van 1990, zonder klimaatnormalisatie) dan voor huisvesting (-26%). Daarentegen is er een lichte stijging in het verbruik van de dienstensector (+6%) en het vervoer (+5%).
Uitsplitsing van het eindverbruik van energie bij werkelijk klimaat van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest per sector in 2024 ten opzichte van 1990
Bron: Leefmilieu Brussel - Energiebalansen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 2024
De gebruikte energiebronnen in het Gewest zijn ook veranderd: tussen 1990 en 2024 is het aandeel van aardolieproducten in het eindverbruik van energie sterk gedaald, terwijl het aandeel van elektriciteit is gestegen. Steenkool is bijna verdwenen en er zijn ook nieuwe energiedragers op de markt verschenen.
Evolutie van het eindverbruik in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest per energiedrager, reëel klimaat
Bron: Leefmilieu Brussel - Energiebalansen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 2024
Lees de transcriptietekst
Tussen 1990 en 2024 is het eindverbruik per energievector veranderd:
Voor aardolieproducten: van 7.836 GWh (39% van het totale verbruik in de Gewest) naar 4.815 GWh (28% van het totale verbruik)
Voor aardgas: van 7.673 GWh (39% van het totale verbruik) naar 7.010 GWh (41% van het totale verbruik)
Voor elektriciteit: van 4.069 GWh (20% van het totale verbruik) naar 4.506 GWh (26% van het totale verbruik)
Voor steenkool en steenkoolderivaten: van 284 GWh (1% van het totale verbruik) naar 21 GWh (0% van het totale verbruik)
Voor biomassa: van 15 GWh (0% van het totale verbruik) tot 307 GWh (2% van het totale verbruik)
Voor warmte: van 0 GWh tot 489 GWh (3% van het totale verbruik)
Weersomstandigheden en energieprijzen als belangrijke verklarende factoren voor de verbruiksevolutie
Het verbruik van gebouwen (met name in de residentiële- en dienstensectoren) hangt nauw samen met de weersomstandigheden, omdat deze bepalend zijn voor de verwarmingsbehoeften.
De evolutie van het verbruik is tevens het resultaat van andere conjuncturele evoluties zoals meer bepaald deze die samenhangen met de energieprijzen. De sterke prijsstijgingen sinds 2007, die in 2021 en 2022 nog werden versterkt door de oorlog in Oekraïne, kunnen een deel verklaren van de daling van het energieverbruik bij genormaliseerd klimaat die de afgelopen jaren werd waargenomen. Omgekeerd kan de lichte stijging van het verbruik in 2024 worden toegeschreven aan de daling van de energieprijzen ten opzichte van die jaren, hoewel deze nog steeds hoger liggen dan in de voorafgaande jaren.
De evolutie van het verbruik wordt evenwel ook beïnvloed door basistrends, zoals:
- de evolutie van de bevolking, haar levensstandaard en haar consumptiegewoonten
- de evolutie van het woningenpark (aantal betrokken woningen, type woningen, type verwarming, energieprestatie van de woningen, enz.);
- de evolutie van de economische activiteit (productie, gebouwenpark, ...) en de hiermee gepaard gaande werkgelegenheid;
- de evolutie van de omvang en kwaliteit van de uitrusting van de gezinnen en de ondernemingen (voertuigenpark, elektrische en elektronische toestellen, enz.);
- het effect van gedrag, opgelegd (bijvoorbeeld via reglementeringen) of vrijwillig (ingevolge een sensibilisering van de burgers, beheerders van gebouwen), dat het energieverbruik beperkt;
- het energie- en mobiliteitsbeleid dat wordt gevoerd door de overheid.
Om te downloaden
Methodologische fiche
Tabellen met de gegevens
- Evolutie van het jaarlijks energieverbruik: totaal (.xls)
- Uitsplitsing per sector (.xls)
- Aanwending van energie in de residentiële- en dienstensector (.xls)
- Evolutie van de energieverbruik per energiedrager (.xls)
- Bruto-gegevens van de balans (jaarlijkse tabellen van 1990 tot 2024) (.xls)
Andere publicaties van Leefmilieu Brussel
Prognoses van het energieverbruik tegen 2040
Indicator – Actualisering: januari 2024
Prognoses maken het mogelijk om de waarschijnlijke evolutie van het energieverbruik volgens ingevoerde of voorziene beleidsmaatregelen te ramen. Volgens de laatst beschikbare prognoses zal een daling van energieverbruik van 38% bereikt worden in 2030 (ten opzichte van 2005). Ontdek er meer over ...
Het energieverbruik in de toekomst
De energiebalans maakt het mogelijk om historische trends van het gewestelijke energieverbruik en het effect van het beleid en maatregelen daarop achteraf (ex post) te bepalen. Het is ook belangrijk om a priori (ex ante) te kunnen beoordelen hoe de situatie in de toekomst zal evolueren en wat de impact zal zijn van beleid en maatregelen die al ingevoerd zijn of voorzien zijn voor de toekomst. Dat is vooral belangrijk in het kader van het opstellen van plannen zoals het Lucht-, Klimaat- en Energieplan (op gewestelijk niveau) of het nationale Energie- en Klimaatplan (op nationaal niveau). Daarbij gaat het om emissieprognoses die worden opgesteld met behulp van modellen.
De gebruikte modellen en scenario’s
Er werden verschillende modellen ontwikkeld voor de prognoses van het energieverbruik in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de verschillende activiteitensectoren: residentiële en tertiaire gebouwen, wegtransport, energieproductie, industrie ...
Deze modellen zijn deterministisch en beschrijvend, wat betekent dat:
- de modellen altijd dezelfde resultaten geven voor gegeven invoerwaarden (input);
- het energieverbruik gebaseerd is op de evolutie van expliciete fysieke parameters (aantal woningen, afgelegde afstanden van de voertuigen, …) die geraamd worden op basis van een bekende situatie.
De modellering maakt het mogelijk om waarschijnlijke trends vast te stellen op basis van vaste inputwaarden. Er kan geen rekening worden gehouden met interjaarlijkse variaties van de meteorologische omstandigheden zoals graaddagen of onvoorspelbare gebeurtenissen zoals de gezondheidscrisis door het coronavirus.
Het nauwkeurigheidniveau van de modellen hangt vooral af van het gewicht van de beschouwde activiteitensector in het totale verbruik van het Gewest. Er wordt immers prioriteit gegeven aan de sectoren met het grootste energieverbruik. Deze worden nauwkeuriger gemodelleerd.
Er zijn specifieke kenmerken die samenhangen met elke activiteitensector, maar in het algemeen worden de prognoses van het energieverbruik berekend door twee soorten parameters te combineren:
- activiteitenparameters: bevolking, gebouwenpark, niveau van economische activiteit, vraag naar mobiliteit, elektriciteitscentralepark ...
- efficiëntieparameters (geven het specifieke energieverbruik per eenheid weer): energieprestaties van gebouwen, gemiddeld verbruik per voertuig, gemiddelde grootte van de gezinnen ...
De modellen zijn zo opgebouwd dat energieverbruik expliciet wordt gekoppeld aan die activiteiten- en efficiëntieparameters. Hierdoor kunnen verschillende scenario's worden uitgewerkt en kan de gevoeligheid van prognoses voor variaties in invoerwaarden worden beoordeeld.
Qua scenario’s zijn er 2 hoofdtypen, afhankelijk van het nagestreefde doel:
- ongewijzigde of ‘business as usual’-scenario’s (WEM = with existing measures) die alleen rekening houden met maatregelen die al geïmplementeerd zijn of waarover al is beslist;
- vrijwillige scenario’s (WAM = with additional measures) die de verwachte impact van aanvullende maatregelen omvatten in vergelijking met het WEM-scenario.
De specifieke impact van de plannen kan worden beoordeeld op basis van het verschil tussen de resultaten van het WEM- en WAM-scenario.
Dalende trend in het eindenergieverbruik van het Gewest
De laatste update van de prognoses (2023) was gebaseerd op de maatregelen die voorzien waren in het geïntegreerde Lucht-, Klimaat- en Energieplan van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Goed om te weten
De resultaten van deze prognoses tonen een dalende trend in het totale eindenergieverbruik in het Brussels Gewest voor de WEM- en WAM-scenario’s. Zo maakt het WAM-scenario een daling mogelijk van 38% in 2030 ten opzichte van 2005.
Deze trend ligt in lijn met de daling van het totale eindenergieverbruik (zonder rekening te houden met de interjaarlijkse schommelingen die voornamelijk te wijten zijn aan het aantal koude dagen) die sinds 2005 wordt waargenomen.
Dalende trend in de geprojecteerde evolutie van het eindenergieverbruik
Bron: departement Evaluatie Lucht Klimaat Energie, prognoses LKEP 2023
Lees de transcriptietekst
Het eindverbruik van energie bedroeg 23.268 GWh in 2005. Volgens het WAM-scenario wordt tegen 2030 een vermindering van 38% verwacht.
Naar een geleidelijke decarbonisatie van de gebruikte energiebronnen
Het Gewest wenst haar energieverbruik koolstofvrij te maken, wat in het bijzonder betekent dat het verbruik van fossiele brandstoffen zowel voor het wegtransport als voor de verwarming van gebouwen moet dalen.
Volgens het WAM-scenario zou het verbruik van fossiele brandstoffen tussen 2025 en 2040 met 63% moeten dalen. Deze vermindering is gekoppeld aan:
- enerzijds het geleidelijke verbod, tussen 2018 en 2035, op voertuigen met een verbrandingsmotor in de lage-emissiezone (LEZ) die het hele grondgebied van het Gewest omvat;
- anderzijds de gewestelijke plannen, waaronder recent het LKEP, die tot doel hebben de installatie van steenkool-, stookolie- en aardgasgestookte verwarmingstoestellen te verbieden.
Dalende trend in het gebruik van fossiele brandstoffen tegen 2040
Bron: departement Evaluatie Lucht Klimaat Energie, prognoses LKEP 2023
Lees de transcriptietekst
Het verbod op de installatie van olie- en aardgastoestellen wordt van kracht in 2025 en het einde van het gebruik van lichte thermische voertuigen is gepland voor 2035.
Volgens het WAM-scenario zal het verbruik van fossiele brandstoffen daardoor dalen van 13.335 GWh in 2021 tot 3.137 GWh in 2040.
Volgens de prognoses zou de geleidelijke uitfasering van fossiele brandstoffen moeten leiden tot een verschuiving in het verbruik naar andere energievectoren, met name elektriciteit. Het ‘With existing measures’-scenario (WEM) voorspelt een toename van het elektriciteitsverbruik met 6% tussen 2025 en 2040, terwijl het ‘With Additional Measures’-scenario (WAM) een toename van 11% laat zien in dezelfde periode.
Het WAM-scenario voorspelt een toename van het elektriciteitsverbruik met 11% tussen 2025 en 2040.
Bron: departement Evaluatie Lucht Klimaat Energie, prognoses LKEP 2023
Lees de transcriptietekst
Volgens het WEM-scenario zal het elektriciteitsverbruik stijgen van 4.904 GWh in 2025 tot 5.188 GWh in 2040.
Volgens het WAM-scenario zal het elektriciteitsverbruik stijgen van 4.860 GWh in 2025 tot 5.378 GWh in 2040.
Om te downloaden
Fiches van de Staat van het Leefmilieu
Energieverbruik gelinkt aan transport
Indicator - Actualisering: december 2025
Het energieverbruik gelinkt aan transport (openbaar en privaat) van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vertegenwoordigde in 2023 meer dan een vijfde van het totaal Brussels energieverbruik (22%). Dit is hoofdzakelijk toe te schrijven aan het wegvervoer (93% van het totale verbruik gelinkt aan transport in 2022).
Evolutie van het energieverbruik gelinkt aan transport
Het geraamde energieverbruik voor transport (vervoer van personen en goederen; openbaar en privaat; over de weg, het spoor en het water) in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft dalingen en stijgingen gekend tussen 1990 en 2019. Ze is momenteel goed voor meer dan een vijfde van het Brussels totaal eindverbruik (3749 GWh, of 22% van het totaal, aandeel dat sinds 2014 stabiel is, uitgezonderd een lichte daling in 2020 en 2021).
Dat verbruik is in de eerste plaats toe te schrijven aan het vervoer over de weg (privaat en, in beperkte mate, openbaar), wat in 2023 goed was voor 93% (3471 GWh) van het totaal eindverbruik door het transport. Het spoorvervoer (treinen, tram en metro) is goed voor 7% van het verbruik, terwijl het riviervervoer goed is voor 0,1%.
Het transportverbruik is tussen 2016 en 2019 geleidelijk gedaald. In 2020 werd een aanzienlijke vermindering geregistreerd, gezien de lockdowns in verband met de COVID-pandemie (zie de focus over dit onderwerp voor meer informatie). Sindsdien is het verbruik weer aan het stijgen, maar het blijft beduidend lager dan de waarden vóór de COVID-pandemie.
Evolutie van het berekende energieverbruik voor transport, tussen 1990 en 2023, in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Bron: Energiebalansen van het BHG 2023
(OVW: berekend, rekening houdend met de onderste verbrandingswaarde van elk beschouwd brandstoftype, met andere woorden de hoeveelheid thermische energie die per massa-eenheid brandstof vrijkomt bij de verbranding ervan)
Verschillende factoren bepalen de vraag naar personen- en goederenvervoer
De factoren die de vraag naar personenvervoer beïnvloeden zijn:
- De demografische bevolkingskenmerken (aantal inwoners/ huishoudens, samenstelling van de bevolking op basis van leeftijd, samenstelling van de huishoudens, enz.);
- De socio-economische kenmerken van de bevolking (koopkracht van de huishoudens; belang van bijvoorbeeld het woon-werkverkeer of woon-schoolverkeer);
- De ruimtelijke ordening (mix van functies);
- De pendelstromen en de werkorganisatie (toenemende praktijk van telewerkenWerk verrichten buiten het kantoor, b.v. thuis, met behulp van computers en telecommunicatiemiddelen).
En, voor wat betreft de vraag naar goederenvervoer:
- De economische activiteit (samenstelling van het economisch netwerk en met name het belang van de activiteit);
- De mondialisering van de economie et de globalisering van de markten;
- De evolutie van de brandstofprijzen en van de arbeidskrachten;
- De evolutie van de productie- en consumptiepatronen.
Vrij stabiele afgelegde afstanden over de weg
We merken hierbij op dat de afgelegde afstanden over de weg door motorvoertuigen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot 2019 stabiel waren, terwijl zowel de bevolking als de werkgelegenheid blijft toenemen. In 2020 zijn deze afstanden sterk gedaald als gevolg van de lockdowns, om daarna opnieuw toe te nemen en in 2023 weer op het niveau van vóór COVID te komen.
De afgelegde afstanden over de weg door motorvoertuigen in het Brussels Gewest
Bron: Brussel Mobiliteit
Lees de transcriptietekst
De jaarlijkse afgelegde afstanden over de weg in het BHG stagneerden tot 2019 tussen 3,2 en 3,3 miljard voertuig-kilometers. In 2020 daalden ze tot 2,6 miljard, waarna ze weer stegen tot 3,2 miljard in 2023.
Hierbij moet wel worden opgemerkt dat het energieverbruik van het wegvervoer wordt berekend op basis van de regionale brandstofverkoop. Deze kan afwijken van de afgelegde afstanden.
Een veranderend wagenpark en duurdere brandstoffen
Hoewel de afstanden die binnen de hoofdstad worden afgelegd weinig variëren, veranderen de karakteristieken van de voertuigen die deze verplaatsingen uitvoeren voortdurend. De milieuprestaties van het Brusselse wagenpark verbeteren, maar het vermogen van de voertuigen en, meer recentelijk, hun gewicht nemen aanzienlijk toe (zie de indicator Milieukenmerken van het Brussels wagenpark voor meer informatie).
De soorten brandstoffen die worden gebruikt veranderen ook. De afgelopen jaren is er een opvallende daling van het dieselverbruik waarneembaar, voornamelijk ten voordele van benzine en in mindere mate van alternatieven (elektriciteit, bio-ethanol, biodiesel, gecomprimeerd aardgas, enz.). In 2023 leverden aardolieproducten echter nog steeds bijna 90 % van de energie voor het wegvervoer. Elektriciteit, dat de afgelopen jaren een gestage groei heeft doorgemaakt, vertegenwoordigt ongeveer 1% van het verbruik.
De gebruikte brandstoffen voor het wegvervoer evolueren snel
Bron: Energiebalansen van het BHG 2023
De brandstofprijzen fluctueren, maar met uitzondering van een daling tussen 2012 en 2016 volgen ze sinds 1990 een algemene stijgende trend. De stijging was vooral uitgesproken in 2022. In 2023 was er een terugval, maar zonder terug te keren naar de prijzen van voorgaande jaren. Ook moet worden opgemerkt dat, voor het eerst sinds 1990, de prijs van diesel gelijk is aan of hoger is dan die van benzine (sinds 2018).
Evolutie van de brandstofprijzen aan de pomp
Bron : Statbel (volgens de Algemene directie Energie - FOD Economie)
De evolutie van de brandstofprijzen zou een van de verklarende factoren kunnen zijn voor de evolutie van het energieverbruik door de transportsector.
Ook andere elementen bieden weliswaar een verklaring zoals de verzadiging van het Brussels wegennet, de herinrichting van de wegen (vermindering van het aantal rijstroken, fietspaden, verkeersdrempels…), de evolutie van het gedrag van automobilisten (met name als gevolg van de algemene invoering van de zone 30 op gewestelijke wegen), de progressieve verdwijning van de oudste dieselvoertuigen, een rationalisering van de verplaatsingen en de geleidelijke overschakeling van wegvervoer naar andere minder energieverslindende vervoersmodi: lopen, fietsen, openbaar vervoer, enz. (zie gegevens over de mobiliteit in het hoofdstuk Context).