Overslaan en naar de inhoud gaan
Thuispagina professionals van Leefmilieu Brussel
  • Burgers
  • Professionals
  • Onderwijs
  • Blog Burgers
  • Blog Professionals
  • Contact
  • Jobs
  • Over Leefmilieu Brussel
  • Agenda
NL
  • FR
  1. Home
  2. Documentatie en tools / Leefmilieu: stand van zaken
  3. Zoniënwoud

Zoniënwoud

Diversificatie, meer dood hout, regeneratie, selectie van doelbomen: deze en andere maatregelen hebben als doel de veerkracht van het Zoniënwoud te vergroten, zeker in het licht van de klimaatuitdagingen. Dit beheer steunt op nauwgezet toezicht en grondig onderzoek. Lees er meer over.
  • Biodiversiteit
  • Groene ruimten
  • Het milieu: stand van zaken
  • Bos
  • Bomen
16 december 2025

Over hetzelfde onderwerp

Documentatie en tools

  • De ziekte van Lyme
  • Vegetatiebedekking en biologische kwaliteit
  • Monitoring van soorten en habitats

Milieubeheer

  • Ecobegrazing implementeren
  • De ecologische, agronomische en landschappelijke voordelen van hoogstamboomgaarden
  • De Woluwe komt opnieuw tot leven op de Royale Belge-site

Diensten en aanvragen

  • De Natuurfacilitator helpt u bij het bevorderen van de biodiversiteit
  • Projectoproep 'Natura 2000 in de kijker'

Regionaal beleid

  • Beheerplan voor het Zoniënwoud
  • De Hippodroom van Bosvoorde, een toegangspoort tot het Zoniënwoud
  • Natuurplan

Inhoud

  • Gezondheidstoestand van de bomen in het Zoniënwoud
  • Boserfgoed van het Brusselse Zoniënwoud
  • Houtkap in het Brussels Zoniënwoud
  • Klimaatverandering en groei van de beuk in het Brussels Zoniënwoud
  • Dood hout in de boshabitats
  • Zoniënwoud en risico’s verbonden aan de klimaatwijziging
  • Recreatie en biodiversiteit in het Zoniënwoud en andere Natura 2000-gebieden

Gezondheidstoestand van de bomen in het Zoniënwoud

Focus : Actualisatie - april 2025

De gezondheid van de eiken lijkt bevredigend en er is geen significante trend in ontbladering vastgesteld. De situatie is minder gunstig voor de beuken, die in een vrij slechte gezondheidstoestand verkeren, met een neiging tot lichte toename van de bladverlies. Bovendien vertoonde tussen 55% en 71% van de beuken die tussen 2018 en 2024 werden geobserveerd, een ontbladering boven de waakzaamheidsdrempel. Deze trend zou het gevolg kunnen zijn van de herhaalde droogteperiodes sinds 2018. Deze droogteperiodes hebben echter geen - of in ieder geval nog geen - uitgesproken aantasting of abnormale sterfte veroorzaakt. Een derde van de essen was in 2023 en 2024 ernstig tot zeer ernstig aangetast.:

 

Een kwetsbaar woud

Het Zoniënwoud beslaat bijna 10% van het Brussels grondgebied en vertegenwoordigt een natuurlijk, sociaal en cultureel erfgoed dat zeer belangrijk is voor het Brussels Gewest. Het is ook de thuisbasis van een bosreservaatHet bosreservaat is een bos of een deel hiervan dat wordt beschermd met het doel kenmerkende of merkwaardige uitzichten of opstanden van inheemse houtsoorten in stand te houden en er de gaafheid van de bodem en van het milieu te vrijwaren. dat op de Werelderfgoedlijst van UNESCO staat als onderdeel van een reeks van bijna honderd opmerkelijke beukenbossen (‘Oude en voorhistorische beukenbossen van de Karpaten en andere regio’s van Europa’).

Er zijn echter verscheidene factoren die het bos kwetsbaar maken: de bezoekersdruk, de aard van de bodem (vrij droge grond op een deel van de hellingen, verdichting van de bodem aan de oppervlakte, vrij ondiepe verharde bodemhorizon op verschillende plaatsen, …), overwicht van vaak verouderde beukenpopulaties, onevenwichtige structuur van de bestanden wat ouderdom betreft, luchtvervuiling, enz. De klimaatwijzigingen aan de gang kunnen bovendien de werking van de ecosystemen aantasten, bijvoorbeeld op het vlak van de aangroei van de bospopulatie of de ontwikkeling van gewasvernielende populaties. Meer in het algemeen worden, sinds een dertigtal jaren, in de hele wereld tekenen waargenomen van meer of minder uitgesproken bossterfte met meerdere oorzaken.

Jaarlijkse follow-up van de gezondheidstoestand van bepaalde soorten, waaronder inheemse beuken en eiken

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest beschikt sinds 2009 over een permanent waarnemingssysteem voor de gezondheidstoestand van de meest voorkomende soorten van het Zoniënwoud. Tot in 2022 werden enkel de beuk (Fagus sylvatica) en de inheemse eiken (de wintereik, Quercus petraea, en de zomereik, Quercus robur) gevolgd. Die boomsoorten bestrijken ongeveer 70% van het Brussels woud, in zuivere of gemengde bestanden.  De methode volgt een wetenschappelijk protocol dat op Europees niveau op punt werd gesteld (ICP Forest) en is gebaseerd op de visuele waarneming in de zomer van bomen die in proefpercelen staan (perceel van 400 m x 400 m). Het aantal en de verdeling van de bomen in het bosmassief is zo gekozen dat ze een representatieve steekproef vormen. De waarneming maakt gebruik van verschillende criteria zoals ontbladering, verkleuring, vruchtvorming of schade en symptomen waardoor de vitaliteit van de bomen ingeschat kan worden. Deze wordt toegepast op bomen die groot (op basis van hun diameter) en ook hoog genoeg zijn (kruin die licht vangt, bomen die voornamelijk dominant of codominant zijn).

De methode werd herzien vanaf de waarnemingscampagne 2022: het onderzoeksteam past voortaan het IPC-protocol toe op een beperkter aandeel van de bomen.  Dit protocol wordt aangevuld met een vereenvoudigd protocol dat uitgewerkt werd door Franse boswachters op basis van ontbladercriteria, mortaliteit van de takken en een gebrek aan vertakkingen (DEPERIS-methode). Bij deze snellere methode wordt de hele bemonstering uitgevoerd door bosmedewerkers. Deze nieuwe methodologie werd zo uitgewerkt dat er een tijdelijke vergelijking van de verkregen resultaten mogelijk is.

Meer informatie over de gebruikte methodologieën voor de verschillende evaluaties kan worden geraadpleegd in de verslagen online.

Sinds de campagne van 2023 is de steekproef geleidelijk aan uitgebreid met nieuwe soorten die in aanzienlijke aantallen aanwezig zijn in het massief en die vragen oproepen over hun veerkracht in het licht van de klimaatveranderingWijst op trage variaties van de klimaatskenmerken mettertijd, op een welbepaalde plaats: opwarming of afkoeling. Sommige vormen van luchtvervuiling, veroorzaakt door menselijke activiteiten, zijn een bedreiging voor het klimaat in de zin dat er een globale opwarming zou kunnen ontstaan. Dit verschijnsel kan belangrijke schade veroorzaken: stijging van de zeeniveaus, verergering van de uiterste klimaatsverschijnselen (droogtes, overstromingen, wervelstormen, enz.), destabilisatie van de bossen, bedreiging voor de zoetwatervoorraden, moeilijkheden voor de landbouw, woestijnvorming, vermindering van de biodiversiteit, verspreiding van tropische ziekten, enz. en hun toekomst in de ontwikkeling van het bos. 

Het gaat daarbij om:

  • de es (Fraxinus excelsior), een soort die zich op sommige plaatsen massaal herstelt (met erkende zaadopstanden in het Zoniënwoud), maar die ernstig achteruitgaat door een pathogene schimmel (Chalara fraxinea of vals essenvlieskelkje) die voor het eerst waargenomen werd  in België in 2010 (gemonitord sinds 2023)
  • de grove den (Pinus sylvestris) waarvoor plotse sterfte van volwassen bomen werd waargenomen in Vlaanderen (monitoring sinds 2024)
  • de gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), een soort die soms op natuurlijke wijze zeer uitbundig herstelt, maar waar sinds enkele jaren gevallen van roetdauwziekte, veroorzaakt door een schimmel (Cryptostroma corticale), worden waargenomen die leiden tot de snelle dood van aangetaste bomen (monitoring vanaf 2025)

Vrij significante gemiddelde ontbladering van beuken, ongeveer 30%, tussen 2016 en 2024

Ontbladering – gedefinieerd als het verlies van bladeren in het bovenste deel van de kruin in vergelijking met een gezonde boom – is een integrerend criterium dat de invloed weerspiegelt van onder meer het klimaat (met name droogtes), de bodemkwaliteit, aanvallen van parasieten of de leeftijd van de boom.

De ontbladering kan variëren van jaar tot jaar, sterker of minder sterk naar gelang de soorten, in functie van de omvang van de vruchtvorming van die populatie in dat jaar. De productie van vruchten (beukennootjes en eikels in dit geval) verbruikt immers een groot deel van de reserves van de boom en dat gaat ten koste van de ontwikkeling van het gebladerte. Dankzij de statistische analyse kon er een significant effect van de jaarlijkse gemiddelde vruchtvorming op de ontbladering van de beuken aangetoond worden (ook wordt er een effect waargenomen op de groei van de jaarringen, zie Verschuren et al. 2023). Die correlatie was niet significant voor de eiken. Daarnaast kan de overvloedige en terugkerende productie van beukennootjes ook de takstructuur en dus de ontbladering op lange termijn beïnvloeden, omdat de bloemknoppen worden geproduceerd ten koste van knoppen waaruit nieuwe takken ontstaan.

Om een mogelijke vertekening te corrigeren die verband houdt met het feit dat de steekproef in de loop van het onderzoek varieert (sommige beuken worden slechts om het jaar beoordeeld en sommige bomen zijn in de loop van de tijd toegevoegd of uit de steekproef verdwenen), wordt sinds 2022 een statistische bewerking gebruikt om een ‘gecorrigeerde ontbladering’ te verkrijgen.

In 2024 bedroeg de gemiddelde gecorrigeerde ontbladering 36% voor de beuken, 25% voor de zomereiken en 26% voor de wintereiken.

De gemiddelde ontbladering van de eiken ligt gewoonlijk lager dan die van de beuken

Bron: Earth and Life Institute Environmental Sciences (UCL), 2024

Voor de beuken zijn er sterke schommelingen overheen de jaren, met duidelijke stijgingen in 2011 (+5%), 2016 (+8%) en 2022 (+6%). De eerste twee stijgingen, gekoppeld aan pieken in de vruchtzetting, werden gevolgd door dalingen. Dat was niet het geval in 2022. Toen kon de evolutie niet verklaard worden door de impact van de vruchtvorming (aangezien deze beperkt was in 2022), noch door de effecten van de droogteDroogte is een natuurlijk fenomeen waarbij de beschikbaarheid van water afneemt als gevolg van een gebrek aan neerslag, wat op termijn tot een watertekort kan leiden. Dit moet niet worden verward met een ‘hittegolf’ of ‘hitteperiode’, ook al hebben deze wel degelijk invloed op de beschikbaarheid van water (toename van de watervraag). van 2022 (aangezien de waarnemingen werden uitgevoerd voor de piek van het watertekort). Na de stijging in 2022 stabiliseerde de ontbladering in 2023, gevolgd door een stijging in 2024. De gemiddelde ontbladeringswaarden in de periode 2022-2024 zijn hoger dan die in de periode 2018-2021, ondanks een afname van de vruchtvormingsintensiteit in vergelijking met de periode 2016-2020.

Als we 2017 buiten beschouwing houden, zien we dat in de voorbije 9 jaar de gemiddelde ontbladering van de beuken redelijk hoog lag, tussen 29 en 36% (gemiddeld 32%). Wat de trend op lange termijn (2009-2024) betreft, toont de statistische analyse een gemiddelde toename van de ontbladering met +0,58% per jaar, wat veel hoger is dan het geschatte effect van de veroudering van de gemonitorde beuken (+0,11% per jaar).

De zomer- en wintereiken vertonen ook vrij duidelijke schommelingen in de gecorrigeerde ontbladering van jaar tot jaar. Tot nu toe waren de onderzoekers niet in staat om te bepalen wat er aan de oorzaak ligt van die fluctuaties. Volgens de statistische analyse verschillen de waargenomen waarden voor deze twee soorten in 2024 niet van die van 2018 tot 2023 (met uitzondering van één jaar voor een van de twee). Wat zomereiken betreft, toont de analyse van de gegevens geen enkele lineaire evolutie op lange termijn. Voor wintereiken werd een gemiddelde toename in ontbladering van 0,50% per jaar waargenomen, maar deze schatting gaat gepaard met een hoge mate van onzekerheid (beperkt aantal waarnemingen).

De resultaten moeten met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden aangezien de visuele beoordeling van de ontbladering bepaalde tekortkomingen heeft (deels subjectiviteit bij de evaluatie, ook al worden er sessies voor opleiding en onderlinge kalibratie van de waarnemers georganiseerd, soms beperkte zichtbaarheid van de toppen die evolueert in de tijd, met name als gevolg van mogelijke kap binnen percelen, enz.). Bovendien geeft de evaluatie dan wel een algemeen beeld van het verlies aan vitaliteit van de boom, maar volstaat de intensiteit van de ontbladering niet om een volledige diagnose van de gezondheidstoestand van de bomen te stellen. De verminderde bladbiomassa kan overigens een tijdelijk reguleringsmechanisme van de boom zijn om met de stress die hij te verwerken krijgt om te gaan. Daarom wordt bij de gezondheidsmonitoring ook rekening gehouden met andere criteria die de vitaliteit van de bomen weerspiegelen.

Al 8 jaar wordt een stijging waargenomen in het aandeel beuken dat sterk of ernstig ontbladerd is

Het ontbladeringspercentage is een courant gebruikte indicator, ook op Europees niveau, voor de kwantificering van de intensiteit van het afsterven. Een ontbladering van meer dan 25% wordt door de deskundigengroep van ICP Forests beschouwd als een waakzaamheidsdrempel. De aantasting wordt als sterk beschouwd vanaf een ontbladering van 41% en als ernstig vanaf een ontbladering van 61%.

Meer dan 2/3 van de beuken vertoont sinds 2022 een ontbladering boven de waakzaamheidsdrempel

Bron: Earth and Life Institute Environmental Sciences (UCL), 2024

Lees de transcriptietekst

De afgelopen 7 jaar (2018-2024) varieerde het percentage beuken met een ontbladering boven de waakzaamheidsdrempel (25%) tussen 55% en 71%. Voor zomereiken en wintereiken variëren deze waarden tussen respectievelijk 18% en 46% en tussen 20% en 56%.

Ongeveer 30% van de beuken is sinds 2022 sterk of ernstig ontbladerd

Bron: Earth and Life Institute Environmental Sciences (UCL), 2024

Lees de transcriptietekst

De afgelopen 7 jaar (2018-2024) varieerde het percentage beuken met een ontbladering boven de waakzaamheidsdrempel (25%) tussen 55% en 71%. Voor zomereiken en wintereiken variëren deze waarden tussen respectievelijk 18% en 46% en tussen 20% en 56%.

In 2024 vertoonde 71% van de beuken een aantasting van meer dan 25% (matig, sterk of ernstig), maar slechts 32% vertoonde een aantasting van meer dan 40% (sterke of ernstige aantasting).Deze percentages zijn de voorbije 3 jaar stabiel gebleven en liggen beduidend hoger dan de percentages die de voorbije jaren werden waargenomen (met uitzondering van 2009 en 2016, die gekenmerkt werden door zeer hoge vruchtvormingsniveaus). Het aandeel bomen dat niet aangetast is (ontbossing van 0 tot 10%) daalde ook sterk tussen 2023 en 2024. Het aandeel van beuken dat een ernstige achteruitgang vertoont (meer dan 61% ontbladering) blijft erg beperkt doorheen de hele observatieperiode (enkele %) en er werd geen enkele staande dode boom waargenomen. Sinds 2022 werd een vermindering van de intensiteit van de vruchtzettingspieken waargenomen, wat zou kunnen leiden tot een verbetering van de takstructuur (nieuwe twijgjes).

In hetzelfde jaar vertoonde 28% van de zomereiken meer dan 25% ontbladering, waarvan 5% met ernstige ontbladering (geen enkele boom vertoonde ernstige schade). Er is geen duidelijke trend waar te nemen in deze verhoudingen, maar sommige jaren worden gekenmerkt door een groot overwicht aan licht aangetaste bomen.

Het aandeel wintereiken met een ontbladering boven de waakzaamheidsdrempel was 36% in 2024, een stijging ten opzichte van 2023 en 2022, maar een veel lagere waarde dan in 2021 (56%). Bovendien zijn, in tegenstelling tot de waarnemingen sinds 2013, sommige wintereiken die in 2023 en 2024 werden bemonsterd, ernstig ontbladerd (> 60% ontbladering).

30% van de essen is licht aangetast en 33% is sterk of ernstig aangetast

Bron: Earth and Life Institute Environmental Sciences (UCL), 2024

Het aandeel ernstig aangetaste essen nam aanzienlijk toe tussen 2023 en 2024.

Andere evaluatiecriteria, waaronder de structuur van de kruin en de vruchtvorming, worden gebruikt in het IPC Forest-protocol

De kruin van een boom is het geheel van takken en bladeren van de eerste groene tak tot de laatste scheut van de boom. Zijn structuur varieert volgens het ontwikkelingsstadium dat de boom heeft bereikt en de stress die hij in de loop van de tijd heeft ondergaan.

Het protocol dat wordt gebruikt om de levenskracht van boomkruinen te beoordelen, onderscheidt 4 verschillende klassen - die overeenkomen met min of meer dichte kruinvormen - voor de eik en 8 klassen voor de beuk (4 vóór 2013).

De geobserveerde zomer- en wintereiken vertonen een grote dominantie van dicht vertakte of licht vereenvoudigde vormen

Bron: Earth and Life Institute Environmental Sciences (UCL), 2024

Na een achteruitgang van de structuur van de kruin van de zomereiken tussen 2018 en 2021, is er in 2022 een verbetering te zien. Deze werd echter gevolgd door een verdere verslechtering in 2023 en 2024. Voor wintereiken wordt er ook een stijging van de vereenvoudiging van de kruin vastgesteld vanaf 2018 die minder uitgesproken is vanaf 2022. Opgelet: de representativiteit van de staalafname van 2022 is problematisch voor de wintereiken.

Een toename van ernstig aangetaste vormen kan worden waargenomen bij de beuken in 2024, evenals de vorming van nieuwe twijgjes op aangetaste takken

Bron: Earth and Life Institute Environmental Sciences (UCL), 2024

Door de invoering van nieuwe klassen voor beuken in 2013 worden de eerdere resultaten niet voorgesteld. De variaties van jaar tot jaar kunnen deels verklaard worden door de tweejaarlijkse alternantie van de bezochte proefpercelen. Desalniettemin wordt een duidelijke toename van de frequentie van klasse 4 (mindere groei van laterale vertakkingen) waargenomen tussen 2013 en 2020 ten koste van klasse 1 en 2 (optimale of bijna optimale vertakking). In 2021 en 2022 stellen we echter een aanzienlijke vooruitgang van de gecumuleerde frequentie van de klassen 1 tot 3 vast maar de omgekeerde trend werd vastgesteld tijdens de twee jongste observatiecampagnes. De gecumuleerde frequentie van de meest aangetaste klassen (5 tot 7) vertoont geen duidelijke tendens.

De laatste jaren is de vruchtzetting ongelijkmatig voor zowel de beuk als de eik. De waarden die werden bereikt in 2022 en 2024, jaren met een sterke vruchtzetting, zijn echter veel lager dan in 2016, 2018 en 2020.

Sinds 2015 worden de kruinen van bepaalde bomen fotografisch opgevolgd

Om een betere kijk te krijgen op de evolutie van de ontbladering en van de structuur van de kruin, waarvan de oorzaken nog onduidelijk zijn (afgevallen dode takken, verschil in interpretatie door de verschillende waarnemers, ...) werd er sinds de campagne van 2015 een fotografische opvolging van de kruin van een subbemonstering van de beuken en eiken geïntegreerd in het observatiesysteem. Het heeft met name de mogelijkheid geboden het verband tussen vruchtvorming en ontbladering te bevestigen. De beoordelingsmethode, die automatische beeldverwerking omvat, wordt nog verfijnd.

Volgens een synthetische index op basis van kruin- en taksterfte is bijna één op de vijf beuken aangetast

De mortaliteit van takken en het gebrek aan vertakkingen zijn de basiscriteria om de vervalindex te berekenen (DEPERIS-methode). Ze krijgen elk op basis van semikwantitatieve definities een score op een schaal van 0 tot 5. Door deze twee criteria te combineren, verkrijgen we voor elke boom een achteruitgangsindex gaande van A tot F. Een boom wordt geklasseerd als ‘aangetast’ als de achteruitgangsindex overeenkomt met D en ‘zeer aangetast’ als deze overeenkomt met E of F. Het bestand wordt geklasseerd als ‘stervend’ als meer dan 20% van de bomen aangetast is.

Door dat vereenvoudigd protocol, dat sneller is dan het protocol dat werd ontwikkeld door het ICP (zie hierboven), kunnen alle bomen van de staalafname jaarlijks opgevolgd worden door de bosopzichters. Dit is in gebruik sinds 2022.

In 2024 bevond meer dan 95% van de bemonsterde bomen zich in de klassen 0 en 1 voor het criterium ‘taksterfte’ (geen of weinig taksterfte). Er zijn geen duidelijke trends voor de beuk of de eik. Voor essen werd een verslechtering waargenomen tussen 2023 en 2024.

Wat het criterium ‘gebrek aan vertakking’ betreft, domineren de klassen 1 en 2 grotendeels (licht tot matig gebrek aan vertakking). In 2024 is er voor de beuk en de es een toename waargenomen van de klassen 2 en 3 ten koste van de klassen 0 en 1.

Bijna een op de vijf beuken zal tegen 2024 zijn aangetast

Bron: Earth and Life Institute Environmental Sciences (UCL), 2024

Volgens de vervalindex zijn 19% van de beuken, 5% van de zomereiken, 10% van de wintereiken en 13% van de essen uit de staalafname beschadigd (index D, E of F).

De overgrote meerderheid van de eiken had een achteruitgangsindex van B. Met uitzondering van één wintereik (5% van het bestand), die een E had, kan de algemene gezondheid van de eiken volgens de criteria van deze vereenvoudigde beoordelingsmethode als ‘goed’ beschreven worden. 

De DEPERIS-diagnose voor de beuken is veel minder gunstig, met aangetaste (D) of zeer aangetaste (E) exemplaren die 19% van het totaal uitmaken. Bomen in goede conditie (B) maakten iets meer dan 30% van het totaal uit, en geen van de bemonsterde beukenbomen werd als in zeer goede conditie beschouwd. Volgens de criteria die gebruikt worden van die diagnostiek is de populatie van de beuken niet in verval, maar gaat het wel om grenswaarden. Deze redelijk verontrustende observatie moet echter genuanceerd worden. De meest ongunstige parameter is immers het gebrek aan takken en deze wordt deels beïnvloed door oude verstoringen (verdwenen afgestorven takken). Daarnaast is er slechts 1 beuk in klasse E en geen enkele in klasse F. De achteruitgang van de beuk is dus relatief wijdverspreid, maar niet extreem. Volgens deze index verslechterde de situatie van beuken tussen 2022 en 2024.

Resultaten die moeilijk te interpreteren en te vergelijken zijn met die van de aangrenzende gewesten

Deze evolutie, over een nog beperkte tijdspanne, blijkt moeilijk te interpreteren aangezien er zoveel factoren zijn die de ontbladering van een boom kunnen beïnvloeden (bodemkwaliteit, individuele eigenschappen van de bomen, weersomstandigheden, vruchtvorming, stamomtrek, plaats ten opzichte van omliggende bomen, vorm van de takken in de top, ongedierte, …). Bovendien vertoont het protocol van de follow-up zelf bepaalde beperkingen (de bestudeerde bomen verschillen van jaar tot jaar, voor de wintereik is de steekproef beperkt, subjectiviteit verbonden aan de waarnemer, moeilijkheden bij het waarnemen van niet-gedomineerde bomen, enz.).

Deze waarnemingen zijn trouwens moeilijk te vergelijken met de gegevens die in de aangrenzende gewesten werden opgetekend, aangezien de beschreven populaties er anders zijn (leeftijd en densiteit van de populaties, bodemcondities, het (micro)klimaat, het reliëf, enz.) en de kwaliteit van de waarnemingen kan variëren naargelang het netwerk (“waarnemerseffect”).
In Wallonië is het monitoringprotocol identiek aan dat van het Brussels Gewest en wordt de ijking door hetzelfde universiteitsteam uitgevoerd. De in Vlaanderen toegepaste scoremethode verschilt daarentegen enigszins van de methode die in de andere 2 gewesten en in de meeste partnerlanden van het project wordt toegepast. Voor beuken kan dit leiden tot een minder sterke score in vergelijking met het standaardprotocol, terwijl in het geval van eiken een lichte overschatting mogelijk is. Aan de hand van de ontbladeringswaarden die in de naburige gewesten werden genoteerd, is het echter wel mogelijk om grootteordes te bepalen.

De trend in de gemiddelde ontbladering bij beuken is vergelijkbaar in de drie gewesten

Bronnen: Leefmilieu Brussel op basis van gegevens uit OWSF, Bosvitaliteitsinventaris et Earth & Life Institute environmental sciences (UCL)

De gemiddelde ontbladering van de beuken in het Brusselse Zoniënwoud is ongeveer 10% lager dan in Wallonië en 10% hoger dan in Vlaanderen. De discrepantie tussen de percelen in het Brusselse Zoniënwoud en die in het Waals Gewest (voornamelijk in de hoge Ardennen) kan verband houden met een verslechtering die dateert van voor de start van de monitoring (2010), die kan worden gelinkt aan episodes van bodemverzadiging (Earth & Life Institute environmental sciences, 2022). Het verschil met het Vlaams Gewest kan worden verklaard door methodologische verschillen. Niettemin volgen de curven redelijk vergelijkbare evoluties in de drie gewesten.

Wat de eiken betreft, houdt de piek die in 2012 in Wallonië werd waargenomen verband met een grote aanval van parasitaire rupsen die de Ardennen trof, terwijl de gewesten met laagvlakten gespaard bleven.

Op Europees niveau (26 of 27 landen afhankelijk van het jaar) bedroeg de gemiddelde ontbladering van de beuken 22,6% in 2020, 20,9% in 2021, 22,4% in 2022 en 21,9% in 2023, wat dus aanzienlijk minder is dan in het Zoniënwoud. De meeste percelen met ernstige ontbladering liggen in Frankrijk en Duitsland en de percelen met minder ernstige ontbladering zijn eerder in Oost-Europa te vinden. Wat de trends op lange termijn betreft, heeft de monitoring aangetoond dat op Europese schaal de gemiddelde ontbladering van beuken tussen 2004 en 2023 met 4,7% is toegenomen (ICP Forest, 2024).

De gemiddelde ontbladering van alle eikensoorten die groeien in gematigde klimaten en die bladverliezend zijn bedroeg 25,9% in 2020, 27,3% in 2021, 27,6% in 2022 en 29,3% in 2024 (ICP Forest, verschillende jaren).

Een mogelijk effect van herhaalde droogtes op de beuk... maar veel blijft onzeker

De gezondheid van de eiken is bevredigend en er is geen significante lineaire trend in ontbladering vastgesteld.

De situatie is minder gunstig voor beuken, die sinds het begin van de monitoringsperiode in een vrij slechte gezondheidstoestand verkeren. Tussen 2021 en 2022 werd een aanzienlijke toename van de ontbladering vastgesteld en in 2024 blijft de gemiddelde ontbladering op dit hoge niveau (36%). Deze trend zou het gevolg kunnen zijn van de herhaalde droogteperiodes sinds 2018. Deze vertonen (nog) geen duidelijke aantasting of abnormale mortaliteit. Wat de trends op lange termijn betreft, heeft de statistische analyse een kleine (0,6% per jaar tussen 2009 en 2024) maar significante toename van de ontbladering voor de beuk aangetoond. Dit wordt slechts gedeeltelijk verklaard door de toename van de leeftijd van de bomen in deze periode.

Verdere monitoring is nodig om eventuele uitgestelde effecten van de extreme weersomstandigheden van de afgelopen jaren op de gezondheid van beuken te detecteren, en om de oorzaken van fluctuaties in de gezondheid van eiken te identificeren. De verbanden met de groei, de vruchtvorming en mogelijke stress door de kap moeten ook worden onderzocht.

Goed om te weten

Er is veel onderzoek gedaan naar de toekomst van de beuk in het Zoniënwoud. Twee onderzoeken uitgevoerd door Leefmilieu Brussel hebben de risico’s van de klimaatveranderingWijst op trage variaties van de klimaatskenmerken mettertijd, op een welbepaalde plaats: opwarming of afkoeling. Sommige vormen van luchtvervuiling, veroorzaakt door menselijke activiteiten, zijn een bedreiging voor het klimaat in de zin dat er een globale opwarming zou kunnen ontstaan. Dit verschijnsel kan belangrijke schade veroorzaken: stijging van de zeeniveaus, verergering van de uiterste klimaatsverschijnselen (droogtes, overstromingen, wervelstormen, enz.), destabilisatie van de bossen, bedreiging voor de zoetwatervoorraden, moeilijkheden voor de landbouw, woestijnvorming, vermindering van de biodiversiteit, verspreiding van tropische ziekten, enz. voor het voortbestaan op lange termijn van bepaalde bestanden in het Zoniënwoud aangetoond, in het bijzonder het grootste deel van de beukenbossen:

  • Het eerste, uitgevoerd in 2009, bestond uit een onderzoek naar de geschiktheid van bestaande of potentiële soorten voor toekomstige herbebossing in relatie tot de omstandigheden (bodem, topografie ...) van de verschillende sites in het Zoniënwoud. Hieruit bleek dat, uitgaande van een klimaatverandering overeenkomstig met een gemiddeld scenario van de Intergouvernementele groep van experten inzake klimaatverandering (IPCC), de beuk en de zomereik waarschijnlijk sterk zouden worden getroffen door deze veranderingen (Daise et al., 2009, zie focus “Zoniënwoud en risico’s verbonden aan de klimaatwijziging”). Opgemerkt moet worden dat dit klimaatscenario momenteel te optimistisch blijkt te zijn wat betreft de verwachte temperatuurstijging tegen 2100.
  • Het tweede onderzoek, uitgevoerd in 2015, onderzocht de impact van klimaatvariabelen op de groei van beuken, met name in het Zoniënwoud. Dat onderzoek concludeerde ook dat de klimaatveranderingen die op gewestelijk niveau worden verwacht tegen het einde van de 21e  eeuw – en die nu al aan de gang zijn – het voortbestaan van beukenbossen op de lange termijn in gevaar kunnen brengen. Datzelfde onderzoek heeft ook een vermindering van de groei van de beuken in het Zoniënwoud sinds de jaren 1990 aangetoond (Latte N., Claessens H., 2015, zie focus “Klimaatverandering en groei van de beuk in het Brussels Zoniënwoud”).

Andere onderzoeken nuanceren deze resultaten en houden rekening met bepaalde factoren die zouden kunnen pleiten voor een grotere veerkracht van de beuken in het Zoniënwoud, vooral bij droogteperiodes, zijnde:

  • Beukenbomen hebben een groot vermogen om water uit de omgevingslucht op te nemen, via de dicht opeenstaande bladharen rond de hoofdnerf. Dit water wordt vervolgens via de nerven naar het blad en de rest van de plant gedistribueerd, inclusief de wortels, zodat ze niet afsterven in geval van droogteDroogte is een natuurlijk fenomeen waarbij de beschikbaarheid van water afneemt als gevolg van een gebrek aan neerslag, wat op termijn tot een watertekort kan leiden. Dit moet niet worden verward met een ‘hittegolf’ of ‘hitteperiode’, ook al hebben deze wel degelijk invloed op de beschikbaarheid van water (toename van de watervraag). (eiken hebben dit vermogen niet). Tijdens periodes van droogte kan de lucht een bepaalde hoeveelheid vocht bevatten die condenseert (dauw, nevel), vooral in grote bosgebieden, waardoor beuken en bepaalde andere loofboomsoorten beter weerstand kunnen bieden (website Zoniënwoud, op basis van de thesis van SCHREEL J. 2019). Het Zoniënwoud is een uitgestrekt massief waar de hitte en droogte die gepaard gaan met hittegolven sterker gedempt worden dan in kleine boscomplexen of aan de rand van het bos.
  • Het wortelsysteem van de beuk ontwikkelt zich goed in gedraineerde bodems, maar de wortels stuiten snel op obstakels en compactere bodems zoals fragipan, een verharde horizon die veel voorkomt op geringe diepte in het Zoniënwoud. Pedologisch onderzoek heeft echter aangetoond dat deze fragipan een systeem van spleten heeft waardoor wortels kunnen doordringen tot de onderliggende horizon. Hierdoor hebben de beuken in het Zoniënwoud toegang tot de diepere, rijkere en waterrijkere slibbodem onder de fragipan.  Beukenwortels zijn echter gevoelig voor verstikking door een teveel aan water, wat bevorderd wordt door inklinking van de bodem of het geleidelijk dichtgroeien van scheuren door wortels (Langhor, 2010).
  • Zwamwortels zijn een verbinding tussen bepaalde soorten schimmels en de fijne wortels van een plant. Deze verbinding is een symbiose: de plant voorziet de schimmel van suikers die via fotosynthese worden geproduceerd, terwijl de schimmel zorgt voor voedingsstoffen en water uit de grond. Zwamwortelplanten hebben ook een hogere tolerantiedrempel voor verschillende stressfactoren (ziekten, ziekteverwekkers ...). Onderzoek in het Zoniënwoud heeft aangetoond dat jonge scheuten van de beuk zich goed lijken te integreren in de zwamwortelnetwerken van volwassen bomen. Oudere beuken helpen dus waarschijnlijk jongere individuen aan voedingsstoffen en water, waardoor deze kunnen concurreren in het kreupelhout waar weinig licht doordringt. Volgens deze hypothese kunnen jonge beukenbomen snel groeien wanneer het bladerdak van het bos zich opent. Zwamwortels spelen daarom een zeer belangrijke rol in de natuurlijke regeneratieIn bosbouw, operatie waarbij een rijpe bebossing (of boompopulatie) op natuurlijke of kunstmatige wijze wordt vervangen. van beuken (Everts T. et al. 2020). Deze hypothese pleit ook voor gemengde bestanden van oude en jonge beuken.
  • Bij een ander onderzoek (Verschueren L. et al. 2023) werden de groeiringen van grote levende beuken geanalyseerd en vergeleken met die van grote beuken die door de wind waren omgevallen, in het bosreservaatHet bosreservaat is een bos of een deel hiervan dat wordt beschermd met het doel kenmerkende of merkwaardige uitzichten of opstanden van inheemse houtsoorten in stand te houden en er de gaafheid van de bodem en van het milieu te vrijwaren. J. Zwaenepoel (Vlaams deel van het Zoniënwoud). Het toonde met name aan dat alle bemonsterde bomengevoelig waren geweest voor de extreme klimaatgebeurtenissen die ze hadden meegemaakt (droogte in de lente en de zomer), maar dat ze in staat waren geweest om snel te herstellen. De groeitrend van levende bomen is de afgelopen decennia echter hoog gebleven, terwijl die van bomen die door de wind zijn geveld aanzienlijk lagere groeicijfers liet zien, in ieder geval gedurende de 30 tot 40 jaar voor ze omvielen. Deze beperktere veerkracht kan worden verklaard door verschillen in de vitaliteit van het wortelstelsel. Op de lange termijn zorgen de steeds frequentere droogtes (waardoor het herstellen van bladeren, takken en wortels meer energie vergt) in combinatie met de productie van grote hoeveelheden beukennootjes ervoor dat deze bomen kwestbaarder worden en uiteindelijk omvallen. Dit onderzoek benadrukt, net als de voorgaande, de complexiteit van de reacties van bomen op klimaatverandering (individuele factoren, het verschil tussen een geïsoleerde boom en een boom in een bos ...) en hun dynamiek op lange termijn.
  • Sinds 2005 is er een massale natuurlijke regeneratie van beuken in grote delen van het Zoniënwoud. Zoals vermeld in het Beheerplan voor het Zoniënwoud (p. 127) is het mogelijk dat uit deze natuurlijke zaailingen uit zaad (en dus uit seksuele voortplanting die ervoor zorgt dat elk zaad een andere genetische erfenis heeft) jonge planten ontstaan die beter aangepast zijn aan de effecten van de klimaatverandering. Die robuustheid zou dan blijken in de komende jaren en decennia en zo zou een ‘klimaatresistentie’ in de beukenpopulatie ontstaan. Dit proces van natuurlijke selectie is overigens ook van toepassing op alle soorten die op natuurlijke wijze uit zaad regenereren. De beuk wordt ook gekenmerkt door een sterke ‘fenotypische plasticiteit’, die volgens het INRA gedefinieerd kan worden als een variatie in het karakter van een individu als reactie op een variatie in de omgeving voor een bepaald genotype (genetische samenstelling). Als reactie op variaties in zijn omgeving (licht, vochtigheid, temperatuur, zonlicht ...) kan een beuk sommige van zijn kenmerken aanpassen (grootte, groei, bladafmetingen ...). Deze plasticiteit is een belangrijke troef voor de overleving en voortplanting van veel soorten, waaronder de beuk, omdat het hen in staat stelt zich aan te passen aan verschillende habitats en het hoofd te bieden aan milieustress, in het bijzonder de stress die veroorzaakt wordt door klimaatverandering.

In het licht van deze kennis moet gezegd worden dat we voorzichtig moeten zijn als het gaat om het voorspellen van de toekomst van bosbestanden, gezien de complexiteit van de betrokken verschijnselen en de onzekerheden rond klimaatveranderingWijst op trage variaties van de klimaatskenmerken mettertijd, op een welbepaalde plaats: opwarming of afkoeling. Sommige vormen van luchtvervuiling, veroorzaakt door menselijke activiteiten, zijn een bedreiging voor het klimaat in de zin dat er een globale opwarming zou kunnen ontstaan. Dit verschijnsel kan belangrijke schade veroorzaken: stijging van de zeeniveaus, verergering van de uiterste klimaatsverschijnselen (droogtes, overstromingen, wervelstormen, enz.), destabilisatie van de bossen, bedreiging voor de zoetwatervoorraden, moeilijkheden voor de landbouw, woestijnvorming, vermindering van de biodiversiteit, verspreiding van tropische ziekten, enz. en de gevolgen daarvan (bijvoorbeeld voor hun pathogene organismen). Diversificatie van de structuur van het bestand (leeftijd en grootte van de bomen) en soorten – met inbegrip van de potentiële veerkracht van de beuk onder bepaalde omstandigheden en beheer dat een microklimaat in het bos handhaaft – blijft de beste garantie voor het overleven op lange termijn van bestanden in het Zoniënwoud. De goede werking van het bodem-plantensysteem is ook van groot belang en heeft voornamelijk te maken met de instandhouding van grote hoeveelheden dood hout en oude bomen (zie o.a. de focus Dood hout in de boshabitats).

Toekomstgericht bosbeheer

Het eerste gewestelijk beheersplan voor het Zoniënwoud (2003) werd aangepast om rekening te houden met het risico op achteruitgang van bepaalde soorten (vooral beuk en zomereik) als gevolg van de klimaatverandering en de veroudering van de beukenbestanden. Voor bestaande beukenbestanden voorziet het tweede plan (2019) onder meer in een sterkere en frequentere dunning bij ‘doelbomen’ (zie focus Houtkap in het Brusselse Zoniënwoud). Dit beperkt de concurrentie tussen de bomen en versnelt hun groei, wat de kapleeftijd zal verlagen en dus ook de risico’s, vooral van stormhout (omvallende bomen). Deze werkzaamheden worden zo uitgevoerd dat ze het bestand niet destabiliseren en geen impact hebben op het bosmilieu. Het beheer bevoordeelt ook de sterkste beuken, omdat deze waarschijnlijk genetische aanleg hebben om stress beter te overwinnen en hun nakomelingen van groot belang zouden kunnen zijn. De doelstelling om de landschapsexpressie van de beukenkathedraal, die in het in 2003 goedkeurde beheerplan 50% van de oppervlakte van het Brusselse Zoniënwoud besloeg, in stand te houden, is neerwaarts herzien naar 20% van het woud.  Gelet op de landschapskwaliteiten van de kathedraalexpressie voorziet het nieuwe plan de ontwikkeling van eikenbossen met bomen van dezelfde leeftijd, die kathedralen zullen vormen op basis van jonge aanplantingen van wintereik (9% van het woud). 

Het beheer van de resterende oppervlakten zal gericht zijn op de geleidelijke invoering van een meer getrapte en minder dichte structuur met een mengeling van soorten (natuurlijke regeneratieIn bosbouw, operatie waarbij een rijpe bebossing (of boompopulatie) op natuurlijke of kunstmatige wijze wordt vervangen. en aanplantingen). Soorten waarvan wordt aangenomen dat ze het best bestand zijn tegen de klimatologische omstandigheden die aan het eind van de eeuw worden verwacht (wintereik, winterlinde, haagbeuk, zoete kers ...) genieten de voorkeur. Deze diversificatie maakt de bosecosystemen beter opgewassen tegen verstoringen van het milieu, ziekten en stormwinden (weerstandsvermogen). Dit bevordert ook de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora).. Veel andere maatregelen in het plan helpen om de veerkracht en biodiversiteit van het bos te verbeteren (opnieuw verbinden van bosgebieden, bodembescherming, het verhogen van de hoeveelheid dood hout ...).

Om te downloaden

Methodologische fiche

  • Indicator : ontbladering en kruinstructuur van bomen in het Brussels gedeelte van het Zoniënwoud

Tabellen met de gegevens

  • Evolutie van de gemiddelde ontbladering van alle beuken en eiken die zijn opgenomen in de monitoring (% ontbladering) (2009-2024) (.xls)
  • % bomen opgenomen in de monitoring met een ontbladeringspercentage van meer dans 25% (2009-2024) (.xls)
  • % bomen opgenomen in de monitoring met een ontbladeringspercentage van meer dans 40% (2009-2024) (.xls)
  • Indeling van de zomereiken en de wintereiken naar kruinstructuur (2012-2024) (.xls)
  • Indeling van de beuken naar kruinstructuur (2013-2024) (.xls)
  • Verdeling van beuken, eiken en essen opgenomen in de monitoring per waarde van Decline index (2022, 2023, 2024) (xls)

Factsheets

  • n°21. Inventaris van het boserfgoed van het Brusselse Zoniënwoud (.pdf)
  • n°22. Houtkap, aanwas en verjonging in het Brusselse Zoniënwoud (.pdf)

Fiches van de Staat van het Leefmilieu

  • Focus : Boserfgoed van het Brusselse Zoniënwoud (2021)
  • Focus : Houtkap in het Brusselse Zoniënwoud (2021)
  • Focus : Klimaatverandering en groei van de beuk in het Brussels Zoniënwoud (2018)
  • Focus : Toekomstige evolutie van het klimaat in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en mogelijke aanpassingen (2021)
  • Zoniënwoud en risico’s verbonden aan de klimaatwijziging (2009)
  • Hoofdstuk « Semi-natuurlijk leefmilieu en openbare groene ruimten » (2007) (.pdf)

Andere publicaties van Leefmilieu Brussel

  • Staat van de natuur in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Samenvattig, 2022 (.pdf)
  • Kaart “Bosbouwkundig potentieel van de beuk in het Zoniënwoud, in 2000 en in 2100”

Studies en rapporten

  • DAISE J., CLAESSENS H. onder de leiding van Rondeux J. ( Unité de Gestion des Ressources forestières et des Milieux Naturels, ULg-Gembloux Agro-Bio Tech) « Etude de l’adéquation des essences aux stations forestières de la forêt de Soignes (zone bruxelloise) dans le contexte du changement climatique», studie in opdracht van Leefmilieu Brussel, 368 pp.+ bijlagen. (.pdf) (enkel in het Frans)
  • DE KEERSMAEKER L., VANDEKERKHOVE K. 2020. “Schrijven we de beuk te snel af?”, Bosrevue 88a, 1-16.
  • EVERTS T., BOERAEVE M., VANDEKERKHOVE K., DE KEERSMAEKER L., VAN DE KERCKHOVE P. & JACQUEMYN H. 2020. “Verjonging van Beuk in het Zoniênwoud - Terug van weggeweest door ectomycorrhizale schimmels ?”, in Natuur.focus 19(3): 124-131 (.pdf)
  • IPBES 2018. “The IPBES regional assessment report on biodiversity and ecosystem services for Europe and Central Asia”, 892 pages (.pdf) (enkel in het Engels)
  • INBO diverse jaren. « Bosvitaliteisinventaris 20XX – Resultaten uit het bosvitaliteitsmeetnet (Level 1)»
  • IPBES 2018. “The IPBES regional assessment report on biodiversity and ecosystem services for Europe and Central Asia”, 892 pages (.pdf) (enkel in het Engels).
  • LANGOHR « Quelques facteurs édaphiques dans l’écosystème forêt de soignes », in Forêt Wallonne. 105. 3-14 (.pdf) (enkel in het Frans)
  • LATTE N., CLAESSENS H. (Unité de Gestion des Ressources forestières et des Milieux Naturels, ULg-Gembloux Agro-Bio Tech) 2015. « Analyse de l’influence du changement climatique sur la croissance du hêtre en forêt de Soignes ». Etude réalisée pour le compte de Bruxelles Environnement, 14 pp.+ annexes (.pdf) (enkel in het Frans)
  • LATTE N. et 2015. «Dendroécologie du hêtre en forêt de Soignes – Les cernes des arbres nous renseignent sur les changements récents et futurs », in Forêt.Nature n°137, recherche financée par Bruxelles Environnement et l’Accord-cadre de recherches et de vulgarisation forestières (SPW, DGO3, DNF), pp.25-37 (.pdf)  (enkel in het Frans)
  • LEFÈVRE F., FADY B., JEAN F., DAVI H., PICHOT C., ODDOU-MURATORIO S. (INRA). « Les processus biologiques de réponse des arbres et forêts au changement climatique : adaptation et plasticité phénotypique » in Innovations Agronomiques, 2015, 47, pp.63-79. (enkel in het Frans)
  • MICHEL A, HAGGENMÜLLER K, KIRCHNER T, PRESCHER A-K, SCHWÄRZEL K, WOHLGEMUTH L, (ICP Forest) editors 2024. “Forest Condition in Europe : The 2024 Assessment”. ICP Forests Technical Report under the UNECE Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (Air Convention). Eberswalde: Thünen Institute, pp 96 (.pdf) (enkel in het Engels).
  • OWSF 2025 (en andere jaren). “La lettre d’info de l’OWSF – données 2024» (.pdf) (enkel in het Frans)
  • ROSKAMS P., SIOEN 2017. “De toestand van de beuk in de monitoringproefvlakken in het Zoniënwoud – anno 2017”, intern document van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) (persoonlijke mededeling).
  • SCHREEL J. 2024 (?). « DroogteDroogte is een natuurlijk fenomeen waarbij de beschikbaarheid van water afneemt als gevolg van een gebrek aan neerslag, wat op termijn tot een watertekort kan leiden. Dit moet niet worden verward met een ‘hittegolf’ of ‘hitteperiode’, ook al hebben deze wel degelijk invloed op de beschikbaarheid van water (toename van de watervraag). ? De beuk erin! »,  online artikel  op de  Zoniënwoud website (gebaseerd op het proefschrift « Foliar water uptake in beech (Fagus sylvatica L.) » 2019,  UGent door dezelfde auteur)
  • SERVICE PUBLIC WALLON, DIRECTION DE L’ETAT ENVIRONNEMENTAL. « Rapport sur l’état de l’environnement wallon 2017 » (html), zie Etat de santé des forêts (enkel in het Frans)
  • SIOEN , VERSCHELDE P., ROSKAMS P. 2025. “Bosvitaliteitsinventaris 2024. Resultaten uit het bosvitaliteitsmeetnet (Level 1)”,  Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2025 (16), 113 pp. (pdf)
    DOI: doi.org/10.21436/inbor.121784077
  • TITEUX H., JOUSSEMET F. (Earth & Life Institute Environmental Sciences - UCL) 2024. « Suivi de l’état sanitaire des arbres en forêt de soignes bruxelloise 2024 ». Etude réalisée pour le compte de Bruxelles Environnement, 56 pp. (.pdf) (enkel in het Frans)
  • De inventarisaties van de gezondheid van de bomen in het Zoniënwoud voor de jaren 2009-2023 zijn ook beschikbaar in het online documentatiecentrum van Leefmilieu Brussel:
  • TITEUX et al. 2021. « Bilan de douze années de suivi sanitaire des hêtres et chênes de la forêt de Soignes », Forêt Nature n°159, p.40-49 (.pdf) (enkel in het Frans)
  • VAES F., VANWIJNSBERGHE S. 2020. « Présentation du plan de gestion de forêt de Soignes » in Forêt.Nature n°155 : 19-30. (.pdf) (enkel in het Frans)
  • VERSCHUREN L., DE MILD T., DE FRENNE P., HANECA K., VAN ACKER J, VANDEKERKHOVE K., VAN DEN BULCKE J. 2023. “Heading for a fall: The fate of old wind-thrown beech trees (Fagus sylvatica) is detectable in their growth pattern” in Science of the Total Environment 903 (2023) 166148, pp.10. (.pdf)  (enkel in het Engels).

Plannen en programma’s

  • Gewestelijk Natuurplan 2016-2020 voor het Brussels Gewest (.pdf)
  • Beheerplan voor het Brussels gedeelte van het Zoniënwoud, Boek I - Plaatsbeschrijving , 2018 (.pdf)
  • Beheerplan voor het Brussels gedeelte van het Zoniënwoud, Boek II - Beheerdoelstellingen en –maatregelen, 2018 (.pdf)
  • Beheerplan voor het Brussels gedeelte van het Zoniënwoud, Boek III - Beheerplannen voor de archeologische sites, natuurreservaten en bosreservaten, 2018 (.pdf)

Nuttige links

  • Agentschap voor Natuur en Bos, Leefmilieu Brussel, Département de la Nature et des Forêts (DGARNE-SPW)
  • Instituut natuur- en bosonderzoek, natuurindicator « Aandeel beschadigde bosbomen »
  • Observatoire wallon de la santé des forêts

Boserfgoed van het Brusselse Zoniënwoud

Focus – Actualisatie : januari 2021

De jaarlijkse inventaris van het boserfgoed draagt, samen met andere studies en veldwaarnemingen, bij tot een betere kennis van het Zoniënmassief. De inventaris verschaft essentiële gegevens voor een kwalitatief hoogstaand bosbeheer. Op basis daarvan kan men onder meer tot de volgende vaststellingen komen:
- 66% van de oppervlakte van het Zoniënwoud bestaat uit homogene of gemengde beuken- en eikenbossen;
- Bijna de helft van het beukenbosoppervlak bestaat uit oude beukenbossen van meer dan 120 jaar oud;
- Zowel in de beuken- als in de eikenbossen is er een aanzienlijk onevenwicht in de leeftijdsklassen, wat een duurzaam bosbeheer bemoeilijkt als de mens niet ingrijpt;
- Naar schatting groeit het beukenbos in het Brusselse Zoniënwoud 9 tot 11 m3/ha/jaar, wat het tot een van de productiefste beukenbossen van België en zelfs van de wereld maakt;
- Sinds 2005 vindt natuurlijke verjonging plaats in de oude beukenbestanden. De esdoorn, de es, de haagbeuk, de boskers en de berk verjongen ook goed op natuurlijke wijze;
- Met een gemiddelde van ongeveer 21 m3 dood hout per ha lijkt de hoeveelheid dood hout in het Zoniënwoud de laatste jaren te zijn toegenomen, maar deze gegevens moeten nog worden bevestigd.

De bosinventaris: een instrument voor bosbeheer

Met zijn 1.659 ha beslaat het Zoniënwoud ongeveer 10% van het Brusselse grondgebied. Zijn beheer, dat voornamelijk door de onderafdeling Bos en Natuur wordt verzekerd, is gebaseerd op talrijke wetenschappelijke gegevens en in het bijzonder op de inventaris van de staat van het boserfgoed van het Zoniënwoud. 
Deze jaarlijkse inventaris wordt sinds 2008 uitgevoerd en is gebaseerd op een systematische bemonstering van percelen binnen elke vierkante maas (200 m bij 200 m) van een inventarisraster.   De meetcampagnes voor de inventaris worden zo georganiseerd dat elk jaar een van de 8 in het Brusselse Zoniënwoud afgebakende kappen aan bod komt. 
De metingen en waarnemingen betreffen niet alleen de bomen, maar ook de aanwezige flora, bepaalde sporen van de aanwezigheid van fauna, de bodem of de topografie. Na 8 jaar inventarisatie kunnen de waargenomen waarden aan de hand van een statistische verwerking worden geëxtrapoleerd naar het gehele woud.  Alleen bomen met een stamomtrek van 40 cm of meer gemeten op 1,5 m van de grond worden in aanmerking genomen.  
Eenmaal verwerkt leveren deze gegevens een schat aan informatie op (LEJEUNE P. et al. 2009): 

  • omvang en aard van het staande hout in de bestanden: volume staand hout, aantal bomen en dichtheid van het bestand, grondvlak (dwarsdoorsnede op 1,5 m van de grond van een boom of bestand), gemiddelde stamomtrek enz.;
  • samenstelling: omvang en diversiteit van de houtachtige soorten die in de bestanden worden aangetroffen;
  • structuur: verdeling van de bomen per grootteklasse (wat de leeftijd van de bomen en het demografische evenwicht van het bestand weerspiegelt);
  • samenstelling en mate van de verjonging: deze parameter geeft de mate van verjonging van het bos aan, een essentiële voorwaarde voor de duurzaamheid ervan, en moet parallel met de structuur worden beschouwd;
  • gezondheidstoestand: zichtbare gezondheid van de bomen;
  • plantensamenstelling: lijst en relatief belang van de soorten die worden aangetroffen in de verschillende lagen van het plantendek (bomen, struiken, kruidachtige planten), een interessante indicator voor de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). van het ecosysteemGeheel van de planten- en dierengemeenschappen in een territorium, beschouwd in hun wisselwerking met de milieufactoren.;
  • voorraad dood hout: de hoeveelheid dood hout, staand of rottend op de grond, is een andere interessante indicator voor de beoordeling van de biodiversiteit. Deze dode bomen zijn namelijk bevoorrechte ecologische niches voor veel organismen;
  • berekening van de aanwas: nu de inventaris zijn tweede cyclus heeft bereikt en de bemonsteringspercelen opnieuw worden bezocht, kunnen de gegevens van de opeenvolgende etappes worden gebruikt om de groei van de bomen te meten (uitgedrukt in dikte, hoogte of volume). 

De evolutie van het aantal aanwezige bomen maakt het ook mogelijk te controleren in hoeverre de door de beheerder geplande bomenkap verenigbaar is met het groeipotentieel van het woud. 
In de volgende paragrafen worden de belangrijkste bevindingen van deze inventaris samengevat.

Grotendeels door beuk gedomineerde bosbestanden 

60% van de oppervlakte van het Brusselse Zoniënwoud bestaat uit beukenbossen, waarvan 52% homogene beukenbossen.  De homogene en gemengde eikenbossen vertegenwoordigen 6% van de oppervlakte. De resterende oppervlakte wordt ingenomen door naaldboombestanden (3%) en gemengde bestanden met diverse soorten (31%).
Naast beuk, zomereik (de meerderheid) en wintereik, vinden we onder de loofbomen met name esdoorn, berk, es, wilg, els, haagbeuk, boskers en kastanje. De voornaamste naaldboomsoorten (3%) zijn de grove den, de lork en de Corsicaanse den.

Samenstelling van de bosbestanden in het Zoniënwoud 

Bron: Samenvatting 2020 van de bosinventaris van het Brusselse Zoniënwoud - Unité de gestion des ressources forestières et des milieux naturels (FUSAGX-ULg, 2020)
see1920_illu_inventaireforestier2020_fig1_nl

Deze gegevens zijn evenwel niet volledig te vergelijken met die van het beheerplan van het Zoniënwoud, omdat de bestanden anders worden ingedeeld.  Als gevolg daarvan worden sommige eiken die vroeger tot de categorie ‘gemengd eikenbos’ behoorden, nu ingedeeld als ‘gemengd bestand’. Bovendien zijn de talrijke eikenaanplantingen van de laatste jaren (hoofdzakelijk in de vorm van homogene eikenbossen) nog te jong om in de inventaris te worden opgenomen (ter herinnering: alleen bomen met een omtrek > 40 cm worden geïnventariseerd).
De kaart met de soortensamenstelling van de bestanden, die is opgesteld in het kader van het tweede beheerplan van het Zoniënwoud, is beschikbaar in de factsheet over de inventaris van het boserfgoed van het Zoniënwoud (zie links hieronder).

Bijna de helft van het beukenbosoppervlak bestaat uit oude beukenbossen van meer dan 120 jaar oud.

In een evenwichtig bos moet elke leeftijdsklasse in theorie dezelfde oppervlakte innemen. Zowel in de beuken- als in de eikenbossen, de overheersende bestanden, is er een aanzienlijk onevenwichtig in de leeftijdsklassen. 
Voor de homogene en gemengde beukenbossen betekent dit een oververtegenwoordiging van de oudste leeftijdsklassen en een ondervertegenwoordiging van de jongste, wat de duurzaamheid van deze bestanden in gevaar brengt. De recente natuurlijke verjonging van de beuken (zie hieronder) resulteert echter in een verhoogde vertegenwoordiging van de categorie 0-20 jaar oud.
In de homogene eikenbossen zijn de jonge leeftijdsklassen sterk vertegenwoordigd, vooral na de aanplantingen na de storm van 1990. De tussenliggende leeftijdsklassen (80 tot 140 jaar) zijn slecht vertegenwoordigd in zowel de homogene als de gemengde eikenbossen, wat in de toekomst tot een tekort aan oude eikenbestanden zal leiden.

Een van de meest productieve bossen van België

Op basis van de beschikbare inventarisgegevens heeft het departement Bos een raming gemaakt van de aanwas van de beukenbossen in het Brusselse Zoniënwoud (persoonlijke mededeling, 2021): deze zou tussen 9 en 11 m3/ha/jaar bedragen. Deze grootteorde, die overeenkomt met een zeer hoge productiviteit, is vergelijkbaar met andere evaluaties die voor het Zoniënwoud zijn uitgevoerd.
Deze waarden wijzen op een zeer gestage groei van de beuken en een momenteel gunstige situatie voor deze soort, die in dit stadium geen merkbare tekenen van achteruitgang vertoont (zie ook Gezondheidstoestand van beuken en eiken in het Zoniënwoud).  Deze situatie kan echter snel veranderen. 

De natuurlijke verjonging van verschillende soorten, een te benutten kans 

Een van de voordelen van een natuurlijke verjonging is dat ze gratis is, een aangepaste lokale oorsprong heeft en vaak overvloedig opkomt. Bovendien ondergaan de beste zaailingen een natuurlijk selectieproces. 
Afhankelijk van de milieuomstandigheden verjongen een aantal soorten min of meer gemakkelijk in het Zoniënwoud, soms zeer plaatselijk (gewone esdoorn, haagbeuk, boskers, berk, wilg, linde...). De natuurlijke verjonging van deze soorten biedt bosbouwers de gelegenheid het bos te verjongen en om te vormen in overeenstemming met de beheerdoelstellingen in het beheerplan.  Dat plan wil de natuurlijke verjonging bevorderen daar waar ze spontaan optreedt en ze aanvullen met planten uit kwekerijen waar ze ontoereikend is of geen toekomst heeft (bv. door gebrek aan licht).
De beuk neemt een groot deel van de verjonging voor zijn rekening. Die vaststelling strookt met het feit dat jonge beuken goed bestand zijn tegen schaduw en dat het bladerdak van oudere beuken vrij dicht is. Natuurlijke verjonging van de beuk in het Zoniënwoud was zeer moeilijk te bewerkstelligen tot in 2005, toen de eerste zaailingen verschenen, zich ontwikkelden en ook nog eens levensvatbaar bleken. Sindsdien zijn er bijna om de twee jaar goede zaadzettingen.
De volgende grafieken geven een beeld van de verjonging in de homogene of gemengde beukenbossen volgens de inventaris van 2020. De verjonging wordt beoordeeld in % bedekking. 

Verjonging in de beukenbossen (bemonsterde oppervlakte 992 ha)

Bron: Samenvatting 2020 van de bosinventaris van het Brusselse Zoniënwoud – Unité de gestion des ressources forestières et des milieux naturels (FUSAGX-ULg, 2020)
see1920_illu_inventaireforestier2020_fig2_nl
Zaailingen zijn planten van minder dan 30 cm hoog, gevestigde zaailingen zijn planten tussen 30 en 150 cm hoog, struwelen zijn planten tussen 150 en 300 cm hoog. Jongwas-staakhout zijn stammen van meer dan 3 m hoog en minder dan 40 cm dik.

De verjonging van de eik - een soort die in haar beginstadium een licht gebladerte nodig heeft - is kwantitatief zeer beperkt, wat de aanplant van deze soort rechtvaardigt.

Beheer gericht op het verhogen van de hoeveelheid dood hout

De aanwezigheid van dood hout, in alle stadia van ontbinding, draagt bij tot de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). van het bos.  Staand of liggend dood hout is belangrijk voor een groot aantal soorten, als schuilplaats of als voedselbron: vleermuizen en holtebewonende vogels, kleine zoogdieren, amfibieën en reptielen, houtetende insecten, korstmossen, mossen, zwammen, enz.
Dood hout houdt ook het bodemvocht vast, stimuleert het bodemleven en draagt door zijn langzame ontbinding bij tot de vorming van humus en dus tot de vruchtbaarheid van het bos. 
Vanuit landschappelijk oogpunt dragen de aanwezigheid van dood hout en het leven dat daarmee gepaard gaat, bij tot het creëren van een bossfeer.
De verhoging van de hoeveelheid dood hout op alle standplaatsen en in verschillende vormen is een belangrijke doelstelling van het beheerplan van het Zoniënwoud. Bepaalde zones van het woud, die meer specifiek gewijd zijn aan de vorming van een ecologisch netwerk in het woudmassief, onderscheiden zich door het behoud van een maximaal aantal dikke bomen en staand of liggend dood hout.
Op basis van de meetcampagnes in het kader van de bosinventaris (gegevens voor 2020) en met het beukenbos als referentie wordt het gemiddelde volume dood hout geraamd op ongeveer 21 m3/ha, d.w.z. ongeveer 6% van het totale staande volume (het minimale streefcijfer in het beheerplan is 5% of 8% voor bepaalde habitattypes).  
In 2013 werd dat volume op basis van de gegevens van de inventaris geraamd op 14 m3/ha.  Hoewel deze resultaten met de nodige omzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd, gezien de onnauwkeurigheidsmarge, stroken deze gegevens, die op een toename van de hoeveelheid dood hout wijzen, met de waarnemingen van de beheerders en deskundigen op het terrein. Indien deze positieve ontwikkeling wordt bevestigd, moet ze in verband worden gebracht met bepaalde wijzigingen in het bosbeheer die de laatste jaren zijn ingevoerd of versterkt (zie de factsheet over de bosinventaris).

Follow-up van de gezondheidstoestand van de bestanden

Net als andere wouden overal ter wereld is het Zoniënwoud het slachtoffer van wat wetenschappers ‘bossterfte’ noemen en waarvan de oorzaken velerlei zijn. Naast de follow-up van de vormgebreken en beschadigingen aan de bomen (wild, ruimingswerken) die in de bosinventarissen worden vastgesteld, is in 2009 een aanvullende gezondheidsmonitoring van de beuken- en eikenbestanden opgezet.  Deze heeft betrekking op parameters zoals ontbladering, verkleuring, kruinstructuur en insectenschade.
De jaarlijkse herhaling van de waarnemingscampagnes moet zicht geven op de evolutie in de loop der jaren. Vandaag lijkt de situatie stabiel, maar om verergering te voorkomen, moeten maatregelen worden genomen om enerzijds de bodemverdichting te beperken en anderzijds te garanderen dat standplaatsgeschikte boomsoorten worden aangeplant bij de verjonging van het bos. Volgens Herbauts (1995) kan verdichting namelijk de hydrische stress of nutriëntentekorten verergeren. Het is ook van essentieel belang dat deze monitoring wordt voortgezet, aangezien de situatie snel kan veranderen. 
Meer informatie over dit onderwerp is beschikbaar in de focus over de gezondheidstoestand van de beuken en eiken in het Zoniënwoud. 

Positieve punten voor de biodiversiteit 

In termen van biodiversiteit heeft het boserfgoed van het Brusselse Zoniënwoud talrijke troeven.  Het massief telt een groot aantal beuken met een grote diameter die van grote ecologische waarde zijn voor vele soorten. Volgens de bosbeheerders telt het Brusselse Zoniënwoud meer dan vijf dikke bomen met een diameter van meer dan 80 cm per hectare, wat uitzonderlijk is voor een beheerd bos. Er is ook een aanzienlijke hoeveelheid staande afgetakelde en dode bomen en liggend dik dood hout. Sinds 2005 vindt natuurlijke beukverjonging plaats in de oude beukenbestanden. De esdoorn, de es, de haagbeuk, de boskers en de berk verjongen ook goed op natuurlijke wijze. 
Bovendien vormt het Zoniënmassief vanwege zijn continuïteit in tijd en ruimte (5.000 ha onder bos gebleven) een oud bos en kan het worden beschouwd als een bewaarplaats voor de biodiversiteit van oude bossen. Dit resulteert in een rijke biodiversiteit, met name wat betreft soorten en habitats van communautair belang (Natura 2000). 

... maar ook zwakke punten die het bosbeheer moet tegengaan

Het boserfgoed van het Zoniënwoud vertoont ook zwakke punten, die met name verband houden met de dominantie van gelijkjarige bestanden van hoofdzakelijk één enkele boomsoort (beuk), met een oververtegenwoordiging van de oudste leeftijdsklassen en een ondervertegenwoordiging van de jongste, wat de duurzaamheid van het woud in het gedrang brengt. Deze overheersing van de beuk resulteert in een weinig gestructureerd bos dat wordt gedomineerd door één enkele soort en één enkele laag. Dit is des te problematischer omdat volgens meerdere studies (zie links hieronder) de verwachte toename van de frequentie en de intensiteit van droge periodes in het voorjaar en van hittegolven in de zomer als gevolg van de klimaatveranderingWijst op trage variaties van de klimaatskenmerken mettertijd, op een welbepaalde plaats: opwarming of afkoeling. Sommige vormen van luchtvervuiling, veroorzaakt door menselijke activiteiten, zijn een bedreiging voor het klimaat in de zin dat er een globale opwarming zou kunnen ontstaan. Dit verschijnsel kan belangrijke schade veroorzaken: stijging van de zeeniveaus, verergering van de uiterste klimaatsverschijnselen (droogtes, overstromingen, wervelstormen, enz.), destabilisatie van de bossen, bedreiging voor de zoetwatervoorraden, moeilijkheden voor de landbouw, woestijnvorming, vermindering van de biodiversiteit, verspreiding van tropische ziekten, enz. het voortbestaan van de beukenbossen in het Zoniënwoud op lange termijn in het gedrang kan brengen.  Beukenaanplantingen zijn ook zeer gevoelig voor het risico op windval, met name door de frequente aanwezigheid van een ondiepe, verharde bodemhorizont (fragipan), de ouderdom, de bereikte hoogten en het structuurverlies van bepaalde bestanden na de stormen van 1990. Bovendien worden de oude eikenbossen gedomineerd door de zomereik die, net als de beuk, waarschijnlijk ook sterk zal worden getroffen door de voorspelde klimaatveranderingen. De wintereik, die beter bestand is tegen de huidige klimaatveranderingen, vormt over het algemeen een zeer kleine minderheid.  Onder de huidige omstandigheden is het massief dus niet erg goed bestand tegen verstoringen van het milieu en met name tegen de verwachte klimaatverandering. 
Het nieuwe gewestelijke beheerplan van het Zoniënwoud, dat in 2019 is goedgekeurd, wil met name het weerstandsvermogen van het massief vergroten dankzij onder meer een grotere diversificatie van de soorten, de geleidelijke invoering van een meer gelaagde en minder dichte structuur en de verjonging van de bestanden (zie factsheet 22. Houtkap, aanwas en verjonging in het Brusselse Zoniënwoud). In dit verband zou een groot deel van de bestanden die als gelijkjarig monospecifiek hooghoutBedrijfsvorm waarbij men uit de zaad of stekken voortgekomen bomen hun volle hoogteontwikkeling laat bereiken en ze slechts eenmaal kapt. worden beheerd, geleidelijk moeten evolueren naar ongelijkjarig hooghout met een mengeling van soorten van verschillende leeftijden. De natuurlijke verjonging die momenteel wordt waargenomen voor de beuk en andere soorten is een kans in het kader van deze overgang.

Om te downloaden

Factsheets 

  • 10. Natuurlijke habitats in de Brusselse groengebieden
  • 20. Monitoring van de natuurlijke habitats in het Brussels Gewest (.pdf)
  • 21. Inventaris van het boserfgoed van het Brusselse Zoniënwoud (.pdf)
  • 22. Houtkap, aanwas en verjonging in het Brusselse Zoniënwoud (.pdf)

Carnet « Grondgebruik en landschappen in Brussel»

  • 14. Semi-natuurlijke ruimten en groene ruimten die genieten van een beschermingsstatuut (.pdf)

Fiches van de Staat van het Leefmilieu

  • Indicator : Gezondheidstoestand van de beuken en eiken in het Zoniënwoud (editie 2019-2020)
  • Focus : Houtkap in het Brusselse Zoniënwoud (editie 2019-2020)
  • Focus : Klimaatverandering en groei van de beuk in het Brussels Zoniënwoud (editie 2015-2016)
  • Focus :  Aanpassing aan klimaatveranderingen (editie 2011-2014)
  • Zoniënwoud en risico’s verbonden aan de klimaatwijziging (editie 2007-2008) (.pdf)

Andere publicaties van Leefmilieu Brussel

  • Rapport over de staat van de natuur in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, september 2012 (.pdf)
  • Kaart “Bosbouwkundig potentieel van de beuk in het Zoniënwoud, in 2000 en in 2100”

Studies en rapporten

  • DAISE J., CLAESSENS H., RONDEUX J. 2009.  « Etude de l’adéquation des essences aux stations forestières de la forêt de Soignes (zone bruxelloise) dans le contexte du changement climatique». Unité de Gestion des Ressources Forestières et des Milieux Naturels, FUSAGx-ULg, Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel, 368 pp.+ bijlagen. (.pdf) (enkel in het Frans)
  • EARTH & LIFE INSTITUTE ENVIRONMENTAL SCIENCES (UCL) 2020. « Suivi de l’état sanitaire des arbres en forêt de Soignes bruxelloise 2020 ». Etude réalisée pour le compte de Bruxelles Environnement, 81 pp. (.pdf) (enkel in het Frans)
  • GESTION DES RESSOURCES FORESTIERES (ULg-Gembloux Agro-Bio Tech)  2015. « Analyse de l’influence du changement climatique du hêtre en forêt de Soignes ». Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel , 14 pp.+ bijlagen. (.pdf) ) (enkel in het Frans)
  • GODEFROID S., KOEDAM N. 2007. « Quantification et qualification du bois mort dans les habitats Natura 2000 en Région de Bruxelles-Capitale », Laboratorium voor Algemene Plantkunde en Natuurbeheer (General Botany and Nature Management) – VUB, Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel, 35 pp. (.pdf)  (enkel in het Frans)
  • LATTE N. et al. 2015. “Dendroécologie du hêtre en forêt de Soignes – Les cernes des arbres nous renseignent sur les changements récents et futurs », in Forêt.Nature n°137, recherche financée par Bruxelles Environnement et l’Accord-cadre de recherches et de vulgarisation forestières (SPW, DGO3, DNF), pp.25-37. (.pdf) (enkel in het Frans)
  • LEJEUNE P., ALDERWEIRELD M., RONDEUX J. 2009.  « La forêt de Soignes - Connaissances nouvelles pour un patrimoine d'avenir” in  chapitre  “L'apport d'un inventaire forestier par échantillonnage à la gestion de la forêt de Soignes”, publicatie VRIENDEN VAN HET ZONIEWOUD (enkel in het Frans)
  • UNITE DE GESTION DES RESSOURCES FORESTIERES ET DES MILIEUX NATURELS -  FUSAGx-ULg - 2020. « Synthèse 2020 de l’inventaire forestier de la forêt de Soignes bruxelloise », inventaris in opdracht van Leefmilieu Brussel. (enkel in het Frans)
  • VAES F., VANWIJNSBERGHE S. 2020. “Un nouveau plan de gestion pour la forêt de Soignes” in “Forêt Nature” n°155.  (.pdf) (enkel in het Frans)

Plannen en programma’s

  • Gewestelijk Natuurplan 2016-2020 voor het Brussels Gewest (.pdf)
  • Beheerplan voor het Brussels gedeelte van het Zoniënwoud, Boek I - Plaatsbeschrijving , 2018 (.pdf)
  • Beheerplan voor het Brussels gedeelte van het Zoniënwoud, Boek II - Beheerdoelstellingen en –maatregelen, 2018 (.pdf)
  • Beheerplan voor het Brussels gedeelte van het Zoniënwoud, Boek III - Beheerplannen voor de archeologische sites, natuurreservaten en bosreservaten, 2018 (.pdf)

Nuttige links

  • Agentschap voor Natuur en Bos, Bruxelles Environnement, Département de la Nature et des Forêts (DGARNE-SPW)
  • Agentschap Natuur en Bos, Wat is de bosinventaris ?
  • Inventaire Permanent des Ressources Forestières de Wallonie

Houtkap in het Brussels Zoniënwoud

Focus – Actualisatie : januari 2021

Het kappen van hout en de verjonging van bestanden zijn in de eerste plaats gericht op biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora)., landschapsverbetering en veiligheid van de gebruikers. Het bosbeheer is ook bedoeld om het erfgoed van het Zoniënwoud op lange termijn in stand te houden. Bij de selectie van de te kappen bomen wordt rekening gehouden met talrijke elementen die in het beheerplan zijn beschreven. Er wordt ook op toegezien dat de houtkap de aanwasvolumes van het bos niet overschrijdt. De verjonging van de bestanden is zowel gebaseerd op natuurlijke verjonging als op kleinschalige aanplantingen, met een bijzondere nadruk op soorten die moeilijk op natuurlijke wijze kunnen verjongen en/of van ecologisch belang zijn.

Bosbeheer gericht op de diversificatie van de soorten en de verjonging van de bestanden

In 2020 bestaat 52% van het Brusselse deel van het Zoniënwoud uit homogene beukenbestanden en 8% uit door beuk gedomineerde gemengde bestanden. Volgens verschillende studies kunnen de verwachte klimaatveranderingen op gewestelijk niveau het voortbestaan van de beukenbossen op lange termijn in gevaar brengen. Ook andere soorten kunnen de gevolgen van de klimaatveranderingWijst op trage variaties van de klimaatskenmerken mettertijd, op een welbepaalde plaats: opwarming of afkoeling. Sommige vormen van luchtvervuiling, veroorzaakt door menselijke activiteiten, zijn een bedreiging voor het klimaat in de zin dat er een globale opwarming zou kunnen ontstaan. Dit verschijnsel kan belangrijke schade veroorzaken: stijging van de zeeniveaus, verergering van de uiterste klimaatsverschijnselen (droogtes, overstromingen, wervelstormen, enz.), destabilisatie van de bossen, bedreiging voor de zoetwatervoorraden, moeilijkheden voor de landbouw, woestijnvorming, vermindering van de biodiversiteit, verspreiding van tropische ziekten, enz. ondervinden. Dat geldt onder meer voor de zomereik, de op één na sterkst vertegenwoordigde soort in het Zoniënwoud.
Het Brusselse woud wordt ook gekenmerkt door een overwicht aan beukenbestanden die vaak aan het verouderen zijn - en dus kwetsbaar zijn - en door een onevenwicht in de leeftijdsstructuur van de bestanden (zie focus en factsheet over het boserfgoed van het Zoniënwoud).
Het nieuwe gewestelijke beheerplan voor het Zoniënwoud voorziet onder meer in de verjonging van het bos door de oude beukenbestanden te verjongen en de diversiteit van de boomsoorten te vergroten. De soorten die het best bestand zijn tegen de verwachte klimatologische omstandigheden, zoals de wintereik, de winterlinde en de haagbeuk, zullen voorrang krijgen. Diversificatie is trouwens goed voor de biodiversiteit en maakt de bosecosystemen beter opgewassen tegen verstoringen van het milieu, ziekten en stormwinden (weerstandsvermogen).
De doelstelling om het voor het Zoniënwoud kenmerkende landschappelijk uitzicht van de ‘beukenkathedraal’ te behouden, betreft momenteel 20% van het bos (in het vorige beheerplan was dit 50%). Het nieuwe beheerplan voorziet ook in de ontwikkeling van eikenbossen die kathedralen zullen vormen op basis van jonge aanplantingen van zomer- en wintereik (9% van het woud).

Zowel natuurlijke als kunstmatige verjonging 

Het beheer van het Zoniënwoud is gericht op de overgang van een aanzienlijk deel van de bestanden die momenteel uit gelijkjarig hooghoutHooghout bestaande uit bomen van dezelfde leeftijd. bestaan (bestand met bomen van dezelfde leeftijdsklasse afkomstig van zaailingen of aanplantingen) naar ongelijkjarig hooghoutBedrijfsvorm waarbij men uit de zaad of stekken voortgekomen bomen hun volle hoogteontwikkeling laat bereiken en ze slechts eenmaal kapt. (verschillende leeftijdsklassen).  Deze overgang steunt met name op de natuurlijke verjonging en op aanplantingen in cellen van een dertigtal planten.
Het nieuwe beheerplan voorziet in de jaarlijkse verjonging van gemiddeld 12,8 ha door aanplanting, natuurlijke verjonging of een combinatie van beide.
Aanplanten is nodig wanneer er niet voldoende natuurlijke zaailingen zijn of wanneer natuurlijke verjonging niet geschikt is voor de beheerdoelstellingen van het perceel. In het laatste geval gaat het meestal om aanplantingen van wintereik en andere soorten waarvan de natuurlijke verjonging moeilijk is. Bij de keuze van de soorten wordt ook rekening gehouden met andere factoren, zoals hun geschiktheid voor de standplaatsHet type plaats waar de milieufactoren zodanig zijn dat een bepaalde plantensoort daar verwacht kan worden., hun ecologisch belang en hun verwachte weerstand tegen de klimaatverandering. De aanplant helpt ook om genetische diversiteit in de bestanden te brengen en zo hun weerstandsvermogen te vergroten. 
In de afgelopen tien jaar is jaarlijks gemiddeld 12,5 ha bos verjongd door aanplant  (11 ha in de periode 2003-2016). In die periode werden meer dan 130.000 bomen van verschillende soorten geplant.

Kunstmatige verjonging: aantal planten per soort en per dienstjaar (2012-2021)

Bron: Departement Bos – Leefmilieu Brussel, 2020
see1920_illu_prelevements_fig1_nl

De wintereik krijgt de voorkeur bij de aanplantingen. Het is een soort die momenteel niet erg aanwezig is in het Zoniënwoud en waarvan de natuurlijke verjonging zeer beperkt is, maar die zich lijkt te kunnen aanpassen aan de verwachte gevolgen van de klimaatveranderingWijst op trage variaties van de klimaatskenmerken mettertijd, op een welbepaalde plaats: opwarming of afkoeling. Sommige vormen van luchtvervuiling, veroorzaakt door menselijke activiteiten, zijn een bedreiging voor het klimaat in de zin dat er een globale opwarming zou kunnen ontstaan. Dit verschijnsel kan belangrijke schade veroorzaken: stijging van de zeeniveaus, verergering van de uiterste klimaatsverschijnselen (droogtes, overstromingen, wervelstormen, enz.), destabilisatie van de bossen, bedreiging voor de zoetwatervoorraden, moeilijkheden voor de landbouw, woestijnvorming, vermindering van de biodiversiteit, verspreiding van tropische ziekten, enz.. Voor de herbebossing van beuken mag alleen plantgoed met herkomst ‘Zoniënwoud’ worden gebruikt, dat een uniek genetisch erfgoed en interessante kwaliteiten bezit.
Sinds 2005 vindt natuurlijke beukverjonging plaats in de oude beukenbestanden. Dit fenomeen was niet voorzien en biedt mogelijkheden voor een beheer als ongelijkjarig hooghoutBedrijfsvorm waarbij men uit de zaad of stekken voortgekomen bomen hun volle hoogteontwikkeling laat bereiken en ze slechts eenmaal kapt. en voor de omschakeling van bepaalde bestanden. Andere soorten zoals de esdoorn, es, haagbeuk, boskers en berk verjongen ook goed op natuurlijke wijze (zie focus en factsheet over het boserfgoed van het Zoniënwoud). 

Bomen kappen om vooral de biodiversiteit en het landschap in stand te houden en de duurzaamheid van het woud te waarborgen

In het Zoniënwoud hebben de houtkap en de verjonging van de bestanden vijf hoofddoelstellingen:

  • de oude beukenbestanden verjongen en de duurzaamheid van het woud garanderen;
  • de landschappen beschermen; 
  • de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). beschermen en bevorderen;
  • de veiligheid van de bezoekers in het woud verzekeren;
  • de houtindustrie voorzien van kwaliteitshout dat is gecertificeerd als ‘duurzaam beheerd’. 

De houtproductie is geen hoofddoelstelling van dit multifunctionele bosbeheer, maar een ‘bijproduct’.

Zorgvuldige selectie van de te kappen bomen

Naast de veiligheidssnoei worden de bestanden om de 8 jaar gedund. Daarbij worden eerst ‘toekomstbomen’ aangewezen die de bosbouwer tijdens de dunningen wenst te behouden. Die toekomstbomen moeten het uitzicht van het bos over een min of meer lange periode bepalen. Bij hun keuze spelen verschillende overwegingen een rol: ze kunnen worden geselecteerd wegens de zeldzaamheid van hun soort, wegens hun schoonheid en landschappelijke waarde, wegens hun verwachte weerstand tegen de klimaatverandering, wegens een verwachte productie van hout van hoge kwaliteit of voor een combinatie van deze redenen. Behalve in enkele specifieke bestanden (kathedraalbestanden, coniferen, enz.), tracht de beheerder ook de soortenmenging te versterken. 
Daarnaast streeft het beheerplan naar het behoud van ‘habitatbomen’ (ten minste 10 per ha). Deze bomen (of boomeilanden) blijven behouden tot hun natuurlijke dood en worden dan als dood hout ter plaatse gelaten, om de aanwezigheid van een bijzondere en soms zeer zeldzame biodiversiteit te bevorderen (vleermuizen, spechten, enz.), die afhankelijk is van zowel dikke oude bomen als van hun spleten en van dood hout. Sommige oude bomen laat men ook staan om landschappelijke redenen. 
Met een gemiddelde van 6 habitatbomen per hectare, telt het Zoniënwoud een uitzonderlijk groot aantal bomen met een grote diameter (meer dan 80 cm). Het beheerplan wil het aantal dikke bomen per ha constant houden, ondanks de kap van dikke bomen. 
De beheerder selecteert en markeert vervolgens de bomen die in de buurt van de toekomstbomen moeten worden verwijderd (hamering) om de toekomstbomen voldoende ruimte te geven om optimaal te groeien.  Die dynamische bosbouw moet het mogelijk maken om de monospecifieke gelijkjarige jonge beukenbestanden te laten evolueren naar bestanden met een complexere structuur (mengeling van soorten en leeftijden) op de plaatsen waar ongelijkjarig hooghout is voorzien.

Bomen in kaart brengen ter ondersteuning van het bosbeheer

Sinds 2020 worden de toekomstbomen en habitatbomen systematisch geïnventariseerd en gemerkt in de gehamerde kappen. Door deze bomen in kaart te brengen, kan worden nagegaan of de beheerdoelstellingen worden bereikt (aantal habitatbomen per hectare, uiteindelijke dichtheid van de bestanden, bevoorrechte soorten enz.). 
Deze kaarten zijn ook zeer relevant om de geplande beheermaatregelen in de afzonderlijke bestanden te illustreren en om een overzicht te krijgen van hun huidige staat. 
In de factsheet die deze focus aanvult, worden voorbeelden gegeven van deze kaarten en de logica achter de selectie van toekomst- en habitatbomen op perceelniveau in het licht van de vastgestelde beheerdoelstellingen. 

Technische voorschriften om de gevolgen van de bosexploitatie tot een minimum te beperken 

De gemerkte (of gehamerde) bomen vormen partijen hout op stam die bij openbare aanbesteding te koop worden aangeboden. Het is aan de kopers van de partijen (houthandelaars, zagerijen) om de kapwerken, de verwerking, het vervoer, enz. uit te voeren volgens de door Leefmilieu Brussel opgelegde exploitatiebestekken en onder toezicht van de boswachters. Het bestek omvat een reeks technische exploitatieregels die erop gericht zijn de gevolgen van de bosexploitatie voor de bodem (verdichting, uitvoer van minerale elementen), de vegetatie en de fauna tot een minimum te beperken. Een van de opgelegde regels is een kapverbod tijdens de broedperiode (1 april-15 augustus). 
Een andere verplichting betreft het kappen van de stam, wat bij partijen dik hout op 16 meter lengte moet gebeuren. Daardoor blijven de kruinen (alle takken aan de top van de stam) liggen, wat de hoeveelheid dood hout op de grond aanzienlijk doet toenemen. Deze maatregel beperkt ook het aantal doorgangen van de machines op de uitrijpistes en vermindert zo de impact van de exploitatie.

Volume gekapt hout kleiner dan aanwas

Gemiddeld werd het voorbije decennium (2012-2021) jaarlijks 5542 m³ zaaghout (d.w.z. ongeveer 3,4 m³/ha) uit het Brusselse Zoniënwoud verwijderd via houtverkoop. Het volume zaaghout houdt alleen rekening met het volume van de stam tot een kapping in de kruin die varieert volgens de vorm van de boom. Het verschilt van het volume werkhout dat wetenschappers hanteren als maatstaf voor de berekening van de productiviteit en dat in het Zoniënwoud op 9 à 11 m3/ha/jaar wordt geschat (zie focus en factsheet over het boserfgoed van het Zoniënwoud).
Volgens het beheerplan van het Zoniënwoud zou de toename van het ‘zaaghoutvolume’ ongeveer 5 m³/ha/jaar bedragen voor de houtvesterijen van Brussel en Groenendaal. Aangezien het volume gekapt hout kleiner is dan de natuurlijke aanwas van de houtvolumes, lijkt er een trend te zijn van kapitalisatie van het staand hout. 
Onderstaande grafiek toont het volume hout dat elk jaar in het Brusselse Zoniënwoud wordt gekapt. Het gaat om drie soorten partijen:

  • groothout, d.w.z. volwassen, kaprijpe bomen;
  • klein- en middelhout, dat overeenkomt met dunningshout dat wordt gekapt om toekomstbomen voldoende ruimte te geven om zich te ontwikkelen;
  • stormhout: een boom of groep bomen, omgewaaid, ontworteld of gebroken door toedoen van diverse natuurelementen of door eigen toedoen, en soms moeilijk te kappen.

Houtverkoop van de houtvesterij van Brussel - Brussels Zoniënwoud: Evolutie van de verkochte houtvolumes (dienstjaren 2004-2021)

Bron: Leefmilieu Brussel – departement Bos, 2020
see1920_illu_prelevements_fig2_nl

Deze cijfers zijn gebaseerd op de balans van de houtverkoop in de houtvesterij van Brussel.

De verkoop van het hout uit het Zoniënwoud voedt een fonds ten behoeve van de groene ruimten

De inkomsten uit de verkoop variëren sterk van jaar tot jaar als gevolg van een aantal factoren, waaronder : 

  • variatie in de geëxploiteerde volumes;
  • voor het groothout, grote schommelingen op de beukenhoutmarkt, met als gevolg schommelingen in de prijs/m3;
  • afnemende concurrentie in de exploitatie van stormhout (dat moeilijker te exploiteren is).

In de afgelopen 10 jaar varieerden de inkomsten tussen ongeveer 125.000 en 501.000 euro, met een gemiddelde van ongeveer 300.000 euro per jaar. De gemiddelde prijs bedraagt ongeveer € 90/m³ voor groothout en € 30/m³ voor kleinhout.

Houtverkoop van de houtvesterij van Brussel - Brussels Zoniënwoud: Evolutie van de inkomsten uit de houtverkoop, geactualiseerd volgens de consumptieprijsindex (dienstjaren 2004-2021)

Bron: Leefmilieu Brussel – departement Bos, 2020
see1920_illu_prelevements_fig3_nl

Ondanks bepaalde gebreken die verband houden met de vaak zeer hoge leeftijd van de verkochte beuken, verkopen de beuken van het Zoniënwoud over het algemeen vrij goed, vooral wegens hun geografische ligging en de huidige sterke vraag naar beuk vanuit Azië.
De inkomsten uit de jaarlijkse verkoop van hout uit het Zoniënwoud worden gestort in een fonds dat bestemd is voor het onderhoud, de aankoop en de aanleg van groene ruimten, bossen en natuurlijke sites en voor het weer uitzetten van pootvis en dringende ingrepen ten behoeve van de fauna. 

Het hout van het Zoniënwoud ten dienste van een circulaire economie?

Over algemeen wordt groothout en stormhout gebruikt als zaaghout en hout voor de industrie. Klein- en middelhout wordt gebruikt voor de industrie en als brandhout.
Momenteel wordt het grootste deel van het gekapte beukenhout uitgevoerd naar Azië, waar het heel vaak tot meubelen wordt verwerkt, waarvan een deel naar Europa terugkeert.
Deze situatie, die schadelijk is voor het milieu en de economie, houdt verband met verschillende factoren: 

  • de verplichting van het Brussels Gewest om het hout te verkopen via overheidsopdrachten; 
  • de lage kosten van het vervoer en de verwerking van hout in de Aziatische landen; 
  • het schaars worden van de lokale beukenhoutverwerkende industrie.

Er wordt momenteel nagedacht over manieren om het hout uit het Zoniënwoud binnen het Brusselse Gewest te verkopen en verwerken, in een circulaire economieDe circulaire economie is een productie- en consumptiemodel dat bestaat uit het zo lang mogelijk delen, hergebruiken, repareren, renoveren en recycleren van bestaande producten en materialen, zodat ze hun waarde behouden.. Bovendien koopt een maatwerkbedrijf sinds enkele jaren bepaalde partijen hout op voor de exploitatie en verkoop in de vorm van haardblokken.

Om te downloaden

Factsheets 

  • 10. Natuurlijke habitats in de Brusselse groengebieden
  • 20. Monitoring van de natuurlijke habitats in het Brussels Gewest (.pdf)
  • 21. Inventaris van het boserfgoed van het Brusselse Zoniënwoud (.pdf)
  • 22. Houtkap, aanwas en verjonging in het Brusselse Zoniënwoud (.pdf)

Fiches van de Staat van het Leefmilieu

  • Focus : Boserfgoed van het Brusselse Zoniënwoud (editie 2019-2020)
  • Focus : Klimaatverandering en groei van de beuk in het Brussels Zoniënwoud (editie 2015-2016)
  • Focus :  Aanpassing aan klimaatveranderingen (editie 2011-2014)
  • Zoniënwoud en risico’s verbonden aan de klimaatwijziging (editie 2007-2008) (.pdf)

Andere publicaties van Leefmilieu Brussel

  • Rapport over de staat van de natuur in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, september 2012 (.pdf)
  • Kaart “Bosbouwkundig potentieel van de beuk in het Zoniënwoud, in 2000 en in 2100”

Studies en rapporten

  • DAISE J., CLAESSENS H., RONDEUX J. 2009.  « Etude de l’adéquation des essences aux stations forestières de la forêt de Soignes (zone bruxelloise) dans le contexte du changement climatique». Unité de Gestion des Ressources Forestières et des Milieux Naturels, FUSAGx-ULg, Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel, 368 pp.+ bijlagen. (.pdf) (enkel in het Frans)
  • GESTION DES RESSOURCES FORESTIERES (ULg-Gembloux Agro-Bio Tech)  2015. « Analyse de l’influence du changement climatique du hêtre en forêt de Soignes ». Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel , 14 pp.+ bijlagen. (.pdf) ) (enkel in het Frans)
  • LATTE N. et al. 2015. “Dendroécologie du hêtre en forêt de Soignes – Les cernes des arbres nous renseignent sur les changements récents et futurs », in Forêt.Nature n°137, recherche financée par Bruxelles Environnement et l’Accord-cadre de recherches et de vulgarisation forestières (SPW, DGO3, DNF), pp.25-37. (.pdf) (enkel in het Frans)
  • UNITE DE GESTION DES RESSOURCES FORESTIERES ET DES MILIEUX NATURELS -  FUSAGx-ULg - 2020. « Synthèse 2020 de l’inventaire forestier de la forêt de Soignes bruxelloise », Inventaris in opdracht van Leefmilieu Brussel. (enkel in het Frans)
  • VAES F., VANWIJNSBERGHE S. 2020. “Un nouveau plan de gestion pour la forêt de Soignes” in “Forêt Nature” n°155.  (.pdf) (enkel in het Frans)

Plannen en programma’s

  • Gewestelijk Natuurplan 2016-2020 voor het Brussels Gewest (.pdf)
  • Beheerplan voor het Brussels gedeelte van het Zoniënwoud, Boek I - Plaatsbeschrijving , 2018 (.pdf)
  • Beheerplan voor het Brussels gedeelte van het Zoniënwoud, Boek II - Beheerdoelstellingen en –maatregelen, 2018 (.pdf)
  • Beheerplan voor het Brussels gedeelte van het Zoniënwoud, Boek III - Beheerplannen voor de archeologische sites, natuurreservaten en bosreservaten, 2018 (.pdf)

Nuttige links

  • BRUXELLES ENNVIRONNEMENT Vente de bois sur pied de la Région de Bruxelles-Capitale
  • TIMBER asbl
  • LOCAL SONIAN WOOD COOP

Klimaatverandering en groei van de beuk in het Brussels Zoniënwoud

Focus - Actualisering : januari 2018

De jaarringenstudie van de beuken van het Zoniënwoud wijst op een afname van hun groei sinds de jaren '90. Deze evolutie lijkt meer verband te houden met de evolutie van het klimaat dan met de veroudering van de populaties. Hoewel tot op heden geen enkele kritieke drempel bereikt is die de bomen rechtstreeks in gevaar brengt, zouden de verwachte toename van de frequentie en de intensiteit van de droge periodes in het voorjaar en van hittegolven in de zomer als gevolg van de klimaatveranderingWijst op trage variaties van de klimaatskenmerken mettertijd, op een welbepaalde plaats: opwarming of afkoeling. Sommige vormen van luchtvervuiling, veroorzaakt door menselijke activiteiten, zijn een bedreiging voor het klimaat in de zin dat er een globale opwarming zou kunnen ontstaan. Dit verschijnsel kan belangrijke schade veroorzaken: stijging van de zeeniveaus, verergering van de uiterste klimaatsverschijnselen (droogtes, overstromingen, wervelstormen, enz.), destabilisatie van de bossen, bedreiging voor de zoetwatervoorraden, moeilijkheden voor de landbouw, woestijnvorming, vermindering van de biodiversiteit, verspreiding van tropische ziekten, enz. het voorbestaan van de beukenbossen op lange termijn in het gedrang kunnen brengen.

De kwetsbaarheid van de beuken van het Zoniënwoud

Het Zoniënwoud is in zijn huidige vorm het resultaat van aanplantingen, voornamelijk van beuken, tijdens de Oostenrijkse periode op het einde van de 18de eeuw. Deze aanplantingen waren vooral bedoeld voor de productie van hout van hoge kwaliteit, maar in de loop der jaren nam de productieve roeping van het bos af ten voordele van een beheer dat meer gericht was op de ontwikkeling van de recreatieve functie en de bescherming van de landschappen en de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora).. Het ritme van het rooien en de regeneratieIn bosbouw, operatie waarbij een rijpe bebossing (of boompopulatie) op natuurlijke of kunstmatige wijze wordt vervangen., aanvankelijk om de 80 jaar, werd geleidelijk aan verlengd tot 200 jaar en het hoogstammig bos verouderde, zodat een bijzonder landschap ontstond, het zogenaamde 'kathedraalbos'. In het Zoniënwoud is dit samengesteld uit hoogstammige bomen, beuken van dezelfde leeftijd met lange, rechte stammen (de toppen kunnen tot 50 meter hoog zijn) en met een open onderhout.
Het Brusselse deel van het Zoniënwoud is nu begroeid met ongeveer 57% beukenbossen (waarvan 50% zuivere en 7% gemengde) en 21% eikenbossen (waarvan 13% zuivere en 8% gemengde, voornamelijk zomereiken).
Het Zoniënwoud vertegenwoordigt een voor de Brusselaars zeer belangrijk natuurlijk, historisch en cultureel erfgoed. Sinds een tiental jaren maakt de bosbouwwereld zich echter veel zorgen over zijn toekomst, vooral met betrekking tot de impact van de verwachte klimaatverandering op de beukenpopulatie.
Het beukenbos van het Zoniënwoud is kwetsbaar vanwege van verschillende factoren die verband houden met de kenmerken van de populaties (meestal zuivere beukenbossen met meer dan 40 meter hoge bomen die de grens van hun levensduur naderen) en van de bodem (frequent voorkomen op kleine diepte van een verharde bodemhorizon, de zogenaamde fragipan, bodemverdichting, relatieve droogteDroogte is een natuurlijk fenomeen waarbij de beschikbaarheid van water afneemt als gevolg van een gebrek aan neerslag, wat op termijn tot een watertekort kan leiden. Dit moet niet worden verward met een ‘hittegolf’ of ‘hitteperiode’, ook al hebben deze wel degelijk invloed op de beschikbaarheid van water (toename van de watervraag). van een deel van de hellingbodems). In deze omstandigheden zijn bepaalde populaties bijzonder kwetsbaar voor extreme weersevenementen maar ook voor ziekten en schadelijk wild.
Volgens een studie over de potentiële impact van de klimaatverandering op het Zoniënwoud tegen 2100 (Daisne et al., 2009) is de beuk de soort die het meest te lijden zal hebben onder de verwachte veranderingen van het klimaat. Andere soorten, zoals de zomereik, de gewone esdoorn of de es, kunnen echter eveneens beduidend worden beïnvloed door de evoluties van het klimaat (zie Focus 'Zoniënwoud en risico’s verbonden aan de klimaatwijziging' van de synthese 2007-2008 ).

Studie van de groei van de jaarringen van de beuken om de gevolgen van de klimaatverandering beter te begrijpen

In dit kader werd in 2015 onderzoek gedaan om een beter inzicht te krijgen in de gevolgen van de klimaatverandering voor de groei van de beuken van het Zoniënwoud.
De studie gebruikte een 'dendro-ecologische' benadering, een combinatie van dendrochronologie en bosecologie. De dendrochronologie is de wetenschapsdiscipline die zich bezighoudt met het meten en dateren van de grootte van jaarringen, om de jaarlijkse groei van bomen te schatten. Door de milieuvariabelen en de groei van de bomen op elkaar te betrekken, vormt de dendro-ecologie een van de methodes voor de analyse van milieuwijzigingen op bosecosystemen.
De studie focuste op de analyse van de verbanden tussen de groei, van jaar op jaar, van een steekproef van enkele honderden beuken en enerzijds de klimaatgegevens (temperatuur en neerslag) en anderzijds de leeftijd van de beuken.
Daarbij werd gebruik gemaakt van een uitgebreide reeks dendrochronologische gegevens van 286 beuken, verdeeld over 35 sites die representatief waren voor het areaal van de beuken in België. De steekproef bestreek ook de verschillende bestudeerde leeftijdsklassen.
Deze staalname werd in 3 groepen verdeeld :

  • Beukenbossen op vlakten buiten het Zoniënwoud (de Atlantische bioklimatologische zone, tussen de lijn Samber-Maas en de Noordzee);
  • Beukenbossen van het Zoniënwoud (Atlantische bioklimatologische zone);
  • Beukenbossen van de Ardennen (sub-berggebied).

De studie heeft aangetoond dat de groei van de beuken toenam in de periode 1920-1930 en 1960-1970. Volgens de onderzoekers houdt deze evolutie verband met de geleidelijke klimaatopwarming, die de vegetatieperiode in deze jaren verlengde.  Ze stellen ook de hypothese dat de toegenomen groei van de beuken eveneens verband zou kunnen houden met de atmosferische neerslag van stikstof (dat de bodem vruchtbaar maakt) als gevolg van de vervuilende uitstoot, en met de evolutie van het bosbeheer. Deze variabelen werden echter niet onderzocht in het kader van de studie.
Uit de analyse van de jaarringen blijkt dat de toename van de groei in het Zoniënwoud duidelijk minder uitgesproken was dan in de twee andere groepen. Volgens de onderzoekers zou deze vaststelling verband kunnen houden met de hoge dichtheid van de populaties en met de fysische kernmerken van de bodems.
De fase van toegenomen groei werd gevolgd door een fase van afname, die ook op Europese schaal wordt waargenomen en die grotendeels zou voortkomen uit de toenemende frequentie en intensiteit van hittegolven en droge periodes. De beuk, een typische soort van koele gematigde klimaten met normaal veel neerslag, is slecht aangepast aan droogte, vooral in het voorjaar, zijn belangrijkste groeiperiode, en aan hoge temperaturen in de zomer. Veel stress in de zomer verzwakt het vermogen van de bomen om reserves op te slaan, zodat ze het volgend voorjaar minder groeien.
Daardoor zou de voor het Brussels Gewest verwachte klimaatverandering bijzonder ongunstig kunnen zijn voor de beuken en meer algemeen voor verschillende in het Zoniënwoud aanwezige soorten. Volgens een studie (Pouria et al. 2012) in opdracht van Leefmilieu Brussel over de aanpassing aan de klimaatverandering in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zou de waarschijnlijke evolutie van het klimaat op het gewestelijke niveau - berekend aan de hand van verschillende modellen - onder meer leiden tot :

  • een wijziging van het neerslagstelsel, met minder neerslag in de zomer (-11 tot -37% in 2085) en meer in de winter (volgens de gemiddelde projecties +21% in 2085) – op jaarniveau lopen de projecties voor 2085 sterk uiteen naargelang de modellen en scenario's;
  • een toename van de gemiddelde jaarlijkse temperatuur (tussen +1,9 en +5,4° in 2085) en van de zomertemperaturen (tussen +2,3 en +7,2° in 2085) – voor de najaars- en voorjaarstemperaturen lopen de projecties uiteen naargelang de modellen en de scenario's;
  • vanaf 2050, een toename van het aantal hittegolfdagen in de zomer.

Volgens het rapport van 2007 van het IPCC (een intergouvermenteel panel van experts dat de evolutie van het klimaat bestudeert) zouden de frequentie en de intensiteit van de winterstormen in ons land tegen 2100 toenemen (kleinere zekerheidsgraad).
De minimale jaarlijkse regenval die de beuk nodig heeft om te blijven groeien, bedraagt 600 mm, op voorwaarde dat de luchtvochtigheid hoog en/of de bodem voldoende vochtig is.  Sommige studies hebben aangetoond dat de beuk in het Zoniënwoud zijn wortelarchitectuur tot op zekere hoogte zou kunnen aanpassen om water op grotere diepte te bereiken (penetratie van de wortels via spleten door de fragipan naar de onderliggende rijke, losse slibbodem) (LANGHOR R. 2010, LA SPINA S. 2011). 
De onderstaande grafieken tonen voor elk van de beschouwde groepen de evolutie van de gemiddelde jaarlijkse groei van de beuken (uitgedrukt als percentage van de gemiddelde toestand in 1900).  Men heeft een standaardiseringstechniek toegepast om een groeicurve te berekenen van een gemiddelde boom met constante leeftijd gedurende de volledige bestudeerde periode (1900-2008), zodat men de gevolgen van de milieuveranderingen in de tijd kan isoleren.

Radiale groei (jaarringen) van de beuken tussen 1900 en 2008: algemene tendensen (gestandaardiseerde regionale curven, in het Engels RCS)

Bron: Gembloux Agro Bio-Tech 2015
see1516_illu_dendrochronologie_nl

Zoals de grafiek toont, is in het Zoniënwoud de afname van de radiale groei later begonnen dan in de twee andere groepen, namelijk vanaf de jaren 1990. Voor de beukenbossen op vlakten buiten het Zoniënwoud en voor de beukenbossen in de Ardennen die werden bestudeerd, is de groei van de beuken vanaf het einde van de 20ste eeuw - begin 21ste eeuw kleiner dan in het begin van de 20ste eeuw.  Deze tendens lijkt ook in het Zoniënwoud te beginnen.
De studie heeft ook onderzocht welke meteorologische gegevens (metingen in Ukkel) de variaties in de groei van beuken van jaar tot jaar het best verklaren.
Zo is gebleken dat in het Zoniënwoud de jaren met bijzonder weinig groei rechtstreeks verband hielden met een uitzonderlijke klimaat in het jaar zelf of in het jaar voordien, en dat ze voornamelijk in de periode 1976-2004 geconcentreerd waren. Men stelt voor de 3 groepen samen vast dat de groei van de bomen voor 1976 voornamelijk werd beïnvloed door het klimaat van het lopende jaar. Na 1976, een scharnierjaar met een droog voorjaar en hittegolven in de zomer, nam de invloed van deze twee klimaatparameters sterk toe en werd de impact van eventuele hittegolven in de vorige zomer overheersend.
In de periode 1990-2013 verklaren in het Zoniënwoud de voorjaarsneerslag en de hittegolven van de vorige zomer tot 50% van de variatie van de jaarringenindex. Uit een modelvorming is bovendien gebleken dat de waargenomen toename van de gemiddelde gevoeligheid in de tweede helft van de 20ste eeuw - gemeten aan de variatie tussen twee opeenvolgende groeistappen - meer te wijten was aan de klimaatveranderingWijst op trage variaties van de klimaatskenmerken mettertijd, op een welbepaalde plaats: opwarming of afkoeling. Sommige vormen van luchtvervuiling, veroorzaakt door menselijke activiteiten, zijn een bedreiging voor het klimaat in de zin dat er een globale opwarming zou kunnen ontstaan. Dit verschijnsel kan belangrijke schade veroorzaken: stijging van de zeeniveaus, verergering van de uiterste klimaatsverschijnselen (droogtes, overstromingen, wervelstormen, enz.), destabilisatie van de bossen, bedreiging voor de zoetwatervoorraden, moeilijkheden voor de landbouw, woestijnvorming, vermindering van de biodiversiteit, verspreiding van tropische ziekten, enz. dan aan de veroudering van de beukenbossen van het Zoniënwoud.

Welke lessen voor het beheer van het Zoniënwoud?

Er is nog geen enkele kritieke drempel bereikt die de bomen rechtstreeks in gevaar brengt: in de gunstige jaren, met meer vocht en minder warmte, neemt men trouwens nog altijd een herstel van de groei van de beuken waar. De voor het einde van de 21ste eeuw verwachte klimaatverandering op het niveau van het gewest, met onder meer een toename van de frequentie en de intensiteit van droge periodes en hittegolven in de zomer, zou evenwel het voorbestaan op lange termijn van de beukenbossen in het gedrang kunnen brengen door hun jaarlijkse groei aan te tasten. Deze conclusie strookt met die van een andere studie uit 2009 met een modelvorming van de evolutie van het potentiële areaal van 26 (in het Zoniënwoud aanwezige of mogelijke) soorten tegen 2100 in de context van de klimaatverandering. Volgens deze projecties zijn de enige sites waar de beuk relatief aangepast zal zijn aan zijn milieu de dalen en de zone van het Rood Klooster (zie de Focus 'Zoniënwoud en risico‘s verbonden aan de klimaatwijziging' in de synthese 2007-2008). 
Deze informatie is in aanmerking genomen voor het opstellen van het nieuwe beheerplan van het Zoniënwoud, dat in 2018 zou moeten worden goedgekeurd. Voor de bestaande beukenpopulaties voorziet het plan onder meer de aanleg van meer en grotere open plekken, om de concurrentie tussen de bomen te verminderen en hun groei te versnellen, zodat men de exploitatieleeftijd en dus ook de risico's, in het bijzonder van stormschade (het vallen van bomen), kan beperken. Het beheer zou ook voorrang moeten geven aan de sterkste beuken, aangezien zij waarschijnlijk genetische eigenschappen bezitten die ze stressbestendiger maken, zodat hun afstammelingen erg nuttig zouden kunnen zijn. 
De doelstelling om de landschapsexpressie van de beukenkathedraal, die in het in 2003 goedkeurde beheerplan 50% van de oppervlakte van het Brussels Zoniënwoud besloeg, in stand te houden, is neerwaarts herzien naar 20% van het woud.  Gelet op de landschapskwaliteiten van de kathedraalexpressie voorziet het nieuwe plan de ontwikkeling van eikenbossen met bomen van dezelfde leeftijd, die kathedralen zullen vormen (9% van het woud).  Het beheer van de resterende oppervlakten zal gericht zijn op de geleidelijke invoering van een meer getrapte en minder dichte structuur met een mengeling van soorten, gecombineerd met de aanleg van getrapte rijen. De soorten die de op het einde van de eeuw verwachte klimatologische omstandigheden het best zullen verdragen (wintereik, winterlinde) zullen voorrang krijgen. Diversificatie is trouwens goed voor de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). en maakt de bosecosystemen beter opgewassen tegen verstoringen van het milieu, ziekten en stormwinden (weerstandsvermogen).
Volgens het ontwerp van beheerplan van het Zoniënwoud zal de beuk op 44% van de Brusselse oppervlakte van het Zoniënwoud behouden blijven (20% met het oog op een kathedraallandschap, 12% in de vorm van een onregelmatig hoogstammig bos op basis van beuken en 12% in de vorm van tijdelijke en blijvende verouderingseilanden en eilanden van integraal bosreservaatHet bosreservaat is een bos of een deel hiervan dat wordt beschermd met het doel kenmerkende of merkwaardige uitzichten of opstanden van inheemse houtsoorten in stand te houden en er de gaafheid van de bodem en van het milieu te vrijwaren.).

Om te downloaden

Fiches van de Staat van het Leefmilieu

  • Focus :  Aanpassing aan klimaatveranderingen (editie 2011-2014)
  • Zoniënwoud en risico’s verbonden aan de klimaatwijziging (editie 2007-2008) (.pdf)

Andere publicaties van Leefmilieu Brussel

  • Rapport over de staat van de natuur in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, september 2012 (.pdf)

Studies en rapporten

  • EARTH & LIFE INSTITUTE ENVIRONMENTAL SCIENCES (UCL) 2017. "Suivi de l’état sanitaire en forêt de Soignes bruxelloise 2016" Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel, 66 pp. (.pdf) (enkel in het Frans)
  • GESTION DES RESSOURCES FORESTIERES (ULg-Gembloux Agro-Bio Tech)  2015. « Analyse de l’influence du changement climatique du hêtre en forêt de Soignes ». Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel , 14 pp.+ bijlagen. (.pdf) ) (enkel in het Frans) 
  • LATTE N. et al. 2015. “Dendroécologie du hêtre en forêt de Soignes – Les cernes des arbres nous renseignent sur les changements récents et futurs », in Forêt.Nature n°137, recherche financée par Bruxelles Environnement et l’Accord-cadre de recherches et de vulgarisation forestières (SPW, DGO3, DNF), pp.25-37.) (enkel in het Frans) 
  • UNITÉ DE GESTION DES RESSOURCES FORESTIÈRES ET DES MILIEUX NATURELS (FAC. DE GEMBLOUX AGRO-BIO TECH – ULg) 2009. « Etude de l’adéquation des essences aux stations forestières de la forêt de Soignes (zone bruxelloise) dans le contexte du changement climatique». Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel, 368 pp.+ bijlagen. (.pdf) (enkel in het Frans) 

Plannen en programma’s

  • Ontwerp van het Gewestelijk Natuurplan voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 2013 (.pdf)
  • Beheerplan voor het Zoniënwoud gedeelte Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 2003 (.pdf)
  • Ontwerp - Beheerplan voor het Brussels gedeelte van het Zoniënwoud, Boek I – Plaatsbeschrijving, 2018 (.pdf)
  • Ontwerp - Beheerplan voor het Brussels gedeelte van het Zoniënwoud, Boek II - Beheerdoelstellingen en –maatregelen, 2018 (.pdf)
  • Ontwerp - Beheerplan voor het Brussels gedeelte van het Zoniënwoud, Boek III - Beheerplannen voor de archeologische sites, natuurreservaten en bosreservaten, 2018 (.pdf)

Nuttige links

  • Agentschap voor Natuur en Bos, Leefmilieu Brussel, Département de la Nature et des Forêts (DGARNE-SPW)
  • Observatoire wallon de la santé des forêts

Dood hout in de boshabitats

Focus – Actualisering: februari 2025

De aanwezigheid van grote hoeveelheden dood hout is cruciaal voor bosecosystemen. Het draagt bij tot de vruchtbaarheid van de bodem, is een bron van voedsel voor veel vaak gespecialiseerde soorten, creëert habitats en slaat water en koolstof op. Het beheerplan voor het Zoniënwoud bepaalt dat de hoeveelheid dood hout moet toenemen om onder andere de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). en de veerkracht van het woud te verbeteren. Het aandeel dood hout is intussen aanzienlijk toegenomen, van 14 m3/ha in 2013 tot bijna 29 m3/ha in 2024. Deze positieve trend moet zich voortzetten.

Dood hout, een cruciaal onderdeel voor het behoud van de diversiteit en de werking van het bosecosysteem

Dood hout is in meer dan één opzicht een cruciaal onderdeel van het bosecosysteem:

  • De gecombineerde werking van de bodemfaunaGeheel van dieren uit de bodem die in de processen van de stoffencyclus en bodemvorming en -bescherming tussenkomen., bacteriën en schimmels doet het dode hout langzaam ontbinden, zodat het bijdraagt aan de vorming van humus. Dood hout helpt zo om de vruchtbaarheid van de bosbodems te behouden door organisch materiaal te recyclen.
  • Dood hout is een essentiële schakel in de voedselketen als voedselbron voor gespecialiseerde groepen zwammen, bacteriën en ongewervelde dieren (waaronder veel kevers) die zich voeden met hout (lignivoren).
  • Dood hout biedt een verscheidenheid aan microhabitats voor een brede biodiversiteit (insecten, knaagdieren, vleermuizen, vogels, zwammen, mossen en levermossen, korstmossen, enz.).

De biodiversiteit die in de gematigde bossen samengaat met dood hout telt dan ook duizenden soorten (Godefroid et al. 2007), waaronder soorten die zeldzaam zijn geworden in onze bossen, zoals het vliegend hert, de bosvleermuis of ook nog de zwarte specht, om slechts enkele van de bijzonder emblematische soorten te noemen die nog steeds in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aanwezig zijn. De wetenschappers schatten ook dat 20 tot 40% van de levende organismen in bosecosystemen afhankelijk is van dood hout voor ten minste een deel van hun levenscyclus (Boeykens C. et al. 2023). De aanwezigheid van soorten die ten minste voor een deel van hun levenscyclus afhankelijk zijn van dood of zeer oud hout (saproxylische soorten) is een teken van een gezond en dynamisch bosecosysteem. In dit opzicht is de zorgwekkende achteruitgang van saproxylische soorten (in het bijzonder kevers, zwammen, mossen en saproxylische levermossen) in de Europese Unie ongetwijfeld gedeeltelijk toe te schrijven aan het lage niveau van dood hout in de bossen (Claessens et al. 2021).

Zowel dood als levend hout dragen bij aan de opslag van koolstof die via fotosynthese in de planten geaccumuleerd is. De koolstof blijft in het hout bewaard tot het ontbindt, waarna een deel achterblijft in de humus terwijl de rest volledig wordt afgebroken in CO2  (mineralisatie).

Op wereldschaal maakt dit fenomeen het mogelijk om enorme hoeveelheden CO2  (broeikasgasGas dat een gedeelte van de zonnestralen absorbeert en herverdeelt onder de vorm van stralingen, die andere gasmoleculen ontmoeten en zodoende het proces herhalen en het broeikaseffect veroorzaken, met een warmteverhoging als gevolg. De belangrijkste broeikasgassen waarvan de oorsprong voornamelijk met menselijke activiteiten verband houden zijn kooldioxide (CO2), methaan (CH4) en troposferisch ozon (O3).) uit de atmosfeer op te slaan en zo de intensiteit van de klimaatopwarming te verminderen.

Vanuit landschappelijk oogpunt dragen de aanwezigheid van dood hout en het leven dat daarmee gepaard gaat, bovendien bij tot het creëren van een bossfeer.

Een grote verscheidenheid aan vormen van dood hout

Bron: Leefmilieu Brussel, 2024

Het 'compartiment dood hout' is echter verzwakt door decennia van bosbeheer dat onze bossen te nauwgezet heeft 'opgeschoond' (Godefroid et al. 2007). Bovendien is de aanwezigheid van grote oude bomen vaak sterk beperkt als gevolg van bosbouwactiviteiten, hoewel deze bomen tal van ecologische niches bieden voor de typische fauna en flora van het bos (dode takken, schorsresten, holten, oude klimop, enz.) (Claessens et al. 2021).

Wist u dit?

De dieren, planten en schimmels die dood hout ontbinden, verschillen naargelang van de houtsoort.  Dat heeft vooral te maken met de tijd die het hout nodig heeft om te ontbinden, de variabele aanwezigheid van microhabitats (type schors) en de chemische eigenschappen van het hout (zuurtegraad, meer of minder aanwezigheid van tannines met antibiotische eigenschappen, enz.). Een goede mix van bossoorten is gunstig voor de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). in het algemeen en in het bijzonder voor de soorten die afhankelijk zijn van dood hout.

Bovendien hebben veel saproxylische soorten een laag verspreidingsvermogen en specifieke ecologische vereisten (Branquart E.). Zo zijn veel kevers vaak niet mobieler dan enkele honderden meters rond de gastheerboom (Ranius, 2000, Ranius & Hedin, 2001 geciteerd door Godefroid S. en Koedam N. 2007). De afwezigheid van regulier dood hout met de gewenste eigenschappen fragmenteert de beschikbare habitat voor de populaties van deze minder dynamische soorten, met het risico dat ze niet meer levensvatbaar zijn. De ruimtelijke en temporele continuïteit van de aan dood hout gebonden habitats is daarom essentieel voor de levensvatbaarheid van de populaties van veel soorten die niet erg mobiel zijn. Voor bepaalde soorten worden minimumhoeveelheden aangegeven: voor spechten wordt bijvoorbeeld een minimum van 20 m³ staand dood hout/ha aanbevolen voor het duurzame behoud van de soort (bron: beheerplan van het Zoniënwoud).

Een divers en functioneel ecosysteemGeheel van de planten- en dierengemeenschappen in een territorium, beschouwd in hun wisselwerking met de milieufactoren. is ook afhankelijk van de aanwezigheid van dood hout:

  • zowel op de grond als staand (bv. voor in holen levende vogels en vleermuizen);
  • in verschillende stadia van ontbinding, met bijzondere aandacht voor sterk ontbonden hout, waarin veel zeldzame/bedreigde soorten gedijen;
  • van verschillende afmetingen, met bijzondere aandacht voor het grote hout dat essentieel is voor bepaalde soorten die in holen leven en dat geassocieerd wordt met een over het algemeen zeldzamere biodiversiteit dan klein hout en dode takken.

Een beheer voor de toename van de hoeveelheid en de continuïteit van de 'habitat dood hout'

De toename van de hoeveelheid dood hout op alle standplaatsen, in verschillende vormen en verschillende formaten, is een belangrijke doelstelling van het beheerplan van het Zoniënwoud. Het plan en het besluit tot aanwijzing van het Zoniënwoud als speciale beschermingszone Natura 2000 leggen de doelstelling vast om een hoeveelheid staand of liggend dood hout te bereiken die overeenkomt met ten minste 5% van het totale staande volume. In werkelijkheid is deze doelstelling echter 8% als we rekening houden met de instandhoudingsdoelstellingen van de boshabitats van communautair belang, die bijna de volledige populatie van het Brusselse Zoniënwoud bestrijken.

Veel van de maatregelen in het plan dragen bij tot deze doelstellingen (voor meer informatie, zie de documentatiefiche 'Inventaris van het boserfgoed van het Brusselse Zoniënwoud' § 3.6.2).

Sommige zones van het woud, die meer specifiek gewijd zijn aan de vorming van een ecologisch netwerk, worden gekenmerkt door het behoud van een maximum aan groot hout en staand of liggend dood hout:

  • integraal bosreservaatHet bosreservaat is een bos of een deel hiervan dat wordt beschermd met het doel kenmerkende of merkwaardige uitzichten of opstanden van inheemse houtsoorten in stand te houden en er de gaafheid van de bodem en van het milieu te vrijwaren. Grippensdelle: dit deel van het beschermde woud werd gecreëerd om er de natuurlijke fenomenen volgens hun eigen dynamiek te laten evolueren. De enige toegelaten beheermaatregelen zijn het onderhoud van de bestaande weg, de behandeling van gevaarlijke bomen aan de rand van het pad (die toch moeten blijven staan), het beheer van invasieve planten en de ontwikkeling van structuren voor ecologische ontsnippering.
  • verouderingseilanden: zones waar de beheerder de bomen laat groeien tot voorbij hun kapbare leeftijd/afmetingen, maar niet voorbij hun natuurlijke levensduur. Het doel is de verjonging van het bestand te differentiëren om zo lang mogelijk te beschikken over oude dikke habitatbomen.
  • senescentie-eilanden (set-aside): dit zijn populaties die beschouwd kunnen worden als kleine integrale bosreservaten.

Lokalisatie van de verouderings- en senescentie-eilanden (set-aside) en van het integrale bosreservaat Grippensdelle

Bron: Leefmilieu Brussel 2019, Beheerplan van het Brusselse Zoniënwoud (Boek II - Beheerdoelstellingen en -maatregelen)

Dit ecologische netwerk omvat ook de bos- en natuurreservaten in het Zoniënwoud en de ‘habitatbomen’ (bomen met holten, bomen waarvan de stam zwaar beschadigd is door rot, blikseminslag of zwammen, bomen die zwaar begroeid zijn met mos of klimop, enz.), verdeeld over het volledige massief. Het beheerplan wil dat 15% van het woud een landschappelijk uitzicht biedt dat wordt gekenmerkt door het behoud van een maximaal aantal dikke bomen en staand of liggend dood hout.

Monitoring van de hoeveelheden dood hout

Om optimale omstandigheden voor de diversificatie van de soorten te creëren, is het van belang de hoeveelheden dood hout te meten.

De hoeveelheden dood hout worden regelmatig gemonitord via de bosinventaris (zie de documentatiefiche Inventaris van het boserfgoed van het Zoniënwoud) en de monitoring van de habitats van communautair belang (Natura 2000) (zie de documentatiefiche Monitoring van de natuurlijke habitats in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest). Een derde bron voor staand dood hout wordt geleverd door het in kaart brengen van doelbomen (bomen die de bosbeheerder wil behouden tijdens het uitdunnen) en habitatbomen (bomen die bewaard worden tot hun natuurlijke dood en dan op hun plaats worden gelaten als dood hout, om de aanwezigheid van een bijzondere en soms zeer zeldzame biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). te bevorderen). In het bijzonder worden staande dode bomen en tronken (of kegel) in kaart gebracht. Deze inventaris wordt sinds 2020 stapsgewijs uitgevoerd en zal over enkele jaren het volledige bos omvatten (voor meer informatie, zie de documentatiefiche Houtkap, aanwas en verjonging in het Brusselse Zoniënwoud).

Wist u dit?

Een habitatboom is een boom die beschermd is voor het belang van de dendromicrohabitats die erop geïdentificeerd zijn.  Een dendromicrohabitat is een morfologisch kenmerk van een boom dat gebruikt wordt door soms zeer gespecialiseerde soorten, ten minste gedurende een deel van hun levenscyclus. Dendromicrohabitats zijn cruciale toevluchtsoorden, broed-, overwinterings- en voedselplaatsen voor duizenden soorten (Butler et al., 2020). Holten in bepaalde boomstammen of dode takken in de kronen van bomen zijn voorbeelden van dendromicrohabitats.

Voor de bosinventaris worden de gegevens verzameld per soort, met een onderscheid tussen:

  • houtstapels (m3/ha);
  • stam op de grond, d.w.z. gevelde boom met verwijderde takken (m³/ha);
  • kroon op de grond, d.w.z. alle takken bovenaan de stam die afgezaagd zijn (m3/ha);
  • staande dode bomen (aantal en m3/ha);
  • tronk (of kegel), d.w.z. het staande gedeelte van een afgebroken boom (aantal en m3/ha).

De meetcampagnes voor de inventaris worden zo georganiseerd dat elk jaar een van de acht in het Brusselse Zoniënwoud afgebakende kappen aan bod komt. Er is dus acht jaar nodig om de verschillende kappen van het Brussels Zoniënwoud te bemonsteren en de gegevens te verkrijgen die het volledige woud kenmerken. Alle staande dode bomen of resten van dood hout op de grond op de proefvlakken (cirkelvormig, maximale straal 18 meter) worden geïdentificeerd en gemeten om het volume te schatten. Er wordt een algemene visuele beoordeling gemaakt van de houtstapels die op de proefvlakken aanwezig zijn (omtrek < 20 cm). Voor het dode hout op de grond wordt geen rekening gehouden met elementen die waarschijnlijk zullen worden uitgesleept (gehamerd hout).

De leeftijd van het dode hout wordt geschat op basis van het wel of niet vastzitten van de schors aan het hout. De mate van ontbinding van het hout, die moeilijk te beoordelen is, wordt niet bepaald.

De beoordeling van de kwaliteit van de boshabitats van communautair belang is met name gebaseerd op indicatoren van de aanwezigheid van dood hout die zijn vastgesteld in het kader van de uitvoering van de Habitatrichtlijn (Natura 2000). Ze impliceert het verzamelen van gegevens over:

  • het aandeel dood hout in verhouding tot het totale volume hout (levend en dood) op het bemonsterde perceel (doel bereikt als het aandeel ≥ 4%);
  • de verdeling van het dode hout per diameterklasse (7-14 cm, 14-50 cm, 50-80 cm, > 80 cm) (%);
  • de hoeveelheid groot dood hout (diameter > 40 cm en lengte > 1,5 m) (doel bereikt als ≥ 2 groot dood hout per ongeveer 1000 m²).

De takken met een diameter < 7 cm of een lengte < 1,5 m worden niet geteld. Deze gegevens worden geschat op basis van visuele waarnemingen. Ze helpen bij het bepalen van indicatoren van de structuur van de habitat.

Op verzoek van Leefmilieu Brussel werd in 2007 een kwantitatieve en kwalitatieve studie uitgevoerd van het dode hout in referentiepopulaties in het Zoniënwoud (Natura 2000-habitats, natuur- en bosreservaten, kathedraalbeukenbosBos bestaande uit of rijk aan beuken, dat zeer weinig licht laat filtreren, zoals de kerkramen van een kathedraal.) (Godefroid et al. 2007). Deze studie had tot doel een beter inzicht te krijgen in het 'compartiment dood hout' in het Zoniënwoud, de impact van het bosbouwkundig beheer te onderzoeken en er nuttige lessen uit te trekken. 

Meer dood hout in het Zoniënwoud

De gegevens die verzameld werden via de meetcampagnes van de bosinventarisatie tonen een aanzienlijke toename van de hoeveelheden dood hout in de loop van de tijd.

Gemiddeld wordt het volume dood hout voor het volledige Brusselse Zoniënwoud en alle populaties samen geschat op 28,6 m3/ha in 2024 (synthese van de gegevens van de laatste acht inventarisaties, die het volledige bos bestrijken). In 2023,2020 en 2013 werden deze gemiddelde volumes geschat op respectievelijk 23, 21 en 14 m3/ha.

Ter vergelijking: in 2014 bedroeg het volume dood hout in de Waalse bossen gemiddeld 10 m³/ha, alle populaties samen (Verslag over de staat van het Waalse leefmilieu).

In 12 jaar tijd is het gemiddelde volume dood hout verdubbeld

Bron: Samenvattingen 2012, 2020, 2023 en 2024 van de bosinventaris van het Brusselse Zoniënwoud – Unité de gestion des ressources forestières et des milieux naturels (FUSAGX-ULg, 2024)

Het minimumvolume dood hout (met inbegrip van kapafval of dode delen van levende bomen) voor het behoud van de meeste soorten die afhankelijk zijn van rottend hout wordt geschat op 30 m³/ha voor lage bossen (Müller en Bütler 2010 geciteerd door SPW, 'Staat van het Waalse leefmilieu'). Op basis van wetenschappelijke literatuur wordt geschat dat in de primaire beukenbossen het gemiddelde volume dood hout in de orde van 100 tot 150 m³/ha ligt en schommelt tussen 50 en 300 m3/ha, afhankelijk van de fase van de bosdynamiek van de populatie (Vandekerkhove K. et al., 2022). Over het algemeen zijn bospopulaties vanuit het oogpunt van het natuurbehoud interessanter als ze grote hoeveelheden dood hout bevatten. Vanuit dit perspectief zou het gemiddelde volume dood hout in het Brusselse Zoniënwoud dus nog moeten toenemen.

In 2024 vertegenwoordigde het volume dood hout in het Brusselse Zoniënwoud ongeveer 8,9% van het totale staande volume. Op basis van de beschikbare gegevens is de algemene doelstelling van het beheerplan met betrekking tot de minimale hoeveelheden dood hout dus gemiddeld bereikt (een hoeveelheid staand of liggend dood hout die overeenkomt met ten minste 5% van het totale staande volume). Er moet echter aan worden herinnerd dat de instandhoudingsdoelstellingen voor de hoeveelheid dood hout in de boshabitats van communautair belang strenger zijn (8% van het totale staande volume). We merken ook op dat deze schattingen van de hoeveelheid dood hout grootteorden met een foutmarge zijn. De gegevens zijn namelijk gebaseerd op bemonsteringen en vooral de aanwezigheid van stormhout binnen een proefvlak kan de resultaten aanzienlijk veranderen. 

Hoewel ze, gelet op de foutmarge, met de nodige omzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd, stroken deze gegevens, die op een toename van de volumes dood hout wijzen, met de waarnemingen van de beheerders en de experts op het terrein.

Deze evolutie is zeer positief en kan in verband worden gebracht met bepaalde veranderingen in het bosbeheer die de drie afgelopen decennia zijn ingevoerd of versterkt. Naast de oprichting van het integrale bosreservaatHet bosreservaat is een bos of een deel hiervan dat wordt beschermd met het doel kenmerkende of merkwaardige uitzichten of opstanden van inheemse houtsoorten in stand te houden en er de gaafheid van de bodem en van het milieu te vrijwaren. Grippensdelle in 2007 en de introductie van verouderings- en senescentie-eilanden, betreft het onder meer wijzigingen van de dunningsmethoden (geen dunning wanneer er geen 'doelbomen' zijn, d.w.z. bomen waarvan de ontwikkeling op lange termijn moet worden bevorderd) en de eis, via de bestekken voor het vellen van de partijen hout, om de kronen te laten liggen. Een andere belangrijke beheermaatregel is het laten liggen van bijna alle bomen die door sterke wind ontworteld zijn (stormhout). Zo heeft de storm Eunice (18 februari 2022) in één nacht het volume dood hout met ongeveer 1.000 m³ vergroot (250 omgevallen bomen).

Wist u dit?

Met 5 tot 6 soorten spechten is het Zoniënwoud nu een van de Belgische bossen die het rijkst zijn aan Picidae. Een dergelijke biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). is ongebruikelijk in West-Europa en getuigt van de ecologische kwaliteit van het Zoniënwoud (zie focus op de avifauna). Het Zoniënmassief staat ook bekend om zijn rijkdom aan zwammen (zie focus op paddenstoelen en korstmossen), mossen en levermossen (zie beheerplan van het Zoniënwoud p. 104) en spinachtigenKlasse van geleedpotigen, waarbij kop- en borststuk tot één deel, het kopborststuk, vergroeid zijn, met vier paar poten en zonder sprieten (bv. spinnen, schorpioenen, mijten, enz.) (zie de factsheet over de ongewervelden). Bovendien werd in een gedetailleerde botanische studie van het Zoniënwoud (Weyembergh G., 2003) 51% van de soorten op een Europese lijst van de oerbosplanten geïdentificeerd.

We merken ook op dat de jaarlijkse monitoring van de vleermuispopulaties de toename van deze zoogdieren in het Zoniënwoud heeft aangetoond. Deze trend kan ten minste gedeeltelijk worden verklaard door de invoering of versterking van maatregelen om de ecologische kwaliteit van de boshabitats te verbeteren (zie focus op de vleermuispopulaties).

In 2024 bedroeg het gemiddelde volume dood hout in het Brusselse Zoniënwoud bijna 29 m3/ha, waarvan 1/4 op de grond

Bron: Samenvatting 2024 van de bosinventaris van het Brusselse Zoniënwoud – Unité de gestion des ressources forestières et des milieux naturels (FUSAGX-ULg, 2024)

75% van het dode hout is dood hout op de grond. Dit percentage werd geschat op 79% in 2012.

Ondanks de vooruitgang moet de aanwezigheid van dood hout in veel percelen worden verhoogd om de doelstellingen van 'Natura 2000' te bereiken

De kwaliteit van de boshabitats in het Brusselse Natura 2000-netwerk is sinds 2011 zeven keer beoordeeld. Voor het dode hout besluit het rapport 2023 over de beoordeling van de kwaliteit de van boshabitats van communautair belang (in het Zoniënwoud, de Woluwevallei, Ukkel en de Molenbeekvallei) dat de aanwezigheid van dood hout - staand of liggend - een zorgpunt blijft waarmee rekening moet worden gehouden in het bosbeheer. Het wijst er echter op dat deze indicator in de afgelopen jaren duidelijk verbeterd is, wat waarschijnlijk te maken heeft met een bosbeheer dat meer dan in het verleden aandacht besteedt aan het belang van de aanwezigheid van dood hout in voldoende hoeveelheid en kwaliteit.

Uit de observatie van de bemonsterde proefvlakken blijkt tussen 2021 en 2023 een toename van de hoeveelheid en/of aanwezigheid van groot dood hout in vijf van de negen boshabitats:

  • zuurminnend beukenbos (1.224 ha);
  • beukenbossen Asperulo-Fagetum (201 ha);
  • eiken-haagbeukenbossen (Carpinion-Betuli) (252 ha);
  • alluviale bossen subtype elzen-essenbos met Carex remota (13,4 ha);
  • alluviale bossen subtype mesotroof elzen-essenbos (< 4 ha?).

Deze habitats vertegenwoordigen meer dan 90% van de oppervlakte van de boshabitats van communautair belang in het Gewest. In de andere habitats zijn de hoeveelheden dood hout en groot hout constant gebleven. 

In meer dan 50% van de bezochte proefvlakken in zuurminnende beukenbossen en beukenbossen Asperulo-Fagetum moet de hoeveelheid dood hout en groot dood hout worden vergroot

Bron: INBO (2011), SWECO (2016) en Antéa Group (2018, 2019, 2020, 2021 en 2023)

In 2023 werden bepaalde proefvlakken in de habitats 'zuurminnende beukenbossen' (9120) en 'Asperulo-Fagetum beukenbossen' (9130) voor het eerst opnieuw bezocht. Men heeft toen met name vastgesteld dat het aandeel dood hout en de aanwezigheid van groot dood hout bijna overal licht gestegen is.

De aanwezigheid van dood hout en groot hout is gunstig in 60% van de bezochte proefvlakken in de eikenbossen-haagbeukbossen, terwijl het percentage lager is in de oude zuurminnende eikenbossen

Bron: INBO (2011), SWECO (2016) en Antéa Group (2018, 2019, 2020, 2021 en 2023)

De aanwezigheid van dood hout en groot hout is gunstig in 60% tot 90% van de bezochte proefvlakken in de alluviale bossen, behalve voor het subtype schietwilg, waar het grote dode hout in 80% van de gevallen onvoldoende is

Bronnen: INBO (2011), SWECO (2016) en Antéa Group (2018, 2019, 2020, 2021 en 2023)

Merk op dat de gegevens over de hoeveelheden dood hout met voorzichtigheid moeten worden behandeld, omdat ze niet zijn beoordeeld op basis van metingen, maar op visuele basis, wat een moeilijke oefening is. Dit verklaart ongetwijfeld voor een deel de grote verschillen die voor deze twee indicatoren binnen eenzelfde type habitat worden waargenomen.

De hoeveelheid dood hout in het integrale bosreservaat is aanzienlijk toegenomen

Het integrale bosreservaatHet bosreservaat is een bos of een deel hiervan dat wordt beschermd met het doel kenmerkende of merkwaardige uitzichten of opstanden van inheemse houtsoorten in stand te houden en er de gaafheid van de bodem en van het milieu te vrijwaren. Grippensdelle werd in 2007 gecreëerd (met een uitbreiding in 2016) om een spontane bosdynamiek te laten ontstaan in een gebied dat al heel lang bebost was. De bosbouwactiviteiten zijn er tot een strikt minimum beperkt (zie hierboven).

Dit reservaat werd vervolgens, samen met de andere Waalse en Vlaamse integrale Zoniënreservaten, in 2017 opgenomen op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Deze delen van het Zoniënwoud, die samen een oppervlakte van 270 ha beslaan, zijn erkend als componenten van een reeks van 94 opmerkelijke Europese beukenbossen.

Bij een inventaris in 2003 werd de hoeveelheid dood hout in het reservaat Grippensdelle geschat op ongeveer 4 m3/ha. Volgens het beheerplan voor dit reservaat wordt die bijzonder lage waarde verklaard door de stormen van 1990, die de beukenpopulaties in het gebied zwaar hebben aangetast. Het stormhout uit die periode werd systematisch geëxploiteerd en uitgesleept tot in 2003. Daarna heeft men het dode hout op zijn plaats gelaten.

In 2023 schatte de bosinventaris de hoeveelheid dood hout in het reservaat Grippensdelle op 75,5 m3/ha, meer dan drie keer het gemiddelde voor het gehele Brusselse Zoniënwoud. Het aandeel dood hout op stam is eveneens veel groter. Deze spectaculaire evolutie is vergelijkbaar met die in het bosreservaat 'Joseph Zwaenepoel' in het Vlaamse Gewest, waar de hoeveelheid dood hout na 30 jaar zonder beheer meer dan 100 m3/ha bedroeg (Vandekerkhove et al., 2012).

In 2023 zal het volume dood hout in het integrale bosreservaat gemiddeld 76 m3/ha bedragen, waarvan de helft op de grond

Bron: Samenvatting 2023 van de bosinventaris van het Brusselse Zoniënwoud – Unité de gestion des ressources forestières et des milieux naturels (FUSAGX-ULg, 2023)
Volume dood hout in het integrale bosreservaat waarvan de helft op de grond - Zonienwoud 2024

Volgens Vanderkerkhove schommelt de hoeveelheid dood hout in natuurlijke bossen tussen 50 en 300 m³ per ha. In de Europese bosreservaten die gedomineerd worden door beuken en eiken die aan hun lot worden overgelaten, verloopt de netto accumulatie van dood hout met een gemiddelde snelheid van 1 tot 1,5 m³ per ha per jaar. Gelet op de tijd die groot hout nodig heeft om te ontbinden (o.a. 30 jaar voor beuk, tot meer dan 100 jaar voor eik), concludeert de auteur dat het 50 tot 100 jaar zou duren voordat een voormalig beheerd bos dat aan zijn lot wordt overgelaten de hoeveelheid dood hout van een natuurlijk bos zou bereiken.

Tot besluit kan worden gesteld dat, hoewel de hoeveelheid dood hout in het reservaat Grippensdelle aanzienlijk is verbeterd, er nog veel ruimte voor vooruitgang is, vooral omdat het Zoniënwoud zeer productief is.

Dood hout: een vector voor branden, de verspreiding van schadelijke insecten en ongevallen?

Volgens een recente studie in opdracht van het onderzoekscentrum van de Europese Commissie (Larjavaara M., 2023) draagt dood hout in de meeste omstandigheden waarschijnlijk niet significant bij aan het brandrisico. Dood hout dat op de grond vergaat, helpt om de vochtigheid in de ondergroei op peil te houden (de opslag van water door het hout en de ontbinding helpen de bodem om water op te nemen en vast te houden), vooral als het hout een grote diameter heeft. Fijne brandbare delen die vastzitten aan dood hout (takken, dode naalden, enz.) kunnen echter een aanzienlijk effect hebben op de brandintensiteit. Grote hoeveelheden dood hout op de grond kunnen ook reddingsoperaties bemoeilijken. Het beheerplan van het Zoniënwoud voorziet in de beperking van de accumulatie van grote hoeveelheden dood hout in de bosrand en op plaatsen die veel bezocht worden door het publiek, met name om het risico op brand te beperken, dat naar verwachting zal toenemen als gevolg van de klimaatveranderingWijst op trage variaties van de klimaatskenmerken mettertijd, op een welbepaalde plaats: opwarming of afkoeling. Sommige vormen van luchtvervuiling, veroorzaakt door menselijke activiteiten, zijn een bedreiging voor het klimaat in de zin dat er een globale opwarming zou kunnen ontstaan. Dit verschijnsel kan belangrijke schade veroorzaken: stijging van de zeeniveaus, verergering van de uiterste klimaatsverschijnselen (droogtes, overstromingen, wervelstormen, enz.), destabilisatie van de bossen, bedreiging voor de zoetwatervoorraden, moeilijkheden voor de landbouw, woestijnvorming, vermindering van de biodiversiteit, verspreiding van tropische ziekten, enz..

Wat de fytosanitaire risico's betreft, zijn de schadelijke bosinsecten afhankelijk van levende bomen. Wanneer hun gastheer sterft, worden ze vervangen door saproxylische soorten die zich niet op levende bomen kunnen ontwikkelen. In zeer specifieke situaties kunnen naaldbomen die al enkele weken ziek of dood zijn evenwel worden aangetast door bepaalde soorten schadelijke insecten (in het bijzonder schorskevers op sparren) en daardoor risico's opleveren voor gezonde bomen in de buurt. Dood loofhout is geen bron van parasieten die de populatie kunnen aantasten (Biache et al. 2017). Bovendien herbergen oude dode bomen veel parasitoïden en predatoren die de populaties schadelijke insecten tot op zekere hoogte controleren (Godefroid et al. 2007 e.a.).

Houtetende zwammen vestigen zich bij voorkeur op boomwonden en op stronken. Hun sporen zijn wijd verspreid in het bos en het dode hout is slechts een bijkomende en als verwaarloosbaar beschouwde bron van besmetting (Biache et al., 2017). 

Sterke wind kan takken en bomen doen vallen, met gevaar voor het publiek. Daarom worden de bomen langs de paden en wegen regelmatig gecontroleerd. Er is ook een 'stormprocedure' ingevoerd om het publiek of voertuigen (parkeerplaatsen, wegen) bij felle wind uit het woud weg te houden.

Om te downloaden

Factsheets

  • n°20. Monitoring van de natuurlijke habitats in het Brussels Gewest, 2020 (.pdf)
    n°21. Inventaris van het boserfgoed van het Brusselse Zoniënwoud (.pdf)
  • n°22. Houtkap, aanwas en verjonging in het Brusselse Zoniënwoud (.pdf)

Carnet « Grondgebruik en landschappen in Brussel» 

  • n°14. Semi-natuurlijke ruimten en groene ruimten die genieten van een beschermingsstatuut, 2019 (.pdf)

Fiches van de Staat van het Leefmilieu

  • Focus: Monitoring van de natuurlijke habitats in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 2020
  • Focus : Boserfgoed van het Brusselse Zoniënwoud, 2021
  • Focus : Houtkap in het Brusselse Zoniënwoud, 2021
  • Indicator : Gezondheidstoestand van de beuken en eiken in het Zoniënwoud, 2023

Andere publicaties van Leefmilieu Brussel

  • Rapport over de staat van de natuur in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, september 2012 (.pdf)
  • Kaart “Bosbouwkundig potentieel van de beuk in het Zoniënwoud, in 2000 en in 2100”

Studies en rapporten

  • ANTEA BELGIUM 2023. « Opvolging van de lokale staat van instandhouding van de habitattypes van communautair en gewestelijk belang in het Brussels Hoofstedelijk Gewest – Gegevensverzameling 2023”, Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel, 82 pp. (.pdf)
  • BIACHE C. et 2017. « Vieux bois et bois morts. Guide technique », Office national des forêts, Direction forêts et risques naturels (DFRN), 102 pp. (enkel in het Frans)
  • BOEYKENS C., VANDENBOSCH I., VANHAECHT R. 2023. “Inspiration book for awareness raising about old-growth forests – Communication and case studies”, rapport geproduceerd als onderdeel van het Life Prognoses project, 87 pp. (.pdf) (enkel in het Engels)
  • BRANQUART E. « Gestion forestière et conservation des organismes saproxyliques », Belgisch Platform voor BiodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora)., presentatie (.ppt)
  • BÜTLER R., LACHAT T., KRUMM, F., KRAUS K., LARRIEU L., 2020. "Guide de poche des dendromicrohabitats. Description et seuils de grandeur pour leur inventaire", Birmensdorf, Institut fédéral de recherches, WSL. 59 pp. (.pdf) (enkel in het Frans)
  • CLAESSENS H., WIBAIL L. 2023. “Faune - Flore - Habitats № 11. Les habitats d’Intérêt Communautaire de Wallonie. Tome 2. Les habitats forestiers”, Studie in opdracht van SPW, 296 pp. (.pdf) (enkel in het Frans)
  • GODEFROID S., KOEDAM N. 2007. «Quantification et qualification du bois mort dans les habitats Natura 2000 en Région de Bruxelles-Capitale », Laboratorium voor Algemene Plantkunde en Natuurbeheer (General Botany and Nature Management) – VUB, Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel, 35 pp. (.pdf) (enkel in het Frans)
  • LARJAVAARA, M., BROTONS, L., CORTICEIRO, S., ESPELTA, J.M., GAZZARD, R., LEVERKUS, A., LOVRIC, N., MAIA, P., SANDERS, T., SVOBODA, M., THOMAES, A. AND VANDEKERKHOVE, K. 2023. “Deadwood and Fire Risk in Europe”, Publications Office of the European Union, Luxembourg, pp.20 (.pdf) (enkel in het Engels)
  • OOSTERLYNCK P., DE SAEGER S., LEYSSEN A., PROVOOST S., THOMAES A., VANDEVOORDE B., WOUTERS J., & PAELINCKX D. 2020. “Criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de Natura 2000 habitattypen”. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (27). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel, pp.307 (.pdf)
  • SPW AGRICULTURE, RESSOURCES NATURELLES ET ENVIRONNEMENT 2019. « Indicateurs environnementaux – indicateurs de biodiversité en forêt » (.pdf) (enkel in het Frans)
  • UNITE DE GESTION DES RESSOURCES FORESTIERES ET DES MILIEUX NATURELS - FUSAGx-ULg - 2020. « Synthèse 2020 de l’inventaire forestier de la forêt de Soignes bruxelloise », inventaris in opdracht van Leefmilieu Brussel. (enkel in het Frans)
  • VANDEKERKHOVE K., MEYER P., KIRCHMEIR H., PIOVESAN G., HIRSCHMUGL M., LARRIEU L., KOZÁK D., MIKOLÁŠ M., NAGEL T., SCHMITT C. & BLUMRÖDER J. 2022. « Old-growth criteria and indicators for beech forests (Fageta) », rapport geproduceerd als onderdeel van het Life Prognoses project, 51 pp. (.pdf) (enkel in het Engels)
  • VANDEKERKHOVE, K. 2019. “Status and development of old-growth elements and biodiversity during secondary succession of unmanaged temperate forests”, Doctoraatsscriptie 2019 (1). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. 282 pp. (.pdf) (enkel in het Engels)
  • VANDEKERKHOVE K. ET 2012. “Merkwaardige ontwikkelingen in het Joseph Zwaenepoelreservaat”, IBW – Bosreservatennieuws, 12 : 12-15. (.pdf)

Plannen en programma’s

  • Beheerplan voor het Brussels gedeelte van het Zoniënwoud, Boek I - Plaatsbeschrijving , 2018 (.pdf)
  • Beheerplan voor het Brussels gedeelte van het Zoniënwoud, Boek II - Beheerdoelstellingen en –maatregelen, 2018 (.pdf)
  • Beheerplan voor het Brussels gedeelte van het Zoniënwoud, Boek III - Beheerplannen voor de archeologische sites, natuurreservaten en bosreservaten, 2018 (.pdf)

Nuttige links

  • Stichting Zoniënwoud

Zoniënwoud en risico’s verbonden aan de klimaatwijziging

Focus - Actualisering : december 2009

Bomen leven doorgaans tientallen (populieren, …) tot honderden jaren (beuken, eiken, …). Bosbeheer veronderstelt dus een langeter- mijnvisie die vooruitloopt op veranderingen die zich zouden kunnen voordoen, vooral op het vlak van het omliggende milieu.

Het Zoniënwoud bestaat momenteel hoofdzakelijk uit uniforme, vaak ouder wordende beukenpopulaties. Het specifieke landschap van deze “beukenkathedraal” en zijn geschiedenis liggen heel wat Brusselaars nauw aan het hart. Dit beukenbos is echter kwetsbaar omwille van verschillende factoren: relatieve droogteDroogte is een natuurlijk fenomeen waarbij de beschikbaarheid van water afneemt als gevolg van een gebrek aan neerslag, wat op termijn tot een watertekort kan leiden. Dit moet niet worden verward met een ‘hittegolf’ of ‘hitteperiode’, ook al hebben deze wel degelijk invloed op de beschikbaarheid van water (toename van de watervraag). van een deel van de hellingbodems, bodemverdichting, frequent voorkomen op kleine diepte van een bodemhorizont waar de wortels niet door kunnen (fragipan), uniformiteit van de populaties waardoor zij weinig bestand zijn tegen weersomstandigheden (rukwinden) en ziektes.

Recentelijk rees ook de vraag over de impact van de klimaatopwarming op de al verzwakte ecosystemen van het Zoniënwoud. Verschillende onderzoeken door universiteiten po(o)g(d)en hierop een antwoord te bieden. Een van deze studies, uitgevoerd door de unité de gestion des ressources forestières et des milieux naturels (fuSAGx – beheerseenheid voor bosrijkdommen en natuurlijke milieus) heeft op vraag van Leefmilieu Brussel, in de context van de klimaatveranderingWijst op trage variaties van de klimaatskenmerken mettertijd, op een welbepaalde plaats: opwarming of afkoeling. Sommige vormen van luchtvervuiling, veroorzaakt door menselijke activiteiten, zijn een bedreiging voor het klimaat in de zin dat er een globale opwarming zou kunnen ontstaan. Dit verschijnsel kan belangrijke schade veroorzaken: stijging van de zeeniveaus, verergering van de uiterste klimaatsverschijnselen (droogtes, overstromingen, wervelstormen, enz.), destabilisatie van de bossen, bedreiging voor de zoetwatervoorraden, moeilijkheden voor de landbouw, woestijnvorming, vermindering van de biodiversiteit, verspreiding van tropische ziekten, enz., de evolutie van een potentieel areaal van 26 soorten gemodelleerd. Het gaat om soorten die nu al aanwezig zijn of in overweging worden genomen voor een toekomstige herbebossing in het Zoniënwoud. Het scenario dat voor de klimaatsimulaties werd gehanteerd, is een intermediair scenario (A1B) uit een reeks die werd uitgewerkt door de intergouvernementele deskundigengroep inzake klimaatverandering (IPcc). Het voorziet dat tegen 2100 in het gebied van het Zoniënwoud, een klimaat kan heersen dat vergelijkbaar is met dat van de Basse-Loire, m.a.w.:

  • een stijging van het temperatuurjaargemiddelde met 3°c en van het zomergemiddelde met bijna 4°c ;
  • een afname van de neerslag in het vegetatieseizoen met ongeveer 15% en van de neerslag in de zomer met ongeveer 25%;
  • een toename van de winterse neerslag met bijna 20%;
  • een toename in frequentie en in intensiteit, van de winterse onweren (hiervoor is de onzekerheid groter).

Uit de studie blijkt dat de soort die in het Zoniënwoud het meest zal worden getroffen door dergelijke klimaatwijzigingen, de beuk is. De bijgevoegde kaarten tonen de meer of minder grote (on)geschiktheid van de beuk om zich te ontwikkelen in de huidige omstandigheden (de klasse “tolerantie” wijst op de aanwezigheid van een getolereerde beperkende factor), en in de voor 2100 voorspelde omstandigheden, in de verschillende stations (dit zijn homogene percelen wat klimaat, topografie, bodem, spontane flora betreft) van de bestudeerde zone (Brussels gedeelte van het Zoniënwoud). Volgens deze prognoses liggen de enige stations waar de beuk min of meer aangepast is aan zijn milieu (op de figuur aangegeven als “geschikt” of “tolerant”) in de valleien, of in de zone van het rood klooster.
Op basis hiervan zou men de doelstelling die door het Brussels Gewest in 2003 weerhouden werd voor het beheerplan van het Zoniënwoud, in vraag kunnen stellen; die bestaat er immers in om het landschappelijke uitzicht van de beukenkathedraal te behouden over 50% van de oppervlakte van het bos. Een herziening van het beheerplan dringt zich op teneinde de aangekondigde veranderingen op te vangen.
 
In het bosbouwbeheer worden nu al maatregelen getroffen om de uitdaging aan te gaan met de klimaatverandering: uitbouw van een monitoringsysteem van de populaties (gezondheidstoestand van de bomen, parasitaire aantastingen), evolutie van de verjongingsstrate- gie van het beukenbos (modaliteiten voor het hakken, keuze van de soorten…), opstelling van een “brandveiligheidsplan”,…

Bosbouwkundig potentieel – nu en in 2100 - van de beuk in het Zoniënwoud in het geval van een wijziging van het klimaat

Bron : DAISE. & CLAESSENS, 2009
map_see_beukcc

(Toegang tot de interactieve kaart)

Recreatie en biodiversiteit in het Zoniënwoud en andere Natura 2000-gebieden

Focus - Actualisering: november 2025 

Recreatieve activiteiten hebben een negatieve invloed op fauna en flora. In het Brussels Gewest trekt het Zoniënwoud steeds meer bezoekers. Deze steeds hogere cijfers zijn weliswaar gunstig voor de gebruikers van het bos, maar zijn nadelig voor de uitzonderlijke biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). van de site. Het naleven van een aantal eenvoudige principes – met name honden aan de leiband houden, hun uitwerpselen oprapen en alleen de officiële paden gebruiken - kan deze impact echter aanzienlijk beperken en het samenleven van de verschillende recreanten aangenamer maken.

In een stedelijke context staan de openbare groene ruimten onder grote druk van recreatieve activiteiten en evenementen: vertrappeling van flora, lawaai, honden die niet aangelijnd zijn, hondenpoep, afval, wildpluk, aanleg van infrastructuur, enz. Deze menselijke activiteiten, die goed zijn voor de gezondheid en het welzijn van de stadsbewoners, kunnen een negatieve impact hebben op de flora en fauna. Er moeten beheerstrategieën worden uitgewerkt om de stijgende bezoekersaantallen en het behoud van de biodiversiteit in deze groene ruimten met elkaar te verzoenen.

In het raam van een Europees project (LIFE-project B4B ‘Belgium for biodiversity’) heeft een onderzoeksproject (CSDINGENIEURS 2025) de resultaten samengevat van studies die een duidelijker beeld moeten geven van het effect van de menselijke druk op soorten en habitats in en rond Natura 2000-gebieden in het Brussels Gewest. Dat onderzoeksproject heeft ook de goede praktijken aan het licht gebracht die door bepaalde organisatoren van evenementen in gewestelijke natuurgebieden worden toegepast om de impact van deze activiteiten op flora en fauna te beperken. De tweede fase van dit onderzoek had betrekking op het formuleren van aanbevelingen.

Het eerste deel van deze focus is grotendeels gebaseerd op de resultaten van de eerste fase van dit onderzoek. Meer gedetailleerde informatie is te vinden in het volledige rapport. Dit rapport bevat met name 3 tabellen (p. 12-18) waarin voor elk van de 3 speciale Natura 2000-beschermingszones van het Brussels Gewest de aanwezige doelsoorten worden gespecificeerd (gerangschikt volgens verschillende criteria, zoals het type habitat, de periode van activiteit of de verstoringen waarvoor ze gevoelig zijn) en hun belangrijkste gevoeligheden in verband met recreatieve activiteiten.

Het tweede deel van deze focus vat de belangrijkste bevindingen samen over de impact van recreatieve activiteiten op het Zoniënwoud, een gebied dat in verschillende opzichten van groot belang is voor het Gewest.

Deze focus gaat niet in op de gevolgen van lichtverontreiniging voor de fauna. Daarover is een ander document beschikbaar online (Lichtverontreiniging in het Brussels Gewest). 

De wetenschappelijke literatuur beschrijft verschillende negatieve effecten op soorten en habitats

De effecten werden gegroepeerd per soortengroep voor de fauna en meer algemeen voor de planten en habitats (waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen biotische en abiotische factoren).

  • Vleermuizen

Nachtelijke recreatieve activiteiten op plaatsen waar vaak vleermuizen komen, lijken, voor sommige soorten toch, te leiden tot verplaatsingen naar minder frequent bezochte gebieden. Vleermuissoorten van de groep Eptesicus sp / Nyctalus sp., die snel toenemen in de Brusselse bosbiotopen (zie focus ‘Evolutie van vleermuispopulaties in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest’ ), vermijden lawaaierige zones, wat niet werd waargenomen bij de Pipistrellus sp. en de Myotis sp. Dit benadrukt het belang van stiltegebieden en ecologische netwerken die de verschillende voor vleermuizen gunstige gebieden met elkaar verbinden. Daarnaast leidt de aanwezigheid van groepen bezoekers in de buurt van nestplaatsen ook tot gedragsveranderingen.   De impact van lichtvervuiling op vleermuizen wordt ook behandeld in de focus “Evolutie van vleermuispopulaties in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ”.

  • Landzoogdieren
     

    In de meeste gevallen zorgen recreatieve activiteiten ervoor dat landzoogdieren vluchten (ruimtelijke verandering van habitatgebruik):

    • grote hoefdieren (reeën e.a.): vluchtafstand van 200 tot 1000 meter afhankelijk van de situatie, neiging om bospaden te vermijden. De meest kritieke verstoringen worden veroorzaakt door activiteiten zoals het duo mens-hond dat ver van de paden loopt, jachtgedrag van honden, nachtelijke oriëntatielopen en natuurwaarnemingen, groepen wandelaars, enz.;
    • kleine knaagdieren (muizen, eekhoorns, enz.): vluchtafstand van ongeveer 5 tot 100 meter. De aanwezigheid van niet-aangelijnde honden buiten de paden vermindert de aanwezigheid van kleine zoogdieren tot op 100 meter van de verstoring, en slechts tot op 5 meter wanneer de honden aangelijnd zijn.

Ze kunnen ook leiden tot veranderingen in het gebruik van de habitat in de tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de Europese ree, die de neiging heeft om haar activiteit te verschuiven van de schemering naar de nacht (zie focus ‘De ree in het Brusselse Gewest’). Dit wordt ook vaak waargenomen bij marterachtigen (boommarters, steenmarters, dassen).

Goed om te weten

Alleen al de aanwezigheid van honden, zelfs aan de leiband, kan vogels en zoogdieren verstoren, waardoor ze gedwongen worden de zones te verlaten waar de honden worden uitgelaten. Naast hun roofgedrag laten honden ook geuren, urine en uitwerpselen achter die het gedrag van wilde dieren kunnen verstoren, tot lang nadat de honden zijn vertrokken (Bateman Ph. en Gilson L. 2025). Hondenpoep kan ook een vector en reservoir zijn voor tal van ziekten die worden overgebracht door parasieten (nematoden, protozoën, enz.) die zowel wilde dieren als mensen treffen (Mendoza Rolan J. en Otranto D. 2023).

  • Vogels

De effecten van recreatieve activiteiten verschillen van soort tot soort, waarbij bijvoorbeeld grondbroedende vogels en roofvogels zeer gevoelig zijn en watervogels en zangvogels, die het grootste deel van hun tijd in bomen doorbrengen, minder kwetsbaar zijn. In de meeste gevallen leiden deze activiteiten tot het wegvliegen van de vogels. De afstand tussen de verstoring die tot deze vlucht leidt en de vogel varieert van studie tot studie, afhankelijk van de activiteit en de soort (minder dan 100 meter voor waadvogels en zangvogels, meer dan 400 meter voor bepaalde roofvogels). Zelfs activiteiten zoals wandelen of natuurwaarnemingen kunnen negatieve effecten hebben op vogels, variërend van fysiologische veranderingen (bijv. verhoogde hartslag) tot een verminderde voortplanting (wegvluchten uit nesten, verminderde dichtheid van broedparen, verminderd aantal regelmatig bezette territoria, enz.) afhankelijk van de nabijheid en kwetsbaarheid van de soort. Verschillende invloeden op de voortplanting zijn waargenomen bij soorten die in het Zoniënwoud voorkomen, zoals de havik (broedvogel) en de nachtzwaluw, een soort die voorheen slechts sporadisch werd waargenomen in het Zoniënwoud. Recreatieve activiteiten leiden ook tot veranderingen in de samenstelling en het voorkomen van sommige soorten. Eén onderzoek toonde bijvoorbeeld aan dat het hoogfrequent uitlaten van honden (10 passages per uur) in bosgebieden leidde tot een afname van 35% van de vogeldiversiteit en een afname van 41% van hun abundantie.

Volgens een recente studie (Tassin de Montaigu C. 2025) zouden insecticiden zoals die voor de behandeling tegen uitwendige parasieten voor honden - en meer in het algemeen voor huisdieren - een invloed kunnen hebben op de sterfte van nestjongen en het aantal niet-uitgekomen eieren. Die producten kunnen immers lang op de vacht van het dier blijven zitten en uiteindelijk op de nestbodem terechtkomen van vogels die onder meer het haar afkomstig van die vacht gebruiken om hun nest te maken.

In stedelijke gebieden heeft het voederen van vogels rond waterpartijen een impact op de fauna en het leefmilieu. Dit kunstmatige voedselaanbod komt vooral ten goede aan de meest opportunistische soorten (Nijlganzen, duiven, parkieten, kraaien, vossen, enz.), ten koste van andere soorten, en het voedsel is bovendien niet altijd geschikt voor de dieren. Bovendien zorgt het bijeenkomen van vogels rond voedsel voor de verspreiding van ziekten. De toegang tot een kunstmatige voedselbron maakt dieren ook afhankelijker en minder schuw. Niet opgegeten voedsel kan ook het ecologisch evenwicht van vijvers verstoren, vooral bij warm weer (ontwikkeling van mogelijk giftige of zelfs dodelijke algen, uitbraak van bepaalde ziekten, eutrofiëringOvermatige toevoer van voedingsstoffen in het water, met als gevolg een woekering van de vegetatie, zuurstofvermindering en onevenwicht van het ecosysteem.).  

  • Amfibieën

In de literatuur wordt melding gemaakt van de impact van recreatieve activiteiten op het gedrag en het habitatgebruik van amfibieën en van een verhoogde sterfte (vooral door verplettering). Er is echter weinig onderzoek gedaan naar deze effecten.

De Urodela die in Brussel voorkomen - de vuursalamander, de kleine watersalamander, de alpenwatersalamander en de vinpootsalamander, soorten met een speciale gewestelijke  beschermingsstatus - worden beïnvloed door de aanwezigheid van wegen (directe sterfte, fragmentatie van populaties, enz.). Ze staan er ook om bekend dat ze gevoelig zijn voor menselijke verstoring, zoals vervuiling en ziektes die bezoekers met zich meebrengen (besmette schoenen en laarzen).

Bepaalde recreatieve activiteiten kunnen, door hun effecten op de waterkwaliteit (zie hieronder, impact op habitats), ook van invloed zijn op soorten die gebonden zijn aan vochtige en aquatische biotopen.

  • Vissen

De weinige studies die over dit onderwerp zijn gevonden, laten een effect zien van recreatieve activiteiten (wandelen op de oevers en in ondiep water, zwemmen) op de kwaliteit van de habitats en de voortplanting (vermindering van de gebruikte oppervlakte van de habitat). Elke impact op de waterkwaliteit kan een effect hebben op het leven van vissen.

  • Reptielen

De resultaten benadrukken het effect van recreatieve activiteiten op de gezondheidstoestand van de reptielen (lager gewicht, aanwezigheid van parasieten, verminderde immuunrespons), wat waarschijnlijk een impact heeft op de voortplanting. Net als bij amfibieën lijkt dit onderwerp weinig gedocumenteerd te zijn.

  • Insecten

Voor insecten zijn de bedreigingen afhankelijk van de soort/groep. Er zijn effecten gerapporteerd op gedrag (wegvluchten van kevers), habitatgebruik en voortplanting (afstand en verminderde eileg in de buurt van paden waar een vlindersoort vaak komt). Er is ook een verhoogde sterfte vastgesteld door het platrijden op paden en wegen. Dit wordt vaak waargenomen bij Coleoptera en Carabidae in het bijzonder (waaronder de gouden schallebijter, een soort met een speciale gewestelijke beschermingsstatus).

De aanwezigheid van paarden gaat gepaard met de aanwezigheid van paardenuitwerpselen, als die niet worden opgeruimd of bijeengebracht. Ze worden snel gekoloniseerd en afgebroken door wormen en coprofage insecten (die uitwerpselen eten) zoals tweevleugeligen en kevers. Micro-organismen recycleren vervolgens dit organisch materiaal. Hierdoor wordt de bodem verrijkt met stikstof en mineralen, met mogelijke gevolgen voor de plaatselijke vegetatie. Een ander effect heeft te maken met de frequente behandeling van paarden met ontwormingsmiddelen, die in de mest terechtkomen in een min of meer afgebroken vorm, afhankelijk van het middel in kwestie. De aanwezigheid van deze moleculen in het milieu leidt tot toxiciteit voor coprofage insecten, die varieert naargelang de gebruikte producten.

Een studie (Echassoux A. et al. 2014) naar de impact van antiparasitaire producten toegediend aan paarden op de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). van de bodem in het biosfeerreservaat van Fontainebleau-Gâtinais toont aan dat, waar paarden aanwezig zijn, er een verhoogde overvloed is aan coprofage kevers, met een waarschijnlijke impact op het bosecosysteem in het algemeen. Het onderzoek toonde ook aan dat kevers kleiner waren in gebieden waar veel paarden passeren. Behandelde paardenmest induceert daarom toxiciteit bij de coprofage kevers die deze koloniseren. Deze toxiciteit zal zich waarschijnlijk uitbreiden naar andere soorten wanneer de actieve moleculen niet gemakkelijk biologisch afbreekbaar zijn.

  • Planten en ecosystemen (biotische factoren)

In termen van flora en natuurlijke habitats kunnen recreatieve activiteiten leiden tot directe sterfte, schade aan planten (vermindering van de hoogtegroei, biomassaGeheel van planten en dieren, alsook het daarmee gepaard gaande organische afval. De plantaardige biomassa komt uit de fotosynthese voort en is een bron van hernieuwbare energie., bloemen, bodembedekking, enz.), een verandering in de soortensamenstelling (bv. introductie van niet-bossoorten in bosecosystemen, verhoogde groei van planten die voedingsstoffen nodig hebben als gevolg van uitwerpselen van dieren) of de introductie van ziekteverwekkers of invasieve exotische planten. Deze effecten zijn het gevolg van vertrappeling, plukken, begrazing door paarden, uitwerpselen, enz.  In het Brussels Gewest worden bepaalde planten zoals de wilde hyacint, de narcis en daslook in het bijzonder bedreigd door wildplukken.

  • Habitats (abiotische factoren)

De bodem kan worden aangetast door recreatieve activiteiten, zowel fysiek (verdichting, erosie, enz.) als chemisch (voedingsstoffen uit uitwerpselen, chemische stoffen van orale of huidbehandelingen). De meeste natuurlijke ecosystemen zijn van nature arm aan voedingsstoffen: de aanvoer van grote hoeveelheden uitwerpselen brengt het risico met zich dat de bodem overmatig wordt verrijkt, waardoor de aanwezige flora verandert.

Honden die het water ingaan, zelfs als ze niet achter een dier aanzitten, hebben een negatief effect op het milieu. Een aantal onderzoeken (geciteerd door Bateman 2025) wijzen op watervervuiling door bepaalde vlooien- en tekenbehandelingen, die zeer lang aanwezig blijft. Dit heeft vooral gevolgen voor ongewervelde waterdieren, die zelfs bij lage concentraties gevoelig zijn voor insecticiden die vaak worden toegediend.

Wat paarden betreft, toont een onderzoek aan dat paardrijden een aanzienlijke invloed heeft op de fysieke en chemische toestand van paden, in verhouding tot het aantal ruiters (zie ook hierboven).

Bovendien kan, zoals hierboven vermeld, het voederen van vogels het ecologisch evenwicht van vijvers verstoren (overmatige verrijking van de biotoopNatuurlijke omgeving waarin een plant of dier kan leven en zich kan voortplanten. Een biotoop is de kleinst mogelijke geografische onderverdeling van de habitat., zuurstofgebrek).

Meer gedetailleerde informatie is beschikbaar in het volledige rapport, dat online staat. 

Eén op drie Brusselaars zegt het Zoniënwoud minstens één keer per maand te bezoeken

Als randstedelijk bos staat het Zoniënwoud onder aanzienlijke druk, vooral door recreatieve activiteiten.  Deze zijn aanzienlijk gelet op de nabijheid van de stad (minder dan 10 km tussen het stadscentrum en het bos) en de omvang van de bevolking (1,25 miljoen inwoners).

Volgens een enquête uit 2022 zou bijna een derde van de Brusselaars het Zoniënwoud minstens een keer per maand bezoeken (AQ Rate 2022). Hieruit blijkt bij de bewoners de waarde van deze groene ruimteDe groene ruimtes omvatten particuliere tuinen en domeinen, openbare parken en bossen, groene zones langs spoor- en andere wegen, braakland, recreatiegebieden en begraafplaatsen., die veruit de grootste van het Gewest is (ongeveer 1660 ha). 

Volgens S. Vanwijnsberghe (2023) is het huidige bezoeksniveau van het Zoniënwoud momenteel niet bekend. Er werd echter een onderzoek (Colson V. en al. 2012) uitgevoerd in een 84 ha groot bosgebied in het druk bezochte zuidelijke deel van de renbaan van Bosvoorde. Hieruit bleek dat de recreatiedruk zeer hoog was, wat overeenkomt met bijna een miljoen bezoekers per jaar per 100 hectare in dit gebied.  Ter vergelijking: de bezoekersaantallen van het randstedelijke bos van Fontainebleau, nabij Parijs, werden in 2016 geschat op 4 tot 10 miljoen per jaar (Observatoire de la fréquentation du massif de Fontainebleau). Dit bos beslaat ongeveer 22.000 ha en heeft te lijden onder het grote aantal bezoekers (erosie van paden en rotspartijen in het bijzonder).

Sinds deze studie werd uitgevoerd, is de Brusselse bevolking aanzienlijk gegroeid (+110.743 inwoners, een stijging van bijna 10%), waardoor het aantal bezoekers aan het bos waarschijnlijk nog zal toenemen. Bosmedewerkers ter plaatse hebben ook een toename van het aantal bezoekers opgemerkt tijdens de coronacrisis.

Een nieuwe gedeeltelijke gegevensbron, beschikbaar sinds 2022, geeft een inschatting van de druk van recreanten en honden in 2 gebieden van het bos. Dit gebeurt aan de hand van tellingen door de bosdienst, tijdens een wandeling, volgens een methodologie die vergelijkbaar is met die die wordt gebruikt om de veranderingen in de reeënpopulatie te schatten (zie de focus ‘De ree in het Brussels Gewest’). De 2 onderzochte routes liggen in gebieden waar wandelaars op de paden moeten blijven en honden aangelijnd moeten zijn:

  • een route van 5.800 meter in de beschermingszone met de Verdronken kinderenvijvers en de vallei van de Vuylbeek;
  • een route van 5.583 meter in het natuurreservaatGebied dat om wetenschappelijke, esthetische of educatieve redenen wettelijk wordt beschermd met het doel een of meer kenmerken van het landschap in stand te houden. Dry Borrenvallei, het natuurreservaat Rood Klooster en het bosreservaatHet bosreservaat is een bos of een deel hiervan dat wordt beschermd met het doel kenmerkende of merkwaardige uitzichten of opstanden van inheemse houtsoorten in stand te houden en er de gaafheid van de bodem en van het milieu te vrijwaren. Rood Klooster.

De trajecten volgen een precieze methodologie, waaronder:

  • 4 herhaalde passages per jaar (februari, mei, augustus, november);
  • voor elke herhaalde passage worden de 2 trajecten één keer in de week afgelegd (1 × 's ochtends, 1 × 's avonds en in de spitsuren) en één keer in het weekend (1 × 's ochtends, 1 × 's avonds).

Gemiddeld komt een persoon die 10 km wandelt in de 2 onderzochte zones 117 recreanten tegen

Bron: Leefmilieu Brussel 2025
Grfiek: Gemiddeld komt een persoon die 10 km wandelt in de 2 onderzochte zones 117 recreanten tegen

Lets meer dan 60% van deze recreanten zijn wandelaars, de rest is relatief gelijk verdeeld tussen joggers en fietsers. Ruiters vertegenwoordigen slechts 0,4% van de recreanten.

Bijna 4 op de 10 honden zijn niet aangelijnd in zones waar dat nochtans verplicht is

Volgens dezelfde bron wandelt 16% van de ondervraagde recreanten met een of meer honden. 

Gemiddeld komt een persoon die 10 km wandelt in de 2 onderzochte zones 13 honden  tegen, waarvan 5 niet aangelijnd.

Bron: Leefmilieu Brussel 2025
Grafiek: Gemiddeld komt een persoon die 10 km wandelt in de 2 onderzochte zones 13 honden  tegen, waarvan 5 niet aangelijnd

Hoewel deze cijfers in dit stadium met enige voorzichtigheid moeten worden behandeld, geven ze wel aan dat de recreatiedruk extreem hoog is. Bovendien zijn bijna 4 van de 10 honden niet aangelijnd, wat een overtreding is in de onderzochte zones.

De aantrekkingskracht van het Brusselse Zoniënwoud wordt tot op zekere hoogte ook weerspiegeld door het aantal evenementen (cross, wandelen/joggen, fietsen/mountainbiken, oriëntatielopen, begeleide tochten, teambuildings, enz.) die door Leefmilieu Brussel worden vergund en begeleid: 76 in 2022 en 81 in 2023. 

Elke dag bewegen wandelaars met of zonder hond, joggers, gewone fietsers en mountainbikers, ruiters, natuurliefhebbers, enz. zich door deze boshabitats en verstoren ze de dieren die er leven. Deze sociale functie van het bos is van vitaal belang, maar moet gepaard gaan met gepaste beheermaatregelen om de negatieve impact van dit intensieve gebruik op de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora). en de ecosystemen te minimaliseren. 

Niet-aangelijnde en/of ongecontroleerde honden: een gevoelige kwestie

In het Brusselse Zoniënwoud zijn wandelaars, buiten de twee bestaande beschermingszones en de natuur- en bosreservaten (zie ‘Semi-natuurlijke sites en beschermde groene ruimten’), vrij om van de paden en wegen af te wijken en hoeven honden niet aangelijnd te zijn. Ze moeten echter wel onder controle van hun baasje zijn.

Uit de gegevens hierboven blijkt dat er een sterke aanwezigheid van honden is in het Zoniënwoud en dat zelfs in zones waar het aanlijnen verplicht is, een groot deel van de honden vrij rondloopt.  Merk ook op dat volgens de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud (2022) dragen burgers, die buiten het Gewest wonen,  bij aan deze situatie door hun hond(en) los te laten lopen in het Brusselse deel van het Zoniënwoud, waar honden zonder leiband in bepaalde zones worden getolereerd (in tegenstelling tot wat in het Vlaamse en Waalse Gewest geldt).

Deze vaststelling is niet zonder gevolg: de impact van honden op de wilde fauna wordt door Brusselse bosbeheerders als ernstig beschouwd, vooral wanneer de honden ‘zwervend’ zijn (d.w.z. dat ze zich vrij bewegen zonder onder het toezicht en de controle van hun baasje te staan).

De impact kan direct zijn, door roofgedrag, ongelukken (oversteken van een weg door een vluchtend dier, oversteken van grote obstakels, enz.) of het afdwalen van een jong dier. Meer indirect kunnen het vluchtgedrag of de stress veroorzaakt door de aanwezigheid of het lastigvallen door honden leiden tot een aanzienlijk energieverbruik, een daling van de voortplanting van de fauna, een verschuiving van de activiteitspieken (zie focus ‘De ree in het Brussels Gewest’) en de ruimtelijke verspreiding van de soorten, alsook hun waakzaamheid verhogen. Honden worden ook vaak gezien bij het vernielen van nesten en habitats (holen, oevers, enz.) of het zwemmen in vijvers, het verstoren van de waterkwaliteit (problematisch voor amfibie-eieren), het verstoren van watervogels en, indien van toepassing, hun nesten.

Zoals vermeld in het stuk uit de literatuurstudie zal de aanwezigheid van honden waarschijnlijk ook de verspreiding van parasitaire ziekten bevorderen en een impact hebben op de bodem- en oppervlaktewaterkwaliteit.

Boswachters hebben het gevoel dat ze dagelijks hondenbaasjes moeten aanspreken, soms meerdere keren. Dit hondenprobleem kan op een gelijkaardige manier worden vastgesteld in de andere bosgebieden van Brussel. Als dezelfde overtreder meerdere keren wordt aangesproken zonder dat dit gevolgen heeft, kan er een waarschuwing of pv worden opgesteld (Carton 2016).

Voor de periode 2019-2023 werden er elk jaar tussen 44 en 60 waarschuwingen of pv’s opgesteld door de Brusselse boswachters voor honden die niet waren aangelijnd (waar dit verplicht is), voor honden die niet onder controle van hun baasje stonden, voor honden die in waterlopen of vijvers zwommen of, meer zeldzaam, voor honden in jacht- of aanvalsmodus. Voor de eerste 7 eerste maanden van 2025 bedroeg dit aantal 44. Klachten van recreanten (joggers, fietsers, wandelaars, andere hondenbezitters, ruiters) die het slachtoffer zijn van incidenten of zelfs aangevallen werden door honden worden ook doorgegeven aan Leefmilieu Brussel of de politie.

Problemen met ongecontroleerde honden komen het meest voor in 2 specifieke gebieden waar honden mogen worden losgelaten. Aanvallen van reeën, die het meest waargenomen werden, komen echter overal in het woud voor.  Volgens S. Vanwijnsberghe (2023) is dit fenomeen de laatste jaren alarmerend toegenomen: in 2019 werden in het Brusselse deel van het Zoniënwoud minstens 2 reeën gedood, in 2020 7 exemplaren en in 2021 15 exemplaren. En over het hele massief heen werden in 2021 34 gevallen van aanvallen  geregistreerd. Het aantal slachtoffers ligt eigenlijk hoger omdat niet alle gevallen bekend zijn.

Sinds een vijftiental jaar is in Brussel het beroep van hondenuitlater (dogwalker) ontstaan. Volgens de boswachters en hondenuitlaters zelf neemt deze activiteit duidelijk toe in het Zoniënwoud en is ze soms geprofessionaliseerd (Carton 2016). Hondenuitlaters lopen vaak met een tiental honden rond. Op een website van een hondenuitlaatdienst wordt gesproken over een ‘roedel vrienden’ die tot 9 honden kan omvatten. Deze worden meestal losgelaten in gebieden waar dit is toegestaan, maar het probleem is dat deze honden vaak onvoldoende onder controle staan, wat kan leiden tot verstoring van andere gebruikers of jacht- en aanvalsgedrag. De veterinaire gedragsdeskundigen die over dit onderwerp zijn ondervraagd, zeggen dat het onmogelijk is om zoveel honden in deze omstandigheden onder controle te houden (Carton 2016).

Honden hebben in natuurgebieden ook invloed op de flora door hun uitwerpselen, die het milieu kunstmatig verrijken en soorten stimuleren die veel stikstof en fosfor nodig hebben. Deze uitwerpselen, die geassocieerd worden met een opportunistisch carnivoor dieet, zijn niet te vergelijken met die van herbivoren, die minder rijk zijn. Bovendien zijn ze vaak geconcentreerd rond voetpaden. Deze impact is vooral schadelijk in ecosystemen met arme bodems en zeldzame planten (Van den Abeele M. 2025). Bepaalde delen van het bos, waar veel mensen met hun hond(en) wandelen, zijn veranderd in echte “poepvelden”, waardoor het wandelen er niet zo aangenaam is. Hetzelfde geldt  voor de speelplaatsen die door jeugdbewegingen worden gebruikt.

Naast de impact op de biodiversiteit is er ook de kwestie van aanvallen op mensen door honden, een onderwerp dat weinig gedocumenteerd is in België. In een studie uit 1999 (professor Nolens, KUL) werd geschat dat in België jaarlijks tussen 35.000 en 40.000 mensen door honden werden gebeten. Het nationale gezondheidsonderzoek van 2002 meldde dat 1% van de bevolking, of ongeveer 100.000 mensen, dat jaar door een hond was gebeten. Volgens een schatting van verzekeraar P&V zou het aantal beten oplopen tot 100.000 per jaar (Le Soir, 26/08/2020). Helaas komen in zeldzame gevallen ook dodelijke ongevallen voor (waaronder een in januari 2025 in België).

Wist je dit?

In 2023 waren in het Brussels Gewest 88.384 honden geregistreerd (database van het officiële  hondenregistratieplatform DogID) waarvan ongeveer een derde in de vier Brusselse gemeenten die aan het Zoniënwoud grenzen (BHRNB 2022).

Het aantal geregistreerde katten bedraagt dan weer 57.241 (CatID), maar het is zeer waarschijnlijk dat de kattenpopulatie in werkelijkheid veel groter is (niet-geregistreerde katten, zwerfkatten). Dit wordt gesuggereerd door de resultaten van de laatste 7 enquêtes over de gezinsbudgetten (Statbel 2012-2024): tussen de 7 en 11% van de Brusselse huishoudens zou minstens één hond hebben en tussen de 17 en 21% zou minstens één kat hebben. Bovendien zou het gemiddelde aantal honden en katten per 100 huishoudens in Brussel respectievelijk tussen 9 en 13 en tussen 23 en 28 liggen. Op basis hiervan zou een eerste schatting van het aantal honden en katten in de buurt liggen van 52.000 tot 76.000 honden en 133.000 tot 163.000 katten (exclusief zwerfkatten). Voor honden liggen de DogID-gegevens waarschijnlijk dichter bij het werkelijke cijfer, aangezien de andere bron gebaseerd is op een enquête (beperkte steekproef) en extrapolatie naar de Brusselse schaal en geen rekening houdt met ruimtelijke verschillen.

Honderden sluippaden

Het Brusselse Zoniënwoud wordt doorkruist door 143 km aan officiële paden voor wandelaars, joggers, fietsers, mountainbikers en ruiters. Ondanks dit dichte netwerk zijn er veel sluippaden ontstaan, waarvan sommige regelmatig worden gebruikt.

Naast bodemverdichting (zie hieronder) kan het passeren van kwetsbare natuurlijke habitats door wandelaars en fietsers schade toebrengen aan jonge bomen, zeldzame planten, mossen en schimmels. Het heeft ook invloed op de fauna die hun toevlucht zoeken in rustiger zones of zich verstoppen onder braamstruiken en bladeren, waardoor hun leefruimte kleiner wordt.

In het westelijke deel van het Zoniënwoud in Brussel werden er 155 beginnende sluippaden geïdentificeerd door vrijwilligers

Bron: Stichting Zoniënwoud, 2021-2022
Grafiek: In het westelijke deel van het Zoniënwoud in Brussel werden er 155 beginnende sluippaden geïdentificeerd door vrijwilligers  Bron: Stichting Zoniënwoud, 2021-2022

Ter herinnering: de huidige Brusselse regelgeving staat het publiek toe om buiten de officiële paden te wandelen op ongeveer de helft van het oppervlak van het Brusselse Zoniënwoud. Deze situatie dwingt de beheerders om de veiligheid van het publiek in het hart van deze bosgebieden te garanderen en bijgevolg, uit voorzorg, oude aftakelende bomen te kappen uit veiligheidsoverwegingen. Deze bomen met microhabitats zijnnochtans van groot ecologisch belang zijn. 

In het Zoniënwoud verkorten de reeën hun foerageerperiode en ontwikkelen ze nachtelijk gedrag

Zoals hierboven uitgelegd, hebben recreatieve activiteiten, afhankelijk van hun aard, intensiteit, de soorten in kwestie, enz. op verschillende manieren een invloed op de aanwezige dierenpopulaties, met verschillende gradaties. Het Zoniënmassief wordt intensief gebruikt, met een bijzonder dicht netwerk van paden, en honden die niet aangelijnd zijn, komen er vaak voor.

Al deze factoren samen veroorzaken een aanzienlijke verstoring van de wilde dieren, die rust en stilte nodig hebben om te overleven. Dat herhaald storen beperkt de vitale levensruimte van de fauna, veroorzaakt een aanzienlijk energieverlies en stress en heeft een bewezen invloed op de voedingsperiodes.

Dit kwam naar voren in een onderzoek waarin het gedrag van reeën in het Zoniënwoud en in een referentiebos dat niet door het publiek wordt bezocht, werd vergeleken. Hieruit blijkt dat de reeën in het Zoniënwoud hun foerageerperiode verschuiven en verkorten, wat schadelijke fysiologische gevolgen heeft (voor meer informatie, zie de focus ‘De ree in het Brussels Gewest’). Zoals opgemerkt door S. Vanwijnsberghe (2023), zijn reeën overigens afwezig in zeer populaire gebieden zoals het Terkamerenbos en het Park van Tervuren.

De reeënpopulatie van het Zoniënwoud is sinds 2008 het voorwerp van een jaarlijkse monitoring. Hieruit bleek een scherpe daling van het aantal reeën in het Brussels Gewest tussen 2014 en 2022, gevolgd door een stabilisering (hoewel dit nog moet worden bevestigd). Volgens wetenschappers is deze verandering voornamelijk te wijten aan de toenemende recreatiedruk en loslopende honden (zie de focus ‘De ree in het Brussels Gewest’). 

De bodems van het Zoniënwoud zijn gevoelig voor verdichting en erosie

Wandelaars en mountainbikers die off-road en op hellingen rijden, veroorzaken bodemverdichting en erosie. De bodems van het Zoniënwoud, die meestal leemgronden zijn, zijn erg gevoelig voor verdichting. Dit vertraagt de ontwikkeling van de wortels van jonge bomen en beschadigt de netwerken van schimmels die essentieel zijn voor het overleven van de bossen (zie Gezondheidstoestand van de bomen in het Zoniënwoud). Volgens R. Langhor (2010) zal het eeuwen duren voordat deze verdichting op natuurlijke wijze verdwijnt. De zuurtegraad (lage pH) van de bodem in het Zoniënwoud beperkt de ontwikkeling van de bodemfaunaGeheel van dieren uit de bodem die in de processen van de stoffencyclus en bodemvorming en -bescherming tussenkomen. (regenwormen, mollen, enz.) die helpt bij het doorgraven en beluchten van de bodem. Bovendien ontbinden dode beukenbladeren zeer traag, wat volgens dezelfde auteur zeker een ongunstige factor is voor het herstellen van de bodemstructuur.

Wanneer de mossen en de kruidachtige vegetatie worden vernietigd en het strooisel wordt weggespoeld, wordt de bodem door erosie losgemaakt en raken de wortels los. Deze erosieverschijnselen kunnen worden waargenomen in het Zoniënwoud.

Sinds 2022 werden per perceel gegevens over de bodemkwaliteit verzameld in het kader van de karakteriseringscampagnes van Leefmilieu Brussel (Good Soil-campagnes). De resultaten tonen aan dat bijna 80% van de onderzochte bosbodems matig tot ernstig aangetast is door erosie. 

Het risico op het uitbreken van brand neemt toe met droge periodes en het aantal mensen dat het gebied bezoekt

Bossen zijn, vooral tijdens periodes van droogteDroogte is een natuurlijk fenomeen waarbij de beschikbaarheid van water afneemt als gevolg van een gebrek aan neerslag, wat op termijn tot een watertekort kan leiden. Dit moet niet worden verward met een ‘hittegolf’ of ‘hitteperiode’, ook al hebben deze wel degelijk invloed op de beschikbaarheid van water (toename van de watervraag)., bijzonder gevoelig voor het uitbreken van branden als gevolg van menselijke activiteietn.  Barbecues zonder toestemming, sigarettenpeuken die niet goed zijn gedoofd of glasscherven (vergrootglaseffect) die zijn achtergelaten door bezoekers kunnen de oorzaak zijn van deze branden.

Het Zoniënwoud is niet immuun voor dit soort van risico's, vooral in zones met naaldhout (ongeveer 10% van de oppervlakte) en waar er een ondergroei is van droge adelaarsvarens in het voorjaar. In het licht van de klimaatveranderingWijst op trage variaties van de klimaatskenmerken mettertijd, op een welbepaalde plaats: opwarming of afkoeling. Sommige vormen van luchtvervuiling, veroorzaakt door menselijke activiteiten, zijn een bedreiging voor het klimaat in de zin dat er een globale opwarming zou kunnen ontstaan. Dit verschijnsel kan belangrijke schade veroorzaken: stijging van de zeeniveaus, verergering van de uiterste klimaatsverschijnselen (droogtes, overstromingen, wervelstormen, enz.), destabilisatie van de bossen, bedreiging voor de zoetwatervoorraden, moeilijkheden voor de landbouw, woestijnvorming, vermindering van de biodiversiteit, verspreiding van tropische ziekten, enz. - die voor onze gewesten gepaard zal gaan met een toename van hittegolven in combinatie met een afname van de neerslag in de zomer - zullen deze brandrisico's in het Brussels Gewest toenemen, vooral in beboste gebieden. 

Terwijl deze dreiging een paar jaar geleden nog als marginaal werd beschouwd, is dat nu niet meer het geval. De afgelopen jaren zijn er al een aantal branden uitgebroken waarbij de brandweer moest ingrijpen. In de lente van 2025 waren er bijvoorbeeld 2 branden in het Brusselse deel van het Zoniënwoud. 

Er is een brandgevoeligheidskaart opgesteld voor het Brusselse, Vlaamse en Waalse deel van het bos. In het Brussels Gewest hebben de brandweer en Leefmilieu Brussel samen een specifiek interventieplan opgesteld in geval van brand in het Zoniënwoud. 

Bezoekersaantallen beheren om het Zoniënwoud te beschermen

Er worden tal van maatregelen geïmplementeerd om een evenwicht te vinden tussen de recreatieve functies van het bos en het behoud van de biodiversiteitDe diversiteit aan levende soorten die zich kunnen in stand houden en die zich zonder externe hulp kunnen voortplanten (fauna en flora).. Daartoe behoren onder meer:

  • de invoering van vier speciale beschermingszones waar honden aangelijnd moeten zijn en de toegang voor het publiek beperkt is tot de paden en wegen. Het doel van dat statuut is het creëren van bufferzones rond beschermde gebieden of het beperken van de impact van te veel bezoekers in bepaalde kwetsbare zones of zones die dienen als toevluchtsoord voor wilde dieren. Die beslaan een oppervlakte van 543 ha;
  • de afbakening van verschillende grote speelzones in het bos om jongeren de kans te geven, in familieverband of in groepsverband (jeugdbewegingen, scholen, enz.), activiteiten te organiseren (spelletjes, hutten). Dit beperkt de impact van deze activiteiten tot bepaalde geselecteerde zones in het bos;
  • de creatie van « onthaalpoorten » (2 in het Brussels Gewest) aan de rand van het woud op plekken waar de toegankelijkheid goed is. In deze zones wordt een concentratie van recreatie georganiseerd (bijv. voldoende onthaalmeubilair, aanduiding van speelplekken). In ruil daarvoor wordt een grote, aaneengesloten kern van hoge biologische waardeErkende waarde van een site, beoordeeld op basis van een reeks criteria zoals de aanwezigheid van weinig verstoorde hydrologische elementen (bronnen), de diversiteit en schaarste van de plaatselijke dier- en plantsoorten, de aanwezigheid van schaarse soorten, de rijpheid van de vegetatie (onvervangbare site behalve op zeer lange termijn, b.v. een eeuwenoud bos), enz. afgebakend, waar ecologische doelstellingen voorrang krijgen. Recreatieve infrastructuur wordt tot een minimum beperkt (inclusief het verwijderen van bepaalde paden) om de impact van recreatieve activiteiten zoveel mogelijk te beperken. Het centrum van het bos blijft toegankelijk, maar verwacht wordt dat de recreatiedruk daar zal afnemen omdat het minder aantrekkelijk wordt;
  • de afschaffing van bepaalde parkeerplaatsen en niet-officiële wandelpaden;
  • het creëren of onderhouden van natuurlijke obstakels (braamstruiken, stapels dood hout) om het publiek te ontmoedigen de paden te verlaten;
  • educatie en sensibilisering via verschillende kanalen (boswachters en bosopzichters in het bos, publicaties en media, organisatie van evenementen, ‘soigneurs’ opgeleid door de Stichting van het Zoniënwoud, enz.);
  • het beheren van aanvragen voor het organiseren van evenementen in het bos of de gewestelijke parken (aanvaardbaarheid van het project, locatie, omvang, periode, schaal, voorwaarden, enz.)

Om te downloaden

Factsheets :

  • Lichtverontreiniging in het Brussels Gewest, 2023

Fiches van de Staat van het Leefmilieu

  • Focus : De ree in het Brusselse Gewest, 2024
  • Focus : Evolutie van vleermuispopulaties in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 2023

Studies en rapporten 

  • AQrate 2022. “Baromètre Nature 2022”, peiling in opdracht van Leefmilieu Brussel (enkel in het Frans) (.pdf)
  • BATEMAN PW, GILSON LN 2025. “Bad dog? The environmental effects of owned dogs.“ in Pacific Conservation Biology 31, PC24071. (.pdf)
  • CARTON T.H. 2016. « L’impact des chiens en forêt de Soignes », eindwerkstuk. Promotor : Couchard F.; stagebegeleider: Reinbold G. (Leefmilieu Brussel). Haute Ecole libre de Bruxelles-Ilya Prigogine (enkel in het Frans)
  • BRUSSELSE HOGE RAAD VOOR NATUURBEHOUD 2022. « Advies op eigen initiatief van de Brusselse hoge raad voor natuurbehoud betreffende honden zonder leiband in het Zoniënwoud en hun invloed op de wilde fauna» (.pdf)
  • CSD INGENIEURS CONSEILS 2025.   « Impact des activités récréatives sur les habitats et espèces en zones Natura 2000 – Etude bibliographique et interviews d'organisateurs d'évènements », eindrapport, studie in opdracht van Leefmilieu Brussel  (enkel in het Frans) (.pdf)
  • COLSON V. et al. 2012. « L’estimation de la fréquentation et l’analyse des flux de visiteurs en forêt de Soignes. Résultats d’une étude exploratoire “, studie in opdracht van Leefmilieu Brussel (.pdf) (enkel in het Frans)
  • ECHASSOUX A., ENRIQUEZ B., GASPARINI J., KADIRI N. et LUMARET J.P., 2014. ”Recherche-action sur l’effet des médicaments antiparasitaires équins sur la biodiversité du sol en forêt dans la réserve de biosphère de Fontainebleau et du Gâtinais », conferentie 40ème Journée de la Recherche Équine, pages 119-127 (.pdf) (enkel in het Frans)
  • GLOBEN C. 2023. “Étude de l’impact du dérangement humain sur une population de chevreuils (Capreolus careolus L.) en forêt de Soignes »,  eindwerk. Promotor : A. Licoppe (DEMNA) ; co-promotor : S. Vanwijnsberghe (Leefmilieu Brussel). ULiège, Gembloux Agro-Bio Tech, 45 p. (.pdf) (enkel in het Frans)
  • LANGHOR R. 2010. « Quelques facteurs édaphiques dans l’écosystème forêt de Soignes », aparte uitgave Forêt.Nature n°105 (p.03-13), maart-april 2010. (.pdf) (enkel in het Frans)
  • LE SOIR 2020. « Morsures: gare aux enfants! », artikel van Franchimont B., gepubliceerd op 26/08/2020. (enkel in het Frans)
  • MENDOZA ROLDAN, J., OTRANTO, D. 2023. “ Zoonotic parasites associated with predation by dogs and cats.” in Parasites Vectors 16, 55. (.pdf)
  • OBSERVATOIRE DE LA FRÉQUENTATION DU MASSIF DE FONTAINEBLEAU 2016. (enkel in het Frans)
  • PALLEMAERTS L., BOONE N. , DEVISSCHER S., HUYSENTRUYT F., LICOPPE A., MALENGREAUX C., VERCAMMEN J., CASAER J. « Mission d’appui pour le recensement du chevreuil dans le massif sonien. Rapport annuel ‐ Période de référence 2008‐2023 », Verslagen Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek2023 (42), Brussels. (.pdf) (enkel in het Frans)
  • TASSIN DE MONTAIGU C, GLAUSER G, GUINCHARD S, GOULSON D. 2025. « High prevalence of veterinary drugs in bird's nests.” in Sci Total Environ (.pdf)
    DOI: 10.1016/j.scitotenv.2025.178439
  • VAN DEN ABEELE 2025. « Quel est l’impact du chien domestique dans les milieux (semi-)naturels ? », in Forêt.Nature n°174 p.17-26, artikel geschreven in het kader van een stage (stagebegeleider: Vanwijnsberghe S., Leefmilieu Brussel), Gembloux Agro-Bio Tech (ULiège) (.pdf) (enkel in het Frans)
  • VANWIJNSBERGHE S. 2023 "Impact du public sur le chevreuil en forêt de Soignes", aparte uitgave Forêt.Nature n°166 (p. 38-52), januari-februari-maart 2023. (enkel in het Frans) 

Plannen en programma‘s

  • Gewestelijk Natuurplan 2016-2020 voor het Brussels Gewest, 2016 (.pdf)
  • Beheerplan voor het Brussels gedeelte van het Zoniënwoud, Boek I – Plaatsbeschrijving, 2019 (.pdf)
  • Beheerplan voor het Brussels gedeelte van het Zoniënwoud, Boek II - Beheerdoelstellingen en –maatregelen, 2019 (.pdf)
< Vegetatiegraad en biologische kwaliteit Fauna > Terug naar thema Groene ruimten en biodiversiteit

Delen:

  • Delen op Facebook
  • Delen op Linkedin
  • Delen op BlueSky
  • Delen op E-mail
  • Delen op Afdrukken

Rechtstreeks van de blog

Personnes qui se font un check

Ecologische teambuildingactiviteiten in Brussel voor elk seizoen

08/05/2026
  • Groene ruimten
  • Biodiversiteit
Per seizoen een groene en duurzame teambuildingactiviteit.
Lees verder about Welke ecologische teambuildingactiviteiten worden aangeboden in Brussel?

Tover de buitenruimte van je kinderdagverblijf om tot een groene speelplek

13/02/2023
  • Biodiversiteit
  • Groene ruimten
  • Gezondheid
Werk je in een kinderdagverblijf en wil je de tuin of het terras vergroenen? Leefmilieu Brussel heeft de Gids Natuuropvang gepubliceerd om je te inspireren.
Lees verder Tover de buitenruimte van je kinderdagverblijf om tot een groene speelplek
Ontdek de blog
Milieubeheer
  • Afval beheren
  • Renoveren en bouwen
  • Duurzamer worden
  • De gezondheid en veiligheid garanderen
  • Gebouwen en sites beheren
  • Dierenwelzijn garanderen
Milieubeheer
  • Afval beheren
  • Renoveren en bouwen
  • Duurzamer worden
  • De gezondheid en veiligheid garanderen
  • Gebouwen en sites beheren
  • Dierenwelzijn garanderen
Diensten en aanvragen
  • Milieuvergunningsaanvraag
  • Advies en begeleiding
  • Erkenningen en registraties
  • Klachten, meldingen en waarschuwingen
  • Premies en financiële steun voor Brusselse professionals
  • Reageren op een projectoproep
Diensten en aanvragen
  • Milieuvergunningsaanvraag
  • Advies en begeleiding
  • Erkenningen en registraties
  • Klachten, meldingen en waarschuwingen
  • Premies en financiële steun voor Brusselse professionals
  • Reageren op een projectoproep
Regelgeving en inspectie
  • Verplichtingen en vergunningen
  • Controles en boetes
Regelgeving en inspectie
  • Verplichtingen en vergunningen
  • Controles en boetes
Regionaal beleid
  • Regionale strategische plannen
  • Rapporten van milieuprojecten
Regionaal beleid
  • Regionale strategische plannen
  • Rapporten van milieuprojecten
Documentatie en tools
  • Kaarten
  • Websites en interactieve tools
  • Leefmilieu: stand van zaken
  • Lesmateriaal opleidingen en seminaries
Documentatie en tools
  • Kaarten
  • Websites en interactieve tools
  • Leefmilieu: stand van zaken
  • Lesmateriaal opleidingen en seminaries
Dierenwelzijn
  • Pers
Website Burgers
Website Onderwijs
Blog Professionals

Volg ons

  • Facebook
  • Bluesky
  • Linkedin
  • Youtube
  • Instagram

Nieuwsbrieven

Blijf op de hoogte

Ik schrijf me in
Thuispagina professionals van Leefmilieu Brussel
  • Toegang tot milieu-informatie
  • Toegankelijkheidsverklaring
  • Eco-design
  • Wettelijke bepalingen
  • Cookiebeleid
  • Transparantie
  • Crisiscontacten