U bent hier

Focus: Honingopbrengst, botanische origine en kwaliteit van de honing

Zoals in heel wat steden valt er in Brussel een groeiende belangstelling voor bijenteelt te bespeuren. Om de kennis van de algemene bijenteeltcontext in een stadsomgeving te doen toenemen werd er een monitoringsysteem voor bijenkolonies in het Brussels Gewest opgezet.  Het regelmatig opgevolgde gewicht van een producerende bijenkast in Ukkel en de analyse van de honing van verschillende bijenkasten in het Gewest leveren interessante resultaten op:
- de honingdrachten van de Ukkelse bijenkast liggen steeds hoger dan het gemiddelde van de honingdrachten die worden opgemeten in andere bijenkasten in landelijk gebied (Waals Gewest);
- de lentehoningdrachten van de Ukkelse bijenkast zijn sneller rijp dan in landelijk gebied;
- in het Brussels Gewest trekken de bijen eerder naar een relatief beperkt aantal planten: bramen, klavertjes, fruitbomen, kastanjebomen, wilgen, olijfachtigen (type liguster), linden, paardenkastanjes en gewone robinia;
- net als in het Waals Gewest is de meerderheid van de Brusselse geanalyseerde honing afkomstig van verschillende bloemen. Hun kwaliteit is gelijkaardig aan de kwaliteit van honing die in landelijk gebied wordt geoogst.

Monitoring van de bijenkolonies

Bijen spelen een essentiële rol in de bestuiving van planten en dus ook in hun voortplanting. Met het oog op de gewestelijke biodiversiteit is het belangrijk een strategie te ontwikkelen om het imkeren zo goed mogelijk te integreren in een stedelijke omgeving. Het gaat er voornamelijk om voor een goed evenwicht te zorgen tussen alle bestuivers en, in een context van beperkte voedingsmiddelen, concurrentie te voorkomen tussen huis- en wilde bijen.
Om de kennis van de algemene bijenteeltcontext in een stadsomgeving te doen toenemen werd er een monitoringsysteem voor bijenkolonies in het Brussels Gewest opgezet. Onder goed producerende bijenkasten over het volledige grondgebied werden er vier elektronische weegschalen geplaatst. De metingen gebeuren regelmatig, worden via gsm’s doorgeseind en bevatten een aantal gegevens: gewicht van de bijenkast, luchtvochtigheid en buitentemperatuur. Deze informatie komt bovenop de informatie van de imkers van de SRABE (Société Royale d’Apiculture de Bruxelles et ses Environs). Jaarlijks gaat er ook heel wat in het Brussels Gewest geproduceerde honing naar het CARI-lab (Centre apicole de Recherche et d’Informations), waar dan de botanische oorsprong van het stuifmeel en de kwaliteit worden geanalyseerd. Alle beschikbare informatie wordt geanalyseerd en vergeleken met de gegevens van het netwerk van Waalse bijenkasten dat sinds 1998 door het CARI wordt gevolgd. Voor deze analyse konden evenwel enkel de gegevens van de weegschaal in Ukkel worden benut.

Honingproductie

Onderstaande figuur analyseert het profiel van de dagelijkse nectarvloed (schaal van gewicht rechts) in het bijenseizoen 2014 in de productiebijenkast van Ukkel, in relatie tot de temperatuurgegevens (schaal links). Om nog enkel de honingdrachtgegevens over te houden werden grote schommelingen die te maken hebben met de handelingen van de imker weggelaten (plaatsen van honingrompen, oogst, voeden, ...). De registratie van gewichtsverlies kan worden verklaard door uitzwermen, een gedeeltelijke consumptie van de in de bijenkast opgeslagen reserves, de imker die langskomt, wat zorgt voor lichte gewichtsschommelingen (aanmerken van de koningin, controle van de gezondheidstoestand van de kolonies, enz.).
Gewicht- en temperatuurschommelingen die in de bijenkast van Ukkel werden geregistreerd - bijenseizoen 2014

Bron: CARI 2015 (weegschaal in Ukkel beheerd door SRABE)
Gewicht- en temperatuurschommelingen die in de bijenkast van Ukkel werden geregistreerd - bijenseizoen 2014 Bron: CARI 2015 (weegschaal in Ukkel beheerd door SRABE)

De onderste figuur vergelijkt voor hetzelfde jaar de gewichtstoename van de Brusselse bijenkast met de gemiddelde, minimale en maximale gewichtstoename van 15 bijenkasten van het Waalse net. Niet alle bijenkasten hebben hetzelfde gewicht. Om de resultaten te kunnen vergelijken wordt dan ook, arbitrair, een gezamenlijk begingewicht vastgesteld op 40 kg. Om te kunnen vergelijken werd het plaatsen van extra materiaal en het weghalen ervan eveneens uit de gegevensverwerking gelaten.

Vergelijking van de gewichtstoename van de bijenkast in Ukkel met de gewichtstoename in 15 Waalse bijenkasten - bijenseizoen 2014

Bron: CARI 2015 (weegschaal in Ukkel beheerd door SRABE)

Vergelijking van de gewichtstoename van de bijenkast in Ukkel met de gewichtstoename in 15 Waalse bijenkasten - bijenseizoen 2014

Voor de 3 jaren waarvoor deze vergelijking werd gemaakt (2012-2014) stelt men vast dat de gewichtstoename van de bijenkast van Ukkel systematisch vroeger aanving dan in de Waalse bijenkasten. De hogere temperaturen in een stedelijke omgeving (zie focus over warmte-eilanden ) vertalen zich inderdaad in een vroegere bloei en dus ook vroegere nectarinzameling. Bovendien lag de globale gewichtstoename op de Brusselse weegschaal hoger dan op de gemiddelde Waalse weegschaal. Dit verschil ligt voornamelijk aan de grotere nectarvloed in de lente. De honingdracht in de zomer is normaler (behalve in 2012). Om deze tendens te kunnen bevestigen zou het evenwel nuttig zijn om de gegevens van een groter aantal weegschalen te kunnen analyseren.

Flora waarvan nectar wordt ingezameld

Wanneer bijen bij een bloem op zoek gaan naar nectar nemen ze eveneens het stuifmeel dat erin zit mee. Door een microscopisch stuifmeelonderzoek van de honing kan men achterhalen bij welke bloemen er nectar werd ingezameld en welke bloemen dus interessant zijn voor bijen.
Wanneer er stuifmeel van een bepaalde soort in een monster voorkomt, wordt dit beschouwd, naargelang het meer dan 45% van de stuifmeelkorrels, tussen 10% en 45% of minder dan 10% betreft, als “dominant stuifmeel”, “begeleidend stuifmeel” of “geïsoleerd stuifmeel”.  Bepaald stuifmeel zal overigens gekenmerkt worden als “beduidend geïsoleerd” als het een frequentie heeft van minder dan 10%, maar evenwel afkomstig is van een weinig stuifmeeldragende soort, dan wel van een soort waarbij het stuifmeel omwille van de morfologie van de bloem ondervertegenwoordigd is.

Botanische oorsprong van het stuifmeel van honingrijke planten (192 monsters van Brusselse honing geanalyseerd in 2007-2014)
Bron: CARI 2015

Botanische oorsprong van het stuifmeel van honingrijke planten (192 monsters van Brusselse honing geanalyseerd in 2007-2014)
Onderstaande grafiek op basis van de stuifmeelanalyse van 192 Brusselse honingsoorten die werden geproduceerd in de periode 2007-2014 toont dat het merendeel van de nectaraanvoer van bramen, klaver en boom- of struiksoorten komt. Ten opzichte van de landelijke gebieden stellen we een grotere hoeveelheid stuifmeel vast van bomen die klassiek in parken voorkomen (paardenkastanje, evodia, gewone robinia, ...).
In bepaalde honingsoorten vinden we eveneens stuifmeel terug van windbloemen, namelijk waarvan het stuifmeel door de wind wordt getransporteerd (grasachtigen, berken, dennen, ...). Dit stuifmeel hecht zich vast aan de honingdauwdruppeltjes. Deze erg zoete afscheidingsproducten op basis van plantensappen van steek-zuiginsecten vindt men regelmatig op struik- en boomsoorten terug. Als de bijen op dergelijke honingdauw komen inzamelen, nemen ze de vastgekleefde stuifmeelkorrels mee, die dan ook in de honing voorkomen.

Kwaliteit van de Brusselse honing

De fysisch-chemische analyse van de 192 honingsoorten die in het Brussels Gewest werden geproduceerd tussen 2007 en 2014 toont met name dat:

  • het watergehalte van al deze geanalyseerde honing lager ligt dan de reglementaire norm van maximaal 20% en, voor de grote meerderheid van de geanalyseerde honing, lager dan 18% (grens die garant staat voor een goede stabiliteit van het product, zonder gisting);
  • alle geanalyseerde honing beantwoordt aan de CARI-kwaliteitscriteria (restrictiever dan de wettelijke normen) voor parameters die een verslechtering aangeven in verband met opwarming of een te hoge leeftijd) hydroxymethylfurfuralgehalte en sacharasepercentage);
  • de geanalyseerde honing gemiddeld een pH van 4,5 en een zuurtegraad van 9,0 tot 17,7 meq./kg heeft, waarden die een goede honingstabiliteit doen vermoeden;
  • de fructose/glucoseverhouding van nagenoeg alle honing zich situeert binnen de smeuïge tot smeerbare honingsoorten met een eerder langzame kristallisatie. 8 honingsoorten (voornamelijk gewone-robinia-honing) hebben evenwel een F/G-verhouding van meer dan 1,45 en zijn daarmee van vloeibare aard.

Door fysisch-chemische, stuifmeel- en organoleptische analyse kan de botanische oorsprong van de honing worden bepaald. In het Brussels Gewest, net als in het Waals Gewest, komt het merendeel van de honingproductie van verschillende bloemen. In de jaren waarin de weersomstandigheden het toelaten dat er bij bepaalde variëteiten intensief wordt ingezameld worden er eveneens honingsoorten uitgewerkt die afkomstig zijn van een enkele of voornamelijk een enkele bloem; het gaat dan vooral over honing van gewone robinia, linde, paardenkastanje of evodia. Omwille van de talrijke bosrijke plekken in het Brussels Gewest vult honing die honingdauw bevat het aanbod regelmatig aan.

Tot besluit

De Brusselse bijenkasten mogen doorgaans rekenen op een erg gunstige omgeving. In de eerste plaats is dit te wijten aan een zachtere temperatuur in het begin van het seizoen waardoor de kolonies vroeger op gang komen. De grote honingdragende bloemgehelen (bomen) zorgen voor een flinke oogst. De goede technische kennis van de imkers staat bovendien garant voor een goede kwaliteit van de in de handel gebrachte honing. De Brusselse consumenten hebben zo honingsoorten tot hun beschikking die beantwoorden aan de hoogste kwaliteitscriteria.
Ondanks deze positieve vaststelling dient men zich evenwel te hoeden voor een simplistische benadering. Een doordacht en evenwichtig beleid omtrent bijenkasten in een stedelijke omgeving en meer in het algemeen in groene ruimten is hier op zijn plaats.  Te veel kolonies van huisbijen in bepaalde kwetsbare zones uitzetten zou immers gevolgen kunnen hebben voor de biodiversiteit. Om dit risico op Brussels niveau te objectiveren dienen er evenwel nog studies plaats te vinden.

Datum van de update: 12/09/2016
Documenten: 

Factsheets

Fiches van de Staat van het Leefmilieu

Andere publicaties van Leefmilieu Brussel

Studies en rapporten

  • CARVALHEIRO L.G., KUNIN W. E., KEIL P., AGUIRRE-GUTIERREZ J., ELLIS W.N., FOX R., GROOM Q., HENNEKENS S., VAN LANDUYT W., MAES D., VAN DE MEUTTER F., MICHEZ D., RASMONT P., ODE B., POTTS S.G., REEMER M., ROBERTS S.P.-M., SCHAMINEE J., WALLISDEVRIES M.F. and BIESMEIJER J.C., 2013. « Species richness declines and biotic homogenisation have slowed down for NW-European pollinators and plants », in Ecology Letters 16, p 870-878. (.html) (enkel in het Engels) 
  • LEFEVBRE M., BRUNEAU E., 2005. « Etat des lieux du phénomène de dépérissement des ruches en Région wallonne », Overeenkomst tussen het Waalse Gewest (DGRNE) en de CARI, 50 pp. (enkel in het Frans)
  • POTTS S.G., BIESMEIJER J.C., KREMEN C., NEUMANN P., SCHWEIGER O. et al., 2010. “Global pollinator declines: trends, impacts and drivers”, in Trends in Ecology & Evolution 25 (6): 345–353. doi:10.1016/j.tree.2010.01.007. (.pdf) (enkel in het Engels)
  • TOMMASI D., MIRO A., HIGO H.A., WINSTON M.L., 2004. « Bee diversity and abundance in an urban setting », in Canadian Entomologist 136 (6): 851–869. doi:10.4039/n04-010. (.pdf) (enkel in het Engels)  
  • VAISSIÈRE B., MORISON N., CARRÉ G., 2005. « Abeilles, pollinisation et biodiversité », in Abeilles & Cie n°106, p 10-14. Verantwoordelijke uitgever Etienne Bruneau, Louvain-la-Neuve. (.pdf) (enkel in het Frans)

Plannen en programma‘s