U bent hier

Focus :Gezondheidstoestand van het Brussels Zoniënwoud

Sinds 2009 monitort het Brussels Gewest elk jaar de vitaliteit van de 3 belangrijkste boomsoorten van het Zoniënwoud (beuk en inheemse eiken). In 2014 bedroeg de gemiddelde ontbladering – die de algemene gezondheid van de bomen weerspiegelt - 23% voor de beuk en 19% voor de eik. Over de periode 2009-2014 liep de gemiddelde ontbladering van de inheemse eiken terug. Bij de beuken is er eerder een constante tendens. Deze evolutie, over een nog beperkte tijdspanne, blijkt moeilijk te interpreteren doordat zoveel factoren een rol kunnen spelen.

Het Zoniënwoud beslaat bijna 10% van het Brussels grondgebied en vertegenwoordigt een natuurlijk, sociaal en cultureel erfgoed dat zeer belangrijk is voor het Brussels Gewest.

Kwetsbaarheidsfactoren

Er zijn echter verscheidene factoren die het bos kwetsbaar maken: de bezoekersdruk, de aard van de bodem (vrij droge grond op een deel van de hellingen, verdichting van de bodem aan de oppervlakte, vrij ondiepe verharde bodemhorizon op verschillende plaatsen, …), overwicht van vaak verouderde beukenpopulaties, onevenwichtige structuur van de bestanden wat ouderdom betreft, luchtvervuiling, enz. De klimaatwijzigingen die zich naar verwachting in de komende decennia zullen voordoen, kunnen bovendien de werking van de ecosystemen gevoelig aantasten, bijvoorbeeld op het vlak van de aangroei van de bospopulatie of de ontwikkeling van gewasvernielende populaties. In dat verband werd een verkennend onderzoek uitgevoerd op aanvraag van Leefmilieu Brussel (Daise et al, 2009). Dit onderzoek wees uit dat, in het Zoniënwoud, de beuk en in mindere mate de zomereik het risico lopen om sterk getroffen te worden in het geval er zich een klimaatwijziging voltrekt volgens het middelste scenario (cf. Synthese 2007-2008, fiche “Zoniënwoud en risico‘s verbonden aan de klimaatwijziging”). Meer in het algemeen worden de laatste dertig jaren zowat overal in Europa tekenen waargenomen van bossterfte die naargelang het geval meer of minder uitgesproken is.

Waarnemingssysteem

In deze context heeft het Brussels Gewest beslist om een permanent waarnemingssysteem op te zetten, om de vitaliteit van de 3 belangrijkste boomsoorten van het Zoniënwoud, met name de beuk en de inheemse eiken (wintereik en zomereik), in kaart te brengen. Die boomsoorten bestrijken 84% van het Brussels woud, in zuivere of gemengde bestanden. De methode – die wordt uitgevoerd volgens een wetenschappelijk protocol dat op Europees niveau op punt werd gesteld – is gebaseerd op de visuele waarneming in de zomer van bomen die in “proefpercelen” staan (perceel van 400 m x 400 m). Het aantal en de verdeling van de bomen in het bosmassief is zo gekozen dat ze een representatieve steekproef vormen. De waarneming heeft betrekking op bomen die voldoende groot zijn (volgens diameter) en ook voldoende hoog (kruin die het licht kan opvangen) en houdt rekening met verschillende criteria zoals ontbladering, ontkleuring, vruchtvorming of schade en symptomen. Ontbladering – gedefinieerd als het verlies van bladeren in het bovenste deel van de kruin in vergelijking met een gezonde boom – is een integrerend criterium dat de invloed weerspiegelt van onder meer het klimaat, de bodemkwaliteit, aanvallen van parasieten of de leeftijd van de boom. Deze indicator geeft weliswaar een algemeen idee van het verlies aan vitaliteit van een boom, maar volstaat niet voor een volledige diagnose van de gezondheidstoestand van de bomen. De verminderde bladbiomassa kan overigens een tijdelijk reguleringsmechanisme van de boom zijn om met de stress die hij te verwerken krijgt om te gaan. 
Deze waarnemingscampagnes worden sinds 2009 uitgevoerd in het Brussels Gewest.

Resultaten van de waarnemingen

In 2014 vertoonden, op een totaal van 143 geobserveerde bomen (88 beuken, 48 zomereiken en 7 wintereiken), 45% van de beuken en 22% van de eiken (36% dus van het volledige monster) een ontbladering van meer dan 25% (deze indicator wordt veelal en met name op Europees niveau gebruikt; een boom met een ontbladering van meer dan 25% wordt als beschadigd beschouwd).
De gemiddelde ontbladering bedraagt 23% voor de beuk en 19% voor de eik (20% voor de zomereik en 13% voor de wintereik). Deze percentages liggen erg laag ten opzichte van de percentages in de jaren ervoor. Een op zijn minst gedeeltelijke verklaring hiervoor zijn de in 2014 overwegend gunstige weersomstandigheden (veel neerslag van juni tot augustus). Deze gegevens zijn evenwel gestoeld op ramingen met een brede foutmarge.

Evolutie van de gemiddelde ontbladering van alle beuken en eiken die zijn opgenomen in de monitoring (2009-2014)
Bron: Earth and Life Institute Environmental Sciences (UCL), 2014
Evolutie van de gemiddelde ontbladering van alle beuken en eiken die zijn opgenomen in de monitoring (2009-2014)

Volgens de onderzoekers valt de hogere gemiddelde ontbladering die men in 2009 bij de beuken waarnam te verklaren door moeilijke klimatologische omstandigheden, een sterke vruchtvorming, alsook door een gebrek aan ervaring bij de waarnemers. Op het jaar 2009 na, is de gemiddelde ontbladering van de beuk relatief constant in de tijd. Sinds 2010 neemt de gemiddelde ontbladering van de eiken daarentegen eerder af.
Als we enkel de bomen bekijken die in de follow-upcampagnes tussen 2009 en 2014 onder de loep werden genomen, dan blijkt de gemiddelde ontbladering van de eiken constant (het monster van 6 bomen is evenwel te beperkt om een betrouwbare conclusie op te leveren). Bij de beuken loopt die ontbladering eerder terug (29% in 2010, 25% in 2012 en 25% in 2014 op een monster van 72 bomen).
Deze evolutie, over een nog beperkte tijdspanne, blijkt moeilijk te interpreteren aangezien er zoveel factoren zijn die de ontbladering van een boom kunnen beïnvloeden (groei- en klimaatomstandigheden, vruchtvorming, stamomtrek, plaats ten opzichte van omliggende bomen, vorm van de takken in de top, …).
De onderzoekers hebben overigens een duidelijke verbetering opgemerkt van de kruinstructuur van de twee bestudeerde soorten: respectievelijk 71% en 47% van de eiken en de beuken hadden dicht vertakte kruinen in 2014 tegen 0% en 8% in 2009. Om een betere kijk te krijgen op de evolutie van de ontbladering en van de structuur van de kruin, waarvan de oorzaken nog onduidelijk zijn (afgevallen dode takken, verschil in interpretatie door de verschillende waarnemers, …), worden de boomkruinen sinds de monitoringcampagne van 2014 ook fotografisch gevolgd.

Evolutie van het percentage eiken en beuken met een dichte vertakking (2009-2014)
Bron: Earth and Life Institute Environmental Sciences (UCL), 2014

Evolutie van het percentage eiken en beuken met een dichte vertakking (2009-2014)
Sinds de jongste 2-3 meetcampagnes neemt men bij beuken en eiken een duidelijk minder verkleurd loof waar. In 2013 en 2014 hadden nagenoeg alle onderzochte eiken minder dan 10% minder verkleurd gebladerte. Sinds de opstart van de monitoring was dat nog nooit gezien. Bij de beuken liepen de percentages van bomen met minder dan 10% verkleurd loof in 2012, 2013 en 2014 op tot respectievelijk 84%, 100% en 87%. De factoren die ten oorsprong liggen aan deze verbetering zijn evenwel moeilijk te duiden. De vaakst voorkomende oorzaken voor verkleuring zijn mineraaltekorten, luchtverontreiniging, parasitaire aanvallen of periodes van droogte in de zomer of de lente.
Deze cijfers zijn moeilijk te vergelijken met de gegevens die in de aangrenzende gewesten werden opgetekend, aangezien de beschreven populaties er anders zijn (leeftijd en densiteit van de populaties, bodemcondities, het (micro)klimaat, het reliëf, enz.) en de kwaliteit van de waarnemingen kan variëren naargelang het netwerk. Aan de hand van de ontbladeringswaarden die in de naburige gewesten werden genoteerd, is het echter wel mogelijk om grootteordes te bepalen. Zo bedroeg de gemiddelde ontbladering op Europees niveau (30 landen), volgens de waarnemingen in 2009, ongeveer 19% voor de beuk en 24% voor de eik. In 2014 bedroeg de gemiddelde waargenomen ontbladering in Vlaanderen 19% voor de beuk en 25% voor de zomereik (Sioen G. et al, 2015), percentages dus die vergelijkbaar zijn met het Brussels niveau. 11% van de beuken en 32% van de zomereiken vertoonden bovendien een ontbladering van meer dan 25%; over de soorten heen bedroeg deze indicator 21%. In 2013 bedroeg de gemiddeld waargenomen ontbladering in het Waals Gewest 33% voor de beuk, 35% voor de zomereik en 23% voor de wintereik; voor het loof met een ontbladering van meer dan 25% tekende men een percentage op van 36%. 

Beheersmaatregelen

Het gewestelijk beheersplan van het Zoniënwoud, dat werd goedgekeurd in 2003, wordt op dit moment aangepast. Deze herzieningen moeten in het bijzonder rekening houden met nieuwe elementen die zijn opgedoken in de loop van dit laatste decennium: risico van afsterven van bepaalde soorten (in het bijzonder de beuk) in het licht van de vooropgestelde klimaatverandering, de toekenning van het statuut Natura 2000 aan het Zoniënwoud, goedkeuring door de drie Gewesten van een “structuurschema” dat de grote oriëntaties en gemeenschappelijke beheerprincipes voor het Zoniënwoud bepaalt of de stijgende vraag naar groene recreatieruimten als gevolg van de bevolkingsgroei.
 

Datum van de update: 24/08/2016
Documenten: 

Fiches van de Staat van het Leefmilieu

Andere publicaties van Leefmilieu Brussel

Studies en rapporten

Plannen en programma’s