U bent hier

De uitstoot van broeikasgassen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

photo paysage gaz à effets de serre

Het gebruik van fossiele energiebronnen om onze energiebehoeften in te lossen (verwarming van gebouwen, transport, industriële productie, huishoudtoestellen...) leidt tot de uitstoot van broeikasgassen (BKG) in de atmosfeer, die op hun beurt het klimaat verstoren.

Op wereldschaal zijn deze emissies sinds het midden van de 19de eeuw (industriële revolutie) aanzienlijk toegenomen. 

 

 

 

Wat zijn de voornaamste broeikasgassen die in Brussel worden uitgestoten?

De emissie-inventarissen die jaarlijks bij de Europese en internationale autoriteiten worden ingediend, zijn gebaseerd op directe BKG-uitstoot, die overeenkomen met de uitstootbronnen die zich op het beschouwde grondgebied bevinden.

De verschillende broeikasgassen hebben niet hetzelfde aardopwarmingsvermogen (global warming potential of GWP). Om ze met elkaar te kunnen vergelijken, worden de uitgestoten gassen omgezet in een gemeenschappelijke eenheid: het CO2-equivalent.

Koolstofdioxide of CO2

Koolstofdioxide is veruit het voornaamste broeikasgas dat wordt uitgestoten op het grondgebied van het gewest. In 2019 was koolstofdioxide verantwoordelijk voor 90% van alle directe BKG-uitstoot.
Koolstofdioxide wordt uitgestoten tijdens elk verbrandingsproces: De voornaamste bronnen van CO2-uitstoot zijn:

  • verbranding in woon- en tertiaire gebouwen (verwarming, sanitair warm water en koken) (60% van de directe CO2-uitstoot);
  • wegtransport (29% van de directe CO2-uitstoot).

De bijdrage van industriële activiteiten is zeer gering en hoofdzakelijk afkomstig van de energiesector (verbranding van huishoudelijk afval met elektriciteitsproductie).

Fluorgassen

De uitstoot afkomstig van het gebruik van fluorgassen was in 2019 verantwoordelijk voor 8% van de totale uitstoot van broeikasgassen. Na 1990 nam die bijdrage voortdurend toe. Sinds 2015 is de uitstoot gestabiliseerd en sinds 2017 daalt de uitstoot van fluorgassen. Het aardopwarmingsvermogen van fluorgassen is in bepaalde gevallen extreem hoog (22.800 keer hoger dan van CO2 in het geval van SF6 bijvoorbeeld).

In het Gewest worden fluorgassen vooral gebruikt in de koelsector en voor de koeling van gebouwen en voertuigen. 

Methaan of CH4

Methaan is verantwoordelijk voor 1% van de uitstoot van BKG's in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het aardopwarmingsvermogen van methaan is hoog (25 keer hoger dan dat van CO2). 

De uitstoot van CH4 is voornamelijk afkomstig van verliezen in het aardgasdistributienetwerk (vluchtige emissies, 78% in 2019) en van de verbranding in woon- en tertiaire gebouwen (17%). De vluchtige emissies werden met 71% teruggedrongen in vergelijking met 1990, dankzij de vernieuwing van de leidingen in het distributienet.

Distikstofoxide of N2O

Distikstofoxide is goed voor minder dan 1% van de uitstoot van BKG's in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het aardopwarmingsvermogen van distikstofoxide is hoog (298 keer hoger dan dat van CO2).

N2O -emissies zijn in de eerste plaats afkomstig van het gebruik ervan als product, met name als verdovingsmiddel (29% in 2019), in het wegtransport (27%) en in de afvalsector, voornamelijk via de behandeling van afvalwater (16%).

Evolutie van de directe uitstoot van broeikasgassen van  1990 tot 2019

De totale uitstoot van broeikasgassen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in 2019 daalde met 18% ten opzichte van 1990 en met 23% ten opzichte van 2005. De voornaamste emissiebronnen zijn de verbranding in woon- en tertiaire gebouwen (voornamelijk voor verwarming) en het wegtransport.

**

De uitstoot in woon- en tertiaire gebouwen vertoont een algemene neerwaartse trend sinds het midden van de jaren negentig.

De variaties van de uitstoot zijn vrij uitgesproken voor de voorbije jaren omdat ze gekoppeld zijn aan de klimaatgesteldheid. Die klimaatgesteldheid wordt wetenschappelijk uitgedrukt in graaddagen: hoe meer graaddagen, hoe hoger de verwarmingsbehoeften. 

Tussen 1990 en 2019 is er geen bijzondere trend voor de uitstoot door het wegtransport.

De uitstoot afkomstig van de industrie, de energieproductie en de bouwsector is relatief stabiel.

De uitstoot van fluorgassen is sinds 1990 gestegen, maar heeft zich sinds 2015 gestabiliseerd en is sinds 2017 zelfs gedaald.

De andere emissiebronnen namen af sinds 1990.

De uitstoot door verbranding in gebouwen vertoont een algemene neerwaartse trend sinds het midden van de jaren negentig. Toch zijn de variaties tussen de jaren onderling vrij uitgesproken, vooral voor de recente jaren. Deze variaties houden verband met de verwarmingsbehoeften, die afhangen van de strengheid van de winters. De verwarmingsbehoefte van een jaar kan worden geëvalueerd op basis van de som van de graaddagen, die overeenkomen met het verschil tussen de gemiddelde dagtemperaturen in de winter en een referentietemperatuur (ongeveer 15°C).

Tussen 1990 en 2019 is er geen bijzondere trend voor de uitstoot door het wegtransport.

De toename van de uitstoot van fluorgassen heeft met nameverband met de geleidelijke vervanging van CFK's (chloorfluorkoolwaterstoffen) na de tenuitvoerlegging van het Protocol van Montreal, een internationale overeenkomst om de ozonlaag afbrekende stoffen geleidelijk te elimineren door HFK's (fluorkoolwaterstoffen) in koelinstallaties. Met de aanneming van het amendement van Kigali in 2016, zijn de Partijen overeengekomen HFK's toe te voegen aan de controleregeling van het protocol met het oog op een geleidelijke vermindering van het gebruik van deze gassen.

**

De uitstoot in tertiaire gebouwen en woongebouwen daalt ten opzichte van 1990.

De variaties van de uitstoot zijn vrij uitgesproken voor de voorbije jaren omdat ze gekoppeld zijn aan de klimaatgesteldheid. Die klimaatgesteldheid wordt wetenschappelijk uitgedrukt in graaddagen: hoe meer graaddagen, hoe hoger de verwarmingsbehoeften. 

We stellen vast dat de uitstoot van gebouwen de evolutie van de graaddagen volgt.

Wanneer de graaddagen toenemen, neemt ook de uitstoot toe.

Voorspellingen voor de directe uitstoot van broeikasgassen 

De uitstoot-inventarissen hebben betrekking op de afgelopen jaren (momenteel gaat het om de periode 1990-2019). De evolutie van de uitstoot voor de jaren na de door de inventarissen bestreken periode, zijn voorspellingsmodellen ontwikkeld voor de verschillende activiteitensectoren met verschillende einddatums. Die modellen tonen verschillende scenario's:

  • WEM-scenario (With Existing Measures): gebaseerd op het beleid en de maatregelen die al zijn ingevoerd of waarover al werd beslist
  • WAM-scenario (With Additional Measures): gebaseerd op de impact van bijkomende maatregelen ten opzichte van het WEM-scenario

Volgens de laatste beschikbare resultaten, het huidige beleid en de huidige maatregelen zouden de geraamde emissies voor het jaar 2020 moeten voldoen aan het gewestelijke emissieplafond (burden sharing).

De doelstelling voor 2030 (-40% uitstoot ten opzichte van 2005) zal daarentegen enkel worden bereikt met de uitvoering van bijkomende beslissingen en maatregelen (WAM-scenario). De geraamde reductie door de maatregelen die in het WAM-scenario in aanmerking worden genomen, bedraagt 43,5% ten opzichte van 2005.

De voor het WAM-scenario waargenomen trend zou het ook mogelijk moeten maken om tegen 2050 de doelstelling van -90% (ten opzichte van 2005) te halen, ook al is er voor dit tijdsbestek nog grote onzekerheid. Deze reële jaarlijkse waarden zullen afhangen van de klimatologische omstandigheden, die bepalend zijn voor de verwarmingsbehoeften.

Het Gewest heeft verschillende doelstellingen op het vlak van broeikasgassen.

  • De doelstelling om tegen 2030 is 40% minder broeikasgassen uit te stoten ten opzichte van 2005.
  • De doelstelling om tegen 2040 is 67% minder broeikasgassen uit te stoten ten opzichte van 2005.
  • De doelstelling om tegen 2050 is 90% minder broeikasgassen uit te stoten ten opzichte van 2005.

Deze doelstellingen zijn in de klimaatordonnantie..

Volgens de voorspellingen van de inventarissen van de broeikasgasemissies zou het Brussels Hoofdstedelijk Gewest het gewestelijke emissieplafond voor 2020 moeten kunnen naleven met het beleid en de maatregelen die momenteel reeds bestaan.

De doelstelling voor 2030 zal enkel worden bereikt als er bijkomende beslissingen en maatregelen komen. 
Met het WEM-scenario, waarbij geen bijkomende maatregelen worden genomen, zal dat doel niet worden bereikt.

Deze voorspellingen moeten rekening houden met de onvoorspelbaarheid van het klimaat, zoals de onzekerheid rond de reële verwarmingsbehoeften van de gebouwen.

Indirecte uitstoot van broeikasgassen

In een sterk verstedelijkt stadsgewest als Brussel zorgen de hoge bevolkingsdichtheid en het grote aandeel dienstenactiviteiten ervoor dat een deel van de emissies naar buiten het grondgebied worden verplaatst. Het gaat dan met name over de emissies door de productie van elektriciteit, de landbouwproductie  of industriële processen. In dat geval spreken we over indirecte emissies. In combinatie met directe emissies helpen indirecte emissies ons om de reële globale impact van het betrokken grondgebied nauwkeuriger te beoordelen in termen van BKG-emissies en bijdrage tot klimaatverandering.

Het feit dat wordt rekening gehouden met indirecte emissies in de strijd tegen de klimaatverandering is opgenomen in de artikels 1.2.3 en 1.2.4 van het Brussels Wetboek voor Lucht, Klimaat en Energiebeheersing (BWLKE) zoals ingevoegd door de Klimaatordonnantie van 17 juni 2021. Op dit moment wordt een berekeningsmethodologie ontwikkeld om de bestaande inventaris van directe BKG-emissies aan te vullen met een schatting van de indirecte emissies.

Datum van de update: 01/09/2021