U bent hier

Beheer

Het beheer van de natuur- en bosreservaten door Leefmilieu Brussel heeft tot doel de fauna- en florarijkdom van bijzondere ecosystemen te beschermen en te verbeteren. Parallel daarmee is het de bedoeling dat het grote publiek die uitzonderlijke biotopen leert ontdekken, zodat het die zou respecteren.

De beheersopties worden gekozen door een comité dat wordt samengesteld uit wetenschappers en leden van natuurverenigingen op basis van de specificiteit van de plaatsen en van de te realiseren doelstellingen op het vlak van het behoud. Vervolgens worden die omgezet in een beheersplan dat eigen is aan elk reservaat, en dat uitgevoerd wordt door Leefmilieu Brussel. Tot slot wordt regelmatig toegezien op een wetenschappelijke opvolging (met de hulp van universitaire teams) en een kwalitatieve evaluatie van de gevoerde acties.

Integraal beheer

In het grootste deel van het natuurreservaat Kinsendael-Kriekenput, Laarbeekbos,  Poelbos en in het bosreservaat Gripensdelle bijvoorbeeld vindt vrijwel geen enkele tussenkomst plaats op de site (behalve om de paden veilig te houden) om de natuur spontaan te laten evolueren naar een ecosysteem in evenwicht met de bodem, het klimaat en al zijn boselementen.

Gestuurd beheer

In de Brusselse natuurreservaten is het verkeer vaak beperkt tot de wegen die deze doorkruisen of omringen. Om te voorkomen dat gevoelige zones worden vertrappeld en dat de fauna gestoord wordt, worden natuurlijke afsluitingen en obstakels geplaatst.

Het maaien (zowel manueel, met een maaier, mechanisch of selectief), het verwijderen van struikgewas en het omhakken van bomen geschiedt in de open ruimten (open plekken in het bos, weiden, schrale grasvelden, heidevelden…) opdat die niet zouden verwilderen, en de typische flora niet zou verstikken door meer prolifieke soorten. Het maaisel wordt niet ter plaatse gelaten om te voorkomen dat de voedingsstoffen die ontstaan uit de ontbinding het terrein zouden verrijken en de samenstelling daarvan zouden wijzigen, waardoor de biologische eigenschappen van de plaats zouden kunnen veranderen.

Het dode hout op stam of op de grond wordt niet systematisch verwijderd zodat het een onderdak kan bieden aan de vleermuizen of in holen levende vogels. Bovendien draagt het bij aan de biodiversiteit (mossen, paddenstoelen, insecten…) en aan het behoud van de vruchtbaarheid van de bodem.

De vijvers, poelen en beken worden schoongemaakt (verwijderen van allerlei afval) of uitgebaggerd wanneer nodig (meer bepaald in de bossen en waar de bodem bedekt is door een grote hoeveelheid bladeren) om de risico’s op eutrofiëring te beperken.  Het terug aanleggen van de oevers met lichtglooiende hellingen, draagt bij tot hun "hernaturalisatie".

De randen van de waterpartijen worden gemaaid om te zorgen voor voldoende zonlicht en de eventuele overwoekering van de oevervegetatie te beperken.

De vijvers worden van tijd tot tijd geledigd. De overtollige vissen worden weggehaald om een gunstig milieu te creëren voor de waterflora en de amfibieën.

In de natte zones moet de bouw en/of het onderhoud van monniken, dijken en afvoerkanalen ervoor zorgen dat het waterpeil voldoende hoog blijft.

Exotische planten (Japanese duizendknoop, reuzebalsemien, berenklauw…) worden systematisch uitgetrokken omdat die een bedreiging vormen voor het behoud van de lokale biodiversiteit.

Bemoedigende resultaten

Op die wijze heeft het beheer van de Brusselse natuurreservaten het mogelijk gemaakt om de bestaande habitats te herstellen evenals de representativiteit van de typische soorten die daar moeten worden aangetroffen. Dat is bemoedigend. De fragmentering van de verschillende habitats en de afzondering daarvan (Brussel is in de eerste plaats een stedelijk centrum) vormen daarentegen een belangrijke rem op het verschijnen van nieuwe soorten. Iets minder somber is de vaststelling voor de natte valleien waar de waterlopen de migraties van fauna en flora vergemakkelijken.

Datum van de update: 25/01/2016