U bent hier

Honingbijen

Apis mellifera, de bij die imkers kweken om kostbare honing af te leveren, is slechts één soort op de 140 Brusselse soorten. Deze bij is al meer dan 10.000 jaar gekend. Ze  werd “getemd” in een gecontroleerde omgeving om de honingproductie te optimaliseren, agressief gedrag te temperen, enz. Bovendien is ze onmisbaar geworden voor de bestuiving op uitgestrekte monocultuurakkers in landbouwgebieden die arm zijn aan toevluchtsoorden.
De huidige honingbij is in vele gevallen niet echt meer te vergelijken met haar natuurlijke voorouders, hoewel zich een nieuwe beweging ontwikkelt om oude rassen te bewaren, in het bijzonder de donkere bij (Apis mellifera mellifera).

Kampioenen bij uitstek

In vergelijking met haar wilde tegenhangers heeft de honingbij een kolossale slagkracht:

  • Ze wordt aandachtig gevolgd door imkers (wintervoeding, beheer van parasieten en ziekten, enz.) die op hun beurt steun krijgen van allerhande officiële instellingen (dierenartsen, onderzoekers, administraties, enz.);
  • Ze leeft in zeer grote kolonies van meerdere tienduizenden onvruchtbare werksters die nectar kunnen verzamelen zonder zich te moeten bekommeren om het maken van een nest, het leggen van eitjes, enz. en die samen met de darren de bijenkorf verdedigen, met gevaar voor eigen leven, om hun nageslacht veilig te stellen;
  • Deze bij is taai en kan tot meerdere kilometers ver vliegen;
  • Ze is een alleseter en doet zich te goed aan een uiterst gevarieerde plantenmix.

Met al die troeven is de honingbij een kampioen buiten categorie die in staat is haar omgeving efficiënt te exploiteren en die verbluffend doeltreffend is in vergelijking met andere gedomesticeerde bijen die meestal alleen leven, niet ver kunnen vliegen, hun eigen nest moeten inrichten en hun nageslacht moeten verzekeren.
Ondanks al die eigenschappen is de honingbij ook kwetsbaar. Bestrijdingsmiddelen, parasieten (varroa, Amerikaanse vuilbloed, enz.), ziekten (misvormdevleugelvirus, enz.), roofdieren (Aziatische wesp) of gebrek aan voedingsmiddelen zijn enkele boosdoeners.

Te veel bijen in Brussel?

Het Brussels gewest heeft al meerdere honderden bijenkorven, die zowat overal op het grondgebied te vinden zijn, zonder specifiek rekening te houden met de veranderlijke landschapskenmerken. Zo zijn er een heel aantal te vinden in het sterk verstedelijkte stadscentrum, omdat tal van bedrijven het peterschap over deze bijenkorven hebben opgenomen.
De wetenschappelijke gemeenschap en de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud maken zich zorgen over het hoge aantal bijen in stadsomgeving dat de lokale biodiversiteit zou kunnen aantasten.
Deze impact zou meer bepaald in drie types onderverdeeld zijn:

  • De lokaal hoge densiteit van bijenkorven met honingbijen, in het bijzonder in een stedelijke context die logischerwijze beperkte voedselbronnen heeft en waar de ruimte gefragmenteerd is, kan aanleiding geven tot voedselconcurrentie ten nadele van wilde soorten, vooral die soorten die kieskeurig zijn op voedselvlak;
  • Er zijn ook gevallen van besmetting genoteerd tussen gedomesticeerde en wilde populaties, onder meer de overdracht van het misvormdevleugelvirus (DWV) en van de parasiet Nosema ceranea van bijenkorven naar hommelkolonies dicht in de buurt;
  • Ten slotte wijst een derde fenomeen op de veranderende patronen van de pollenstromen tussen de planten, wat de voortplanting ervan kan verstoren en de plantengemeenschappen op lokaal vlak kan wijzigen. 

Laten we dus geen bijenkasten installeren in de natuurgebieden, maar ook in de dichtste en meest verstedelijkte gebieden van de stad. Leefmilieu Brussel werkt aan een regionale strategie gericht op het behoud van evenwicht tussen wilde bijen en honingbijen.

Datum van de update: 23/08/2018