U bent hier

Uw laboratorium: inrichting en veiligheid

a. Uw bedrijfsruimten inrichten 
b. Toegang 
c. Veiligheid : goede praktijken en instructie 
d. Onderhouden en controleren 
e. Uw laboratorium veranderen

a. Uw bedrijfsruimten inrichten

Regelgeving

Om de wetgeving op arbeid en brand na te leven dient de opstelling van de bedrijfsruimten te gebeuren volgens verschillende normen, met name:

  • het  ARAB (algemeen reglement voor de arbeidsbescherming), meer bepaald artikel 52, de codex over het welzijn op het werk, alsook de bijbehorende uitvoeringsbesluiten;
  • het AREI (algemeen reglement op de elektrische installaties) met daarin de onderverdeling in explosieve atmosferen;
  • het KB van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, alsook de wijzigingen erop.

Bij een aanvraag voor een milieuvergunning met betrekking tot rubriek 85B spreekt de DBDMH (dienst voor brandbestrijding en dringende medische hulp) zich uit. 

Laboratoria die deel uitmaken van rubriek 85 A hoeven geen DBDMH-advies aan te vragen. 

De dienst beroept zich op de basisnormen en op de wetgeving en kan bijzonderheden opleggen. 

Voor de bouw van een nieuw laboratorium gaat u eerst na of de laboratoriumactiviteit verenigbaar is met het gewestelijk bestemmingsplan.

Vloeren en muren

  • De vloerbekleding en de muur- en plafondbedekking zijn aangepast aan de aard van de geplande activiteiten.   
  • De muren zijn tot op voldoende hoogte waterbestendig zodat:
    • ze kunnen gereinigd worden en 
    • ze geen schade oplopen door spatten.

Werktafels

  • De werktafels zijn:
    • waterbestendig;
    • bestand tegen de gebruikte producten: zuren en alkalische stoffen, organische oplosmiddelen, desinfecterende middelen, ontsmettingsmiddelen;
    • gemakkelijk te reinigen.

Specifieke laboratoria

  • In laboratoria voor klinische diagnose is de monsternemingkamer afgezonderd van het laboratorium. Ze staat duidelijk aangegeven voor bezoekers.

Inrichtingen voor gasdistributie

  • De gasleidingen:
    • zijn voor de DBDMH gemakkelijk terug te vinden;
    • geven duidelijk de aard van de vloeistof aan (bijvoorbeeld door conventionele identificatieverf).
  • De afsluitpunten voor gas dat van buiten komt:
    • zijn bereikbaar en geïnventariseerd (bijvoorbeeld op het brandinterventieplan), binnen of buiten het laboratorium;
    • liggen ter hoogte van de bron in het laboratorium en aan de externe bron: meter, opslaglokaal; 
    • moeten kunnen worden afgesloten op de verschillende afsluitpunten op de installatie: klep, drukknop, ...
  • De gasleidingen zijn waterdicht.
  • De Belgische norm NBN D51-003 is in de mate van het mogelijke van toepassing op de aardgasinstallaties.

    Voor nieuwe inrichtingen is deze maatregel verplicht.

Ventilatie

De afwezigheid van geur in een laboratorium betekent niet noodzakelijk dat de lucht er gezond is. Sommige erg toxische gassen zijn immers geurloos, zoals koolstofmonoxide. Ofwelruiken ze weinig, zoals ethyleenoxide. 

  • De omgevingslucht mag nooit explosief of toxisch zijn.
  • Stofjes, uitwasemingen, dampen, slecht ruikende of gevaarlijke gassen mogen de buurt niet hinderen of zich verspreiden naar de openbare vertrekken. 

    Door bepaalde maatregelen kan men geurhinder vermijden:

    • afgesloten afzuigkasten;
    • gelokaliseerd extractiesysteem (bijvoorbeeld aanzuigarm);
    • afgesloten en geventileerde veiligheidskasten;
    • negatieve relatieve druk in het laboratorium;
    • ventilatiesysteem van het laboratorium gescheiden van dat van de andere ruimten, ... 
  • Als u handelingen stelt met producten die dampen of gassen afgeven, rust uw laboratorium dan uit met een doeltreffend ventilatiesysteem.

     Dit ventilatiesysteem: 

  • bestaat uit een of meerdere verse-luchttoevoeren;
  • onttrekt en filtert desnoods de afvoer in de lucht om zo de lucht in het laboratorium permanent gezond te houden;
  • kan de verontreinigde lucht (na filtering) naar de open lucht afvoeren.
  • Installeer de afzuigkasten op afstand van de luchtstromen en van de doorgangen, zodat een noodevacuatie (bijvoorbeeld als de afzuigkast in brand schiet) steeds mogelijk is. 

    Een afzuigkast:

    • is een box die door een ventilator die de gassen en de dampen opzuigt in lage druk wordt gehouden;
    • is toegerust met een raampje dat kan worden geopend en in hoogte verstelbaar is;
    • wordt tijdens de chemische of biologische verrichting gesloten gehouden;
    • heeft een mogelijkheid tot luchtinlaat, zelfs in gesloten stand.
  • Installeer geen afzuigkasten op het noodevacuatietraject.
  • Kies een afzuigkast die conform de EN 14175-norm is en is toegerust met een aan de afzuiging gekoppeld geluids- en visueel alarmsysteem

    Nieuwe afzuigkasten zijn conform norm EN 14175 of andere normen die gelijkwaardige veiligheidsgaranties bieden.

Zo kunt u er zich steeds van vergewissen dat de afzuiging binnen de afzuigkast voldoende is.

  • Zorg in het laboratorium voor een verse-luchttoevoer om de door de afzuigkast afgezogen lucht te vervangen.
  • Plaats de vervuilde-luchtuitlaten: 

    De Europese EN 13779-norm legt bepaalde voorwaarden op voor luchtafvoer naar en luchttoevoer van buiten.

    Plaats van de luchtafvoer naar buiten

    Na te leven voorwaarden: norm EN 13779

    Luchtafvoeropening op een muur

    De luchtafvoer bevindt zich op:

    1.  meer dan 8 m van een naburig gebouw EN

    2. meer dan 2 m van een nieuwe luchttoevoer op dezelfde muur en bij voorkeur eronder.

          Als aan een van de voorwaarden niet wordt voldaan, worden de luchtafvoeren op het dak geïnstalleerd.

    Luchtafvoer op het dak

    De luchtafvoer bevindt zich: 

    ofwel boven de afvoer

    ofwel onder de afvoer

    Als de afvoer en de toevoer zich op dezelfde hoogte bevinden, bedraagt de in acht te nemen afstand minstens 2,8 meter

    Luchttoevoer buiten

     

     

    De luchttoevoeropeningen bevinden zich

    1. op een afstand van de grond van minstens 3 meter

    2. op een afstand van de verontreinigende bronnen van minstens 8 meter (plek waar het vuilnis wordt opgehaald, parking voor meer dan 3 wagens,…)

    • bij voorkeur op het dak;
    • in goed verluchte zones;
    • minstens 8 meter van een venster of een luchttoevoer;
    • op dergelijke wijze dat monsterneming mogelijk is;
    • houd hierbij rekening met de overheersende windrichtingen.
  • Bij een brand moet de ventilatie afgezet kunnen worden.

Top

b. Toegang

  • De hulpdiensten kunnen zich gemakkelijk toegang verschaffen tot de laboratoriumruimten.
  • Op de deur kleeft u de gevarenaanduidingen die het meest representatief voor de risico's zijn.
  • Zorg aan de ingang van het laboratorium voor beschermende schorten. 

    De beschermende schort is verplicht in de GGO-vergunning, maar kan dat zijn in alle laboratoria als de risicoanalyse het zo uitwijst.

    De DBDMH beschouwt de schort als een eerste brandveiligheidsmaatregel.

    De schort:

    • beschermt tegen spatten op de huid en op de persoonlijke kledij;
    • vermindert de kans op brandwonden en besmetting.
  • De laboratoria zijn niet toegankelijk voor het publiek. 

    Het ARAB beschermt alle beroepslui die zich toegang verschaffen tot het laboratorium (reinigingsdienst, technische dienst, IDPBW (Interne dienst voor de preventie en bescherming op het werk), ...).
    Het ARAB biedt geen bescherming voor het grote publiek, dat normaal gezien het laboratorium niet betreden mag.
    Als u uw laboratorium laat bezoeken, beveilig dan de activiteiten.

Top

c. Veiligheid: goede praktijken en instructies

Goede praktijken

Goede laboratoriumpraktijken zijn aangepast aan het type van activiteiten in het laboratorium

Goede laboratoriumpraktijken zijn aangepast aan de bijzonderheden van het laboratorium.

In microbiologische laboratoria legt de milieuvergunning bepaalde goede praktijken op het gebied van hygiëne en veiligheid op:

  • het personeel een geschikte opleiding aanbieden;
  • het personeel schriftelijke instructies geven over de typeprocedures voor de exploitatie;
  • was- en ontsmettingsinstallaties ter beschikking stellen van het personeel;
  • beschikken over bepaalde efficiënte desinfecteermiddelen en over duidelijke ontsmettingsprocedures in het geval dat er een verspreiding is van pathogene organismen;
  • aangepaste registers bijhouden;
  • pipetteren met de mond verbieden;
  • eten, drinken, het gebruik van cosmetische producten of opslag van voor menselijke consumptie bestemd voedsel verbieden in de werkzones.

Bij deze goede praktijken hoort heel zeker een handelswijze omtrent het beheer en de verwijdering van afvalstoffen en vloeibare uitstoot.

Voor elke analyse die in een laboratorium plaatsvond, moet men zicht krijgen op de verscheidenheid aan afval en vloeibare uitstoot die gegenereerd werd.

Tussen de vloeibare uitstoot haalt u de lozingen eruit:

  • die niet in de gootsteen mogen worden gegoten; 
  • die afzonderlijk moeten worden gehouden; 
  • die als gevaarlijk afval moeten worden afgevoerd.

Voor de afvalstoffen beschrijft u telkens hoe ze verpakt en opgeslagen worden, welk verwijderingscircuit ze volgen en hoe vaak ze worden verwijderd.

  • Instrumenten die kwik bevatten (thermometers, wasflessen) zijn verboden.

Veiligheidsmaatregelen: instructies

Baseer u op uw interne risicoanalyse of op het advies van de DBDMH.

  • Rust uw laboratorium met minstens een brandblusser uit. De brandblussers zijn zichtbaar, in goede staat en gemakkelijk bereikbaar.
  • Zorg desnoods voor vuurdekens

Top

d. Onderhouden en controleren

Uw bedrijfsruimten onderhouden

  • Kijk regelmatig na of uw materiaal goed schoon is.
  • Was regelmatig de vloer om te vermijden dat er zich stof met daarin gevaarlijke producten opstapelt.
  • Na uw werkdag laat u de werktafels juist reinigen.

Uw uitrusting controleren

  • Controleer regelmatig uw laboratoriumuitrusting (afzuigkasten, autoclaven, drukrecipiënten, ovens, stoven, centrifugeerders, vloeibare-stikstoftanks en alle gasinstallaties) dienen een regelmatig nazicht te krijgen.
  • Pas onmiddellijk de opmerkingen toe en verbeter de overtredingen die gemeld werden in de controleverslagen.

Top

e. Uw laboratorium veranderen

U moet uw gemeente of Leefmilieu Brussel verwittigen als: 

  • Indien u Leefmilieu Brussel moet verwittigen, verstuur uw post naar:

Leefmilieu Brussel

Afdeling Vergunningen en Partnerschappen

Thurn & Taxis site

Havenlaan 86C - bus 3000

1000 Brussel

  • u uw laboratorium naar een andere ruimte verhuist;
  • u de aard of de omvang van uw activiteit wijzigt.

Top

Datum van de update: 19/07/2019