U bent hier

Chemische kwaliteit van het oppervlaktewater

De oppervlaktewaterlichamen van de Zenne en van het Kanaal zijn onderhevig aan een sterke druk door toedoen van menselijke activiteiten en lozingen, eigen aan de stedelijke omgeving van het Gewest. De aanwezigheid van micropolluenten die schadelijk zijn voor het milieu en in het bijzonder van alomtegenwoordige polluenten (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) en van zware metalen brengt het bereiken van een goede chemische kwaliteit in de Zenne, het Kanaal en zelfs de Woluwe in het gedrang.

33 prioritaire stoffen (waaronder 15 gevaarlijke) en 5 andere groepen polluenten onder de loep

Micropolluenten zijn chemische stoffen die giftig kunnen zijn voor ecosystemen of zelfs voor de menselijke gezondheid, in erg geringe concentraties. De aard en de herkomst van deze verontreinigende stoffen varieert sterk: pesticiden, koolwaterstoffen, zware metalen, polychloorbifenylen (PCB’s), …
Van deze stoffen worden er sommige door de Europese Commissie als bijzonder onrustwekkend beschouwd voor het watermilieu en in het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW) als "prioritair" aangemerkt omwille van de belangrijke lozingen/emissies naar het oppervlaktewater en omwille van hun bijzonder gevaarlijke en persistente aard. De lijst van 33 prioritaire stoffen (of groepen van stoffen) en 5 groepen van bijkomende polluenten (zie bijlagen 1 en 2 van het BBHG van 2015) werd uitgebreid naar 12 nieuwe prioritaire substanties in 2013. De evaluatie van de “chemische toestand” van de oppervlaktewaterlichamen wordt opgemaakt op basis van deze lijst van polluenten conform de voorschriften van de Kaderrichtlijn water (KRW).
133 andere als "gevaarlijk" aangemerkte stoffen moeten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ook opgevolgd worden en aan milieukwaliteitsdoelstellingen beantwoorden (zie bijlage 4 van het BBHG van 2015).

Controle van micropolluenten in het water, de waterbodems

De lidstaten moeten zorgen voor een monitoring van deze polluenten – die doorgaans maar in geringe mate worden geëlimineerd ter hoogte van de zuiveringsstations – en maatregelen treffen om de lozing, emissies en verliezen ervan geleidelijk aan te beperken tot zelfs te verbieden. Met dat doel voor ogen implementeert het Brussels Gewest sinds 2001 programma’s voor de monitoring van de chemische kwaliteit van zijn oppervlaktewater, die op de analyse van de concentraties van bijna 200 parameters berusten (zie hoofdstuk 5.1 van WBP2). Er zijn vijf monitoringlocaties sinds het begin van de metingen: de punten waar de drie aangeduide oppervlaktewaterlichamen het Gewest binnenkomen en verlaten (Zenne, Kanaal en Woluwe). In 2014 werd de monitoring uitgebreid naar nieuwe meetsites: op de loop van deze drie waterlichamen maar ook op sommige van hun zijrivieren. Omdat we nog niet over een voldoende consequente set gegevens beschikken om er robuuste conclusies uit te trekken, werden de gegevens die voor deze nieuwe sites werden verzameld nog niet geanalyseerd in deze fiche. Alleen de gegevens voor de vijf “historische” sites waarvoor we over meer gegevens beschikken, worden voorgesteld.
Naast de waterkolom werd er sinds 2013 voor bijna 150 parameters een driejaarlijkse controle in de waterbodems (slib) ingevoerd. De 2de campagne vond plaats in december 2017. De doelstelling van deze controle is om zich ervan te verzekeren dat er geen accumulatie ontstaat van bepaalde lipofiele polluenten in het slib (aangezien de polluenten die vastzitten in de waterbodems soms naar de waterkolom worden verwijderd).

Milieudoelstellingen in constante evolutie

De kwaliteitsdoelstellingen die sinds 2011 van kracht zijn voor de polluenten in de waterkolom zijn de milieukwaliteitsnormen (MKN). Voor sommige polluenten (metalen, minerale oliën) zijn basiskwaliteitsnormen van toepassing. Deze normen hebben betrekking op de jaargemiddelden van een meetcampagne en, voor sommige prioritaire gevaarlijke stoffen, op maximum toelaatbare concentraties voor elk monster (zie methodologische fiche).
In 2013 werden de MKN van 7 prioritaire stoffen herzien (met ingang vanaf eind 2015). Zoals voorheen vermeld, werden ook 12 nieuwe prioritaire stoffen (waarvan de helft is aangemerkt als "gevaarlijk") bepaald, waarvoor de normen eind 2018 in werking treden.

Een voldoende chemische kwaliteit voor een groot aantal polluenten

De meeste van deze 35 (+ 5) prioritaire Europese stoffen vormen geen enkel probleem voor de drie vastgelegde oppervlaktewaterlichamen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: het Kanaal, de Zenne en de Woluwe. Vaak worden ze zelfs niet eens gedetecteerd in de waterkolom en/of in het slib en biota (zie hoofdstuk 1 van WBP2). Over het algemeen is de Zenne de meest besmette waterloop. De Woluwe lijkt daarentegen relatief gevrijwaard, met uitzondering echter van de alomtegenwoordige polluenten zoals de Polycyclische Aromatische Koolwaterstofen (PAK).
Hetzelfde geldt voor de overgrote meerderheid van de op het niveau van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest relevant bevonden chemische stoffen (zie bijlagen 3 en 4 van het BBHG ).
Hierbij wijzen we erop dat sommige polluenten bepaalde jaren niet beoordeeld konden worden (geen metingen) of niet vergeleken konden worden met de kwaliteitsdoelstellingen door de onnauwkeurigheid van de onderzoeksmethodes (hogere aantoonbaarheidsgrens dan de MKN).

Het veralgemeende probleem van de PBT-stoffen en in het bijzonder van de PAK

De Europese Unie heeft een lijst opgesteld van acht persistente, bioaccumuleerbare en toxische stoffen (PBT) of stoffen die zich zo gedragen (zie artikel 8bis van Richtlijn 2013/39/EU). Onder deze producten vallen ook PAK, kwik of nog dioxines. Hoewel ze niet op die lijst staan, behoren polychloorbifenylen (PCB) ook tot de familie van de PBT-polluenten. Ondanks de maatregelen die hiertegen genomen worden, kunnen deze stoffen langdurig in een aquatische omgeving gedetecteerd worden. Sommige stoffen hebben zelfs de bijzondere eigenschap dat ze over lange afstand getransporteerd kunnen worden; ze worden aangemerkt als alomtegenwoordig want alle milieu-dimensies (water, lucht, bodem, enz.) worden hierdoor getroffen.
Het is dan ook geen verrassing dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet ontsnapt aan deze besmetting die de grote meerderheid van de lidstaten van de Europese Unie treft. Het belangrijkste probleem op het vlak van de waterkolom betreft de PAK.
Met uitzondering van naftaleen, worden de normen voor alle PAK die als prioritair of hiermee gelijkgesteld zijn aangemerkt (i.e. antraceen, fluoranteen, benzo(a)pyreen, benzo(b)- en benzo(k)fluoranteen, benzo(ghi)peryleen en indeno(123cd)pyreen), overschreden. Dit heeft betrekking op de 3 waterlopen (de Zenne is het meest blootgesteld, de Woluwe het minst). En met de herziening van de MKN, die van kracht is sinds 2016, verergert de balans.
De laatste jaren waren de belangrijkste verdachte PAK fluoranteen en benzo(a)pyreen (in het bijzonder in de Zenne), en dit zowel bij de jaargemiddelden als bij de maximum toegelaten concentraties. Voor fluoranteen kan de herziening van de normen tot frequentere overschrijdingen leiden (zelfs systematisch in de Zenne, aan de uitgang van het Gewest). Voor benzo(a)pyreen wordt de maximale toelaatbare concentratie, hoewel ze opwaarts werd herzien, nog steeds overschreden voor de Zenne aan de uitgang van het Gewest in 2016. De norm betreffende het jaargemiddelde, die voor de herziening regelmatig werd overschreden maar in 2016 niet kon worden geëvalueerd, zal vermoedelijk tot bijkomende overschrijdingen leiden sinds 2016.
Bovendien worden de nieuwe maximale toelaatbare concentraties voor benzo(b)-, benzo(k)fluoranteen en benzo(ghi)peryleen allemaal minstens een keer overschreden in 2016 op de 5 historische sites (en dat zou ook het geval geweest zijn vóór 2016 als ze toen al van kracht waren geweest). Hoewel antraceen aan de normen voldeed voor hun herziening, leidt de strenge norm voor de maximale toelaatbare concentraties tot een overschrijding in de Zenne aan de uitgang van het Gewest in 2016.
Bovendien vertonen 2 van de 8 als "gevaarlijk" aangemerkte PAK zorgwekkende concentraties: het acenafteen en het pyreen. Sommige jaren, zoals in 2016 in de Zenne, tekenen we overschrijdingen in acenafeen op, maar vooral in pyreen, soms in het Kanaal, maar ongeveer elk jaar in de Zenne (zo ook in 2016).
Over het algemeen kadert de beantwoording aan de normen betreffende de PAK in een lang en ingewikkeld proces aangezien deze polluenten vooral voortvloeien uit diffuse bronnen. Volgens de inventaris van de emissies van 16 PAK voor het jaar 2010, vloeit 61% van de aanlevering voort uit diffuse bronnen: 48% uit transport (slijtage van banden en van openbare wegen, onvolledige verbrandingen) en 13% uit atmosferische depositie. Aangezien de PAK lipofiel zijn, worden ze voor 98% vastgehouden op het niveau van het slib van waterzuiveringsstations. Hun aanwezigheid in het water vloeit voort uit de lozingen op het niveau van stormoverlaten (35%), van de regenweerstraat van de waterzuiveringsstations (29%) en in mindere mate van het afvalwater van de afgewaterde zones die niet aangesloten zijn op de waterzuiveringsstations (15%). In de waterlopen verbinden de PAK zich met de waterbodems en zijn ze moeilijk afbreekbaar. Bewijs hiervan is hun aanwezigheid in het slib (ongeacht of het tijdens de campagne van de jaren 1993-1995 of die van 2013 was), maar hun concentratie zou stabiel zijn.

Bronnen (links) en trajecten (rechts) van de netto-emissies van 16 PAK (lijst EPA) naar het oppervlaktewater in 2010

Bron: Leefmilieu Brussel, uittreksel van het tweede waterbeheerplan (2016-2021), gegevens uit de inventaris van de emissies naar het oppervlaktewater (2010)
Jaarlijkse netto-emissies van de 16 PAK van de lijst EPA naar het oppervlaktewater in 2010: 133 kg.

Met betrekking tot polychloorbifylenen (PCB) worden er in 2013 in het water van de Zenne en van het Kanaal, zowel bij het binnenkomen als bij het verlaten van het grondgebied, en in de modder, frequent te hoge waarden opgemeten. En dit ondanks de goedkeuring van het gewestelijk plan voor de verwijdering en de reiniging van de PCB-PCT in 1999, en, in 2005, van een programma maatregelen om deze vervuiling te bestrijden. Deze hoge concentraties vloeien waarschijnlijk voort uit een historische vervuiling en uit het vrijkomen van deze extreem persistente polluenten, door resuspensie vanaf besmette waterbodems, vooral bij zware onweders.

De onduidelijkheid van de gegevens laat jammer genoeg niet toe om alle PBT-stoffen in de waterkolom te beoordelen: dit is onder meer het geval van de gebromeerde difenylethers, van de tributyltinverbindingen waarvan de aantoonbaarheidsgrenzen te hoog blijken met betrekking tot de norm. Maar rekening houdend met de voordien beschreven bijzondere eigenschappen, is er een hoge waarschijnlijkheid dat alle polluenten aanwezig zijn in een of meerdere milieu-dimensies op gewestelijk niveau.

Andere problematische stoffen: de zware metalen

De hoeveelheid zware metalen die worden uitgestoten naar de waterlopen en het Kanaal zijn verre van verwaarloosbaar. De diffuse bronnen dragen op doorslaggevende wijze bij tot de emissies van zink (Zn) (65% voor de corrosie van de bouwmaterialen van de bebouwde oppervlakte en 21% voor het verkeer) en in een mindere mate tot emissies van lood (Pb). Anderzijds zijn de bedrijven verantwoordelijk voor het grootste deel van de aanlevering van andere metalen zoals nikkel (Ni), en Cadmium (Cd) (respectievelijk 60% en 71%).

Bronnen van de netto-emissies van 4 metalen naar het oppervlaktewater in 2010

Bron: Leefmilieu Brussel, uittreksel van het tweede waterbeheerplan (2016-2021), gegevens uit de emissie-inventaris naar het oppervlaktewater (2010)

De netto emissies naar de Zenne zijn ongeveer 8 maal groter dan die naar het Kanaal. Aangezien de metalen minder goed gezuiverd of vastgehouden worden in de zuiveringsstations, vertegenwoordigen de effluenten van de RWZI dus de belangrijkste aanvoerweg van metalen naar de Zenne.
Evenals de gemeten concentraties van zware metalen in het water de normen naleven, vormen de opgeloste verbindingen een probleem. En de balans verzwaart in 2016 omdat er strengere MKN gelden voor opgelost lood en nikkel. In correlatie met de netto-emissies is de Zenne het zwaarst getroffen, vooral aan de uitgang van het Gewest, gevolgd door het Kanaal, terwijl de Woluwe relatief gespaard lijkt.
Het opgeloste zink is problematisch voor alle waterlopen, met elk jaar overschrijdingen. Het opgeloste lood wordt eveneens problematisch vanwege de herziening van de norm. De Zenne is ook besmet met vier andere opgeloste metalen: koper (occasionele overschrijdingen, onder meer in 2016), kwik (voornamelijk ten opzichte van de maximale toelaatbare concentraties) en nieuw sinds 2016: nikkel (vanwege de verlaging van de norm) en cadmium. Bij deze resultaten hoort echter enig voorbehoud met betrekking tot de kwaliteit en de precisie van de analyses, meer in het bijzonder in vergelijking met de vastgestelde verschillen met de opgemeten waarden in Vlaanderen, stroomopwaarts en stroomafwaarts van het Gewest.

Andere polluenten die aandachtig moeten worden opgevolgd

  • Betreffende de pesticiden die op de lijst van de prioritaire polluenten en op die van de andere polluenten voorkomen, wordt sinds 2009 voldaan aan de normen. De besmetting door pesticiden die wordt vastgesteld in het grondwater van het Gewest wordt dus niet eveneens vastgesteld in het oppervlaktewater (zie "Chemische toestand van het grondwater").
  • De jaarlijkse gemiddelde concentraties in DEHP (een type ftalaat dat als weekmaker wordt gebruikt) hebben in 2016 de norm overschreden in de Zenne bij het binnenlopen van het Gewest.
  • De minerale oliën, ofschoon momenteel niet onderhevig aan de beantwoording aan een MKN, moeten van nabij opgevolgd worden want ze worden in grote hoeveelheden uitgestoten op het gewestelijke grondgebied (schatting voor 2010: 32,8 ton bruto emissie waarvan 8,7 ton netto emissie in de Zenne en 1,37 ton in het Kanaal), door het weg- en spoorverkeer (gebruikte oliën op het niveau van de wissels). Het terrein van Schaarbeek-Vorming zou bijvoorbeeld een significante bron zijn voor de Zenne. Ze belanden in het Kanaal via de overlaten (60%) en rechtstreekse lozingen (34%). Hun concentraties bereiken effectief hoge waarden in de Zenne.
  • De aanwezigheid van gebromeerde difenylethers in het slib is bewezen. Deze stoffen zijn daar waarschijnlijk beland via de lozingen van het rioleringsnet (tot in de jaren 2000 waren ze aanwezig in het huisafvalwater) en via overstorten bij onweer. De concentraties in de waterkolom overschrijden de maximale toelaatbare concentraties echter niet. Het is echter niet mogelijk een uitspraak te doen over de naleving van de andere norm (jaargemiddelde) omdat de maatregelen momenteel niet voldoende nauwkeurig kunnen worden gedefinieerd.
  • De nonylfenolen, sinds kort onrustwekkende stoffen, vertonen een overschrijding van het toegelaten jaargemiddelde in het Kanaal ("out") in 2013 en 2014 en in de Zenne ("out") in 2014 en een overschrijding van de maximum toegelaten concentratie in de Zenne ("out") in datzelfde jaar. Er werd geen enkele overschrijding geregistreerd in 2015 en 2016.
  • Ook andere parameters moeten aandachtig opgevolgd worden zoals sulfaten die de norm eveneens sterk overschreden in 2015 en 2016 in de drie waterlichamen, chloriden (waarvan de hoge waarden die, vooral bij het verlaten van het Gewest, in de Zenne worden waargenomen, in 2014 geleid hebben tot een overschrijding van de norm), of nog de niet-ionische oppervlakte-actieve stoffen die sommige jaren vóór 2012 overschrijdingen hebben veroorzaakt. Bovendien lijken de concentraties voor cyanide, ondanks een onnauwkeurigheid van de metingen, bijzonder hoog in de Zenne en zouden ze de normen geregeld overschrijden bij het verlaten van het Gewest.

Hoe deze vervuiling efficiënt bestrijden?

Om de chemische verontreiniging van het leefmilieu en de waterlopen terug te dringen, worden er tal van preventieve en curatieve maatregelen van het waterbeheerplan 2016-2021 getroffen of zal dit in de toekomst gebeuren: beheer van de milieuvergunningen (lozingsnormen, gebruik van de best mogelijke technieken, enz.), beperking en vanaf 2019 verbod van het gebruik van pesticiden in de openbare ruimten, uitbaggering en ruiming van de waterlopen en vijvers, informatieverstrekking over en sensibilisering rond het gebruik van bepaalde producten, enz. De verbetering van de kwaliteit van het Brussels oppervlaktewater hangt bovendien ook af van de inspanningen die er stroomopwaarts van het Gewest worden geleverd.

De strijd tegen de alomtegenwoordige stoffen zoals de PAK kan niet beperkt blijven tot het waterbeheer alleen. Enkel een globaal beheer op Europees (of mondiaal) en grensoverschrijdend vlak ten opzichte van de verschillende milieubeleidsdomeinen (water, lucht, bodems, ...) zou deze vervuiling kunnen indijken. 

Datum van de update: 07/01/2019
Documenten: 

Methodologische fiche(s)

Tabel(len) met de gegevens

Factsheet(s)

Fiche(s) van de Staat van het Leefmilieu

Studie(s) en rapport(en)

Plan(nen) en programma(‘s)