U bent hier

Biologische kwaliteit van de voornaamste waterlopen en vijvers

De tendens tot verbetering die werd vastgesteld tussen 2004 en 2010 voor de biologische kwaliteit van de waterlopen en van het Kanaal heeft zich in 2013 en 2016 verder doorgezet voor de Zenne. Hoewel de globale kwaliteit van deze laatste nog ver verwijderd is van de doelstelling "goed ecologisch potentieel", was de beoordeling ervan positief in 2016 dankzij de terugkeer van de vissen. Voor de Woluwe lijkt de in 2013 vastgestelde aantasting zich te bevestigen in 2016. Voor de andere waterlopen is de kwaliteit stabiel gebleven. Voor wat betreft de drie - sinds 2004 - bestudeerde vijvers, die allemaal in de Woluwevallei gelegen zijn, is de ecologische toestand vrij verschillend en de voorbije jaren weinig geëvolueerd. Globaal heeft geen enkele van de gevolgde waterlopen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest het “goed ecologisch potentieel” bereikt in 2016.

Een monitoringnetwerk gebaseerd op vijf groepen biologische kwaliteitselementen

De biologische kwaliteit van de Brusselse waterlopen en vijvers wordt sinds 2004 om de drie jaar geëvalueerd, zoals bepaald door de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de aanbevelingen van de experten. De laatste meetcampagne vond in 2016 plaats.
Vijf biologische groepen worden in rekening gebracht:

  • het fytoplankton (over het algemeen microscopische waterplanten in suspensie in het water),
  • de macrofyten (planten zoals riet),
  • het fytobenthos (micro- en macro-algen die bevestigd aan of in de buurt van de waterbodem leven),
  • de macro-invertebraten (insecten en larven, wormen, schaaldieren, …),
  • en de vissen.

Het element fytobenthos in de vijvers werd voor het eerst beoordeeld in 2016. Voor het element vissen werden echter geen stalen genomen in deze campagne. We merken op dat het element fytoplankton niet relevant is in de waterlopen en het element macrofyten niet in het Kanaal (zie methodologische fiche).
De beoordeling van de biologische kwaliteit van elke index berust met name op een vergelijking van de waargenomen situatie in verhouding tot referentieomstandigheden. Deze laatste stemmen overeen met de optimale situatie (“maximaal ecologisch potentieel”), rekening houdend met de wijzigingen die door de menselijke activiteiten werden aangebracht aan de natuurlijke fysieke omstandigheden (zie focus hydromorfologische toestand en methodologische fiche). Er werden vijf kwaliteitsklassen bepaald.
De verschillende bemonsteringspunten zijn gelegen langs de Zenne, het Kanaal, de Woluwe (waterloop en vijvers) en één van haar zijtakken, de Roodkloosterbeek. Gelet op hun geringe grootte legt de KRW geen evaluaties op voor de Brusselse vijvers, maar wegens beheersdoeleinden worden drie van deze vijvers toch geëvalueerd. Vanaf 2016 wordt de staalname van de vissen in de Zenne aan de ingang van het Gewest uitgevoerd na het waterzuiveringsstation Zuid. In 2009 werden verder ook de Neerpedebeek, de Molenbeek, de Vogelzangbeek en de Linkebeek geëvalueerd (waarvan de resultaten in de milieustaat 2011-2012 werden voorgesteld).

Evaluatie van de biologische kwaliteit van het oppervlaktewater in het Brussels gewest

Onderstaande kaarten illustreren de verkregen resultaten voor de meetpunten die sinds 2004 of 2007 worden opgevolgd.

Evolutie van de biologische kwaliteit van de belangrijkste Brusselse waterlopen en vijvers

Bron: Leefmilieu Brussel, afd. Reporting en milieueffecten, 2018

Er zitten weer vissen in de Zenne.

De meest markante positieve evolutie in 2016 is de terugkeer van vissen in de Zenne aan de ingang van het Gewest, terwijl deze site daarvoor als “dood” werd beschouwd voor dit element. Aan de uitgang van het Gewest is bij de vispopulatie, die er sinds 2013 is hersteld, de specifieke diversiteit toegenomen. Er werden een vijftiental soorten en meer dan 200 individuen geïnventariseerd terwijl er in 2013 slechts één vis werd gevonden. Die positieve trends lijken het resultaat te zijn van een geleidelijk ecologisch herstel dankzij het opstarten van de waterzuiveringsstations Brussel-Zuid en Brussel-Noord in respectievelijk 2000 en 2007. Het duurzame herstel van de vissen in de Zenne wordt echter gehinderd door ingrijpende hydromorfologische veranderingen die bestaan uit de betonnen oevers, de overwelving van twee derde van haar traject en een onoverbrugbaar bouwwerk aan het begin van de kolk van het stadscentrum (zie focus hydromorfologische toestand). De vele punt- of diffuse lozingen die de Zenne zowel bij droog weer (behandelde lozingen van de zuiveringsstations) als bij regenweer (afvoerput van veel overlaten bij verzadiging van het rioleringsnet) ontvangt, tasten de kwaliteit van het water aan en zijn ook een hinderpaal voor het visbestand. In de volgende campagnes zullen we kunnen nagaan of de verbetering voor de vissen zich al of niet doorzet.
De Zenne wordt ook gekenmerkt door een geleidelijke verbetering van het element fytobenthos, dat van “slecht” in 2009 of 2010 naar “gemiddeld” gaat in 2016.
De kwaliteit van de macrofyten en de macro-ongewervelden lijkt te stagneren tot een “middelmatige” kwaliteitsklasse sinds 2009 en zelfs te dalen. Alleen de macrofyten die aan de uitgang van het Gewest werden aangetroffen, lijken gunstig te evolueren sinds 2013, want ze gaan over naar een “gemiddelde” kwaliteit.
Ondanks deze gunstige evolutie blijft de Zenne nog ver verwijderd van het “goed ecologisch potentieel” dat werd vastgelegd door de KRW.

De biologische kwaliteit van het Kanaal is goed voor het fytoplankton, gemiddeld voor de andere elementen

Het Kanaal heeft in 2016 een gemiddelde biologische kwaliteit voor 3 van de 4 geanalyseerde kwaliteitselementen (ter herinnering: de macrofyten werden niet beoordeeld voor deze waterloop): fytobenthos, vissen en macro-ongewervelden. Het fytoplankton is het enige element dat het “goed ecologisch potentieel” bereikt in 2016 en dit op de twee sites waar stalen werden genomen. Deze kwaliteitsklasse werd in 2013 aan de uitgang van het Gewest ook bereikt door de macro-ongewervelden, die in 2016 een klasse zijn achteruitgegaan.
Veel aquatische gemeenschappen in het Kanaal worden gedomineerd door invasieve soorten, zoals de Chinese wolhandkrab (Eriocheir sinensis) en de zwartbekgrondel (Neogobius melanostomus), die ervoor bekend staan dat ze de gemeenschappen van macro-ongewervelden en vissen (alleen zwartbekgrondel) onder druk zetten (zie factsheet “Vissen”). De aanwezigheid van invasieve soorten is een courant verschijnsel in de bevaarbare waterlopen omdat ze een van de belangrijkste bronnen vormen waarlangs levende organismen zich verplaatsen en het vertrekpunt zijn van hun potentiële expansie. In het Kanaal tasten deze soorten bepaalde elementen van biologische kwaliteit zoals de macro-ongewervelden of de vissen in min of meerdere mate aan, maar het effect op het bereiken van het “goed ecologisch potentieel” moet nog worden gekwantificeerd.

De Woluwe, verslechterde kwaliteit

De toestand van de Woluwe evolueert eerder negatief. Alleen de macrofyten vertonen een “goed ecologisch potentieel” en dit sinds 2009. Terwijl de macro-ongewervelden en de fytobenthos in het verleden ook een goed potentieel hadden bereikt (respectievelijk in 2009-2010 en 2013), vallen ze nu terug tot de kwaliteitsklasse “gemiddeld” in 2016. Die verschillen kunnen echter verband houden met de natuurlijke schommelingen van de geïnventariseerde populaties. De kwaliteit van het element vissen blijft sinds 2013 op een “middelmatig” niveau vanwege de afwezigheid van essentiële soorten zoals de snoek en de rietvoorn.
De eerder negatieve evolutie van de biologische kwaliteit van de Woluwe kan enerzijds worden verklaard door hevige regenval en anderzijds door meer structurele veranderingen die dit waterlichaam heeft ondergaan. De hydromorfologische toestand van de Woluwe is inderdaad aangetast. Meer bepaald de aanwezigheid van een groot aantal transversale obstakels langs het gehele traject van de Woluwe (28 bouwwerken waarvan 23 onoverbrugbaar) verhinderen het vrije verkeer van de vissen (zie focus hydromorfologische toestand). Bovendien werd er voor het eerst in 2013 Amerikaanse rivierkreeft (Orconectes limosus), die als invasief beschouwd worden, waargenomen: deze zou een bedreiging kunnen vormen voor de macrofyten en de macro-invertebraten.

De Roodkloosterbeek: een mooie verbetering in 2016

De biologische kwaliteit van de Roodkloosterbeek lijkt verbeterd te zijn in de huidige campagne ten opzichte van die van 2013. De meeste kwaliteitsindices zijn namelijk een klasse gestegen. Sommige, zoals de macro-ongewervelden, bereiken zelfs het “goed ecologisch potentieel” in 2016, andere, zoals de fytobenthos, blijven in die toestand sinds 2009. De kwaliteit van het element vissen gaat van “slecht” naar “middelmatig” maar lijdt nog steeds onder de afwezigheid van bepaalde essentiële soorten die representatief zijn voor een goede “ecologische gezondheid” van het milieu. De macrofyten waren totaal afwezig op de site in 2013. In 2016 zijn ze aanwezig, maar in “middelmatige” toestand. De aanwezigheid van invasieve soorten zoals de Amerikaanse rivierkreeft (Orconectes limosus) en de bruine dwergmeerval (Ameiurus nebulosus) beïnvloeden de macrofyten en de ichtyofauna negatief door hun voedselregime. De aangetaste hydromorfologie van de Roodkloosterbeek speelt eveneens een rol in de slechte biologische kwaliteit van deze twee laatste elementen. De globale verbetering blijft echter specifiek voor 2016 en zal al of niet worden bevestigd in de volgende beoordelingscampagnes.

De fytobenthos, voor het eerste beoordeeld in de Brusselse vijvers

De vijver van het Ter Bronnenpark (ETA 3 op de kaart) vertoont een ontoereikende kwaliteit voor het fytoplankton maar een middelmatige kwaliteit voor de andere indexen, inclusief fytobenthos (element voor het eerst beoordeeld in 2016 in de vijvers). De waarden tonen een negatieve evolutie voor het fytoplankton, een stabiele evolutie voor de macrofyten en een positieve evolutie voor de macro-invertebraten. In de huidige campagne werd geen beoordeling uitgevoerd van het element vissen en dit voor de drie onderzochte vijvers.
Het goede potentieel wordt sinds 2009 of 2010 bereikt voor de macrofyten en de macro-ongewervelden in de lange vijver van het Park van Woluwe (ETA2) en deze van Bosvoorde (ETA1) en voor het fytoplankton in de lange vijver van het Park van Woluwe. De fytobenthos heeft een “gemiddelde” kwaliteit in deze twee vijvers, net als het fytoplankton in de vijver van Bosvoorde.
De positieve effecten van de biomanipulatie die werd uitgevoerd in de lange vijver van het Park van Woluwe (ETA2) in 2007 (nl. de toevoeging of het verwijderen van soorten met het doel, hier, een gewijzigd ecosysteem in te stellen) waren bijzonder uitgesproken in de erop volgende campagne (2009), maar lijken sindsdien gestabiliseerd. In de vijver van Bosvoorde (ETA1) zijn de effecten van de tweede biomanipulatie, uitgevoerd tussen 2013 en 2016 nog niet zichtbaar (er werd een eerste biomanipulatie uitgevoerd in 2005).

De biomanipulatie: een win-operatie voor de kwaliteit van de vijvers als deze goed uitgevoerd en opgevolgd wordt

Zoals hierboven aangegeven, zijn enkele tijdens de meetcampagnes vastgestelde verbeteringen toe te wijzen aan een maatregel binnen het kader van het programma van het Blauwe netwerk (zie factsheet): de biomanipulatie. Ze werd uitgevoerd in 13 Brusselse vijvers van 2005 tot 2009 en de resultaten op korte termijn bleken positief, maar de resultaten op langere termijn blijven beperkt. Een regelmatige follow-up van de biogemanipuleerde vijvers lijkt een essentiële factor voor de stabilisatie van de vastgestelde positieve effecten op langere termijn (zie factsheet  en vorige milieustaat voor meer informatie over biomanipulatie).

Welke perspectieven zijn er voor de waterlopen?

Zoals we hierboven hebben gezien, bereikt geen enkele van de waterlopen die in 2016 werden opgevolgd het “goede ecologische potentieel”. In het tweede Waterbeheerplan werden dus afwijkingen gevraagd om ecologische herstelmaatregelen te nemen om de kwaliteitsdoelstellingen voor 2027 te bereiken.
Het is niettemin belangrijk de limieten van de evaluatiemethode die de richtlijn gebruikt in gedachten te houden. Het principe “one-out, all-out” is immers bijzonder restrictief omdat het het element met de slechtste kwaliteitsklasse is dat de biologische toestand van het waterlichaam bepaalt. Bovendien is de periode tussen twee staalnamecampagnes (3 jaar) misschien te kort om significante evoluties te kunnen registreren. Die laatste moeten overigens, om relevant te zijn, op lange termijn worden bekeken want de populatie van de biologische gemeenschappen kan van nature schommelen op korte termijn en dus de waarnemingen vertekenen. Op korte termijn (bij één monitoring) moeten ze dus voorzichtig worden geïnterpreteerd.
Om een significante verbetering van de biologische kwaliteit van de waterlopen te bereiken, lijken gerichte acties op de druk waaraan ze zijn blootgesteld een voorwaarde voor elk ecologisch herstel. Er werden verschillende soorten druk vastgesteld, zoals de aanwezigheid van hydromorfologische wijzigingen, emissies van vervuilende stoffen en de aanwezigheid van invasieve soorten.
Hoewel de hoge hydromorfologische druk op de Brusselse waterlopen inherent is aan het verstedelijkt karakter van het Gewest, is het zeker ook mogelijk om deze druk op sommige plaatsen te verminderen. Dit kan toelaten om er opnieuw habitats te doen ontstaan die gunstig zijn voor in het water levende gemeenschappen en het vrije verkeer van de vissen bevorderen, die als basis dienen voor de beoordeling van de biologische kwaliteit (zie focus hydromorfologische toestand).
Met betrekking tot de beperking van de lozingen van polluenten, wordt het gewestelijk beleid voor opvang en behandeling van de lozingen van afvalwater voortgezet. Tegelijkertijd wordt het beleid voor het kwaliteitsbeheer van het afvloeiingswater en het beleid om terug helder water te krijgen in het hydrografisch netwerk, steeds verder uitgebouwd (zie tweede waterbeheerplan). Een andere maatregel om de lozingen van polluenten te beperken, is het wegnemen van de waterbodems van de Zenne: in de zomer 2013 werd de ruiming uitgevoerd van het stroomopwaarts gedeelte en de ruiming van het stroomafwaarts gedeelte en het midden werd beëindigd in 2016. Er blijven nog kleine, zeer lokale zones die nog moeten worden gesaneerd. Het is interessant om vast te stellen of deze actie gepaard zal gaan met een positieve impact op de biologische kwaliteit bij de volgende meetcampagnes.
De invasieve soorten vormen eveneens een aanzienlijke bedreiging voor de ecologische toestand van de oppervlaktewaterlichamen en er moet zoveel mogelijk rekening mee worden gehouden in de beheer- en herstelprogramma’s voor de aquatische ecosystemen (zie factsheet “Vissen”).

 

Datum van de update: 07/01/2019
Documenten: 

Methodologische fiche(s)

Tabel(len) met de gegevens

Factsheet(s)

Fiche(s) van de Staat van het Leefmilieu

Studie(s) en rapport(en)

Plan(nen) en programma(‘s)