U bent hier

Emissie van ozonprecursoren (NOx, VOS, CO en CH4)

Op lage hoogte (ongeveer tot op een hoogte van 10km) is ozon één van de belangrijkste luchtvervuilende stoffen, want indien aanwezig in abnormaal verhoogde hoeveelheid, is het schadelijk voor mens, fauna en flora. De vorming ervan in de lagere atmosfeer vereist zonne-energie, die overheersend is in de zomer en wordt versterkt door de aanwezigheid van ozonprecursoren (meer bepaald NOX en VOS).  
In 2015 werd ongeveer 11.000 ton VOS eq. uitgestoten op het Brussels grondgebied, waarvan 94 % overeenkwam met VOS en NOX. Het wegvervoer is de voornaamste emissiebron van ozonprecursoren (48 % in 2015).
Tussen 1990 en 2015 daalde de uitstoot van ozonprecursoren in het Brussels gewest met 69 %.

Context

Troposferische ozon is schadelijk voor de gezondheid en het leefmilieu. Zijn toxiciteit verschilt volgens de concentratie; in abnormaal hoge hoeveelheden kan ozon ernstige gezondheidsproblemen veroorzaken. Bovendien kan het veranderingen teweegbrengen in teelten en bossen, en tal van materialen aantasten.
Troposferische ozon is een secundaire polluent: dat betekent dat dit element niet rechtstreeks in de omgevingslucht wordt uitgestoten maar ontstaat door fotochemie in de atmosfeer, vooral tijdens de zomer als gevolg van de irradiatie van primaire polluenten (waaronder stikstofdioxide NO2) door de ultraviolette straling (UV). Deze reactie wordt verstoord door de aanwezigheid van verschillende substanties: vluchtige organische stoffen (VOS), het radicaal dat resulteert uit de oxidatie van methaan (CH4); of reactie van koolstofmonoxide (CO) met het hydroxyl (OH) in de atmosfeer (zie methodologische fiche). 
Stikstofoxiden (NOX), vluchtige organische stoffen (VOS), methaan (CH4) en koolstofmonoxide (CO) worden dan ook beschouwd als de voornaamste precursoren van het troposferische ozon.

Uitgestoten hoeveelheid ozonprecursoren per bron

De uitgestoten hoeveelheden precursoren van O3 worden geraamd op basis van de inventarissen van de emissies van verontreinigende stoffen die jaarlijks door het Departement planning lucht, energie en klimaat van Leefmilieu Brussel worden opgesteld. De gebruikte inventarissen werden in februari 2017 bij de Verenigde Naties ingediend en hebben betrekking op de jaren 1990 tot 2015.

Volgens de raming voor 2015 werd op het Brusselse grondgebied zowat 11000 ton ozonprecursoren (ton VOS-equivalent) uitgestoten. Het wegvervoer is de voornaamste emissiebron van precursoren van troposferische ozon en neemt  48 % van de uitstoot voor zijn rekening. Andere belangrijke bronnen zijn industriële processen en het gebruik van producten (24%).

Sectorale uitsplitsing van de emissie van ozonprecursoren in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (2015)

Bron : Leefmilieu Brussel, Berekeningen van het Departement Reporting en milieueffecten op basis van de gegevens van het Departement Planning lucht, energie en klimaat (in 2017 ingediende inventarissen)

Evolutie van de uitgestoten hoeveelheid

Tussen 1990 en 2015 daalde de uitstoot van ozonprecursoren met 69 % (10,7 kt VOS-eq. in 2015 versus 34,7 kt VOS-eq. in 1990).
Die daling was verhoudingsgewijs meer uitgesproken voor de VOS dan voor NOX (52 %), die in 2015 samen 94 % van de uitstoot voor hun rekening namen.

Emissie van ozonprecursoren in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, tussen 1990 en 2015

Bron : Leefmilieu Brussel, Berekeningen van het Departement Reporting en milieueffecten op basis van de gegevens van het Departement Planning lucht, energie en klimaat (in 2017 ingediende inventarissen)

De verklaring voor deze evolutie moet gezocht worden bij factoren die verschillen naargelang de substanties.
In het geval van de VOS droegen volgende factoren bij tot de daling van de uitstoot:

  • de daling van de productie van de Cokesfabriek van Marly, gevolgd door de sluiting in 1993;
  • de invoering van verschillende Europese richtlijnen: de verbetering van de motoren op het vlak van de uitstoot (de “EURO”-normen), de verbetering van de brandstofkwaliteit en de daling van de VOS-uitstoot door de tankstations en het gebruik van organische oplosmiddelen.

De vermindering van de NOx-uitstoot houdt verband met:

  • de daling van de productie van de Cokesfabriek van Marly in 1990, gevolgd door de sluiting in 1993, de installatie van een rookgaswassingssysteem (DéNOX) op de verbrandingsoven van Neder-Over-Heembeek (2006);
  • de verbetering van de prestaties van de motoren via de implementatie van bepaalde richtlijnen van de Europese Unie betreffende de normen voor vervuilende emissies door verschillende voertuigcategorieën (“EURO-normen”);
  • de veralgemening van katalysatoren op nieuwe voertuigen vanaf 1993 (deze onderwerpen de uitlaatgassen aan een nabehandeling zodra deze de motor verlaten, wat specifiek bij benzinewagens tot een lagere NOx-uitstoot leidt). Het belang van de katalysator voor het verlagen van de NOx-uitstoot laat zich nochtans slechts voelen na het doorlopen van een aantal kilometer (bij een koude motor, bij het starten en tijdens het versnellen/vertragen is de katalysator geheel of gedeeltelijk ondoeltreffend).  Deze factor speelt dus slechts voor langere trajecten.

De daling van de CO-uitstoot is overwegend het gevolg van:

  • de toepassing van de EURO-normen;
  • de invoering van de katalysator;
  • het stijgende aandeel van de dieselvoertuigen op het totale wagenpark : dieselvoertuigen stoten weinig CO uit dankzij hun katalysator en doordat hun sterk oxiderende uitlaatgassen de omvorming van CO tot CO2 bevorderen.

Europese normen

De Europese richtlijn 2001/81/EG (de zogenaamde “NEC-richtlijn”) legt emissieplafonds op, onder meer voor luchtverontreinigende stoffen die precursoren zijn van troposferisch ozon (NOX en VOS) die vanaf 2010 niet mogen worden overschreden. Deze, in kiloton (kt) uitgedrukte plafonds, zijn tot in 2019 van toepassing. De in België verplichte maximale waarden zijn 139 en 176 kt voor respectievelijk de VOS en de NOX. Voor de emissie van andere ozonprecursoren (CO en CH4) is België aan geen enkele verplichting onderworpen.

In het kader van de verdeling (in 2000) van de inspanning over de 3 Gewesten en de federale staat moet het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vanaf  2010 volgende plafonds respecteren: de jaarlijkse uitstoot mag maximaal 4 kt voor de VOS en 3 kt, wat overeenkomt met 3,66 kt eq. VOS, voor de NOX (in beide gevallen heeft dit enkel betrekking op de vaste bronnen en niet op het transport; voor de mobiele bronnen geldt het plafond op niveau van het land).
De nieuwe NEC-richtlijn (EU) 2016/2284 legt beperkingen van de minimale nationale emissies van verzurende luchtverontreinigende stoffen op die vanaf 2020 en 2030 moeten worden bereikt. Deze beperkingen worden uitgedrukt als een percentage van de totale in de loop van het referentiejaar (2005) geproduceerde emissies. België verbindt zich tot een beperking van zijn uitstoot van VOS en NOx tegenover de emissies van 2005 met respectievelijk 21% en 41% tegen 2020 en respectievelijk 35% en 59% tegen 2030. De percentages van de beperking tegen 2020 werden in 2012 overeengekomen in het kader van het gewijzigde Protocol van Göteborg, dat momenteel door België wordt geratificeerd. Er wordt ook gewerkt aan de omzetting van de richtlijn 2016/2284 in het Belgisch recht.
De vanaf 2020 en 2030 te bereiken nieuwe nationale emissieplafonds werden over de drie gewesten verdeeld tijdens de Uitgebreide Interministeriële Conferentie Milieu van 12 november 2015 en de Interministeriële Conferentie Milieu (ICM) van 4 mei 2017. De globale emissieplafonds (vaste en mobiele bronnen) die het BHG moet bereiken voor VOS en NOx zijn respectievelijk 4,6 kt 4,4 kt (5,37 kt eq. VOS) vanaf 2020 en 4,0 kt en 3,4 kt (4,15 kt eq. VOS) voor 2030.

Sinds 2006 worden deze plafonds door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest nageleefd voor NOX en sinds 2007 ook voor de VOS. De voor 2020 en 2030 voorziene emissieplafonds voor VOS worden nu al nageleefd.

Datum van de update: 05/02/2019