U bent hier

Emissie van fijne deeltjes (PM10)

De primaire emissies van PM10 in het Brussels gewest zijn sterk afgenomen sinds 1990, in het bijzonder tussen 1990 en 2006 (afname met 59%). Daarna is de uitstoot van PM10 tot in 2015 langzamer gedaald.
Volgens de huidige ramingen in 2015 vormt de verwarming van gebouwen in de residentiële en de tertiaire sector de voornaamste bron van de lokale PM10-uitstoot : 59% van de directe emissies. De transportsector vertegenwoordigt 38% van de emissies van PM10 (vooral via de verbranding van diesel).
Toch moet worden opgemerkt dat de ramingen van de emissies uit de residentiële sector in februari 2018 zullen worden gedegradeerd, wat tot een relatieve stijging van het aandeel van het wegvervoer zal leiden.

Context

Fijne stofdeeltjes, ook aangeduid als “PM10” (PM staat voor “particulate matter”), zijn partikels met een grootte  kleiner dan 10 µm. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen primaire fijne deeltjes die rechtstreeks door natuurlijke (bijvoorbeeld bodemerosie) of antropogene bronnen (verkeer, industrie, verwarming,...) worden uitgestoten, en secundaire fijne deeltjes die in de lucht ontstaan door chemische reacties tussen andere aanwezige polluenten.

De uitstoot van fijne deeltjes wordt behandeld in verschillende Europese richtlijnen in functie van hun emissiebron. De uitstoot is gereglementeerd omwille van de impact van deze deeltjes op de gezondheid; de gezondheidseffecten hangen samen met hun grootte (fijnere deeltjes dringen dieper in de luchtwegen door) en hun chemische samenstelling. De PM hebben eveneens gevolgen voor het milieu (het klimaat, de flora of het onroerend erfgoed).

Uitgestoten hoeveelheid PM10 per bron

De uitgestoten hoeveelheden PM10 worden geraamd op basis van de inventarissen van de emissies van verontreinigende stoffen die jaarlijks door het Departement planning lucht, energie en klimaat van Leefmilieu Brussel worden opgesteld. De gebruikte inventarissen werden in februari 2017 bij de Verenigde Naties ingediend en hebben betrekking op de jaren 1990 tot 2015. Toch moet worden opgemerkt dat de ramingen van de emissies uit de residentiële sector in februari 2018 zullen worden gedegradeerd, wat tot een relatieve stijging van het aandeel van het wegvervoer zal leiden.

Dus, volgens de laatst beschikbare inventarissen, zou op het Brussels grondgebied zowat 541 ton primair PM10 uitgestoten zijn in 2015.
In 2015, vormde de verwarming van gebouwen in de residentiële en de tertiaire sector de voornaamste bron van de plaatselijke PM10-uitstoot: 59% van de rechtstreekse emissies (respectievelijk 50 en 9% per sector). De transportsector vormt een andere belangrijke bron (38% van de emissies van PM10, vooral via de verbranding van diesel).

Sectorale uitsplitsing van de primaire PM10-emissies in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (2012)

Bron: Leefmilieu Brussel, Dpt Planning lucht, energie en klimaat (in 2017 ingediende inventarissen)

Evolutie van de uitgestoten hoeveelheid

De primaire PM10-uitstoot is sinds 1990 sterk gedaald, in het bijzonder tussen 1990 (1641 ton) en 2006 (668 ton, of een daling met 59% ten opzichte van 1990). Sindsdien hebben de PM10-emissies langzamer gedaald tot in 2015.

Primaire emissies van PM10 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tussen 1990 en 2015

Bron : Leefmilieu Brussel, Dpt Planning lucht, energie en klimaat (in 2017 ingediende inventarissen)

De daling vóór 2006 kan verklaard worden door meerdere factoren:

  • De daling heeft zich voornamelijk voorgedaan in het domein van het wegverkeer: binnen dit domein daalde de uitstoot van 730 ton in 1990 naar 355 ton in 2005, ondanks de toename van het verkeer (volgens Statbel was er in die periode een toename met 7% van het afgelegde aantal kilometer binnen het BHG). De verklaring hiervoor moet gezocht bij de technologische verbetering van de motoren van de vrachtwagens en in mindere mate van de auto's (katalysatoren, EURO-normen,...);
  • De uitstoot door de verbrandingsoven kende tussen 2005 en 2006 een gevoelige daling door het aanbrengen van een rookgaswassingssysteem in 2006;
  • De vermindering van de cokesproductie en vervolgens de sluiting van de cokesfabriek van Marly in 1993 liggen aan de basis van de gevoelige daling tussen 1990 en 1993 binnen de categorie “Overige”.
Datum van de update: 05/02/2019