U bent hier

Focus : Evolutie van de avifauna

In 2012-2013 raamden de 3 Gewesten – in overeenstemming met de Vogelrichtlijn – het bestand en de tendensen van de vogelpopulaties. Daaruit blijkt dat 107 vogelsoorten (waaronder 11 uitheemse) in de periode 2000-2012 hun nest bouwden in het Brussels Gewest. Dat vertegenwoordigt bijna 60% van het totaal aantal broedvogelsoorten in België. De beschikbare gegevens wijzen op een stabiliteit of groei van de Brusselse populaties voor 50% van de soorten en een terugval voor 20% van de soorten.

Dankzij de jaarlijkse follow-up van de algemene broedvogels kon de tendens voor de periode 1992-2016 worden bepaald voor 36 soorten. Voor 9 van deze soorten is het aantal vogels gestegen (waaronder 1 uitheemse soort), 15 soorten zijn stabiel gebleven, 12 zijn erop achteruitgegaan. De algemene broedvogels waarbij de daling het sterkst is, zijn trekvogels. Er wordt ook een gematigde neerwaartse trend vastgesteld bij de kleine tuinvogels. Men ziet echter een stabiliteit of een algemeen gunstige evolutie voor de kraaiachtigen en de inheemse in holen levende soorten.

De vogels zijn uitermate geschikt als biodiversiteitsindicator. Hun bijzonder groot vermogen om zich te verspreiden, stelt hen immers in staat snel te reageren op veranderingen in het leefmilieu. Zij zijn bovendien aanwezig in de meeste biotopen en vertegenwoordigd op vrijwel alle niveaus van de voedselketen, ook op de hoogste niveaus (insectivoren, predatoren). Ze zijn ook gemakkelijk te observeren.
De follow-up van de Brusselse avifauna gebeurt op verschillende manieren: uitvoering van een atlas die een overzicht geeft van de verspreiding en de aantallen van de nestbouwende vogels (om de 10-20 jaar), follow-up van de algemene avifauna of van specifieke groepen, specifieke wetenschappelijke studies, monitoring van soorten van communautair en regionaal belang, enz. Dit werk wordt vooral uitgevoerd door Aves, de ornithologische pool van de vzw Natagora, op vraag van Leefmilieu Brussel.

Jaarlijkse opvolging van de algemene broedvogels

De jaarlijkse opvolging van de algemene broedvogels wordt georganiseerd sinds 1992. Dat gebeurt via de “luisterpunt”-methode, die erin bestaat in de lente alle vogels te inventariseren die gedurende een tijdspanne van 15 minuten worden gezien of gehoord. Aan de hand van deze methode, die vooral geschikt is voor soorten die hun territorium afbakenen door te zingen, wordt bijna een derde van de Brusselse avifauna gevolgd. Het netwerk van luisterpunten telt vandaag 114 stations; deze vertegenwoordigen zowel de sterk uiteenlopende groene ruimten in het Brusselse als de dicht bebouwde omgevingen.
Voor de periode 1992-2016 kon voor 36 soorten een trend worden waargenomen (soorten die voldoende regelmatig worden gezien of gehoord, m.a.w. de meeste van de soorten verspreid in het Brussels Gewest). Van deze soorten:

  • gaan er 9 (hetzij 25%) op vooruit ;
  • zijn er 15 (hetzij 42%) stabiel ;
  • gaan er 12 (hetzij 33%) op achteruit.

Merk op dat deze balans slechts betrekking heeft op een deel van de avifauna, dat voornamelijk uit de meest verspreide soorten bestaat. Een groot aantal soorten die niet met de methode van de luisterpunten worden gevolgd, vallen op gewestelijke schaal terug; meestal betreft het soorten met hogere ecologische eisen.
Onderstaande grafiek toont de vooruitgang, de stabiliteit of de terugval van soorten. 

Tendensen in de evolutie op lange termijn van de algemene avifauna in het Brussels Gewest (36 soorten): gemiddelde jaarlijkse groeipercentages (1992-2016)

Bron : Paquet A., Weiserbs A. 2017 (Natagora-Aves)
Groen voor de soorten die toenemen, blauw voor de stabiele soorten en rood voor de soorten in regressie (de foutbalk geeft het vertrouwensinterval voor deze tendens)

4 soorten nemen sterk af: de fitis, de huismus, de grasmus en de Turkse tortel. Omgekeerd gaat de kauw er sterk op vooruit.  Bij de vinkachtigen kent de groenling een duidelijke terugval, terwijl de vink sterk toeneemt. De matkop is bijna verdwenen en is zo weinig talrijk dat men geen significante groei-indexen kan berekenen. Merk op dat de populatie van de eksters zich lijkt te stabiliseren, hoewel meestal wordt gedacht dat ze toeneemt.
De volgende grafieken tonen de evolutie van specifieke vogelgroepen:

Tendensen in de evolutie op lange termijn van de algemene avifauna in het Brussels Gewest: bijzondere indexen met betrekking tot specifieke groepen (1992-2016)

Bron: PAQUET A.,  WEISERBS A. 2017 (Natagora-Aves)

Van alle broedvogels zijn het de trekvogels (grasmus, fitis, gierzwaluw, …) die het sterkst achteruitgaan. Het verlies en de aantasting van hun habitats in de overwinteringsgebieden, alsook de afname van de lokale voedselbronnen (insectenetende soorten) zijn hypothesen die naar voor worden geschoven om deze trend te verklaren. Er wordt ook een gematigde neerwaartse trend vastgesteld bij de kleine tuinvogels. In dit verband wijzen we op het bijzonder geval van de huismus, een soort die vroeger zeer courant was in het Brussels Gewest. Na een dramatische daling in de jaren 1990-2000 stabiliseerden de populaties van de huismus zich vanaf 2002 op een zeer laag peil.  Men schat ze momenteel (2016) op 7% van hun niveau van 1992.
Een in het algemeen gunstige evolutie – dus een stijging of stabiliteit van de populaties – kan daarentegen worden waargenomen voor de kraaiachtigen (kauw, kraai, gaai, ekster) en de inheemse in holen levende soorten (groep bestaande uit boomklever, groene specht, bonte specht, pimpelmees, koolmees, glanskop en zwarte mees, boomkruiper, Holenduif, Spreeuw en Kauw).

Jaarlijkse follow-up van de watervogels en vogels die leven in vochtige gebieden

Volgens Natagora-Aves tonen de tellingen in het algemeen een vooruitgang van een groot aantal inheemse vogels die in vochtig gebieden leven. Deze evolutie zou verband houden met hun gedeeltelijke of volledige bescherming sinds het einde van de 20ste eeuw en met de programma's voor het ecologisch herstel van de vochtige gebieden, zowel in het Brussels Gewest als in de andere gewesten en de buurlanden.
Uit de follow-up blijkt ook een oververtegenwoordiging van bepaalde soorten: in 2016, tijdens de voortplantingsperiode, vertegenwoordigden de populaties meerkoeten, Nijlganzen, wilde eenden en grote Canadese ganzen op zich bijna 80% van de populaties algemene broedvogels op het twintigtal bestudeerde sites. Twee uitheemse soorten nemen sterk toe, namelijk de grote Canadese gans en de Nijlgans, die voorkomen op de Europese lijst van de invasieve uitheemse soorten (zie de indicator Invasieve uitheemse soorten).

Follow-up van de spechten in het Zoniënwoud

De spechten zijn erkende bio-indicatoren voor de gezondheid en de rijpheid van het bosmilieu. In het Zoniënwoud broeden 5 soorten spechten (grote bonte specht, kleine bonte specht, groene specht, zwarte specht, middelste bonte specht).  Sinds 2016 broedt hier ook de grijskopspecht, een in België zeer schaarse soort die op Europees niveau sterk achteruitgaat. Met 6 soorten spechten is het Zoniënwoud nu een van de Belgische bossen die het rijkst zijn aan spechten.

Follow-up van de zwaluwen: soorten van regionaal belang

3 soorten zwaluwen worden door de Natuurordonnantie als 'soorten van regionaal' belang' beschouwd.  Na een drastische terugval tussen 1992 en 2002 zijn de populaties huiszwaluwen sterk vooruitgegaan, van 33 koppels in 2002 naar 299 in 2012, waarschijnlijk dankzij verscheidene campagnes voor het plaatsen van nestkastjes in een aantal Brusselse gemeenten. Sinds 2012 wordt een dalende tendens waargenomen (241 koppels in 2016).
De boerenzwaluw heeft sterk te lijden onder de verdwijning van de landelijke ruimten in het Gewest. De tellingen van 2010 tot 2016 wijzen op een bestand van 10 tot 20 koppels, terwijl volgens de atlas van de broedvogels in 1990 170 tot 300 koppels werden geteld.
De oeverzwaluw, die tot in de jaren '70 in het Brussels Gewest nesten bouwde, wordt vandaag alleen nog tijdens zijn trek waargenomen.

Monitoring van de vogels in verband met de Natura 2000-wetgeving

In overeenstemming met de beschermingsmaatregelen opgelegd voor de Natura 2000-sites, werd een monitoring uitgevoerd op bepaalde diersoorten en natuurlijke habitats, onder andere op 7 vogelsoorten aanwezig in het Brussels Gewest en vermeld in bijlage I van de Vogelrichtlijn (die bevat een overzicht van de soorten die als bijzonder bedreigd worden beschouwd; ongeveer 70 ervan bouwen hun nest, overwinteren of zijn op doortocht in België).
Na een evaluatie in 2016 werd de lokale staat van instandhouding gunstig bevonden voor 5 vogelsoorten, namelijk:

  • de in het Zoniënwoud aanwezige wespendief ;
  • de op verschillende sites op het volledig Brussels grondgebied aanwezige slechtvalk ;
  • de op verschillende sites op het volledig Brussels grondgebied aanwezige ijsvogel ;
  • de in het Zoniënwoud aanwezige zwarte spech ;
  • de in het Zoniënwoud aanwezige middelste bonte specht.

Hij werd echter ongunstig bevonden voor 2 soorten die sporadisch in het Gewest worden waargenomen: de nachtzwaluw en de grote zilverreiger (zie voor meer details de Focus Staat van instandhouding van de soorten die onder de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn vallen).
De instandhouding of zelfs de uitbreiding van deze soorten op gewestelijk niveau impliceert de vrijwaring van hun biotopen (uitgestrekte open plekken en zandgronden in het Zoniënwoud, gediversifieerd woud met eiken en dennen, behoud van oude, dode en holtebomen, vochtige zones met steile en vrije oevers, platteland rijk aan hagen en weiden, …).
In 2013 raamden de 3 Gewesten – in overeenstemming met de Vogelrichtlijn, via welke onder meer monitoring werd opgelegd – opnieuw het bestand en de tendensen betreffende de broedvogels om bij te dragen aan het opstellen van een rapport op nationale schaal. Daaruit blijkt dat 107 vogelsoorten (waaronder 11 uitheemse) in de periode 2000-2012 hun nest bouwden in het Brussels Gewest. Dat vertegenwoordigt bijna 60% van het totaal aantal broedvogelsoorten in België. De beschikbare gegevens tonen stabiliteit of toename van de Brusselse populaties aan bij 50% van de soorten, en een daling bij 20% ervan. Overigens, zouden volgens het rapport tussen 2000 en 2012 5 nieuwe broedvogelsoorten zich hebben gevestigd en zouden 6 soorten lokaal uitgestorven zijn, zouden zich 5 nieuwe broedvogelsoorten zijn komen vestigen, terwijl er 6 lokaal zouden zijn uitgestorven.

Atlas van de broedvogels (gegevens 2000-2004)

De laatste atlas van de broedvogels van het Brussels Gewest, die de periode 2000-2004 beslaat, bracht 103 soorten in kaart (waaronder 11 niet-inheemse en 7 die lokaal zijn uitgestorven of zich op de drempel van uitsterven bevonden tijdens de uitwerking van de atlas), wat overeenkomt met bijna de helft van de nestbouwende soorten in België. Van deze soorten kunnen er slechts 16 worden beschouwd als wijd verbreid. Dit zijn vooral de opportunistische soorten die zich kunnen aanpassen aan een stedelijke omgeving (bepaalde zangvogels, houtduiven, zwarte kraaien,…); de soorten die hogere ecologische eisen stellen, zijn gewoonlijk zeldzamer.
Op basis van een analyse van de historische gegevens van het Brussels Gewest konden de auteurs van de atlas grondige wijzigingen aantonen, voor zowel de broeddichtheden als de soortensamenstelling:

  • het gemiddeld aantal soorten per km2 is verminderd, van 36,1 in 1989-1991 tot 33,7 in 2000-2004 ;
  • 14 soorten zijn recentelijk verdwenen of zo goed als verdwenen, op het niveau van het Gewest en ook op schaal van Brabant ;
  • een vijftiental soorten die verbonden zijn aan de open en halfopen milieus (velden, ruigten,…) zijn verdwenen tussen 1944 en 2004 ;
  • het aantal niet-inheemse nestbouwende soorten neemt sterk toe en de populaties van bepaalde uitheemse soorten groeien op exponentiële wijze aan (parkieten).

Deze negatieve tendensen worden enigszins afgezwakt door de terugkeer of het opduiken van opmerkelijke broedvogels (havik, middelste bonte specht, slechtvalk), alsook door de groeiende aantallen van meerdere inheemse soorten die profiteren van gunstigere of vaker voorkomende biotopen (met name parken en tuinen), van beheermaatregelen die beter zijn aangepast aan natuurlijke omgevingen of van beschermingsmaatregelen.
Sinds de atlas werd samengesteld, zijn nieuwe soorten verschenen die nog nooit in het Brussels Gewest hadden gebroed. Deze recente nestbouw is waargenomen voor de bergeend (eerste nesten in 2003) en de krakeend (eerste nesten in 2015).  Voor andere soorten is de nestbouw waarschijnlijk maar blijven de waarnemingen meestal sporadisch (roodborsttapuit, blauwborst, orpheusspotvogel en nachtzwaluw).  De roek was in de jaren '60 verdwenen maar broedt sinds 2010 opnieuw in het Brussels Gewest.

Datum van de update: 07/01/2019
Documenten: 

Factsheets

Fiches van de Staat van het Leefmilieu

Andere publicaties van Leefmilieu Brussel

Studies en rapporten

Plannen en programma‘s