U bent hier

Emissie van ozonprecursoren (NOx, VOS, CO en CH4)

Op lage hoogte (ongeveer tot op een hoogte van 10km) is ozon één van de belangrijkste luchtvervuilende stoffen, want indien aanwezig in abnormaal verhoogde hoeveelheid, is het schadelijk voor mens, fauna en flora. De vorming ervan in de lagere atmosfeer vereist zonne-energie, die overheersend is in de zomer en wordt versterkt door de aanwezigheid van ozonprecursoren (meer bepaald NOx en VOS).  
In 2012 werd ongeveer 12.000 ton VOS eq. uitgestoten op het Brussels grondgebied, waarvan 93 % overeenkwam met VOS en NOx. Het wegvervoer is de voornaamste emissiebron van ozonprecursoren (ongeveer 51 % in 2012).
Tussen 1990 en 2012 daalde de uitstoot van ozonprecursoren in het Brussels gewest met 66 %.

Context

Troposferische ozon is schadelijk voor de gezondheid en het leefmilieu. Zijn toxiciteit verschilt volgens de concentratie; in abnormaal hoge hoeveelheden kan ozon ernstige gezondheidsproblemen veroorzaken. Bovendien kan het veranderingen teweegbrengen in teelten en bossen, en tal van materialen aantasten.
Troposferische ozon is een secundaire polluent: dat betekent dat dit element niet rechtstreeks in de omgevingslucht wordt uitgestoten maar ontstaat door fotochemie in de atmosfeer, vooral tijdens de zomer  als gevolg van de irradiatie van primaire polluenten (waaronder stikstofdioxide NO2) door de ultraviolette straling (UV). Deze reactie wordt verstoord door de aanwezigheid van verschillende substanties: vluchtige organische stoffen (VOS), het radicaal dat resulteert uit de oxidatie van methaan (CH4); of reactie van koolstofmonoxide (CO) met het hydroxyl (OH) in de atmosfeer (zie methodologische fiche). 
Stikstofoxiden (NOx), vluchtige organische stoffen (VOS), methaan (CH4) en koolstofmonoxide (CO) worden dan ook beschouwd als de voornaamste precursoren van het troposferische ozon.

Uitgestoten hoeveelheid ozonprecursoren per bron

In 2010 werd op het Brusselse grondgebied zowat 12000 ton ozonprecursoren (ton VOS-equivalent) uitgestoten. Het wegvervoer is de voornaamste emissiebron van precursoren van troposferische ozon en neemt  51 % van de uitstoot voor zijn rekening. Andere belangrijke bronnen zijn industriële processen en het gebruik van producten  (23%).

Sectorale uitsplitsing van de emissie van ozonprecursoren in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (2012)
Bron : Leefmilieu Brussel, Dpt Planning lucht, energie en klimaat

Het jaar 2012 werd hier geprivilegieerd gezien hiervoor de meest recente gegevens voorhanden zijn van een gevalideerde versie van de regionale energiebalans. De gegevens van het jaar 2013 werden namelijk berekend op basis van een voorlopige versie ervan.

Sectorale uitsplitsing van de emissie van ozonprecursoren in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (2012)

Evolutie van de uitgestoten hoeveelheid

Tussen 1990 en 2013 daalde de uitstoot van ozonprecursoren met 66 % (11,9 kt VOS-eq. in 2013 versus 35,4 kt VOS-eq. in 1990).
Die daling was verhoudingsgewijs meer uitgesproken voor de VOS dan voor NOx, die in 2013 samen 93,7% van de uitstoot voor hun rekening namen.

Emissie van ozonprecursoren in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, tussen 1990 en 2013
Bron : Leefmilieu Brussel, Dpt Planning lucht, energie en klimaat

Emissie van ozonprecursoren in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, tussen 1990 en 2013

De verklaring voor deze evolutie moet gezocht worden bij factoren die verschillen naargelang de substanties.
In het geval van de VOS droegen volgende factoren bij tot de daling van de uitstoot:

  • ­ de daling van de productie van de Cokesfabriek van Marly, gevolgd door de sluiting in 1993,
  • ­ de invoering van verschillende Europese richtlijnen: de verbetering van de motoren op het vlak van de uitstoot (de “EURO”-normen), de verbetering van de brandstofkwaliteit en de daling van de VOS-uitstoot door de tankstations en het gebruik van organische oplosmiddelen.

De vermindering van de NOx-uitstoot houdt verband met:

  • ­ de daling van de productie van de Cokesfabriek van Marly in 1990, gevolgd door de sluiting in 1993, de installatie van een rookgaswassingssysteem (DéNOX) op de verbrandingsoven van Neder-Over-Heembeek (2006),
  • ­ de verbetering van de prestaties van de motoren via de implementatie van bepaalde richtlijnen van de Europese Unie betreffende de normen voor vervuilende emissies door verschillende voertuigcategorieën (“EURO-normen”)
  • ­ en de veralgemening van katalysatoren op nieuwe voertuigen vanaf 1993 (deze onderwerpen de uitlaatgassen aan een nabehandeling zodra deze de motor verlaten, wat specifiek bij benzinewagens tot een lagere NOx-uitstoot leidt). Het belang van de katalysator voor het verlagen van de NOx-uitstoot laat zich nochtans slechts voelen na het doorlopen van een aantal kilometer (bij een koude motor, bij het starten en tijdens het versnellen/vertragen is de katalysator geheel of gedeeltelijk ondoeltreffend).  Deze factor speelt dus slechts voor langere trajecten.

De daling van de CO-uitstoot is overwegend het gevolg van de toepassing van de EURO-normen die mogelijk werd gemaakt door de invoering van de katalysator. Ook het stijgende aandeel van de dieselvoertuigen op het totale wagenpark heeft bijgedragen tot deze daling: dieselvoertuigen stoten weinig CO uit dankzij hun katalysator en doordat hun sterk oxiderende uitlaatgassen de omvorming van CO tot CO2 bevorderen.

Europese normen

De Europese richtlijn 2001/81/EG (de zogenaamde “NEC-richtlijn”) legt emissieplafonds op, onder meer voor luchtverontreinigende stoffen die precursoren zijn van troposferisch ozon (NOX en VOS). In het kader van de verdeling (in 2000) van de inspanning over de 3 Gewesten en de federale staat moet het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in 2010 volgende plafonds respecteren: de jaarlijkse uitstoot mag maximaal 3,66 ton VOS-eq. bedragen voor NOX en 4 ton VOS-eq. voor de VOS (in beide gevallen heeft dit enkel betrekking op de vaste bronnen en niet op het transport; voor de mobiele bronnen geldt het plafond op niveau van het land).

Sinds 2006 worden deze plafonds door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest nageleefd voor NOx en sinds 2007 ook voor de VOS.

Voor CO en CH4 kreeg het BHG geen specifiek plafond opgelegd.

Datum van de update: 26/10/2018