U bent hier

Focus: Monitoring van de voornaamste stromen bedrijfsafval

Voor de bedrijfsafvalstromen beschikken we enkel over schattingen gebaseerd op een aantal hypotheses, wat de omvang en de juistheid van de gegevens onvermijdelijk beperkt. Het Recydata-onderzoek (februari 2014) bespreekt 8 stromen voor het geheel aan afval dat door professionele producenten wordt gegenereerd, waarbij ook de tonnen post-consumerafval die door privébedrijven worden ingezameld mee in rekening worden genomen. De cijfers die voorgesteld worden ,zijn dus slechts een gedeeltelijke weergave van de werkelijkheid op het terrein. Hoe dan ook laten de resultaten voor referentiejaar 2012 toe om al de uitgangssituatie te omschrijven van de voornaamste afvalstromen, en zodra de gegevens voor 2014 beschikbaar zijn, ook de impact vast te stellen van de verplichting tot sorteren voor de beroepssector. De eerste resultaten van de Recydata-methode wijzen op een niet onaardig aandeel van recyclage voor wat betreft niet-huishoudelijk afval. Het komt er echter op aan deze cijfers in de komende jaren door te zetten en te bevestigen.

Context van de focus

Om de prestaties van het Gewest op het vlak van preventie en recyclage van niet-huishoudelijk afval te evalueren, heeft de administratie gegevens nodig omtrent de uitgangssituatie voor de stromen in kwestie. Anderzijds wil de regering de impact controleren van de verplichting tot sorteren die sinds februari 2014 door het BBHR van 21 juni 2012 werd opgelegd aan producenten en verwerkers van niet-huishoudelijk afval. De verplichte sortering geldt voor de stromen van papier en karton, PMD, glas en plantaardig afval - er bestond al een sorteerverplichting voor gevaarlijk afval (1991), dierlijk afval (1993), bouw- en sloopafval (1995) en voor afval met verplichte terugname (2002). Een overzicht in de tijd van betrouwbare en vergelijkbare gegevens is cruciaal om de efficiëntie van de genomen maatregelen te evalueren en om het afvalbeleid uit te tekenen. Waar de gegevens over de omvang en de verwerkingswijze van huishoudelijk afval relatief beschikbaar zijn (zie Focus tonnage huishoudelijk en gelijkgesteld afval), is dat veel minder het geval voor bedrijfsafval. Het is des te moeilijker gegevens in te zamelen over het afval dat door bedrijven en overheden wordt geproduceerd doordat zij, bij gebrek aan jaarlijkse inventaris en opvolging, zelf niet eens een idee hebben van de hoeveelheid afval die ze genereren. Het is dus aan het Gewest om een efficiënt rapportagesysteem door te voeren. 
De term "bedrijfsafval" duidt hier op alle afval dat geen deel uitmaakt van huishoudelijk of daaraan gelijkgesteld afval. Voor het verkrijgen van schattingen over dit soort afval zijn twee benaderingen mogelijk: een eerste per activiteitensector, en een tweede per afvalstroom. De schattingen per sector gebeuren in verhouding tot de afvalproductie van die sector of op basis van extrapolatie van studies op het terrein voor bepaalde sleutelsectoren (bijvoorbeeld horeca, bouwsector, kantoren …). Deze benadering vormde het uitgangspunt voor de focussen op afval in de verslagen over de Staat van het Leefmilieu 2007-2008 en 2011-2012. De huidige focus richt zich daarentegen op de benadering per afvalstroom zoals ontwikkeld in het Recydata-onderzoek en gebaseerd op de monitoring van het afval dat door de professionele beheerders in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werd ingezameld. De analyse in kwestie heeft betrekking tot het tracé van de 8 typestromen van "primair" niet-huishoudelijk afval, ingezameld in 2010, 2011 en 2012, en op de eindverwerking ervan door privébedrijven.

Doelstellingen in cijfers en vooropgestelde termijnen

De voorschriften van het geldende gewestelijk afvalstoffenplan zijn in principe aan geen enkele termijn onderworpen vermits de duur van het plan onbepaald is.  Het plan stelt evenwel dat het "de bedoeling is het geheel aan maatregelen uit te voeren tegen 2013." [4de afvalplan, p. 8]. Uit deze streefdatum mogen we afleiden dat het plan werd opgemaakt met een tijdsspanne van maximaal 5 jaar voor ogen, met daarnaast ook enkele doelstellingen voor het jaar 2020 [balans 2015 van het plan, p. 11]:

  • de productie van niet-huishoudelijke afval verminderen met 10%
  • 50% van het industriële afval recycleren
  • 90 % van het bouw- en sloopafval recycleren

Methodologie van het Recydata-onderzoek

De meeste privéoperatoren in de ophaling en verwerking van afval zijn aangesloten bij de sectorale federaties COBEREC (dat de recuperatie- en recyclagesector vertegenwoordigt) en FEBEM (dat de privébedrijven vertegenwoordigt die in België actief zijn op het vlak van afvalbeheer). Onder de door VAL-I-PAC erkende inzamelaars hebben de opstellers van het huidig onderzoek de bedrijven opgelijst die klanten hebben in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Gezien het grote aantal professionelen (80.000 volgens het Recydata-onderzoek) dat binnen het Gewest afval genereert en niet minder dan 700 operatoren die in het Brussels gewest mogelijk actief zijn in de ophaling van niet-huishoudelijk afval, was het nodig om eerst objectieve criteria vast te leggen om het aantal te contacteren bedrijven te beperken. Drieëndertig operatoren die als belangrijk en representatief voor het Gewest kunnen worden beschouwd, werden weerhouden voor deelname aan het onderzoek. Uiteindelijk werden voor de studie gegevens gebruikt van 31 afvalbeheerders die erin toestemden deze gegevens uit hun inkomstenregister te putten. Aangezien de operaties van sommige beheerders langs andere bedrijven passeren, leverden de aangiftes van die laatste onrechtstreekse informatie over operatoren die zelf geen rechtstreekse aangifte deden aan Recydata. De gevolgde methode werd goedgekeurd door alle betrokken partijen, met het oog op een zo getrouw mogelijke inventaris: het gaat om Leefmilieu Brussel, de federaties COBEREC en FEBEM, de privébedrijven die mogelijk binnen het Brussels Gewest actief zijn in de ophaling van dit soort afval, en de personen met expertise op het vlak van glas, hout, papier/karton en inert materiaal.

De studie beperkt zich tot het in kaart brengen van primair bedrijfsafval; met primair bedoelen we hier post-consumerafval. Dat betekent dat bedrijfsafval afkomstig uit het fabricage- of verwerkingsproces (productieresten) niet in de inventaris werden opgenomen, en evenmin de materialen bestemd voor hergebruik of de voorbereiding ervan. Ook gevaarlijk afval werd niet in de inventaris opgenomen. De onderzochte afvalstromen zijn de volgende:

  • papier/karton
  • hout
  • kunststof
  • metaal (op vraag van Leefmilieu Brussel werd een aantal pre-consumer-metaalafval in deze stroom opgenomen)
  • glas
  • organisch afval
  • inert afval (bouw- en sloopafval)
  • restafval

De studie bracht de hoeveelheden in rekening die in 2012 (en, indien beschikbaar, in 2011 en 2010) werden ingezameld door de particuliere professionele inzamelaars. Recydata hield dus geen rekening met de ingezamelde hoeveelheden door de openbare operator Net Brussel, noch met afval van huishoudelijke afkomst (bijvoorbeeld afval ingezameld in het containerpark). Aangezien slechts 23 van de 31 deelnemende bedrijven nog cijfers hadden over de ingezamelde tonnages in 2010 en 2011, heeft de studie getracht om via twee verschillende extrapolatiemethoden de tonnages in te schatten voor de andere inzamelaars. De uitkomst was erg verschillend voor de twee methodes. Deze oefening toont aan dat het erg moeilijk is een betrouwbare schatting te maken op basis van extrapolaties. Om dit soort problemen te vermijden, is het dus aangewezen de gegevens zonder uitstel bij de ophalers in te zamelen.
Het verzamelen en klasseren van afval voor de studie moest manueel gebeuren, doordat elk bedrijf tal van verschillende benamingen gebruikt voor éénzelfde afvalstroom, in die mate dat een automatische gegevensverwerking onmogelijk is. Wat de EURAL-codes betreft, toont de studie de grote discrepantie tussen de theorie en de praktijk op het terrein: in theorie laat de EURAL-code van een bepaald soort afval toe om de activiteit van de producent te achterhalen. In de praktijk echter blijkt dat de EURAL-codes meer gekoppeld zijn aan de aard van het afval dan aan de economische sector van de producent. Het is overigens moeilijk om afval dat gelijkgesteld is met huishoudelijk afval (codes 20 xx xx), te onderscheiden van verpakkingsafval (codes 15 xx xx). De classificatie volgens de EURAL-code in de studie moet dus omzichtig geïnterpreteerd worden.

Hoeveelheden 'bedrijfsafval'

In bepaalde sectoren is het de producent zelf die het geproduceerde afval ophaalt, zonder beroep te doen op een gespecialiseerde vuilnisophaler. Dat is bijvoorbeeld het geval voor een deel van het bouw- en sloopafval, voor bedrijven die lijsten plaatsen, voor de onderneming Carglass en voor sommige grote merken in de distributiesector. Het was niet altijd mogelijk de tonnages in rekening te nemen die door dergelijke omgekeerde logistieksystemen (reverse logistics) worden geproduceerd. In de eerste tabel zijn evenwel de tonnages opgenomen die door de ondernemingen Aldi, Carrefour, Colruyt, Delhaize, Lidl en Wibra werden gegenereerd.

Raming van de in 2012 ingezamelde tonnages met inbegrip van de omgekeerde logistiek (reverse logistics) van 6 grote distributieketens
Bron: Recydata, 2014, tabel 5, p. 17

Raming van de in 2012 ingezamelde tonnages met inbegrip van de omgekeerde logistiek (reverse logistics) van 6 grote distributieketens
Bestemming van de materialen en verwerkingswijze

De bestemmingen van het afval werden opgedeeld volgens de D & R-codes, bepaald in Bijlage I van de richtlijn 2008/98/EG. De volumes inkomend afval werden opgedeeld volgens de verschillende bestemmingen/verwerkingswijzen: D-codes staan voor eliminatieprocedures, R-codes voor terugwinning.

Proportioneel aandeel van de verschillende verwerkingswijzen in 2012 (zonder onderscheid volgens materiaal)
Bron: Recydata, 2014, tabel 12, p. 25

Proportioneel aandeel van de verschillende verwerkingswijzen in 2012 (zonder onderscheid volgens materiaal)
D1 = Storten op of in de bodem (bijvoorbeeld op een afvalstortplaats)
D5 = Verwijderen op speciaal ingerichte locaties (bijvoorbeeld in afzonderlijk gedichte, overdekte cellen die van elkaar en van de omgeving afgeschermd zijn)
D10 = Verbranding op het land
R1 = Hoofdgebruik als brandstof of als ander middel voor energieopwekking
R3 = Recyclage/terugwinning van organische stoffen die niet als oplosmiddel worden gebruikt (met inbegrip van compostering en andere biologische omzettingsprocessen)
R3b = Terugwinning in de vorm van biogas
R3c = Terugwinning in de vorm van compost
R4 = Recyclage/terugwinning van metalen en metaalverbindingen
R5 = Recyclage/terugwinning van andere anorganische materialen
R13 = Opslag van afvalstoffen voorafgaand aan één van de handelingen in R1 tot en met R12

Daarnaast geeft de studie voor elk materiaal een overzicht van de handelaars (indien pertinent) en van de recyclagebedrijven. Hoewel niet exhaustief, is het overzicht van bestemmingen representatief voor 90 % van de ingezamelde materialen.
Het aandeel recyclage voor het geheel aan bedrijfsafval dat het voorwerp vormde van de studie, wordt geschat op 68%. Dit aandeel moet met een zekere reserve beoordeeld worden in die zin dat het Recydata-onderzoek zich beperkt tot acht afvalstromen en het door Net Brussel ingezamelde afval niet meerekent. Ook is het zo dat het resultaat sterk bepaald wordt door het inert bouw- en sloopafval en niet representatief is voor de situatie in andere sectoren.

Beperkingen van het onderzoek en vooruitzichten

De beperkingen zijn een rechtstreeks gevolg de toegepaste methodologie (cf. hierboven). In het tweede deel van het verslag wordt voor elk materiaal dieper ingegaan op de eisen die worden opgelegd door de werkelijkheid op het terrein, de keuzes die daaruit voortvloeien en de beperkingen van de studie op het vlak van volledigheid en nauwkeurigheid. Een gedetailleerd overzicht zou ons in deze focus te ver leiden.
Het grote nadeel van het zich baseren op de cijfers van professionele afvalbeheerders voor het berekenen van de afvalstromen, is dat de inzamelaars tot op heden niet in staat zijn inlichtingen te verschaffen over de producenten van afval. Daarom zullen onderzoeken per sector het plaatje moeten vervolledigen. Dit wordt één van de opdrachten van het toekomstige Observatorium voor Afvalstoffen van het Gewest, voorzien in het Gewestelijk Programma voor Circulaire Economie. Om op termijn over betrouwbare afvalindicatoren te beschikken, bestaat de uitdaging voor het Observatorium in het vastleggen van een methodologie, samen met de betrokken operatoren, om de gegevenskwaliteit op schaal van het Gewest te verbeteren en de opvolging ervan in de tijd te verzekeren. In maart 2015 lanceerde Leefmilieu Brussel een tweede editie van het Recydata-onderzoek.

Datum van de update: 14/12/2017
Documenten: 

Fiche(s) Staat van het Leefmilieu

Andere publicaties van Leefmilieu Brussel

  • Rapport d’évaluation du 4ème plan de prévention et de gestion des déchets, april 2015 (intern rapport enkel in het Frans)
  • Infofiche « Inventaris afvalstoffen”, 2012 

Studie(s) en rapport(en)

Plan(nen) en programma(‘s)