U bent hier

Lucht

Emissies van luchtverontreinigende stoffen

Omwille van de gevolgen voor de gezondheid van mens en milieu is de luchtkwaliteit een hot topic. De kwaliteit van de lucht wordt immers beïnvloed door vele verontreinigende stoffen van uiteenlopende aard: verzurende stoffen, ozon (en zijn verschillende precursoren), NO2 en fijne deeltjes, …
De bronnen van verontreiniging lopen sterk uiteen (verkeer, verwarming), en worden, vooral in Brussel, beïnvloed door de aanvoer van buitenaf (verontreiniging aangevoerd vanuit de omliggende gewesten).
Om een betere luchtkwaliteit te garanderen en de Europese normen na te leven voert het Brussels Gewest een actief preventiebeleid. Dat beleid omvat onder meer maatregelen om het energieverbruik in de gebouwen te verminderen, de milieuprestaties van voertuigen te verbeteren en het gebruik van het openbaar vervoer en van vervoersmodi die een alternatief vormen voor de auto, aan te moedigen. Ook specifieke maatregelen zoals het aanbrengen van filters op de afvalverbrandingsoven van Brussel beïnvloeden de stedelijke luchtkwaliteit. Het Gewest bewerkstelligde bovendien een actieplan voor winterse verontreinigingspieken.
Al die maatregelen hebben de laatste jaren tot een gevoelige verbetering van de luchtkwaliteit geleid, wat niet wegneemt dat bepaalde verontreinigende stoffen problematisch blijven. Momenteel liggen nog aanvullende maatregelen op tafel waardoor het Gewest die Europese normen die momenteel nog voor problemen zorgen, moet kunnen naleven en zodoende de impact van de luchtvervuiling op de gezondheid kan beperken.

Verzurende stoffen

De stijgende uitstoot van verzurende stoffen in de lucht is de oorzaak van een sterkere verzuring van de bodem en van het oppervlaktewater, van de schade aan vegetatie en aan bepaalde bouwmaterialen.

Belangrijke feiten

  • De menselijke uitstoot van verzurende en potentieel verzurende stoffen daalde tussen 1990 en 2008 in Brussel met 55 %. Sinds 2006 respecteert het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de door Europa opgelegde plafondwaarden.

Ozon

Troposferisch ozon is een secundaire polluent, wat wil zeggen dat ozon niet rechtstreeks in de omgevingslucht wordt uitgestoten maar in de atmosfeer wordt gevormd vanuit andere stoffen. Die reactie treedt hoofdzakelijk op tussen midden juni en midden augustus en is een gevolg van de irradiatie van primaire polluenten (waaronder stikstofdioxide NO2) door ultraviolette straling (UV) in aanwezigheid van zuurstof. Deze reactie wordt versneld als bepaalde katalysatoren zoals vluchtige organische stoffen (VOS) aanwezig zijn. De toxiciteit van ozon verschilt naargelang de aanwezige concentratie; bij abnormaal hoge concentraties kan ozon ernstige gezondheidsproblemen veroorzaken.

Belangrijke feiten

  • Tussen 1990 en 2008 daalde de uitstoot van ozonprecursoren in het Brussels Gewest met 62 %. De door Europa opgelegde plafonds voor NOx (transport niet meegerekend) worden sinds 2006 nageleefd; voor de VOS is dat het geval sinds 2007.
  • Voor de concentraties van het eigenlijk ozon in de lucht voldoet het Brussels Gewest sinds 2004 aan de Europese normen voor de bescherming van de volksgezondheid.

Fijne deeltjes

Stofdeeltjes of "PM10" (acroniem voor alle partikels met een diameter kleiner dan 10 micrometer) in de omgevingslucht zijn divers qua oorsprong: de "primaire" partikels ontstaan door menselijke activiteiten (binnen het Brussels Gewest zijn dit hoofdzakelijk het vervoer, en in mindere mate de verwarming) of door een natuurlijk proces (bijvoorbeeld bodemerosie en resuspensie door de wind). De "secundaire" partikels worden voortgebracht door chemische reacties tussen andere moleculen (nitraten, sulfaten, ammonium) die in de atmosfeer aanwezig zijn. Omwille van hun impact vaardigde Europa een reglement uit voor de concentraties en de uitstoot van PM in de lucht. De impact van de deeltjes hangt samen met hun grootte (fijnere deeltjes dringen dieper in de luchtwegen door) en hun chemische aard. De PM hebben eveneens gevolgen voor het milieu (het klimaat, de flora of het onroerend erfgoed).

Belangrijke feiten

  • De transportsector is de voornaamste lokale bron van de uitstoot van PM10; deze sector vertegenwoordigt 71% van de rechtstreekse emissie (via de uitlaatgassen; PM ontstaat immers door de verbranding van voertuigbrandstof). De bijdrage van het energieverbruik binnen de residentiële sector (22%) en de tertiaire sector (5%) is eerder marginaal.
  • Sinds 1990 en in het bijzonder tussen 1990 en 2006, daalde de primaire PM10-uitstoot aanzienlijk (daling met 69%). Sindsdien hebben de emissies van PM10 zich gestabiliseerd.

Stikstofdioxide (NO2)

Doordat stikstofdioxide bijdraagt tot de vorming van ozon en van secundaire partikels maar ook tot verzuring, is deze stof schadelijk voor het milieu. NO2 is schadelijk voor de gezondheid wegens zijn impact op de luchtwegen. De herkomst van NO2 is voornamelijk de achtergrondvervuiling (zoals die bijvoorbeeld in de Ardennen wordt gemeten), de bijdrage van buiten het Gewest (die het BHG bereikt via de luchtstromen) en het wegverkeer.

Belangrijke feiten

  • In het BHG is 40% van de gemeten concentraties te wijten aan geïmporteerde pollutie van buiten het Gewest en 47% aan het verkeer.
  • In ongeveer de helft van de meetstations wordt de Europese grenswaarde gerespecteerd (de impact van het wegverkeer verschilt immers naargelang de ligging van de stations).

Zwaveldioxide

Tot in de jaren '80 gold zwaveldioxide als een verontreinigende stof met een hoog gezondheidsrisico. Dit kleurloze gas was in hoofdzaak afkomstig van de verbranding van vaste of vloeibare fossiele brandstoffen.

Belangrijke feiten

  • De huidige concentraties van zwaveldioxide liggen ongeveer 15 tot 20 keer beneden dat van 1970.

Verontreinigingspieken

De Brusselse Hoofdstedelijke Regering heeft een "noodplan" opgesteld met de bedoeling de bevolking te informeren bij winterse verontreinigingspieken en de gepaste maatregelen door te voeren. Uitgaande van drie oplopende drempels van verontreiniging voorzien de bepalingen in de invoering van 3 gradueel strengere maatregelen om de plaatselijke emissie door de verwarming van overheidsgebouwen en door het wegverkeer aan banden te leggen. Voor deze laatste emissiebron zijn dat snelheidsbeperking, systeem met wisselende nummerplaten en algeheel rijverbod. Het besluit werd van kracht op 1 januari 2009.

Belangrijke feiten

  • Gemiddeld wordt het eerste interventieniveau voor de PM10 drie keer per jaar bereikt, en dat van NO2 twee keer om de 3 jaar; het tweede interventieniveau voor de PM10 wordt gemiddeld slechts één keer om de 3 jaar bereikt. Voor NO2 werd het tweede interventieniveau nog nooit bereikt, dit was evenmin het geval voor het derde interventieniveau (van zowel de PM10 als NO2).

 

Datum van de update: 18/12/2014
Documenten: 

Aanverwant onderwerp aangesneden onder het thema “Energie en klimaat”

Aanverwante onderwerpen in de Synthese van de Staat van het Leefmilieu 2007-2008

Technische rapporten

Gegevens in real time

Factsheets, bouwstenen voor het opmaken van een bilan van het Brusselse leefmilieu