U bent hier

Focus : Risico’s verbonden met het gebruik van producten : voorbeeld van creosoot

Creosoot of teerolie is een product dat gebruikt wordt om hout te verduurzamen, meer specifiek hout met een gewenste levensduur van 25-30 jaar zoals o.a. treinbielzen. Dankzij zijn pesticide werking en lage aankoopprijs is creosoot één van de best gekende en oudst gebruikte houtbeschermingsmiddelen op de markt (> 150 jaar). Geschat wordt dat in Europa elk jaar ongeveer 1 miljoen kubieke meter hout wordt behandeld met creosoot.
De bruinzwarte olieachtige vloeistof, bestaande uit een 300-tal verschillende bestanddelen, kan tot 85% Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK) bevatten, alsook de kankerverwekkende stof benzo(a)pyreen (BaP). Omdat het gebruik van creosoot gezondheidsrisico’s inhoudt, wordt dit product enkel toegepast in het professioneel milieu.

Gezondheidsrisico’s

Het is aangetoond dat men wordt blootgesteld aan creosoot via huidcontact (90%) en het inademen van met creosoot beladen dampen (10%). Dermale blootstelling kan bv. geschieden tijdens het laden en lossen van houten materiaal of door het werken met behandeld hout.

Tijdens wetenschappelijke studies werd na het herhaaldelijk dermaal toedienen van creosoot aan proefdierratten geen enkele indicatie waargenomen van een cumulatieve toxiciteit. Dezelfde resultaten werden behaald bij inhalatiestudies.

De carcinogeniteit van creosoot werd slechts getest op één enkele diersoort (62 muizen van 18 maand oud). Twee batches, gekenmerkt door een verschillend gehalte aan BaP, 10 en 271 ppm, werden dermaal toegediend. Kwaadaardige tumoren ontwikkelden zich als gevolg van de aanwezige creosoot en hun aantal bleek dosisafhankelijk te zijn. De geteste creosootmengsels veroorzaakten 3-5 keer meer huidtumoren dan enkel de BaP component (gemiddeld 33 huidtumoren per µg BaP in het geval van creosoot, i.t.t. 6 tumoren per µg BaP wanneer enkel BaP werd toegediend). Op basis van deze resultaten kan men besluiten dat buiten BaP eventueel nog andere mengselcomponenten verantwoordelijk zijn voor het carcinogeen vermogen van creosoot. Er werd in deze studie geen dosis zonder effect waargenomen. Bijgevolg kan men voor creosoot geen drempelconcentratie bepalen, wat ook algemeen aanvaard is voor genotoxische substanties. Creosoot staat bijgevolg geklasseerd als een non-threshold, genotoxisch carcinogeen.

In bovenstaande studie werden er naast kankereffecten een beperkt aantal andere eindpunten, met respect voor de toxiciteit op lange termijn, onderzocht. Geen van de onderzochte bijkomende eindpunten gaf aanleiding tot significante resultaten.
Op dit ogenblik valt het gebruik van creosoot op de werkvloer in België onder de wetgeving betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s verbonden aan de blootstelling aan kankerverwekkende stoffen en mutagenen. Om de werknemers te beschermen worden er op twee niveaus maatregelen genomen: via medische controles en preventiemaatregelen.

Reglementering

Creosoot valt onder de Biocidenrichtlijn 98/8/EG. Uit de richtlijn volgt dat biociden slechts kunnen worden toegelaten in een lidstaat indien hun werkzame stof(fen) is/zijn opgenomen in één van de positieve lijsten van de Biocidenrichtlijn. Op 26 juli 2011 keurde de EU-Commisie de opname van creosoot (type B of C) in Bijlage I goed, aangezien er in deze bijlage momenteel geen alternatieven voor creosoot zijn opgenomen. De termijn van opname bedraagt vijf jaar en loopt van 1/02/2013 tot en met 31/01/2018. Biociden op basis van creosoot worden enkel toegelaten voor toepassingen waarvoor de lidstaat die de toelating verleent, besluit dat er geen passende alternatieven beschikbaar zijn (er dient dus een onderscheid gemaakt te worden per soort van gebruik).

De Biociderichtlijn van 1998 werd in België omgezet door het KB van 22 mei 2003, betreffende het op de markt brengen en het gebruik van biociden.

De toepassing van gecreosoteerd hout in België is nu al strikt beperkt tot de spoorwegen (bielzen, wissels en overwegen) en de landbouw (fruitteelt en paardenkweek). In ons land wordt jaarlijks 29.000m3 gecreosoteerd hout geproduceerd voor de spoorweginfrastructuur, waarvan 70% export, en 61.000m3 voor landbouwtoepassingen, waarvan 75% export.
Men heeft zes creosoteerbedrijven in België, waaronder één in Brussel: het Creosoteer Centrum van Brussel (CCB). Medio 2011 werd door Leefmilieu Brussel aan Brussels Woord Renewable (BWR) een milieuvergunning toegekend om een energetische herwaardering van afgedankte gecreosoteerde treinbielzen uit te voeren. BWR, gelegen op het terrein van het CCB, zal naast natuurlijk hout ook treinbielzen vergassen. De geproduceerde warmte en de elektriciteit zullen uitsluitend gebruikt worden door de onderneming CERES, een bedrijf dat bloem produceert op het aangrenzend terrein. De warmtekrachtkoppeling van BWR zal resulteren in een verbetering van de CO2-balans van het BHG en dit door de vermindering van de jaarlijkse CO2-emissies tengevolge van de verbranding van fossiele brandstoffen als energiebron voor CERES.

Sinds 2001 mag Infrabel niet langer nieuwe treinbielzen commercialiseren. Echter, al jaren wordt gedeclasseerd materiaal, vaak via tussenpersonen, verkocht aan particulieren. Vrij recent wordt er vanuit de industrie aangedrongen om wetgevende- en controlemaatregelen te nemen om de doorverkoop van afgedankt gecreosoteerd hout te verhinderen.

Conclusie

Creosoot is één van de oudste houtverduurzamingsmiddelen op de markt en tot op heden zijn hier nog geen evenwaardige vervangers voor gevonden. Dit heeft als gevolg dat de werkzame stof een toelating heeft gekregen voor opname in Bijlage I van de Biocidenrichtlijn en dit voor een periode van vijf jaar. Daar creosoot enkel in het professioneel milieu wordt gebruikt en dit slechts voor specifieke toepassingen is het risico op gezondheidsproblemen op dit niveau gering. Toch dienen wettelijke maatregelen genomen te worden om de handel in afgedankt gecreosoteerd hout stop te zetten. Het nemen van zulke maatregelen wordt vergemakkelijkt nu zulk behandeld hout in daartoe gespecialiseerde bedrijven zoals BWR gebruikt wordt voor de productie van voornamelijk elektriciteit. Bijkomend leveren het wetenschappelijk onderzoek en de industriële samenwerkingen hopelijk valabele alternatieven op, hoewel er stemmen opgaan dat dit eerder pas over een 15-30 tal jaar verwacht wordt.

Milieuvergunning: De milieuvergunning, vroeger “commodo-incommodo” exploitatievergunning genoemd, is een document dat de technische bepalingen bevat die de exploitant van een inrichting (bv. benzinestation, drukkerij, textielreinigingsbedrijf, enz.) in acht moet nemen. De voorwaarden die door de administratie worden vastgelegd, willen de bescherming waarborgen tegen elke vorm van gevaar, hinder of ongemak die een inrichting of een activiteit, rechtstreeks of indirect, zou kunnen veroorzaken ten opzichte van het leefmilieu, de gezondheid en de veiligheid van de bevolking, met inbegrip van elke persoon die zich binnen de ruimte van de inrichting bevindt, zonder er als werknemer beschermd te kunnen zijn.

 

Datum van de update: 30/11/2015
Documenten: