U bent hier

Focus : Hydromorfolgische staat van de Brusselse waterlopen

Er werd een inventaris opgemaakt van de hydromorfologische toestand van de belangrijkste Brusselse waterlopen en zoals reeds werd vermoed, bleek deze toestand sterk aangetast. Het Kanaal, een kunstmatige bevaarbare waterloop, werd logischerwijze geklasseerd bij de waterlopen in slechte staat. De toestand van de gedeelten in open lucht van de Zenne is middelmatig, maar aanpassingen aan de zomerbedding en oevers zijn te overwegen. En hoewel twee derde van de Zenne overwelfd is, kunnen twee sites opnieuw aan de lucht worden blootgesteld. De toestand van de Woluwe is van gemiddelde kwaliteit. Haar ecologische continuïteit wordt namelijk belemmerd door een groot aantal obstakels, waarvan de grote meerderheid onoverbrugbaar is.
Deze eerste balans bevestigt grotendeels wat we al wisten, maar ze maakt het mogelijk om de prioriteiten voor de interventies voor de komende jaren te bepalen. De hydromorfologische kwaliteit verbeteren is echter een noodzakelijke voorwaarde voor elk ecologisch herstel op lange termijn.

Wat is de hydromorfologie van een waterloop?

De Kaderrichtlijn Water (of Richtlijn 2000/60/EG) en de Kaderordonnantie water die deze omzet in Brussels recht, leggen een milieudoelstelling vast voor de oppervlaktewateren: het bereiken van een “goede kwantitatieve en chemische toestand”. De beoordeling van de ecologische component gebeurt aan de hand van biologische, fysisch-chemische en hydromorfologische kwaliteitselementen.

De hydromorfologie van een waterloop is de combinatie:

  • van de kenmerken en processen met betrekking tot de waterlopen (verschillen in diepte en breedte van de rivieren, structuur van de bedding en de oevers),
  • hun hydrologisch regime (dynamiek van de waterlopen en met name hun debiet),
  • en hun ecologische continuïteit.

Hoe diverser het uitzicht en de debieten van de waterloop, hoe beter zijn hydromorfologische kwaliteit.

Waterloop met een sterk gewijzigde hydromorfologie (de overwelfde Zenne) links t.o.v. een hydromorfologie dicht bij de natuurlijke toestand rechts (de Trie, 2010, Picardië, Frankrijk)

Bron: ©Vivaqua & Duseigne (afbeelding links), ©EPTB Somme – AMEVA (afbeelding rechts)

Een hydromorfologisch “gezonde” waterloop is beter bestand tegen de druk van de natuur en/of de mens: hij kan tot op zekere hoogte bepaalde verstoringen verdragen zonder dat zijn toestand te sterk wordt aangetast en zo zijn ecologische functie vervullen (ook wel “zelfzuiverende capaciteit” van een waterloop genoemd). Wanneer de hydromorfologische processen goed werken, kunnen er namelijk gevarieerde habitats van hoge kwaliteit ontstaan die noodzakelijk zijn voor de goede ontwikkeling en het behoud van het waterleven (Onema, 2010a). Goede hydromorfologische omstandigheden dragen bijgevolg bij aan de biologische kwaliteit van de waterlopen en uiteindelijk aan het bereiken van de “goede toestand” (Onema, 2010b).

De ecologische continuïteit van een waterloop herstellen om zijn hydromorfologische toestand te verbeteren

De ecologische continuïteit herstellen is een belangrijke krachtlijn van de verbetering van de hydromorfologie van de waterlopen (Onema, 2010c). Talrijke bouwwerken, zowel transversaal (bruggen, afdammingen, drempels, ...) als longitudinaal (dijken, aangelegde oevers, ...) kunnen het hydrografisch netwerk versnipperen en de longitudinale en transversale verplaatsing van de soorten naar gebieden die noodzakelijk zijn voor het voltooien van hun levenscyclus belemmeren (voeding, groei en voortplanting). Bovendien beïnvloedt de aanwezigheid van dergelijke bouwwerken het hydrologisch regime omdat ze de helling of de afwatering van de waterloop en dus zijn debiet wijzigen. Daardoor ontstaan zones met stilstaand water die de fysisch-chemische kwaliteit van het milieu verminderen omdat ze een negatieve impact hebben op bijvoorbeeld de temperatuur of de hoeveelheid opgeloste zuurstof. Deze zones met stilstaand water bevorderen ook de accumulatie van voedingselementen die tot een verrijking van het milieu leiden - dit verschijnsel wordt eutrofiëring genoemd - en dus uiteindelijk tot de overdreven groei van bepaalde soorten (voornamelijk algen en macrofyten).

Ten slotte, belemmeren de bouwwerken niet alleen de verplaatsing van de levende organismen, maar ze vormen ook een obstakel voor de stroom van sedimenten die dan stroomopwaarts geblokkeerd blijven. Terwijl de morfologie van dit gedeelte van de waterloop wordt gewijzigd, kunnen de bedding en de oevers van de benedenloop eroderen waardoor de noodzakelijke habitats voor het waterleven verdwijnen.

De hydromorfologie van de Brusselse waterlopen is sterk aangetast

In een verstedelijkt gewest zoals Brussel-Hoofdstad is de hydromorfologische kwaliteit van talrijke segmenten van de waterlopen sterk aangetast. In het verleden hebben de waterlopen talrijke wijzigingen ondergaan, met als doel de herhaaldelijke overstromingen in te dijken en de gezondheidsrisico’s voor de Brusselaars te beperken (zie hoofdstuk 2 van het waterbeheerplan 2016-2021 - tabel 2.2 met de lijst van de morfologische wijzigingen). Zo werd de Zenne overwelfd en werden een aantal van haar zijrivieren drooggelegd. Andere waterlopen ondergingen hetzelfde lot. Tegelijk werden talrijke vijvers en moerasgebieden drooggelegd en verdwenen aldus uit het Brussels landschap (zie hoofdstuk 2.1.3.3 van het waterbeheerplan 2016-2021). Sindsdien is de verstedelijking voortdurend druk blijven uitoefenen op het hydrografisch netwerk: kanalisering, aanleg van de oevers, installatie van transversale bouwwerken zoals afdammingen, bruggen, voetgangersbruggen enz.

Vanwege deze belangrijke morfologische wijzigingen werden de Zenne en de Woluwe als sterk gewijzigde waterlichamen en het Kanaal als kunstmatig waterlichaam gekwalificeerd.

Naar een gedetailleerde inventaris

In 2016 heeft het studiebureau Merytherm voor Leefmilieu Brussel een studie uitgevoerd om de hydromorfologische toestand van het Kanaal, de Zenne, de Woluwe en de ermee verbonden vijvers te karakteriseren. Er werden prioritaire segmenten geïdentificeerd waarop de herstelacties moeten worden geconcentreerd om de hydromorfologische toestand van de oppervlaktewateren te verbeteren en er een ecologische continuïteit te herstellen.

De QUALPHY-methode (beoordeling van de kwaliteit van het fysisch milieu van de waterlopen), oorspronkelijk ontwikkeld door het Agence de l’Eau Rhin-Meuse voor natuurlijke waterlichamen, werd toegepast. Deze methode meet het verschil tussen de onderzochte waterloop en zijn geomorfologisch type - de natuurlijke morfologische referentietoestand die wordt beschouwd als niet beïnvloed door de menselijke activiteiten - voor 40 kwalitatieve en kwantitatieve parameters. De verkregen resultaten moeten worden gerelativeerd omdat de Brusselse waterlichamen zeer ver verwijderd zijn van de natuurlijke toestand waarmee ze worden vergeleken.

Concreet worden de waterlopen eerst verdeeld in homogene segmenten op basis van hun natuurlijke (vorm van de vallei) en antropogene kenmerken (aanwezigheid van bouwwerken …) via cartografisch en bibliografische gegevens:

  • Het Kanaal heeft een vrij eenvormige morfologie. Twee segmenten in open bedding van 500 m lang, die als representatief voor het geheel van de bevaarbare waterweg worden beschouwd, werden onderzocht.
  • De Zenne werd in 8 segmenten in open bedding verdeeld met een totale lengte van 5,1 km.
  • De Woluwe werd in 36 segmenten in open bedding verdeeld met een totale lengte van 12,8 km, van de droge vijver van de Vuylbeek, de bron van de zijrivier de Bocq en de Keizersbron.

Wat de overwelfde segmenten en de vijvers betreft, doen zich twee gevallen voor. Wanneer ze minder dan 50 m lang zijn, werden ze “gelijkgesteld” met het segment in open bedding. In het andere geval (> 50 m), werd het onderzoek ervan vereenvoudigd en geconcentreerd op de raming van hun overbrugbaarheid voor de vispopulaties. De QUALPHY-methode kent hen systematisch een slechte kwaliteit toe vanwege de eenvormigheid van de zomerbedding, de “geblokkeerde” oevers en de verstedelijking van de winterbedding.

De onderzoekers hebben voor elk deel een inventarisfiche ingevuld op het terrein. Voor elk van de 40 parameters werd een score toegekend en op basis daarvan werd een index berekend. Het geheel van deze indices werd vervolgens verwerkt via een multicriteriumanalyse, zodat de parameters konden worden gewogen op basis van hun relatieve belangrijkheid. Uiteindelijk werd er een kwaliteitsindex verkregen voor het segment, QUALPHY-index genoemd, maar ook voor elk van zijn componenten, namelijk de zomerbedding , de oevers en de winterbedding . De globale index van een waterloop wordt bepaald door de indices van elk segment, gewogen door hun respectievelijke lengte, op te tellen.

Schema van de drie componenten van een waterloop: zomerbedding, oevers en winterbedding

De kwaliteitsindex ligt tussen 0% (volledig kunstmatig) en 100% (natuurlijke toestand, geen enkele aantasting ten opzichte van zijn geomorfologisch referentietype). Er zijn vijf kwaliteitsklassen mogelijk:

De beoordeling van de overbrugbaarheid van de onderzochte obstakels is gebaseerd op het “protocol voor het verzamelen van informatie over de ecologische continuïteit” (ICE in het Frans) ontwikkeld door het Office français de l’eau et des milieux aquatiques (Onema, 2014). Dit protocol focust op de overbrugbaarheid van obstakels bij de stroomopwaartse trek, waarbij migrerende vissen stroomopwaarts naar de plaats zwemmen waar ze zich voortplanten/ontwikkelen. Er worden gelijkaardige groepen vissoorten met vergelijkbare zwemcapaciteiten gedefinieerd om hun kansen om een bepaald obstakel te overwinnen te beoordelen. Die raming is gebaseerd op de vergelijking tussen de (morfologische, fysiologische en gedrags) kenmerken van de groep vissen en de kenmerken van het obstakel (type obstakel en zijn hoogte).

Dat geeft een ICE-index tussen 0 en 1 die de overbrugbaarheid van het obstakel voor de betrokken soort weergeeft en waarbij 0 overeenstemt met een onoverbrugbaar bouwwerk en 1 met een, obstakel dat de meeste vissen bij de trek kunnen overwinnen. Ten slotte wordt er een globale ICE-klasse (overbrugbaar, periodiek overbrugbaar of onoverbrugbaar) aan het bouwwerk toegekend door de ICE-indices van de verschillende groepen vissen te combineren (een gemiddelde dat kan worden genuanceerd op basis van het oordeel van een expert).

De hydromorfologische toestand van de waterlopen kan sterk verschillen

De hydromorfologie van het Brussels hydrografisch netwerk weerspiegelt de stedelijke context waarin het zich bevindt. Zoals te verwachten is, wijken de oppervlaktewaterlichamen in het BHG zeer sterk af van de natuurlijke referentietoestand waarmee ze volgens de QUALPHY-methode worden vergeleken.

Hydromorfologische kwaliteitsindex voor de segmenten in open bedding (QUALPHY-methode)

Bron: Rapport Merytherm, 2016-2017
Opmerking: Gemiddelde van de indices van elk segment, gewogen door hun lengte voor de Zenne (8 segmenten) en voor de Woluwe (36 segmenten). Voor het Kanaal gaat het om individuele indices voor elk van de twee onderzochte segmenten.

De globale hydromorfologische toestand van de Woluwe is van gemiddelde kwaliteit. De toestand van haar winterbed is goed, die van het zomerbed is gemiddeld. Die aantasting van de waterloop is voornamelijk te verklaren door de hydraulische aanpassingen die de Woluwe tot nu toe heeft ondergaan: rechttrekken van de bedding, aanwezigheid van bouwwerken zoals onoverbrugbare drempels of dammen, … De kwaliteit van de overwelfde segmenten is slecht.

De fysisch-chemische toestand van de Woluwe is goed (zie fysisch-chemische kwaliteit van het oppervlaktewater), haar aangetaste hydromorfologie - die wijst op een artificialiseringsproces - verklaart gedeeltelijk de slechte biologische kwaliteit die er wordt vastgesteld (zie biologische kwaliteit van de voornaamste waterlopen en vijvers). Er werden 28 bouwwerken geïnventariseerd op de Woluwe, voornamelijk kleppen, om het waterpeil in de ermee verbonden vijvers te beheren. Van deze 28 bouwwerken worden er niet minder dan 23 als onoverbrugbare obstakels voor vissen beschouwd (globale ICE-index 0). Van de 5 resterende bouwwerken worden er 3 als periodiek onoverbrugbaar (ICE van 0,33 of 0,66) en 2 als altijd overbrugbaar (ICE 1) beschouwd. De migratieobstakels zijn een hinderpaal voor de ecologische continuïteit van de waterloop en hebben vooral invloed op de vissen, waarvan de biologische kwaliteit als “middelmatig” werd beoordeeld. Om de goede kwaliteit van dit element te herstellen moet eerst de hydromorfologische kwaliteit van de waterloop worden hersteld.

Inventaris van de overbrugbaarheid van de bouwwerken op de Woluwe

Bron: Rapport Merytherm, 2016-2017

Twee derde van het Brussels traject van de Zenne is overwelfd. Als gevolg van die overwelving zijn de betrokken segmenten van slechte hydromorfologische kwaliteit en dat heeft een negatieve invloed op de algemene toestand van het waterlichaam. De meeste meanders van de Zenne in open bedding (in Anderlecht, Schaarbeek en Haren) werden rechtgetrokken. De sterk verstedelijkte oevers bestaan dikwijls uit materialen zoals beton, beschoeiingsplanken of metaal en zijn momenteel dus weinig begroeid. De winterbedding wordt hierdoor sterk beïnvloed want ze is vaak ondoorlaatbaar gemaakt en zeer sterk verstedelijkt. Het gevolg is dat de globale toestand van de Zenne “middelmatig” is, evenals de toestand van de zomer- en de winterbedding. Alleen de toestand van de oevers is van gemiddelde kwaliteit. Op de Zenne werd slechts één bouwwerk ontdekt en het werd als onoverbrugbaar voor de vispopulaties beoordeeld: met een verval aan het begin van de kolk van het stadscentrum.

De hydromorfologische toestand van het Kanaal in zijn geheel is slecht. Het werd door mensen aangelegd om goederen te vervoeren en is een kunstmatig waterlichaam. Een beoordeling van zijn biologische en hydromorfologische kwaliteit heeft dus weinig zin. Er werden op het Kanaal geen obstakels voor migratie aangetroffen omdat de twee sluizen als overbrugbaar worden beschouwd.

Mogelijkheden voor verbetering en aanpassing

De Woluwe lijkt op het eerste gezicht de waterloop met het grootste verbeteringspotentieel, maar de kosten-batenverhouding van de uit te voeren werken is hoog. In het verleden werd er al aanzienlijk geïnvesteerd: er werden opnieuw meanders aangelegd en 400 m overwelfde segmenten werden weer in open bedding gebracht tussen het Ter Bronnenpark en de Molen van Lindekemale. Door de overwelfde segmenten open te breken kan de hydromorfologie zeker worden verbeterd, maar tegen een hoge prijs voor de (geringe) ecologische voordelen die dit kan opleveren. Het opnieuw blootleggen van de Woluwe ter hoogte van het Axa-gebouw aan de Keizerslaan zal in de komende jaren in elk geval worden onderzocht. De hydromorfologie van de Woluwe kan overigens ook worden verbeterd door de obstakels voor de migratie van vissen weg te nemen (zie bovenstaande figuur): de bouwwerken die geen nut meer hebben verwijderen, de drempels verlagen of oversteekplaatsen aanleggen wanneer er geen andere ingrepen mogelijk zijn, zijn mogelijkheden om een bepaalde longitudinale ecologische continuïteit minstens gedeeltelijk te herstellen. De ontwikkeling van inheemse vegetatie op de oevers bevorderen, kan overigens ook een transversale continuïteit herstellen.

Het volledig openleggen van de Zenne over het gehele overwelfde traject is niet realistisch, maar twee sites kunnen wel worden opengelegd: een segment van 230 m ten noorden van Brussel vlak voor het waterzuiveringsstation van Brussel-Noord en een ander meer centraal gelegen segment aan het Maximiliaanpark. Voor het 1ste segment zijn de werken gepland in 2018-2019, voor het 2de wordt in de loop van 2018 een haalbaarheidsstudie gestart. Deze twee projecten worden mee door Europa gefinancierd via de deelname van Leefmilieu Brussel aan het project LIFE BELINI.
Gezien hun verstedelijking zijn de mogelijkheden voor het herinrichten van de segmenten in open bedding beperkt. In het zuiden van Brussel zullen niettemin twee projecten worden uitgevoerd om een tijdelijk overstromingsgebied aan te leggen dat verbonden is met de Zenne en de kwaliteit van de oevers langs de Paepsemlaan te verbeteren. Deze projecten worden in de loop van 2018 uitgevoerd (eveneens medegefinancierd door het project LIFE BELINI). Het is daarentegen erg moeilijk om werken uit te voeren aan de winterbedding. In het algemeen is de zomerbedding van de Brusselse waterlichamen vaak het element waarop ogenschijnlijk het gemakkelijkst kan worden gewerkt om de hydromorfologische, en dus ook de biologische kwaliteit te verbeteren (verbeteren van de bochtigheid van de bedding of de afvloeiing bijvoorbeeld met behulp van rechte kribben).

Zoals eerder gezegd, is het Kanaal een kunstmatig waterlichaam. Naast enkele specifieke aanpassingen aan de oevers die de biologische kwaliteit lokaal verbeteren, blijft het verbeteringspotentieel op hydromorfologisch niveau erg beperkt vanwege de restricties die gelinkt zijn aan de navigatie ten opzichte van de oevers en de zomerbedding. De winterbedding is verstedelijkt. 

Datum van de update: 07/01/2019
Documenten: 

Factsheet(s)

Studie(s) en rapport(en)

Plan(nen) en programma(‘s)