U bent hier

Chemische toestand van het grondwater

Volgens de resultaten van het toezicht op de kwaliteit van het grondwater bereiken 4 van de 5 grondwaterlichamen van het Brussels Gewest “de goede chemische toestand”. Het waterlichaam van de Brusseliaanzanden daarentegen dat zich op geringe diepte bevindt en meer rechtstreeks in contact staat met de menselijke activiteiten, vertoont significante verontreinigingen door nitraten, door een aantal pesticiden en door tetrachloorethyleen (polluent die sinds de laatste evaluatie significant aanwezig is). Verder is er een stijgende tendens te zien voor nitraten, een aantal pesticiden en tetrachloorethyleen.

Nagestreefde doelstelling: bereiken van de “goede chemische toestand”

 Voor het grondwater van het Brussels Gewest werden milieudoelstellingen vastgelegd overeenkomstig de Kaderrichtlijn Water en de Kaderordonnantie Water (KRW en KOW) en de “dochterrichtlijn” betreffende de bescherming van het grondwater (2006/118/EG) en haar omzettingsbesluit. Deze komen neer op het bereiken van de “de goede kwantitatieve en chemische toestand” voor de 5 grondwaterlichamen in 2015 en tegen 2021. Aangezien de huidige chemische toestand van de Brusseliaanzanden als “ontoereikend” werd beoordeeld (volgens de nomenclatuur van de richtlijn – zie methodologische fiche), werd bij de Europese Commissie om uitstel (een afwijking) gevraagd tot 2027 met betrekking tot de goede chemische toestand.
Het bereiken van de “goede chemische toestand” impliceert de conformiteit met bepaalde kwaliteitsdoelstellingen (maximale niet te overschrijden concentraties van bepaalde verontreinigende stoffen): kwaliteitsnormen voor nitraten en pesticiden en vastgestelde drempelwaarden voor verontreinigende stoffen die als risicovol worden beschouwd voor het grondwater – zie methodologische fiche). De drempelwaarden zijn per waterlichaam bepaald in functie van het gebruik van het water (in het Brussels Gewest is dat voornamelijk drinkwatervoorziening, gebruik voor industriële activiteiten of door de tertiaire sector). De kwaliteitsdoelstellingen zijn voor alle waterlichamen gelijk, met uitzondering van de drempelwaarden van drie metalen (cadmium, lood en kwik), die strenger zijn voor het waterlichaam van de Brusseliaanzanden. Het begrip "goede chemische toestand" betekent immers ook dat er geen negatieve gevolgen mogen zijn voor het oppervlaktewater en de ecosystemen aan land die er rechtstreeks afhankelijk van zijn. In dat opzicht en om het risico op eutrofiëring van de ecosystemen die gelinkt zijn aan het waterlichaam van de Brusseliaanzanden in te dijken, worden sinds juli 2016 nieuwe drempelwaarden vastgelegd voor twee andere polluenten: nitrieten en totaal fosfor.

Monitoring van de grondwaterlichamen in het BHG

De monitoring van de chemische toestand van deze 5 grondwaterlichamen, waarmee gestart werd in 2004, gebeurt door het nemen van monsters en dat voornamelijk ter hoogte van de actieve waterwinningen en enkele bronnen. Concreet gaat het om 2 afzonderlijke monitoringprogramma’s:

  • de monitoringcontrole die bedoeld is om de algemene staat van elk waterlichaam te karakteriseren en de eventuele langetermijntendensen en het opduiken van nieuwe polluenten te detecteren. Eind 2012 gebeurde deze controle op 23 monitoringsites, verspreid over de 5 grondwaterlichamen. De controle heeft betrekking op parameters die relevant zijn voor de vervuiling van het grondwater. De controle gebeurde tweejaarlijks. In 2013 werd deze controlefrequentie voor het waterlichaam van de Sokkel en het Krijt en dat van het Landeniaan teruggeschroefd naar eenmaal per jaar, in het licht van de verworven kennis en de hydrogeolische context van die waterlichamen.
  • de operationele controle waarmee men de waterlichamen wil opvolgen die het risico lopen de “goede chemische toestand” niet te bereiken, of die een stijgende tendens voor een bepaalde verontreinigende stof vertonen. Dankzij de operationele controle kunnen eveneens de gevolgen geëvalueerd worden voor de betrokken risicowaterlichamen van de invoering van preventie- en beschermingsprogramma’s. Eind 2012 vindt een dergelijke controle plaats twee keer per jaar op 10 monitoringsites die verspreid zijn over het waterlichaam van het Brusseliaan. Zij heeft betrekking op de risicoparameters in kwestie (met name de nitraten, sommige pesticiden, de tetrachloorethyleen en een minimale lijst van verontreinigende parameters die geacht worden een risico in te houden).

Voor de oppervlakkige waterlagen – in de alluviën van de vallei van de Zenne en de aangrenzende valleien, alsook in de sedimenten van het Kwartair – gebeurt er momenteel geen systematische kwalitatieve monitoring.

Chemische toestand van de grondwaterlichamen en identificatie van de tendensen

Op basis van de analyse van de resultaten van de monitoringprogramma’s van 2010 tot 2012 werden de waterlichamen van de Sokkel en het Krijt, van de Sokkel in het voedingsgebied, van het Landeniaan en het Ieperiaan (Heuvelstreek) in “goede chemische toestand” bevonden. De chloriden, het ijzer en het mangaan die in hoge concentraties werden waargenomen in sommige monitoringspunten in de diepe waterlichamen zouden het gevolg zijn van het voorkomen van een geochemische achtergrond die van nature aanwezig zou zijn in deze aquifers. Voortgaand op de tendensen die berekend werden op basis van de monitoringsresultaten van 2006 tot 2012, zullen deze 4 waterlichamen wellicht de doelstellingen met betrekking tot hun goede toestand kunnen halen in 2015 en in 2021.
De zandlaag van het Brusseliaan – die we op geringere diepte in de ondergrond aantreffen en die aan de oppervlakte niet afgedekt wordt door een ondoorlatende geologische formatie – is daarentegen sterker blootgesteld aan de oppervlaktevervuiling. De chemische toestand van de laag werd in 2012 niet beoordeeld als zijnde in “goede toestand” en zal dat ook niet bereiken tegen 2015, noch tegen 2021. Hier worden namelijk zowel voor de nitraten, voor bepaalde pesticiden als voor  tetrachloorethyleen overschrijdingen van de kwaliteitsnormen vastgesteld op talrijke controlepunten. Uit de vaststelling van de tendensen gebaseerd op de evolutie van de jaarlijkse gemeten concentraties van 2006 tot 2012 blijkt een significante stijgende tendens voor de nitraten, voor bepaalde pesticiden en voor tetrachloorethyleen. De totale hoeveelheid pesticiden getuigt evenwel van een licht dalende tendens.

Kwaliteit van het waterlichaam van de Brusseliaanzand

Beoordeling van de chemische toestand van de waterlichamen van het Ieperiaan (Heuvelstreek) en het Brusseliaanzand op basis van de resultaten van de monitoringsprogramma’s van 2010 tot 2012

Bron: Leefmilieu Brussel, dpt. Water, 2014

 


Voor de nitraten worden deze overschrijdingen voornamelijk waargenomen ter hoogte van de controlepunten die zich in sterk verstedelijkte zones bevinden. De lage nitraatconcentraties worden daarentegen opgemeten in het zuidoosten van het waterlichaam, in het gebied dat overeenkomt met het Zoniënwoud en weinig blootgesteld is aan menselijke activiteiten. Er werd een universitair onderzoek uitgevoerd om te bepalen of de herkomst van de belangrijkste bronnen van de nitraatvervuiling organisch is dan wel mineralogisch (bemesting, infiltratie van afvalwater, …). Het onderzoek dat werd uitgevoerd tussen 2009 en eind 2011 baseerde zich op isotopenanalyses van de stikstof en de zuurstof. Uit de resultaten van deze studie blijkt dat voor de monitoringsites met de hoogste concentraties (>50mg/l) de verontreiniging afkomstig zou zijn van geloosd afvalwater en van de ontbinding van organisch materiaal van menselijke of dierlijke oorsprong. De herkomst van dit afvalwater moet verder onderzocht worden: een van de geopperde hypotheses zijn lekkages in de riolering (op sommige plaatsen is deze bouwvallig en bovendien werden de riolen in het verleden ontworpen om opstuwend grondwater af te voeren), aanwezige sterfputten…. Op de monitoringsites met de laagste concentraties zouden de nitraten afkomstig zijn van organische bemesting en/of de ontbinding van organisch materiaal door micro-organismen in de bodem.
Binnen het kader van het 2de waterbeheersplan worden nieuwe maatregelen overwogen die meer kennis zullen bijbrengen over de herkomst van de nitraatconcentraties en hun variatie in de tijd. Hiertoe behoren de uitbreiding van de monitoring naar nieuwe sites, de voortzetting van de isotopenanalyses, de analyse van nieuwe indicatorparameters van verontreiniging evenals onderzoek op het terrein over het beheer van het afvalwater of nog de landbouwpraktijken en aanverwante praktijken.
De pesticiden met een significante aanwezigheid ter hoogte van het waterlichaam van het Brusseliaan, zijn herbiciden: atrazine en zijn afbraakproducten alsook 2,6 dichloorbenzamide (BAM). De overschrijdingen van de normen voor deze stoffen worden hoofdzakelijk waargenomen in de westelijke helft van het waterlichaam, meer bepaald aan de drinkwaterwinningen van het Terkamerenbos en het Zoniënwoud, alsook ter hoogte van een weinig verstedelijkte zone van Ukkel. De vervuiling door atrazine en derivaten zou getuigen van een historische verontreiniging (het gebruik van atrazine is verboden sinds 2004) of van het illegaal gebruik van oude productvoorraden. Andere herbiciden werden eveneens occasioneel en plaatselijk aangetroffen. De aanwezige herbiciden zijn hoofdzakelijk toe te schrijven aan huishoudelijk gebruik, zowel door particulieren als openbare instanties (onderhoud van  tuinen, paden, groene ruimten, begraafplaatsen, …) .
Het ziet ernaar uit dat de reglementen met betrekking tot het in de handel brengen en het schrappen van de erkenning van bepaalde pesticiden waardoor zij niet meer kunnen gebruikt worden door particulieren en openbare instanties, een positief effect hebben op de verbetering van de kwaliteit van de waterlagen. De toestand van het Brusseliaanwaterlichaam zal nochtans niet de “goede toestand” bereiken tegen 2021 wegens de grote stabiliteit van bepaalde in het milieu aanwezige pesticiden, door de erg langzame en complexe migratieprocessen van de pesticiden in de bodem en in de ondergrond (adsorptie-/desorptieprocessen op de bodemdeeltjes) en door het feit dat het grondwater zich slechts langzaam vernieuwt.
De ordonnantie van 20 juni 2013 betreffende een pesticidengebruik dat verenigbaar is met de duurzame ontwikkeling evenals het bijhorend gewestelijk programma voor de reductie van pesticiden 2013-2017 versterken de vereisten en de voorwaarden voor het gebruik van pesticiden. Sinds 20 juni 2013 (behoudens afwijkingen geldig tot ten laatste 1 januari 2019), mogen de openbare beheerders niet langer pesticiden gebruiken in openbare ruimten (parken, plantsoenen, wegen, sportterreinen enz.). Sinds 1 maart 2014 is het gebruik van pesticiden voor iedereen verboden in kwetsbare gebieden met een verhoogd risico (zie de lijst in de ordonnantie) en sinds 1 januari 2016 wordt het verbod uitgebreid naar de beschermingsgebieden van type III rondom waterwinningen bestemd voor menselijke aanwending. Deze maatregelen zouden een afname van de concentraties in het grondwater in de hand moeten werken.
In het kader van het gewestelijk programma werden bovendien enquêtes uitgevoerd over pesticidengebruik. Die leiden tot een beter begrip van het gedrag van burgers, openbare instanties of bedrijven wat betreft het gebruik van deze stoffen. Een enquête die begin 2015 werd afgenomen bij 800 gezinnen heeft bijvoorbeeld aangetoond dat particulieren nog meer pesticiden gebruiken als het onderhoud van de betreffende oppervlakte groter is (Sonecom, 2015). Er werden vier types buitenruimten met een verhoogd onderhoud onder de loep genomen: opritten en voetpaden, gazons, bloemperkjes en/of bloembakken, moestuinen en/of boomgaarden. Het gebruik van pesticiden varieerde van 8% van de bevraagde gezinnen die over een oprit of voetpad beschikken tot 26% van hen die een boomgaard of moestuin bezitten.
Tetrachloorethyleen is significant aanwezig op bepaalde meetpunten van het waterlichaam van het Brusseliaan, in zijn sterk verstedelijkte westelijke deel. Die vluchtige organohalogeenverbinding is een solvent dat wordt gebruikt in de industrie (bv.: chemische reiniging, schilderwerk, afbijten van metaaloppervlakken…). De waargenomen overschrijdingen zijn het resultaat van industriële activiteiten uit het verleden (verontreinigde terreinen) en het heden.
Het tweede waterbeheerplan omvat de identificatie van die puntbronnen van verontreiniging aan de hand van onderzoek naar de correlatie tussen de milieuvergunningen in de sectoren waarin tetrachloorethyleen wordt gebruikt, de inventaris van de verontreinigde bodems en de in het grondwater gemeten hoge concentraties.
Andere verontreinigende stoffen (ammonium, sulfaten, chloriden, chloraten, …) die van bepaalde oppervlakteactiviteiten afkomstig zijn, werden eveneens lokaal en/of occasioneel gemeten op bepaalde monitoringsites.
In toepassing van de KRW werd er eind 2009 en eind 2012 gewerkt aan een actieprogramma om de goede chemische toestand voor het waterlichaam van het Brusseliaan te bereiken. Het is de bedoeling dat de uitvoering daarvan wordt verdergezet tot in 2021, zoals bepaald in het ontwerp van het tweede waterbeheerplan. Dat blijkt echter geen sinecure omwille van de vele verschillende potentiële zowel plaatselijke als diffuse verontreinigingsbronnen, de complexiteit van de overdrachtsdynamiek van de polluenten in de bodem en de ondergrond, de inertie van de waterlichamen of nog het grensoverschrijdende aspect van de watervoerende lagen.

 

Datum van de update: 07/01/2019
Documenten: 

Methodologische fiche(s)

Tabel(len) met de gegevens

Factsheet(s)

Fiche(s) van de Staat van het Leefmilieu

Studie(s) en rapport(en)

  • EARTH AND LIFE INSTITUTE – UNIVERSITE CATHOLIQUE DE LOUVAIN (UCL), De Coster A., Vanclooster M., maart 2013. “Etude relative à la pollution de la masse d’eau du Bruxellien par les nitrates dans la Région de Bruxelles-Capitale : Etat des lieux et essai d’identification des sources de pollution”. Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel. 87 pp. Beperkte verspreiding (enkel in het Frans) (.pdf)
  • SONECOM, mei 2015. “Sondage sur le comportement des ménages en matière d’achat et d’utilisation de pesticides dans la Région de Bruxelles-Capitale et dans les zones de captage”. Studie in opdracht van Leefmilieu Brussel. 78 pp. Beperkte verspreiding (enkel in het Frans) (.ppt)

Plan(nen) en programma(‘s)