U bent hier

Focus: Gezondheidstoestand van de beuken en de eiken in het Brussels Zoniënwoud

Sinds 2009 monitort het Brussels Gewest elk jaar de vitaliteit van de 3 belangrijkste boomsoorten van het Zoniënwoud (beuk en inheemse eiken). Hieruit blijkt dat een groot gedeelte van de beuken symptomen van afsterven vertoont, terwijl de eik - en meer bepaald de wintereik - het beter lijkt te doen. In de campagnes van 2014, 2015 en 2016 werd een gemiddelde ontbladering van de beuken - een algemene indicator voor de gezondheid van de bomen - van respectievelijk 23, 26 en 33% vastgesteld.  In dezelfde jaren werd het percentage beuken met een ontbladering van meer dan 25% op 43, 45 en 68 geraamd.  De bijzonder grote ontbladering van de beuken in 2016 kan echter in verband worden gebracht met de zeer overvloedige vruchtvorming die dat jaar werd waargenomen, aangezien de vruchtvorming ten koste van de ontwikkeling van de bladeren gaat.

Kwetsbaarheidsfactoren van het Zoniënwoud

Het Zoniënwoud beslaat bijna 10% van het Brussels grondgebied en vertegenwoordigt een natuurlijk, sociaal en cultureel erfgoed dat zeer belangrijk is voor het Brussels Gewest. Er zijn echter verscheidene factoren die het bos kwetsbaar maken: de bezoekersdruk, de aard van de bodem (vrij droge grond op een deel van de hellingen, verdichting van de bodem aan de oppervlakte, vrij ondiepe verharde bodemhorizon op verschillende plaatsen, …), overwicht van vaak verouderde beukenpopulaties, onevenwichtige structuur van de bestanden wat ouderdom betreft, luchtvervuiling, enz. De klimaatwijzigingen die zich naar verwachting in de komende decennia zullen voordoen, kunnen bovendien de werking van de ecosystemen gevoelig aantasten, bijvoorbeeld op het vlak van de aangroei van de bospopulatie of de ontwikkeling van gewasvernielende populaties. In dat verband werd een verkennend onderzoek uitgevoerd op aanvraag van Leefmilieu Brussel (Daise et al, 2009). Dit onderzoek wees uit dat, in het Zoniënwoud, de beuk en in mindere mate de zomereik het risico lopen om sterk getroffen te worden in het geval er zich een klimaatwijziging voltrekt volgens het middelste scenario (zie Synthese 2007-2008, fiche “Zoniënwoud en risico‘s verbonden aan de klimaatwijziging ”). In een recenter verleden kwam een analyse van de impact van klimaatvariabelen op de groei van de beuken (jaarringenstudie van in het bijzonder in het Zoniënwoud gelokaliseerde bomen) eveneens tot het besluit dat de tegen het einde van de 21ste eeuw op gewestelijk niveau verwachte klimaatverandering het voorbestaan op lange termijn van de beukenbossen zou kunnen bedreigen (Latte N, Claessens H. 2015, zie Focus 'Klimaatverandering en groei van de beuken in het Zoniënwoud' ).
Meer in het algemeen worden de laatste dertig jaren zowat overal in Europa tekenen waargenomen van bossterfte die naargelang het geval meer of minder uitgesproken is.

Follow-up van de gezondheidstoestand van de beuken en eiken in het Zoniënwoud

In deze context heeft het Brussels Gewest beslist om een permanent waarnemingssysteem op te zetten, om de vitaliteit van de 3 belangrijkste boomsoorten van het Zoniënwoud, met name de beuk en de inheemse eiken (wintereik en zomereik), in kaart te brengen. Die boomsoorten bestrijken 78% van het Brussels woud, in zuivere of gemengde bestanden. De methode – die wordt uitgevoerd volgens een wetenschappelijk protocol dat op Europees niveau op punt werd gesteld – is gebaseerd op de visuele waarneming in de zomer van bomen die in “proefpercelen” staan (perceel van 400 m x 400 m). Het aantal en de verdeling van de bomen in het bosmassief is zo gekozen dat ze een representatieve steekproef vormen. De waarneming heeft betrekking op bomen die voldoende groot zijn (volgens diameter) en ook voldoende hoog (kruin die het licht kan opvangen) en houdt rekening met verschillende criteria zoals ontbladering, ontkleuring, vruchtvorming of schade en symptomen.
Ontbladering – gedefinieerd als het verlies van bladeren in het bovenste deel van de kruin in vergelijking met een gezonde boom – is een integrerend criterium dat de invloed weerspiegelt van onder meer het klimaat, de bodemkwaliteit, aanvallen van parasieten of de leeftijd van de boom. Deze indicator geeft weliswaar een algemeen idee van het verlies aan vitaliteit van een boom, maar volstaat niet voor een volledige diagnose van de gezondheidstoestand van bomen. De verminderde bladbiomassa kan overigens een tijdelijk reguleringsmechanisme van de boom zijn om met de stress die hij te verwerken krijgt om te gaan. Men moet de resultaten ook voorzichtig interpreteren, want de visuele evaluatie van de ontbladering vertoont bepaalde tekortkomingen (zelfs met regelmatige sessies voor de opleiding en de onderlinge kalibratie van de waarnemers blijft de evaluatie voor een stuk subjectief, de zichtbaarheid van de toppen is soms beperkt en evolueert in de tijd...).
De waarnemingscampagnes worden sinds 2009 uitgevoerd in het Brussels Gewest.

De ontbladering als indicator van de levenskracht van de bomen

De analyse van de gezondheidstoestand van de bomen was in 2016 gebaseerd op een steekproef van 145 (niet-gedomineerde) bomen, waaronder 97 beuken, 40 zomereiken en 8 wintereiken.
Een ontbladering van meer dan 25% is een courant gebruikte indicator, ook op Europees niveau, voor de kwantificering van de intensiteit van het afsterven: een boom met een ontbladering van meer dan 25% wordt als beschadigd beschouwd. In de campagne van 2016 vertoonden 68% van de beuken, 28% van de zomereiken en 0% van de wintereiken een ontbladering van meer dan 25%. In 2014 en 2015 was deze waarde respectievelijk 45% en 43% voor de beuken en 22% en 31% voor de eiken (de 2 soorten samen).
De gemiddelde ontbladering bedraagt 33% voor de beuk, 22% voor de zomereik en 13% voor de wintereik in 2016. Deze gegevens zijn evenwel gestoeld op ramingen met een brede foutmarge.
Uit deze resultaten blijkt eveneens dat een hoge proportie beuken symptomen van afsterven vertoont.

Evolutie van de gemiddelde ontbladering van alle beuken en eiken die zijn opgenomen in de monitoring (2009-2016)

Bron: Earth and Life Institute Environmental Sciences (UCL), 2016

Net als in 2009 en in mindere mate in 2011 werd het jaar 2016 gekenmerkt door een bijzonder hoge gemiddelde ontbladering van de beuken (10% meer dan in 2014, toen dezelfde beuken werden geobserveerd). Deze vaststelling kan ten minste gedeeltelijk worden verklaard door de overvloedige vruchtvorming die in deze jaren werd waargenomen en waarbij een groot gedeelte van de reserves van de boom voor de productie van beukennootjes wordt gebruikt, ten koste van de ontwikkeling van de bladeren.  De jaren 2009, 2011 en 2016 buiten beschouwing gelaten, lijkt de gemiddelde ontbladering van de beuken, die tussen 22% en 27% schommelt, toch relatief constant, rekening houdend met de foutmarges.
Voor de zomereik zijn de gemiddelde ontbladeringscijfers vergelijkbaar met die van de periode 2012-2014 (22%) en lager dan die van 2015 (26%). Voor de wintereik lijkt de gemiddelde ontbladering vrij stabiel sinds 2013 en relatief zwak (tussen 11% en 14%).
Merk op dat de in 2014 waargenomen lage ontbladeringwaarden verband houdt met de zware neerslag die in de zomer van dat jaar werd geregistreerd.
Deze evolutie, over een nog beperkte tijdspanne, blijkt evenwel moeilijk te interpreteren aangezien er zoveel factoren zijn die de ontbladering van een boom kunnen beïnvloeden (groei- en klimaatomstandigheden, vruchtvorming, stamomtrek, plaats ten opzichte van omliggende bomen, vorm van de takken in de top, …). Bovendien vertoont het protocol van de follow-up zelf bepaalde beperkingen (de bestudeerde bomen verschillen van jaar tot jaar, voor de wintereik is de steekproef beperkt, het 'waarnemerseffect' enz.).
Deze cijfers zijn trouwens moeilijk te vergelijken met de gegevens die in de aangrenzende gewesten werden opgetekend, aangezien de beschreven populaties er anders zijn (leeftijd en densiteit van de populaties, bodemcondities, het (micro)klimaat, het reliëf, enz.) en de kwaliteit van de waarnemingen kan variëren naargelang het netwerk. Aan de hand van de ontbladeringswaarden die in de naburige gewesten werden genoteerd, is het echter wel mogelijk om grootteordes te bepalen. Zo bedroeg de gemiddelde ontbladering op Europees niveau (30 landen), volgens de waarnemingen in 2009, ongeveer 19% voor de beuk en 24% voor de eik. In 2014 bedroeg de gemiddelde waargenomen ontbladering in Vlaanderen 19% voor de beuk en 25% voor de zomereik (Sioen G. et al, 2015). Voor het overige vertoonden in 2016 41,9% van de beuken en 18,8% van de zomereiken een ontbladering van meer dan 25% (website van INBO, indicator Aandeel beschadigde bomen).  Sinds 1996 monitort ook het Vlaams Gewest de groei en de vitaliteit van de beuk in het Zoniënwoud. Afhankelijk van de proefpercelen en de jaren schommelt het ontbladeringscijfer tussen 10 en 30%.  Voor twee van de drie proefsites stellen de onderzoekers geen significante tendens vast.  Op de derde site wordt sinds 2013 een lichte toename van de ontbladering waargenomen (Roskams P., Sioen G. 2017).
In 2013 bedroeg de gemiddeld waargenomen ontbladering in het Waals Gewest 33% voor de beuk, 35% voor de zomereik en 23% voor de wintereik; voor het loof met een ontbladering van meer dan 25% tekende men een percentage op van 36%.

In de evaluatie van de gezondheidstoestand van bomen spelen ook andere criteria mee

De kruin van een boom is het geheel van takken en bladeren van de eerste groene tak tot de laatste scheut van de boom. Zijn structuur varieert volgens het ontwikkelingsstadium dat de boom heeft bereikt en de stress die hij in de loop van de tijd heeft ondergaan. Het protocol dat wordt gebruikt om de levenskracht van boomkruinen te beoordelen, onderscheidt 4 verschillende klassen - die overeenkomen met min of meer dichte kruinvormen - voor de eik en 8 klassen voor de beuk (4 voor 2013).
Volgens de onderzoekers die de monitoring uitvoeren, werd de tussen 2014 en 2015 vastgestelde achteruitgang van de kruinstructuur van de zomereiken gevolgd door een verbetering in 2016. De wintereik vertoont sinds 2013 een goede kruinstructuur (dichte betakking).

Indeling van de zomereiken en de wintereiken naar kruinstructuur (2012-2016)

Bron: Earth and Life Institute Environmental Sciences (UCL), 2016

Voor de beuken wijzen de sinds 2013 uitgevoerde waarnemingen op een langzame aantasting van de kruinstructuur. De frequentie van klassen 6 en 7 (sterfte van takken) blijft echter zeer gering, zodat men mag besluiten dat de in 2016 waargenomen toename van de ontbladering geen verband houdt met een massale sterfte van de takken maar wel met een lagere dichtheid van de bladeren.

Verdeling van de beuken volgens de kruinstructuur (2013-2016)

Bron: Earth and Life Institute Environmental Sciences (UCL), 2016

Om een betere kijk te krijgen op de evolutie van de ontbladering en van de structuur van de kruin, waarvan de oorzaken nog onduidelijk zijn (afgevallen dode takken, verschil in interpretatie door de verschillende waarnemers, …), worden de boomkruinen sinds de monitoringcampagne van 2014 ook fotografisch gevolgd.
De meest voorkomende oorzaken van de ontkleuring van de bladeren zijn een gebrek aan mineralen, luchtverontreiniging, aanvallen door parasieten of droge periodes in de zomer of in het voorjaar.
Algemeen beschouwd lijken de eiken - en dan vooral de zomereiken - meer door ontkleuring aangetast dan de beuken. In 2016 was de ontkleuring zeer beperkt, aangezien ze slechts betrekking had op 2% van de beuken (op 10 tot 25% van de bladeren) en op geen enkele eik. Merk op dat bij de gevolgde wintereiken in de loop van de drie laatste jaren geen enkele ontkleuring werd waargenomen.
Anders dan in de vorige jaren werd in 2016 bij zowel de beuken als de eiken geen enkele aanval van ontbladerende insecten waargenomen.

Beheersmaatregelen

Het gewestelijk beheerplan van het Zoniënwoud, dat werd goedgekeurd in 2003, wordt op dit moment aangepast. Deze herzieningen moeten in het bijzonder rekening houden met nieuwe elementen die zijn opgedoken in de loop van dit laatste decennium: risico van afsterven van bepaalde soorten (in het bijzonder de beuk) in het licht van de vooropgestelde klimaatverandering, de toekenning van het statuut Natura 2000 aan het Zoniënwoud, goedkeuring door de drie Gewesten van een “structuurschema” dat de grote oriëntaties en gemeenschappelijke beheerprincipes voor het Zoniënwoud bepaalt of de stijgende vraag naar groene recreatieruimten als gevolg van de bevolkingsgroei.

Datum van de update: 07/01/2019
Documenten: 

Tabellen met de gegevens

Fiches van de Staat van het Leefmilieu

Andere publicaties van Leefmilieu Brussel

Studies en rapporten

Plannen en programma’s