U bent hier

Identificatie en behandeling van verontreinigde bodems

49% van de oppervlakte van de 7.520 kadastrale percelen waarvoor een vermoeden van verontreiniging bestaat (goed voor een oppervlakte van 1.734 ha) en waarvoor een verkennend bodemonderzoek gebeurde tussen 2005 en 2016, bleek daadwerkelijk verontreinigd te zijn en 28% werd behandeld.  Hierdoor werden 479 hectaren opnieuw beschikbaar gesteld voor een herbestemming (huisvesting, economische activiteiten…) dankzij een sanering of een risicobeheer.

Wettelijk kader

De ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems (volgend op een ordonnantie van 2004), de zogenaamde "bodemordonnantie", voorziet verschillende feiten die aanleiding geven tot onderzoeksverplichtingen met betrekking tot de verontreiniging van bodems en, in voorkomend geval, tot gebruiksbeperkings-, risicobeheer- of saneringsverplichtingen. Deze feiten omvatten voornamelijk:

  • de verkoop van in de inventaris van de bodemtoestand opgenomen terreinen of gebouwen (zie fiche met dezelfde naam);
  • de aanvang, de overdracht of de stopzetting van activiteiten opgenomen in de lijst van "risicoactiviteiten" die een bodemverontreiniging kunnen veroorzaken en die gedefinieerd worden door een regeringsbesluit (via het beheer van de milieuvergunningen opgelegde “bodemverplichtingen”);
  • de uitvoering op in de inventaris opgenomen terreinen van werken of de vestiging van activiteiten die een uitgraving vereisen, die een latere behandeling of controle van de eventuele bodemverontreiniging belemmeren of die de blootstelling van personen of het milieu aan de eventuele door een bodemverontreiniging veroorzaakte risico's verhogen (via het beheer van de milieuvergunningen opgelegde "bodemverplichtingen");
  • de toevallige ontdekking van een bodemverontreiniging tijdens een uitgravingswerf;
  • het plaatsvinden van een ongeval dat de bodem heeft verontreinigd.

Deze "bodemordonnantie" heeft een procedure ingevoerd, die uit verschillende technische fasen bestaat, die door een erkende bodemverontreinigingsdeskundige worden uitgevoerd. De procedure laat toe om te achterhalen of een bodem verontreinigd is, om de omvang en het type van verontreiniging te kennen alsook om, in voorkomend geval, de verontreiniging te saneren of er de risico's voor de volksgezondheid en het milieu van te bepalen en deze, indien nodig, te beheren.

  • Verkennend bodemonderzoek (VBO)

Bij het plaatsvinden van een "aanleidinggevend feit" zoals hierboven beschreven, moet er een verkennend bodemonderzoek (VBO) worden uitgevoerd door de persoon die de aanzet gaf tot deze gebeurtenissen (bv. de verkoper van een terrein of een onroerend goed dat zich op een perceel bevindt, dat is opgenomen in de inventaris van de bodemtoestand). Dit onderzoek laat toe om na te gaan of er al dan niet sprake is van een verontreiniging van de bodem of het grondwater, levert, in voorkomend geval, ramingen op van de omvang (in het bijzonder of de normen al dan niet overschreden zijn) en de aard van de verontreiniging en bepaalt of er al dan niet een gedetailleerd onderzoek uitgevoerd moet worden. Indien mogelijk, bepaalt het VBO ook het type van verontreiniging: "eenmalige verontreiniging" (eenduidig geïdentificeerde persoon, apart identificeerbaar), "gemengde verontreiniging" (veroorzaakt door verschillende personen, waarvan minstens één persoon in niet afzonderlijk identificeerbare proporties) of "weesverontreiniging" (andere gevallen). Het verkennend bodemonderzoek bepaalt, in voorkomend geval, eveneens de te nemen veiligheidsmaatregelen.

  • Gedetailleerd onderzoek

Gezien het beperkte aantal boringen en analyses dat in het kader van een VBO wordt verricht, gebeurt het vaak dat de omvang alsook het type van verontreiniging niet bepaald zijn. Vandaar de noodzaak om een gedetailleerd onderzoek uit te voeren. Het gedetailleerd onderzoek is een nieuwe fase die werd ingevoerd door de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems. Het onderzoek heeft tot doel om de bodemverontreiniging die door een verkennend bodemonderzoek aan het licht is gebracht, verticaal en horizontaal af te bakenen, de toename en het type van de verontreiniging te onderscheiden en eventueel te bepalen, welke veiligheidsmaatregelen er genomen moeten worden.

  • Risico-onderzoek

Voor de zogenaamde "gemengde verontreinigingen" of "weesverontreinigingen" moet er een risico-onderzoek worden verricht om de risico's te bepalen, die een bodemverontreiniging met zich brengt voor de volksgezondheid en/of het milieu. De risicobeoordeling is gebaseerd op het risico van blootstelling voor de mens (wat afhangt van de bestemming en het concrete gebruik van het perceel), het risico van aantasting van de ecosystemen en het risico van verspreiding van verontreinigende stoffen naar aanpalende terreinen, waterwinningen, ...

  • Risicobeheersvoorstel

Als het risico-onderzoek besluit dat er sprake is van een onaanvaardbaar risico, moet er een risicobeheersvoorstel worden opgesteld. Het doel van een dergelijk voorstel is de risicobeheersmaatregelen te bepalen, die moeten worden genomen om de via een risico-onderzoek geïdentificeerde risico's aanvaardbaar te maken voor de volksgezondheid en/of het milieu en dat in functie van toekomstige of voorziene bestemmingen. De door Leefmilieu Brussel opgelegde maatregelen bestaan uit gebruiksbeperkingen (bv. plaatsing van een verharding, verbod op de aanleg van moestuinen of het uitbaten van grondwaterwinningen, kelders, enz.), inperkingen van de verontreiniging (bvb. betonplaat), de verwijdering van een deel van de verontreiniging, ... Zonder de voorafgaande instemming van Leefmilieu Brussel mogen er geen wijzigingen worden aangebracht aan het gebruik van het terrein en/of mogen er geen uitgravingswerken worden verricht of mag er ook geen grondwater worden opgepompt.

  • Saneringsvoorstel

In het geval van een eenmalige verontreiniging moet er een saneringsvoorstel worden opgesteld om het type en de uitvoeringswijze van de te verrichten saneringswerken te bepalen. Dergelijke werken worden uitgevoerd om aan de saneringsnormen te voldoen of om een toename van de verontreiniging uit te sluiten.
In het geval van openbare tankstations is de procedure voor de identificatie en behandeling van de verontreinigde bodem onderworpen aan een specifiek wettelijk kader met als verschillende technische fasen: een prospectief bodemonderzoek, een nader bodem- of risico-onderzoek, een saneringsonderzoek en de saneringswerken.

Identificatie van verontreinigde bodems: bodemonderzoeken

Sinds 2005 werden er al tal van verkennende bodemonderzoeken, gedetailleerde onderzoeken, risico-onderzoeken, risicobeheersvoorstellen en saneringsvoorstellen opgemaakt naar aanleiding van het voorkomen van feiten die aanleiding geven tot voormelde verplichtingen.
De volgende grafiek toont de evolutie van het aantal onderzoeken dat in het Brussels Gewest werd verricht in het kader van de toepassing van de ordonnanties betreffende "verontreinigde bodems" en het "tankstationbesluit".

Evolutie van het gecumuleerd aantal bodemstudies en voorstellen voor de behandeling van bodems (2005-2016)

Bron: Leefmilieu Brussel, onderafdeling Bodems, 2017

Tussen 2005 en eind 2016 werden 5.795 verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd die samen 7.520 kadastrale percelen bestrijken (1.734 ha). Uit 2.397 van die VBO’s, die betrekking hebben op 2.936 verontreinigde percelen, is een verontreiniging gebleken, waarna gedetailleerde onderzoeken werden uitgevoerd. Van die 5.795 VBO’s resulteerden er 781 in de uitvoering van sanerings- of risicobeheersvoorstellen voor een totaal van 941 kadastrale percelen, goed voor een totale behandelde oppervlakte van 479 ha (28% van de totale oppervlakte waarvoor een vermoeden van verontreiniging bestaat).
De VBO's richtten hun pijlen daarbij op verschillende "risicoactiviteiten", met als meest frequente: de opslagplaatsen voor ontvlambare vloeistoffen met in het bijzonder de stookolietanks en tankstations (38 % van de VBO's), de werkplaatsen voor het onderhoud van voertuigen (19 %), de spuitcabines (9 %), de drukkerijen (5 %), de opslagplaatsen voor afvalolie (5%), de opslagplaatsen voor gevaarlijke producten (5%) en de afvalopslagplaatsen (3%).

Proportie vervuilde percelen onderworpen aan saneringswerkzaamheden of maatregelen voor risicobeheer, ten opzichte van het totaal aantal onderzochte percelen en per economische sector (2005-2016)

Bron: Leefmilieu Brussel, onderafdeling Bodems, 2017

De risicoactiviteiten die het vaakst aanleiding geven tot een verontreiniging van de bodem zijn de ontvetting van metalen (56% van de onderzochte percelen waarop ontvettingsactiviteiten werden verricht), droogkuis (55% van de hiervoor onderzochte percelen), de ontvlambare vloeistoffen (55% van de hiervoor onderzochte percelen), de chemische behandeling van metalen (55% van de hiervoor onderzochte percelen), de spuitcabines (53%), maar ook de opslagplaatsen voor afgedankte voertuigen (52% van de hiervoor onderzochte percelen). Het doorvoeren van een sanering of een risicobeheer varieert in functie van de risicoactiviteit. De percelen die het meest frequent werden behandeld voor verontreiniging, zijn deze waarop vroeger volgende activiteiten hebben plaats gevonden: opslagplaatsen voor vernissen en verven (26% van de hiervoor onderzochte percelen), droogkuis (25% van de hiervoor onderzochte percelen), ontvetting van metalen (25% van de hiervoor onderzochte percelen), opslagplaatsen voor ontvlambare vloeistoffen (24% van de hiervoor onderzochte percelen), voor afvaloliën (23% van de hiervoor onderzochte percelen) en productie van metalen (23% van de hiervoor onderzochte percelen).
Bij 79% van de in de periode 2010-2016 bestudeerde verontreinigde percelen ging het om een zogenaamde “weesverontreiniging” (zie hoger). De unieke verontreinigingen en de gemengde verontreinigingen vertegenwoordigen respectievelijk 12 en 9% van de gevallen.
De meest frequente polluenten zijn koolwaterstoffen en zware metalen en, ter hoogte van industriegebieden en grondwater, ook gechloreerde solventen.

Behandeling van de verontreinigde bodems

Onderstaande grafiek illustreert de evolutie van de totale oppervlakte van de behandelde (sanering of risicobeheer) en herbestemde percelen in het Brussels Gewest.

Evolutie van de gecumuleerde oppervlakte van de behandelde kadastrale percelen en van de gecumuleerde kostprijs van de behandeling (2005-2016)

Bron: Leefmilieu Brussel, onderafdeling Bodems, 2017

Zo werd er tussen 2005 en 2016 479 ha aan terreinen opnieuw beschikbaar gemaakt voor de vestiging van economische activiteiten, huisvesting of recreatieactiviteiten en dat voor een totale kostprijs van ongeveer 403 miljoen euro, of 84 euro per m2.
De gerealiseerde saneringen en risicobeheersmaatregelen hadden daarbij meer bepaald betrekking op de behandeling van 3,2 miljoen m3 vervuilde aarde en 180.000 m3 vervuild water. De meest toegepaste techniek is het uitgraven (76% van de behandelde percelen), gevolgd door het oppompen en behandelen van het grondwater (8 %), de gestimuleerde bioremediatie (5 %) of de aanzuiging van de bodemlucht (4 %).

Datum van de update: 07/01/2019