U bent hier

Evolutie van de concentratie fijn stof (PM 10) in de lucht

De deeltjes die zich in suspensie bevinden in de lucht (PM) zijn zowel qua herkomst als qua chemische en fysische kenmerken zeer verschillend. De PM-concentraties en -emissies in de lucht zijn door Europa gereglementeerd omdat deze deeltjes een belangrijke impact hebben op de gezondheid, meer bepaald op de ademhaling en de bloedsomloop. De jaargemiddelde concentraties van PM10 zijn conform met de Europese grenswaarde in alle luchtmeetposten van het Gewest. Er stelt zich daarentegen al jaren een probleem voor de daggrenswaarde. Dit is deels te wijten aan de gewestoverschrijdende import van PM en aan de massale vorming van secundaire aërosolen onder bepaalde meteorologische omstandigheden.

Context

Alle partikels met een diameter kleiner dan 10 micrometer worden aangeduid met het acroniem "PM10" onafgezien van hun samenstelling of fysische aard. De deeltjes in suspensie in de omgevingslucht zijn afkomstig van diverse bronnen: de "primaire" partikels worden rechtstreeks uitgestoten door een natuurlijk proces (bijvoorbeeld bodemerosie of partikels uit de Sahara) of door menselijke activiteiten (verbranding, slijtage van de wegbekleding, bouw- en sloopwerkzaamheden, …) voortgebracht, terwijl de "secundaire" partikels ontstaan in de atmosfeer door chemische reacties tussen andere reeds aanwezige moleculen (nitraten, sulfaten, nucleatie van gasvormige substanties, …).

Europese grenswaarden

Met het oog op de bescherming van de volksgezondheid verplicht de Europese richtlijn 2008/50/EG voor de PM10-concentratie in de omgevingslucht de naleving van twee grenswaarden die al van toepassing zijn sinds 1 januari 2005:

  • 50 µg/m3 als daggemiddelde, met een maximum van 35 dagen per jaar waarop de grenswaarde mag worden overschreden.
  • 40 µg/m3 als jaargemiddelde: sinds 2004 werd in geen enkele post van het Brussels meetnet deze grenswaarde nog overschreden.

PM 10-concentratie in de lucht

In het Brussels Gewest wordt PM10 continu gemeten in 6 stations van het telemetrisch meetnet voor de luchtkwaliteit. Wij baseren onze indicator op de gegevens van de meetpost Sluis 11 te St-Jans-Molenbeek (code 41R001) omdat deze representatief is voor een stedelijke omgeving met een sterke invloed van het wegverkeer. De Brusselse indicator voor PM10 heeft enkel betrekking op de daggemiddelden.

Evolutie in de meetpost Sint-Jans-Molenbeek van het aantal overschrijdingsdagen van de daggrenswaarde van 50 µg/m3 voor PM10 (1997-2012)

Bron : Leefmilieu Brussel, Laboratorium voor Milieuonderzoek (lucht)

 

Sectorale uitsplitsing van de primaire PM10-emissies in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (2011)

Tot en met 2009 waren er in de meetpost van Sint-Jans-Molenbeek systematisch meer overschrijdingsdagen dan de toegestane 35. De jaren 2010 en 2012 vormden daarop een uitzondering wegens ongewone meteorologische omstandigheden: tijdens die jaren was er een hoge frequentie van noord- tot noordwestenwinden waarvan geweten is dat zij de vorming van secundaire aërosolen tegengaan.
Daarentegen werd de grenswaarde in 2011 en 2012 overschreden in de meetpost Voorhaven (Haren) langs het Kanaal. Het Gewest bevond zich dus in overtreding, aangezien er sprake is van niet-conformiteit met de grenswaarde vanaf het ogenblik dat er zich een overschrijding voordoet in één van de stations van het Brussels meetnet .  

Oorsprong van de PM10

De luchtmassa's kunnen de PM10 over grote afstand transporteren omdat ze zo klein zijn. Dat betekent dat de in Brussel gemeten concentraties niet louter het gevolg zijn van de plaatselijke emissies: de PM10-concentraties hangen samen met de achtergrondvervuiling (zoals die bijvoorbeeld in de Ardennen wordt gemeten), de gewestoverschrijdende bijdrage (in het BHG ingevoerd via de luchtstromen), de stedelijke achtergrondvervuiling (resultante van de  uitstoot door de verwarming en het verkeer zoals in de meetposten te Ukkel en St-Agatha-Berchem), de lokale stedelijke bijdrage die hoofdzakelijk samenhangt  met het verkeer (wat het geval is in een omgeving met een meer dichte bewoning zoals in St-Jans-Molenbeek), en desgevallend de bijkomende bijdrage van het verkeer zoals wij die in zones met zeer veel voertuigen aantreffen (de meetpost Kunst-Wet is hiervan een voorbeeld).  

Er wordt geschat dat bij normale weersomstandigheden de bijdrage van het verkeer (door rechtstreekse uitstoot) van de grootteorde is van 10% van de gemeten PM10.  Het verkeer is bovendien verantwoordelijk voor een opnieuw in suspensie brengen van partikels met een diameter tussen 2,5 en 10 µm, als gevolg van de bewegingen van de voertuigen: deze indirecte emissies van het verkeer vertegenwoordigen  gemiddeld nog eens 10% van de concentraties.

De analyse van de meetwaarden van de verschillende stations van het meetnet leert ons dat alleen al de stedelijke achtergrondvervuiling en/of transport van de PM door de luchtmassa’s tussen de gewesten aan de oorsprong liggen van een aanzienlijk aantal overschrijdingen (meer dan 20 dagen van de toegestane 35 dagen in het geval van de stations van Ukkel en van Berchem). Het waargenomen surplus aan overschrijdingen in de meetposten van Sint-Jans-Molenbeek en Voorhaven is het resultaat van het in suspensie brengen van partikels tussen de 2 en 10 µm, of van een rechtstreekse uitstoot door een activiteit in de onmiddellijke omgeving.

Datum van de update: 19/01/2018