U bent hier

Emissie van verzurende stoffen (NOx, SOx en NH3)

Tussen 1990 en 2011 daalden de emissies  door menselijke activiteiten van verzurende en potentieel verzurende stoffen  met 67 %  in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Sinds 2006 respecteert het Gewest de door Europa opgelegde plafonds.
Het wegvervoer is verantwoordelijk voor  58%  van de gewestelijke uitstoot, terwijl 34% te wijten is aan de verwarming van de gebouwen (residentieel en tertiair).

Context

Het fenomeen van de verzuring is aan de basis een natuurlijk verschijnsel (zwavelhoudende uitstoot van vulkanen, gas dat vrijkomt door de activiteit van bepaalde bacteriën in de bodem bij de afbraak van organisch materiaal, ...). Dit fenomeen greep echter verder om zich heen door de uitstoot van verzurende stoffen als gevolg van menselijke activiteiten (verwarming, wegverkeer, industriële verbrandingsprocessen, ...). De toegenomen impact van de mens heeft het probleem van verzuring van de bodem en van het oppervlaktewater  verscherpt evenals de schade aan de vegetatie en aan bepaalde bouwmaterialen.

Zwaveldioxide SO2, stikstofoxide NOX en ammoniak NH3 zijn de drie voornaamste gassen die tot het fenomeen van verzuring bijdragen; met dien verstande dat NH3 potentieel verzurend is naargelang de omstandigheden van het milieu (voor meer details verwijzen wij naar de methodologische fiche)

Uitgestoten hoeveelheid verzurende stoffen per bron

In 2011 werd op het Brusselse grondgebied zowat 125 ton zuurequivalent uitgestoten. Alleen al het wegvervoer nam 45% van de emissies van de verzurende en potentieel verzurende stoffen voor zijn rekening. In datzelfde jaar waren het wegtransport en de verwarming van gebouwen (residentiële en tertiaire) samen verantwoordelijk voor 92% van de uitstoot.

Sectorale uitsplitsing van de verzurende of potentieel verzurende emissies in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (2011)

Bron : Leefmilieu Brussel, Dpt Planning lucht, energie en klimaat

Sectorale uitsplitsing van de verzurende of potentieel verzurende emissies in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (2011)

Ter vergelijking: in 2010 waren in het Waalse Gewest de landbouw (35,1%), de industrie (26,8%), en het wegvervoer (21,4 %) de grootste uitstoters van verzurende of potentieel verzurende substanties [Indicateurs clés de l'environnement wallon, 2012]. Voor het Vlaams Gewest waren dat in 2011 de landbouw (42%), het transport (26%), de industrie (16%) en de energie (10%) [MIRA – Kernset Milieudata, nov. 2013].

In de andere Gewesten zijn het wegvervoer en de verwarming naar verhouding dus minder belangrijke bronnen; dit verschil valt te verklaren door het essentieel stedelijke karakter van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Evolutie van de uitgestoten hoeveelheden

Tussen 1990 en 2011 daalde de uitstoot van verzurende en potentieel verzurende stoffen met 67 % (126 ton Zeq. in 2011 versus 385 ton Zeq. in 1990).

Verhoudingsgewijs kende SOx dus een sterkere daling dan NOx.

Evolutie van de verzurende of potentieel verzurende emissies in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tussen 1990 en 2011

Bron : Leefmilieu Brussel, Dpt Planning lucht, energie en klimaat

Evolutie van de verzurende of potentieel verzurende emissies in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tussen 1990 en 2011

De verklaring voor deze evolutie moet gezocht worden bij factoren die verschillen naargelang de substanties.

Wat SOx betreft, droegen volgende factoren bij tot de verminderde uitstoot:

  • de daling van het zwavelgehalte in de voertuigbrandstoffen (vooral sinds 1996) en in de stookolie (beperkt tot 0,2 gewichtsprocent sinds 1989),
  • het groeiend aandeel van aardgas in het totale brandstofverbruik, ten koste van de petroleumproducten,
  • de productievermindering gevolgd door de volledige sluiting van de Cokesfabriek van Marly in 1993,
  • en de invoering van een rookwassingssysteem in de afvalverbrandingsoven (medio 1999).

De vermindering van de NOx-uitstoot houdt verband met:

  • de sluiting van de Cokesfabriek van Marly in 1993,
  • de installatie van een filter op dezelfde verbrandingsoven van Neder-Over-Heembeek (2006),
  • de betere motorprestaties dankzij de invoering van bepaalde Europese richtlijnen aangaande de uitstoot van verontreinigende stoffen door verschillende categorieën van voertuigen ("EURO-normen"),
  • de veralgemening van katalysatoren op nieuwe voertuigen vanaf 1993 (deze onderwerpen de uitlaatgassen aan een nabehandeling zodra ze de motor verlaten wat specifiek bij benzinewagens tot een lagere NOx-uitstoot leidt). Het belang van de katalysator voor het verlagen van de NOx-uitstoot in het Brussels Gewest moet enigszins worden gerelativeerd, aangezien een katalysator pas na het doorlopen van een aantal kilometer zijn effect laat voelen op de uitstoot (bij een koude motor, bij het starten en tijdens het versnellen/vertragen is de katalysator geheel of gedeeltelijk ondoeltreffend ). Deze factor speelt dus slechts mee voor langere trajecten.  

De recente daling van de uitstoot van NH3 tenslotte schijnt verband te houden met de verdieseling van het wagenpark. Het gebruik van driewegskatalysatoren op benzinewagens blijkt inderdaad tot een toename te leiden van de uitstoot van NH3 en N2O (wat verklaart waarom de NH3-uitstoot in 2000 steeg ten opzichte van 1995). De katalysator van de dieselvoertuigen (tweewegskatalysator) vangt de stikstofoxides niet af. Doordat er geen reactie optreedt met de stikstofoxides, stoten dieselvoertuigen geen ammoniak uit.

Europese normen

De Europese richtlijn 2001/81/EG (de zogenaamde "NEC-richtlijn") legt onder meer emissieplafonds op voor de verzurende luchtverontreinigende stoffen. Door de verdeling (in 2000) van de inspanning over de 3 Gewesten en de federale staat  moet het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in 2010 volgende plafonds respecteren: de jaarlijkse uitstoot mag maximaal 43,82 ton Zeq. bedragen voor S0en 65,1 ton Zeq. voor NOX  (in beide gevallen heeft dit enkel betrekking op de vaste bronnen, het transport wordt m.a.w. niet meegerekend; voor de mobiele bronnen geldt het plafond op niveau van het land). Voor NH3 kreeg het BHG geen specifiek plafond opgelegd aangezien deze substantie relatief minder doorweegt in de emissies.
Volgens de resultaten van de modellen die op de bovenstaande grafiek in beeld zijn gebracht, worden deze plafonds sinds 2006 gerespecteerd.

Datum van de update: 19/01/2018