U bent hier

Gezondheidstoestand van het Brussels Zoniënwoud

Sinds 2009 monitort het Brussels Gewest elk jaar de vitaliteit van de 3 belangrijkste boomsoorten van het Zoniënwoud (beuken en inheemse eiken). In 2012 bedroeg de gemiddelde ontbladering – die de algemene gezondheid van de bomen weerspiegelt - 20% voor de beuk en 24% voor de eik. Deze gemiddelde ontbladering nam af in de periode 2009-2012. Deze evolutie, over een nog beperkte tijdspanne, blijkt nochtans moeilijk te interpreteren doordat zoveel factoren een rol kunnen spelen.

Het Zoniënwoud beslaat bijna 10% van het Brusselse grondgebied en vertegenwoordigt een natuurlijk en sociaal erfgoed dat zeer belangrijk is voor het Brussels Gewest.

Kwetsbaarheidsfactoren

Er zijn echter verscheidene factoren die het bos kwetsbaar maken: de bezoekersdruk, de aard van de bodem (vrij droge grond op een deel van de hellingen, verdichting van de bodem aan de oppervlakte, vrij ondiepe verharde bodemhorizon op verschillende plaatsen, …), overwicht van vaak verouderde beukenpopulaties, onevenwichtige structuur van de bestanden wat ouderdom betreft, luchtvervuiling, … De klimaatwijzigingen die zich naar verwachting in de komende decennia zullen voordoen, kunnen bovendien de werking van de ecosystemen gevoelig aantasten, bijvoorbeeld op het vlak van de aangroei van de bospopulatie of de ontwikkeling van gewasvernielende populaties. In dat verband werd een verkennend onderzoek uitgevoerd op aanvraag van Leefmilieu Brussel (Daise et al, 2009). Dit onderzoek wees uit dat, in het Zoniënwoud, de beuk en in mindere mate de zomereik het risico lopen om sterk getroffen te worden in het geval er zich een klimaatwijziging voltrekt volgens het middelste scenario (cf. Synthese 2007-2008, fiche “Zoniënwoud en risico‘s verbonden aan de klimaatwijziging”). Meer in het algemeen worden de laatste dertig jaren zowat overal in Europa tekenen waargenomen van bossterfte die naargelang het geval meer of minder uitgesproken is.

Waarnemingssysteem

In deze context heeft het Brussels Gewest beslist om een permanent waarnemingssysteem op te zetten, om de vitaliteit van de 3 belangrijkste boomsoorten van het Zoniënwoud, met name de beuk en de inheemse eiken (wintereik en zomereik), in kaart te brengen. Die boomsoorten bestrijken 84% van het Brusselse woud, in zuivere of gemengde bestanden. De methode – die wordt uitgevoerd volgens een wetenschappelijk protocol dat op Europees niveau op punt werd gesteld – is gebaseerd op de visuele waarneming in de zomer van bomen die in “proefpercelen” staan (perceel van 400 m x 400 m). Het aantal en de verdeling van de bomen in het bosmassief is zo gekozen dat ze een representatieve steekproef vormen. De waarneming heeft betrekking op bomen die voldoende groot zijn (volgens diameter) en ook voldoende hoog (kruin die het licht kan opvangen) en houdt rekening met verschillende criteria zoals ontbladering, ontkleuring, vruchtvorming of schade en symptomen. Ontbladering – gedefinieerd als het verlies van bladeren in het bovenste deel van de kruin in vergelijking met een gezonde boom – is een integrerend criterium dat de invloed weerspiegelt van onder meer het klimaat, de bodemkwaliteit, aanvallen van parasieten of de leeftijd van de boom. Het geeft dus een globaal idee van de gezondheid van de boom.
Deze waarnemingscampagnes worden sinds 2009 uitgevoerd in het Brussels Gewest.

Resultaten van de waarnemingen

In 2012 waren, op een totaal van 186 waargenomen bomen, 18 inheemse eiken (of 28% van het totale aantal eiken) en 34 beuken (of 28% van het totale aantal beuken) getroffen door een ontbladering die hoger lag dan 25% (in het Waals Gewest wordt een ontbladering van meer dan 25% als abnormaal beschouwd). De gemiddelde ontbladering bedroeg 20% voor de beuk en 24% voor de eik.
Wat de evolutie betreft, stellen we vast dat de gemiddelde ontbladering van zowel de eiken als de beuken is gedaald in de periode 2009-2012.

Evolutie van de gemiddelde ontbladering van alle beuken en eiken die zijn opgenomen in de monitoring (2009-2012)
Bronnen: Delente. et al., 2012

Evolutie van de gemiddelde ontbladering van alle beuken en eiken die zijn opgenomen in de monitoring (2009-2012)

Als we alleen kijken naar de bomen die werden bestudeerd in elk van de monitoringcampagnes tussen 2009 en 2012, dan stellen we ook een daling vast van de gemiddelde ontbladering van de beuken (38% in 2009, 31% in 2010 en 28% in 2012 op een steekproef van 58 bomen) en de eiken (30% in 2009, 24% in 2010 en 25% in 2012 op een steekproef van 10 bomen). Deze evolutie, over een nog beperkte tijdspanne, blijkt moeilijk te interpreteren aangezien er zoveel factoren zijn die de ontbladering van een boom kunnen beïnvloeden (groei- en klimaatomstandigheden, vruchtvorming, omtrek, plaats ten opzichte van omliggende bomen, …).
De onderzoekers hebben overigens een duidelijke verbetering opgemerkt van de kruinstructuur van de twee bestudeerde soorten: respectievelijk 62% en 54% van de eiken en de beuken hadden dicht vertakte kruinen in 2012 tegen 0% en 8% in 2009. Voor een betere kijk op deze evolutie, waarvan de oorzaken nog onduidelijk zijn (afgevallen dode takken, verschil in interpretatie door de verschillende waarnemers, …), zal de monitoringcampagne vanaf 2014 bijkomend een fotografische follow-up van de boomkruinen omvatten.
Wat de verkleuring van de bladeren betreft, is het aandeel van de beuken die tussen 10% en 60% verkleuring vertonen, gestegen van 6% in 2011 tot 16% in 2012. Voor de eiken bedroeg deze stijging eveneens 10%, van 32% in 2011 tot 42% in 2012. Welke factoren de verkleuring van de bladeren veroorzaken, is echter moeilijk te bepalen. De meest voorkomende oorzaken zijn tekorten aan mineralen, de luchtvervuiling, aantasting door parasieten of periodes van de droogte in de zomer of de lente.
Deze cijfers zijn moeilijk te vergelijken met de gegevens die in de aangrenzende regio’s werden opgetekend, aangezien de beschreven populaties er anders zijn (leeftijd en densiteit van de populaties, bodemcondities, het (micro)klimaat, het reliëf, enz.) en de kwaliteit van de waarnemingen kan variëren naargelang van het netwerk. Aan de hand van de ontbladeringswaarden die in de naburige regio’s werden genoteerd, is het echter wel mogelijk om grootteordes te bepalen. Zo bedroeg de gemiddelde ontbladering op Europees niveau (30 landen), volgens de waarnemingen in 2009, 19,4% voor de beuk en 23,7% voor de eik, terwijl in het Brussels gewest respectievelijk 37% en 28% werd genoteerd. In Vlaanderen bedroegen de ontbladeringspercentages voor datzelfde jaar respectievelijk 15,7% (beuk) en 21,7% (zomereik) (Fischer et al, 2010).  Als wij alle soorten samen beschouwen, neemt de ontbladering in Europa over het algemeen toe (Fischer et al, 2010 geciteerd door Braem et al, 2010).
In het Waals Gewest vertoonden in 2011 respectievelijk 25,9% van de beuken en zomereiken en 17,3% van de eiken een ontbladering die hoger lag dan 25% (in 2012 bedroeg dit percentage in het Brussels Gewest 28%, zowel voor de beuken als voor de eiken).

Beheersmaatregelen

Het gewestelijk beheersplan van het Zoniënwoud, dat werd goedgekeurd in 2003, wordt op dit moment aangepast. Deze herzieningen moeten in het bijzonder rekening houden met nieuwe elementen die zijn opgedoken in de loop van dit laatste decennium: risico van afsterven van bepaalde soorten (in het bijzonder de beuk) in het licht van de vooropgestelde klimaatverandering, de toekenning van het statuut natura 2000 aan het Zoniënwoud, goedkeuring door de 3 gewesten van een “structuurschema” dat de grote oriëntaties en gemeenschappelijke beheersprincipes voor het Zoniënwoud bepaalt, stijging van de vraag naar groene recreatieruimten als gevolg van de bevolkingsgroei, …

Bronnen:

  • DELENTE A., PONETTE Q., DEFOURNY P., JONARD M. 2012. « Suivi de l’état sanitaire en Zoniënwoud bruxelloise 2011 – Rapport complet », Université Catholique de Louvain et Earth and Life Institute Environmental Sciences,  Etudes IBGE - BIM Studies, 85 pagina’s.
  • BRAEM S., PONETTE Q., DEFOURNY P., JONARD M. 2010. « Suivi de l’état sanitaire en Zoniënwoud bruxelloise 2010 – Rapport complet », Université Catholique de Louvain et Earth and Life Institute Environmental Sciences,  Etudes IBGE - BIM Studies, 93 pagina’s.
  • BRAEM S., PONETTE Q., DEFOURNY P., JONARD M. 2010. « Suivi de l’état sanitaire en Zoniënwoud bruxelloise 2009 – Rapport complet », Université Catholique de Louvain et  département MILA -Unité des Eaux et Forêts, Etudes IBGE - BIM Studies, 102 pagina’s.
  • DAISE, J. & CLAESSENS, H., 2009. « Etude de l’adéquation des essences aux stations forestières de la Zoniënwoud (zone bruxelloise) dans le contexte du changement climatique (.pdf) », rapport final, Etudes IBGE - BIM Studies, 307 pagina’s.
Datum van de update: 30/11/2015