U bent hier

De fragmentatie en het isolement van de groene ruimten

Een betere connectiviteit van de groene ruimten vormt een belangrijke uitdaging voor het behoud van de biodiversiteit in het Brussels Gewest. Het probleem van de connectiviteit tussen de groene ruimten blijft zeer groot voor de open groene ruimten en in de centrale wijken, maar doet zich ook voor in de rand, vooral op het niveau van het Zoniënwoud dat toch een cruciaal gebied is voor het Brussels ecologisch netwerk.

De fragmentatie van de natuurlijke habitats bedreigt de biodiversiteit

Zowel op wereldschaal als lokaal leidt de uitbreiding van de bebouwde oppervlakte tot een versnippering van de natuurlijke habitats, met biodiversiteitsverlies tot gevolg.
De aanwezigheid en het behoud van bepaalde dier- en plantensoorten hangt immers niet alleen af van de beschikbaarheid van natuurlijke habitats van voldoende grootte en kwaliteit, maar ook van de mogelijkheid voor deze soorten om zich te verplaatsen tussen de gebieden, om voeding of nieuwe territoria te zoeken, voor de voortplanting of voor de migratie. De verdwijning van aansluitingen tussen de natuurlijke milieus en het isolement van deze milieus door obstakels waar de soorten moeilijk – of zelfs onmogelijk – overheen raken, kunnen negatieve genetische en demografische gevolgen hebben voor het overleven op lange termijn van bepaalde soorten. Het “barrière-effect” kan toe te schrijven zijn aan vervoersinfrastructuren (wegen, parkings, maar ook spoorwegen, kanaal, enz.) of gebouwen, maar bijvoorbeeld ook aan kunstverlichting. Uit studies over vleermuizen van het Brussels Gewest blijkt in dit opzicht overigens dat de verlichting van voorheen onverlichte wegen die de vliegroutes van de vleermuizen kruisen, zware ecologische gevolgen kan hebben.

Ook in sterk vergroende gebieden is er een gebrek aan connectiviteit tussen groene ruimten

Een kaart van de onbebouwde ruimten en de begroeningsgraad, op basis van satellietbeelden met hoge resolutie, werd opgesteld in 2010 op vraag van Leefmilieu Brussel (zie factsheet “Analyse van de onbebouwde oppervlakken in het BHG door interpretatie van satellietbeelden”). Hieruit blijkt dat ongeveer 54% van het grondgebied van het Gewest bestaat uit groene ruimten. Deze zijn echter zeer ongelijk verdeeld over het Gewest. Zo is de begroeningsgraad beduidend hoger in de wijken van de tweede en de eerste kroon dan in de centrale wijken. Deze groene gebieden bestaan overigens vooral uit een dichte vegetatie (bossen, parken en tuinen met bomen en struiken). De open milieus (grasperken, weilanden, landbouwgrond) zijn schaarser en concentreren zich vooral in het westen en het noorden van het gewest.
In deze studie werd ook de kenmerken van de fragmentatie en het onderlinge isolement van de Brusselse groene ruimten geanalyseerd. De hierna weergegeven fragmentatiekaarten geven een interessant beeld van de ruimtelijke connectiviteit van de groene ruimten in het Brussels Gewest. Bij het opmaken van deze kaarten werd rekening gehouden met de onderlinge afstand tussen percelen van hetzelfde type (open milieu van meer dan 0,5 ha, gesloten/dichtbegroeid milieu met een oppervlakte tussen 0,5 en 5 ha en gesloten/dichtbegroeid milieu met een oppervlakte groter dan 5 ha). Hoe groter de minimumafstand tussen twee percelen van hetzelfde type, hoe meer men deze percelen als “beperkt aaneengesloten” (afgelegen) zal beschouwen.

Fragmentatiekaart van de groene ruimten
Bron: Van de Voorde et al. 2010 (op basis van satellietbeelden met hoge resolutie uit 2008).

Het weergegeven resultaat is gebaseerd op de kleinste afstand tussen een vegetatiezone en zijn dichtstbij gelegen buur (= nearest neighbour analysis). Alleen de zones van minimaal 0,5 ha met open milieu of van minimaal 0,5 of 5 ha met gesloten milieu werden in aanmerking genomen bij de analyse.
Fragmentatiekaart van de groene ruimten
 

Het centrum en de rand onderscheiden zich niet alleen van elkaar door hun begroeningsgraad, maar ook door de ruimtelijke connectiviteit van hun groene ruimten. Deze connectiviteit is minder uitgesproken in de meer centrale gebieden waar de meeste groene ruimten tuinen zijn die ingesloten liggen binnen de huizenblokken.
De onderstaande tabel toont, per type van groene ruimte (open milieu van meer dan 0,5 ha, gesloten/dichtbegroeid milieu met een oppervlakte tussen 0,5 en 5 ha en gesloten/dichtbegroeid milieu met een oppervlakte groter dan 5 ha), het percentage percelen dat zich op minder dan 10 meter – min of meer de breedte van een weg – van een perceel van hetzelfde type bevindt. 

We stellen vast dat slechts een beperkte fractie (19%) van de open groene ruimten zich op minder dan 10 meter van een ander groen perceel van hetzelfde type bevindt. Deze bij elkaar aansluitende open ruimten bevinden zich vooral in het landelijke gebied van Neerpede, aan de grenzen van de gemeente Anderlecht. 
Voor de gesloten groene ruimten bevindt een groot deel van de percelen zich op minder dan 10 meter van een ander dichtbegroeid perceel (respectievelijk 68% en 72% naargelang het gaat om de groene ruimten van meer dan 0,5 ha of van meer dan 5 ha).
De versnippering van de natuurlijke habitats is hoe dan ook een probleem voor de biodiversiteit in de groene kroon van het Gewest, met inbegrip van het Zoniënwoud. De connectiviteit tussen groene ruimten wordt immers niet alleen bepaald door de afstand tussen de percelen, maar ook door de aard van de vegetatie, haar biologische waarde of de aanwezigheid van fysieke barrières zoals wegen en omheiningen (onderschat in het kader van deze analyse).

Maatregelen om de connectiviteit tussen groene ruimten te verbeteren

De ordonnantie betreffende het natuurbehoud werd aangenomen in 2012. Een van de hoofddoelstellingen van deze ordonnantie betreft het invoeren van een “Brussels ecologisch netwerk” (BEN). Dit is een coherent geheel van natuurlijke, halfnatuurlijke en kunstmatige elementen van het gewestelijk grondgebied waarvan de instandhouding, het beheer en/of het herstel de voorwaarden moeten helpen creëren om te verzekeren dat de natuurlijke habitats worden behouden en de instandhouding van de soorten gunstig evolueert. Het netwerk omvat meer bepaald “verbindingsgebieden” die nodig zijn om de verspreiding of de migratie van soorten te bevorderen. Dit beleid van instandhouding of herstel van de connectiviteit tussen natuurlijke habitats wordt al vele jaren toegepast in het kader van het programma van het “groene netwerk” (dat ook sociaal-recreatieve aspecten omvat) dat door Leefmilieu Brussel werd opgezet in 1996 en vervolgens werd opgenomen in het gewestelijk ontwikkelingsplan.
Dit beleid, dat past in een langetermijnperspectief, steunt op een breed aantal maatregelen: rekening houden met de connectiviteit van de natuurlijke habitats bij de toekenning van stedenbouwkundige vergunningen, het opnieuw aansluiten van bepaalde waterlopen op het hydrografisch netwerk en het weer bovengronds brengen van bepaalde stukken (programma van het “blauwe netwerk”), het ontwikkelen van de groene wandeling, het aanleggen van ecoducten, ecospuien, ecobruggen (zoals bijvoorbeeld de recente bouw van een ecoduct waarlangs de wilde fauna de vier sporen van spoorlijn L161 in het Zoniënwoud kan oversteken) of het beheren van de lichtvervuiling.

Bronnen

  • LEEFMILIEU BRUSSEL 2012. « Rapport over de staat van de natuur in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest », 158 pagina’s
  • VAN DE VOORDE T., CANTERS F. en CHEUNG-WAI CHAN J. 2010. « Mapping update and analysis of the evolution of non-built (green) spaces in the Brussels Capital Region – Part I & II », cartography and GIS Research Group, department of geography, VUB, studie in opdracht van Leefmilieu Brussel, 35 pagina’s.
Datum van de update: 30/11/2015