U bent hier

Focus : Kwantitatieve toestand van het grondwater

Context

De grondwaterlichamen worden onderworpen aan een monitoring van hun kwantitatieve toestand en van hun chemische toestand, dit in overeenstemming met de eisen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Deze opvolging heeft in hoofdzaak betrekking op 5 “waterlichamen” die afgebakend werden op basis van hydrogeologische en operationele (lees: beheers-) criteria, in samenspraak met de regio’s en de lidstaten die deel uitmaken van het stroomgebied van de Schelde:
het waterlichaam van de Sokkel en het Krijt dat zich uitstrekt over het centrale en het noordelijke gedeelte van het Gewest (111 km2);

  • het waterlichaam van de Sokkel in het voedingsgebied in het zuiden van het Gewest (51 km2);
  • het waterlichaam van het Landeniaan dat zich over heel het westen van het gewestelijk grondgebied uitstrekt (162 km2);
  • het waterlichaam van het Ieperiaan, Heuvelstreek, in het noordwesten van het Gewest (21 km2);
  • het waterlichaam van het Brusseliaan in het oosten van de vallei van de Zenne (89 km2).

In onze rapporten werden deze waterlichamen beperkt tot de gewestelijke grenzen, maar zij maken deel uit van grensoverschrijdende aquifers. Verder treffen we op het grondgebied van het Brussels Gewest ook nog oppervlakkige waterlagen aan, die zich met name in de alluviën van de vallei van de Zenne en de aangrenzende valleien situeren, alsook in de sedimenten van het Kwartair.

Monitoring van de kwantitatieve toestand van het grondwater

De monitoring van de kwantitatieve toestand van het grondwater is voornamelijk gebaseerd op de meting van het waterpeil in de putten, op de piëzometers alsook op de gewonnen volumes en wordt verzekerd door 3 netwerken, met name:

  • een netwerk dat de piëzometrische niveaus van de uit hoofde van de KRW aangegeven 5 waterlichamen monitort. Dit netwerk wordt beheerd door Leefmilieu Brussel en bestaat op dit ogenblik uit 47 (automatisch en manuele) meetpunten;
  • een netwerk dat de kwartaire sedimenten en de alluvionnaire oppervlaktelagen opvolgt. Dit netwerk wordt eveneens beheerd door Leefmilieu Brussel en omvat op dit moment 2 meetpunten;
  • een specifiek monitoringnetwerk voor het beschermingsgebied van de voor menselijke consumptie bestemde waterwinningen dat door Vivaqua wordt beheerd en een tiental meetpunten telt, in overeenstemming met het BBHR van 19 november 2002.

Het Brussels Waterbeheersplan, dat zich op dit ogenblik in volle goedkeuringsfase bevindt, voorziet een aanpassing van de eerste twee netwerken teneinde de Europese aanbevelingen met betrekking tot de monitoring van het grondwater (dichtheid, lokalisatie, …) optimaal te kunnen opvolgen.
De KRW, en de Brusselse ordonnantie die eruit voortvloeit, eist dat tegen 2015 de “goede” kwantitatieve staat van de grondwaterlichamen zou worden bereikt in het kader van een duurzaam beheer van het water, dat rekening houdt met de evolutie van de winningen en de aanvulling van de aquifers.

Gewonnen watervolumes

Een honderdtal winningen, verspreid over de verschillende waterlichamen, zijn onderworpen aan een vergunning. Sinds 2003 stellen we een dalende tendens met betrekking tot de gewonnen volumes vast en dat voor alle waterlichamen. In 2009 werd er 2,4 miljoen m3 water gewonnen uit de verschillende lagen, waarvan 70 % afkomstig was uit de waterwinningen van Vivaqua in het Terkamerenbos en het Zoniënwoud (waterlichaam van het Brusseliaan). Het grondwater dat in het Brussels Gewest wordt gewonnen, is voornamelijk bestemd voor de productie van drinkwater (zie “Drinkwaterbevoorrading en -verbruik”) en voor industrieel gebruik. Niettemin wordt er ook water opgepompt om de funderingen van bouwwerken droog te kunnen realiseren, om overstromingen in de ondergrondse infrastructuren van de metro te voorkomen, om werken met betrekking tot de sanering van verontreinigde bodems te kunnen verrichten of met het oog op een hydrothermisch gebruik van het grondwater.

Beoordeling van de kwantitatieve toestand van de Brusselse waterlichamen aan de hand van de resultaten van de meetnetten
Bron : Leefmilieu Brussel, MER van het ontwerp van het maatregelenprogramma dat het WBP begeleidt

Kwalificatie van de kwantitatieve staat van het grondwater

Gezien de evolutie van de piëzometrische niveaus (die voor sommige monitoringsites al meer dan 20 jaar worden opgevolgd), worden de 5 grondwaterlichamen op dit ogenblik beschouwd als lichamen die in een goede kwantitatieve staat verkeren. Dat zal vermoedelijk zo blijven tot 2015, voor zover de tendensen die verband houden met de huidige waterwinningen en aanvullingen van de aquifers, niet veranderen. In dit opzicht dient opgemerkt dat volgens het intermediair scenario (A1B) van de scenarii die in 2007 werden uitgewerkt door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPPC), de klimaatveranderingen zich in ons Gewest niet alleen zouden vertalen in nattere winters, maar ook in een stijging van de jaarlijkse gemiddelde temperatuur en in een vermindering van de neerslag in de lente en in de zomer. Deze wijziging van het neerslagregime (spreiding in de tijd, intensiteit, duur, …) zou een impact kunnen hebben op de grondwaterreserves van bepaalde lagen.

Bronnen :

  • Leefmilieu Brussel 2011. « Milieueffectenrapport (MER) van het ontwerp van het maatregelenprogramma dat het Waterbeheersplan (WBP) van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest begeleidt », 374 pagina’s.
  • GIEC 2007. « Bilan 2007 des changements climatiques. Contribution des Groupes de travail I, II et III au quatrième Rapport d’évaluation du Groupe d’experts intergouvernemental sur l’évolution du climat », Genève, Suisse, 103 pages.
Datum van de update: 06/10/2016