U bent hier

Ecologische kwaliteit van de voornaamste waterlopen en vijvers

Context

In toepassing van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) moet elke lidstaat netwerken implementeren voor het monitoren van de waterkwaliteit en de nodige maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat hun oppervlaktewaterlichamen tegen 2015 een “goede ecologische en chemische toestand” hebben bereikt. De evaluatie van de ecologische kwaliteit van de waterlopen berust met name op de analyse van de samenstelling en het voorkomen van verschillende groepen biologische indicatoren in verhouding tot bepaalde referentieomstandigheden. Deze laatste stemmen overeen met de natuurlijke toestand of, voor de sterk gewijzigde (Zenne en Woluwe) of kunstmatige waterlopen (Kanaal), met de optimale situatie (“maximaal ecologisch potentieel”), daar rekening wordt gehouden met de wijzigingen die door de menselijke activiteiten werden aangebracht aan de natuurlijke fysieke omstandigheden. Voor deze laatste categorie van waterlopen wordt het doel van de “goede ecologische toestand” vervangen door dat van het “goede ecologische potentieel”. Er wordt rekening gehouden met vier grote groepen van biologische indicatoren: zo is er de waterflora die de macrofyten (hogere planten, zoals riet) en het fytobenthos (plantaardig plankton dat op de waterbodem leeft, zoals diatomeeën) omvat, ten tweede het fytoplankton (over het algemeen microscopische waterplanten in suspensie in het water), verder de macro-invertebraten (insecten en larven, wormen, weekdieren, …) en tenslotte de vissen.

Evaluatie van de ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater in het BHG

In 2004, in 2007 alsook – behalve voor de vissen – in 2009 en 2010 werd de ecologische kwaliteit geëvalueerd ter hoogte van verschillende bemonsteringspunten langs de Zenne, het Kanaal, de Woluwe (waterloop en vijvers) en 1 van haar zijtakken. Sinds 2009 worden verder ook de Neerpedebeek, de Molenbeek, de Vogelzangbeek en de Linkebeek geëvalueerd. Gelet op hun geringe grootte legt de KRW geen dergelijke evaluaties op voor de Brusselse vijvers, maar worden deze toch verricht voor beheersdoeleinden.

Onderstaande kaarten illustreren de verkregen evaluaties voor de 9 meetpunten die sinds 2004 worden opgevolgd. Wij stellen vast dat het aantal sites waar de globale ecologische kwaliteit van het water matig tot goed bevonden werd, van 3 naar 4 is gestegen tussen 2004 en 2010. Het gehanteerde evaluatieprincipe is echter zeer streng, aangezien het gebaseerd is op de groep van biologische indicatoren waarvoor de laagste score werd behaald. Verder kon de globale evaluatie maar gebeuren voor die biologische indicatoren waarvoor gegevens beschikbaar waren. Als we de evolutie per groep van bio-indicatoren bekijken, blijkt dat voor het merendeel van de meetpunten de ecologische kwaliteit identiek is gebleven of erop vooruit is gegaan en dat soms in erg aanzienlijke mate (grote vijver van Bosvoorde, lange vijver van het Woluwepark). Ook voor de Zenne werd er een lichte verbetering vastgesteld: verschijning van macrofyten vanaf 2009, zowel bij het binnenkomen als bij het verlaten van Brussel, alsook van insecten (chironomen) en weekdieren, respectievelijk in 2007 en 2010 bij het verlaten van het Gewest.

Beoordeling van de ecologische kwaliteit van de belangrijkste Brusselse waterlopen en van de vijvers van de Woluwe (2004-2007-2009-2010): algemene beoordeling en beoordeling per groep van bio-indicatoren
Bron: Leefmilieu Brussel, Onderafdeling Water, 2011

Vaststellingen voor de sites die enkel tijdens de laatste analysecampagne werden bemonsterd:

  • De globale ecologische kwaliteit van de Vijver van de Verdronken Kinderen werd matig bevonden en die van de Ten Reukenvijver goed (2009) (beide vijvers bevinden zich in de vallei van de Woluwe);
  • De globale ecologische kwaliteit van de Neerpedebeek en van Vogelzangbeek werd slecht bevonden, die van de Linkebeek ontoereikend en die van de Molenbeek (Laarbeekbos) matig (2009). Deze resultaten zijn te verklaren door het feit dat deze waterlopen nog steeds lozingen te verwerken krijgen die afkomstig zijn van de huishoudens, de landbouw of het wegennet..

Verschillende maatregelen binnen het kader van het programma van het Blauwe netwerk droegen bij tot de duidelijke verbeteringen die bij verschillende vijvers werden waargenomen: wij vermelden de winterse droogleggingen die voor een oxygenatie en mineralisatie van het slib zorgen (grote vijver van Bosvoorde in 2004 en 2006, lange vijver van het park van de Woluwe in 2007, Ten Reukenvijver in 2002, Vijver van de Verdronken Kinderen in 2001-2002), de controle van de vispopulaties, het ecologisch beheer van de oevers en het snoeien, …

Datum van de update: 06/10/2016
Documenten: 

Methodologische fiche(s)

Factsheet(s)

Rapport(en) van Leefmilieu Brussel

Studie(s)