U bent hier

Emissies van verzurende substanties (NOx, SOx, NH3)

Context

Het fenomeen van de verzuring is aan de basis een natuurlijk verschijnsel (zwavelhoudende uitstoot van vulkanen, gas dat vrijkomt door de activiteit van bepaalde bacteriën in de bodem bij de afbraak van organisch materiaal, ...). Dit fenomeen greep echter verder om zich heen door de uitstoot van verzurende stoffen als gevolg van menselijke activiteiten (verwarming, wegverkeer, industriële verbrandingsprocessen, ...). Door de ingrepen van de mens stelde zich een acuut probleem van verzuring van de bodem en van het oppervlaktewater en van schade aan de vegetatie en aan bepaalde bouwmaterialen.
Zwaveldioxide SO2, stikstofoxide NOX en ammoniak NH3 zijn de drie voornaamste gassen die tot het verzuringsfenomeen bijdragen; met dien verstande dat NH3 een potentieel verzurende stof is waarvan het verzuringspotentieel afhangt van de ammonium- en bicarbonaatconcentraties van het water.
Het gebruik van een unieke eenheid (ton zuurequivalent) maakt het mogelijk om de bijdragen van de verschillende stoffen die aan de basis van verzuring, liggen samen te voegen. Hierbij wordt aan elke stof een "gewicht" toegekend dat representatief is voor de verzuringsimpact van de verontreinigende stof.

Uitgestoten hoeveelheid verzurende stoffen per bron

In 2008 werd op het Brusselse grondgebied zowat 145 ton zuurequivalent uitgestoten. Alleen al het wegvervoer nam 45% van de emissies van de verzurende en potentieel verzurende stoffen voor zijn rekening. Wegtransport en verwarming van gebouwen (residentiële en tertiaire) waren datzelfde jaar samen goed voor 92% van de uitstoot.

Uitsplitsing van de verzurende of potentieel verzurende emissies in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, over de economische sectoren (2008)
Bron : Leefmilieu Brussel, Dpt Planning lucht, energie en klimaat


Ter vergelijking: in 2007 waren in het Waalse Gewest de industrie (37,3%), de landbouw (29,2%) en het wegvervoer (17,6 %) de grootste uitstoters van verzurende of potentieel verzurende substanties [Tableau de bord de l'environnement wallon, 2010]. Voor het Vlaams Gewest waren dat in 2009 de landbouw (39%), het transport (22%), energie (17%) en de industrie (14%) [MIRA, 2010].
Binnen de andere Gewesten zijn wegvervoer en verwarming naar verhouding dus minder belangrijke bronnen; dit verschil valt te verklaren door het essentieel stedelijke karakter van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

 

Evolutie van de uitgestoten hoeveelheid

Tussen 1990 en 2008 daalde de uitstoot van verzurende en potentieel verzurende stoffen met 55 % (145 ton Zeq. in 2008 versus 326 ton Zeq. in 1990).
In 1990 bestond 33% van de emissie van verzurende of potentieel verzurende stoffen uit SOx, 65% uit NOx, en 2% uit NH3 . In 2008 was dit respectievelijk 14%, 85% en 1%. Verhoudingsgewijs kende SOx dus een sterkere daling dan NOx.

Evolutie van de verzurende of potentieel verzurende emissies in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tussen 1990 en 2008
Bron : Leefmilieu Brussel, Dpt Planning lucht, energie en klimaat

De verklaring voor deze evolutie moet gezocht worden bij factoren die verschillen naargelang de substanties. Wat SOx betreft, droegen volgende factoren bij tot de verminderde uitstoot:

  • de daling van het zwavelgehalte in de voertuigbrandstoffen (vooral sinds 1996) en in de stookolie (beperkt tot 0,2 gewichtprocent sinds 1989),
  • het groeiend aandeel van aardgas in het totale brandstofverbruik, ten koste van de petroleumproducten,
  • de productievermindering gevolgd door de volledige sluiting van de Cokesfabriek van Marly in 1993,
  • en de invoering van een rookwassingssysteem in de afvalverbrandingsoven (medio 1999).

De vermindering van de NOx-uitstoot houdt verband met:

  • de sluiting van de Cokesfabriek van Marly in 1993,
  • de installatie van een filter op dezelfde verbrandingsoven van Neder-Over-Heembeek (2006),
  • de betere motorprestaties dankzij de invoering van bepaalde Europese richtlijnen aangaande de uitstoot van verontreinigende stoffen door verschillende categorieën van voertuigen ("EURO-normen"),
  • en de veralgemening van katalysatoren op nieuwe voertuigen vanaf 1993 (deze onderwerpen de uitlaatgassen aan een nabehandeling zodra ze de motor verlaten wat specifiek bij benzinewagens tot een lagere NOx-uitstoot leidt). Het belang van de katalysator voor het verlagen van de NOx-uitstoot in het Brussels Gewest moet enigszins worden gerelativeerd, aangezien een katalysator pas na het doorlopen van een aantal kilometer zijn effect laat voelen op de uitstoot (bij een koude motor, bij het starten en tijdens het versnellen/vertragen is de katalysator geheel of gedeeltelijk ondoeltreffend ) en omdat de Brusselse voertuigen tijdens de ochtendspits gemiddeld slechts 5,2 km afleggen (ramingen van Brussel Mobiliteit).

Wat tenslotte de uitstoot van NH3 betreft: de recente daling van NH3-emissie schijnt verband te houden met de verdieseling van het wagenpark. Het gebruik van driewegskatalysatoren op benzinewagens blijkt inderdaad tot een toename te leiden van de uitstoot van NH3 en N2O (wat verklaart waarom de NH3-uitstoot in 2000 steeg ten opzichte van 1995). De katalysator van de dieselvoertuigen (tweewegskatalysator) vangt de stikstofoxides niet af. Doordat er geen reactie met de stikstofoxides optreedt, stoten dieselvoertuigen geen ammoniak uit.

Europese normen

De Europese richtlijn 2001/81/EG (de zogenaamde "NEC-richtlijn") legt onder meer emissieplafonds op voor de verzurende luchtverontreinigende stoffen. Door de verdeling (in 2000) van de inspanning over de 3 Gewesten en de federale staat moet het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in 2010 volgende plafonds respecteren: de jaarlijkse uitstoot mag maximaal 43,82 ton Zeq. bedragen voor S02 en 65,1 ton Zeq. voor NOx (in beide gevallen heeft dit enkel betrekking op de vaste bronnen, het transport wordt m.a.w. niet meegerekend; voor de mobiele bronnen geldt het plafond op niveau van het land). Voor NH3 kreeg het BHG geen specifiek plafond opgelegd aangezien deze substantie slechts een klein aandeel vertegenwoordigt.
Volgens de resultaten van de modellen die op bovenstaande grafiek in beeld zijn gebracht, worden deze plafonds sinds 2006 gerespecteerd.

 

Datum van de update: 06/10/2016