U bent hier

Focus : Leefmilieu en economie : impact van de voeding op het leefmilieu

Context

Voeding staat centraal in de uitdagingen op het vlak van leefmilieu, samenleving, economie, cultuur, volksgezondheid, noord-zuidverhouding en patrimonium. In het Regeerakkoord 2009-2014 van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest staat dan ook: “de Regering wil van Brussel een toonbeeld maken op het vlak van duurzame voeding. […] Daartoe zal zij een strategisch plan uitwerken dat erop gericht is in Brussel een duurzame voeding en een duurzame stadslandbouw tot ontwikkeling te brengen.” De uitdaging bestaat erin een duurzame voeding te stimuleren, om de doelstellingen in termen van volksgezondheid, welzijn en kwaliteit van het leefmilieu te bereiken.

Milieu-impact van onze voedingsgewoonten

De milieu-impact van onze voedingsgewoonten treedt op gedurende de hele levenscyclus van de voedingsmiddelen en is vooral van indirecte aard:
De productie van onze voeding verbruikt veel water, grondstoffen (vooral voor de productie van meststoffen en pesticiden, ...) en energie (voor de verwarming van serres, de bewerking van de grond, de productie van meststoffen en pesticiden, ...). Onze manier van voedselproductie leidt in veel gevallen ook tot erosie van de grond, ontbossing, een verlies van biodiversiteit door grootschalige monocultuur, een te grote productie van gier (dat gevolgen heeft voor de grondwaterkwaliteit) en methaan (dat bijdraagt tot de klimaatverandering), een sterke daling van de vispopulaties door overbevissing van bepaalde soorten, ...
De primaire voedselproductie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is laag. In 2010 telde het Gewest 268 ha landbouwoppervlakte (waarvan 65 % velden en 35 % weilanden) [Statbel, 2011]. Uit een telling in 2004 is gebleken dat het Brussels Gewest op openbare percelen 23,16 ha moestuinen heeft, deze zijn goed voor 1.122 percelen [Bingen, 2004]. Op dit moment beheert Leefmilieu Brussel zelf 190 percelen in 8 moestuinen, met een totale oppervlakte van 2 ha, wat overeenkomt met 0,1 % van de groene ruimte die door het Gewest wordt beheerd. Deze percelen worden ter beschikking gesteld van de Brusselse gezinnen, aan de hand van contracten. Ook een tiental scholen heeft een moestuin aangelegd. Uit een telefonische enquête van juli 2011 blijkt dat 85% van de Brusselaars toegang heeft tot een tuin of een terras en dat 19 % van de Brusselaars aan stadsmoestuinieren doet (in een tuin, op een balkon, op een plat dak, ...), zonder pesticiden of chemische meststoffen te gebruiken (in bijna alle gevallen).

Ongeveer 80 % van de verbruikte voeding ondergaat een verwerking door de voedingsindustrie, de derde industriële sector in België. Ook deze verwerking en de behandeling van de voeding hebben heel wat gevolgen voor het milieu, naargelang van het type van verwerking, de bewaringsmiddelen, de verpakking, ... Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest telt ongeveer 600 voedingsmiddelenbedrijven, waarvan de meeste kmo’s of kleine werkplaatsen zijn.

Het transport van onze voedingsmiddelen neemt ook een groot deel van de milieu-impact voor zijn rekening. Ons voedsel moet vervoerd worden van de plaats van productie naar de plaats van verwerking of behandeling, vervolgens naar de plaats van distributie en tenslotte naar de plaats van consumptie. De impact van het transport van de voedingsmiddelen hangt af van de afstand, de vervoerswijze en de bezettingsgraad.
De distributie van voedingsmiddelen vergt ook een energieverbruik voor verlichting, koeling, verwarming, enz. In 2007 werden in Brussel de voedingsmiddelen vooral verdeeld door de sector van de grote en middelgrote distributie. Deze is goed voor 92% van de voedingsmiddelenmarkt [Nielsen, 2008].

Tot slot heeft ook de voedselconsumptie zelf een impact op ons leefmilieu, afhankelijk van de wijze en de tijd van bereiding en bewaring (koelkast, diepvriezer), de voedselverspilling, de afvalsortering, ...

Kwantificering van deze impact

Verschillende studies werden uitgevoerd om de impact van onze voedselconsumptie in cijfers uit te drukken. Ze hielden rekening met de impact van de hele levenscyclus van onze voeding (productie, verwerking en behandeling, transport, distributie, consumptie, afvoer als afval). De Europese studie EIPRO [DG JCR, 2006] berekende de milieu-impact van de producten in de EU van de 25, rekening houdend met de volledige levenscyclus en volgens de verschillende functionele consumptiedomeinen (definitie COICOP van de VN). Volgens deze studie zijn in de EU van de 25, voeding en dranken verantwoordelijk voor 20 tot 30 % van de impact die onze consumptie uitoefent op het leefmilieu. Onze consumptie van voedingsmiddelen (met inbegrip van dranken) is verantwoordelijk voor 60 % van de aangetroffen gevallen van eutrofiëring . Onderstaande grafiek geeft een gedetailleerd overzicht van deze resultaten.

Bijdrage van de verschillende functionele consumptiedomeinen aan de verschillende milieueffecten in de EU van de 25
Bron : Environmental Impact of Product (EIPRO) : Analysis of the life cycle environmental impacts related to the final consumption of the EU-25, European Commission (DG JRC), 2006.

In 2004 heeft Leefmilieu Brussel overigens een studie laten uitvoeren om de “Ecologische voetafdruk van de inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest” te berekenen. Volgens deze studie was, in 2001, gemiddeld 23 % van de totale voetafdruk van de Brusselaars toe te schrijven aan de voetafdruk van hun voedsel.

Sociale en economische aspecten van de duurzame voeding

Het studiegebied van duurzame voeding is niet beperkt tot de milieu-impact maar bekijkt ook de sociale en economische aspecten. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft geen eigen definitie voor duurzame voeding, maar verwijst naar de door RABAD (Netwerk van Brusselse Actoren voor Duurzame Voeding) voorgestelde definitie. Volgens RABAD heeft duurzame voeding de volgende kenmerken:

  • Toegang voor iedereen, wereldwijd, tot kwaliteitsvoeding, d.w.z. tot gevarieerd, gezond en evenwichtig voedsel dat aan de eerste levensbehoeften tegemoetkomt en bijdraagt tot het welzijn en de gezondheid.
  • Het recht op voedselsoevereiniteit, d.w.z. het recht voor iedere lidstaat om zijn eigen beleid en strategieën voor de productie van duurzame voeding en consumptie te bepalen, zonder dumpingpraktijken ten aanzien van derde landen.
  • Een beperkte milieu-impact gedurende de hele levenscyclus - van het veld tot het bord - en de vermindering van de ecologische voetafdruk van de voedingspatronen; de productiemethoden moeten de vruchtbaarheid van de bodem en de biodiversiteit optimaal instandhouden, mogen het welzijn van de fokdieren niet uit het oog verliezen en gebruiken geen genetisch gemodificeerde organismen.
  • De consumptie van lokaal gekweekte producten aangepast aan het seizoen.
  • Het respect voor sociale rechten en mensenrechten in de loop van de productie- en distributieketen.
  • Eerlijke handel en een rechtvaardige prijs voor de producent, zowel in het noorden als in het zuiden.
  • Transparantie van de praktijken, zichtbaarheid en traceerbaarheid, informatie aan de consumenten.
  • De instandhouding en uitbreiding van lokale associatieve en artisanale bedrijven, van korte circuits en de ontwikkeling van vertrouwensrelaties tussen producenten en consumenten.
  • De verspreiding en uitwisseling van de culinaire cultuur, overdracht van traditionele kennis en bevorderen van creativiteit, ontdekking van nieuwe smaken.
  • Het tot stand komen van sociale banden en gezelligheid via voeding.

Voor een geleidelijke omvorming van het hele Brusselse voedingssysteem zet het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verschillende acties op touw:

  • Projecten worden opgezet (zoals het project “Duurzame grootkeukens”, dat grootkeukens (scholen, rusthuizen, ondernemingen, besturen, enz.) bijstaat die willen overschakelen op duurzame voeding; het project “Greencook”, meegefinancierd door het fonds INTERREG IVB, 2010-2013, dat tot doel heeft voedselverspilling doorheen de hele voedselketen te beperken; projecten van invoering van collectieve moestuinen via de projectoproep “Collectieve moestuinen”, “Duurzame wijken”, “Groene wijken”, en ook via “Duurzamewijkcontracten”; of de projectoproep “duurzame voeding” die half 2011 werd gelanceerd bij verschillende actoren op het terrein);
  • Initiatieven worden ondersteund (zoals de campagne “Donderdag Veggiedag” en de actie “Proef Brussel”, georganiseerd door Karikol, de Slow Food-organisatie van Brussel).
  • Tal van bewustmakingscampagnes worden onder de aandacht van het grote publiek gebracht.
  • Organisaties die actief zijn in het domein worden ondersteund of zelfs gesubsidieerd (zoals Rabad (Netwerk van Brusselse Actoren voor een duurzame voeding), SAGAL (Solidaire aankoopgroep voor artisanale landbouw).

Bronnen

  • Statbel, 2011 – Land-en tuinbouwbedrijven
  • Bingen J., 2004, "Les sites potagers bruxellois : intérêt régional et analyse de la situation", eindwerk, ULB-IGEAT, 90 pagina’s
  • Hermanus K.., 2009. "Strategische nota over de verbetering en ontwikkeling van moestuinen in het BHG", intern werkdocument van Leefmilieu Brussel
  • Dedicated Research, Juillet 2011, "Les maraîchages urbains, écologiques: freins, leviers à la réalisation et état des lieux – Phase quantitative", Telefonische enquête uitgevoerd op vraag van Leefmilieu Brussel, Rapport, 61 pagina’s
  • The Nielsen Company Belgium , 2008, « Voedingsuniversum – 2008 », jaarlijkse inventaris van de detailhandel, 45ste uitgave, 47 pagina’s
  • European Commission (DG JRC, Institute for Prospective Technological Studies, European Science and Technology Observatory), 2006, "Environmental Impact of Product (EIPRO) : Analysis of the life cycle environmental impacts related to the final consumption of the EU-25",.Main Report IPTS/EPTO Project, Technical Report Series EUR 22284 EN, 136 pages
  • Ecolife, 2004, "De ecologische voetafdruk van de bewoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest", Studie op vraag van Leefmilieu Brussel, Samenvattend rapport, 30 pagina’s
Datum van de update: 06/10/2016