U bent hier

Focus : Gezondheidstoestand van het Brussels Zoniënwoud

Met een oppervlakte van zowat 10% van het Brusselse grondgebied, vertegenwoordigt het Zoniënwoud een natuurlijk en sociaal patrimonium van het hoogste belang voor het Brussels gewest.

Kwetsbare factoren

Er zijn echter verscheidene factoren die het bos kwetsbaar maken: de vele bezoekers, de aard van de bodem (betrekkelijke droogte van de bodems op een deel van de hellingen, compactatie van de bodem, frequente aanwezigheid van een vrij ondiepe verharde bodemhorizon…), overwicht van vaak verouderde beukenpopulaties, luchtvervuiling… Bovendien zullen de klimaatwijzigingen verwacht voor de volgende decennia naar alle verwachting de werking van de ecosystemen gevoelig aantasten, bijvoorbeeld op het vlak van de aangroei van de bospopulatie of de ontwikkeling van gewasvernielende populaties. In dat verband heeft een prospectief onderzoek uitgevoerd op aanvraag van Leefmilieu Brussel (Daise et al, 2009) uitgewezen dat, in het Zoniënwoud, de beuk en in mindere mate de zomereik het risico lopen om sterk getroffen te worden in het geval van een hypothetisch scenario van een middelmatige klimaatwijziging (cf. Synthese 2007-2008, fiche « Zoniënwoud en risico ‘s verbonden aan de klimaatwijziging »). Meer algemeen worden sinds een dertigtal jaar zowat overal in Europa min of meer markante verschijnselen waargenomen van het afsterven van bossen.

Waarnemingssysteem

Het is in deze context dat het Brussels Gewest recent beslist heeft om een permanent waarnemingssysteem op te zetten omtrent de vitaliteit van de 3 belangrijkste boomsoorten van het Zoniënwoud, met name de beuk en de inheemse eiken (wintereik en zomereik). Die boomsoorten bestrijken 84% van het Brusselse woud, zuiver of in mengvorm. De methode – die wordt uitgevoerd volgens een wetenschappelijk protocol dat op Europees niveau op punt werd gesteld – is gebaseerd op de visuele waarneming in de zomer van bomen die in “proefpercelen” worden gezet (perceel van 400 m x 400 m). Het aantal en de verdeling van de bomen in het bosmassief is zo gekozen dat ze een representatieve steekproef vormen. De waarneming heeft betrekking op bomen die groot genoeg zijn (volgens diameter) en ook hoog genoeg (kruin die het licht kan opvangen) en houdt rekening met verscheidene criteria zoals ontbladering, ontkleuring, vruchtvorming of schade en symptomen. Ontbladering – gedefinieerd als het verlies van bladeren in het bovenste deel van de kruin in vergelijking met een gezonde boom – is een integrerend criterium dat de invloed weerspiegelt van onder meer het klimaat, de bodemkwaliteit, aanvallen van parasieten of de leeftijd van de boom. Het geeft dus een globaal idee van de gezondheid van de boom.

Er werd in 2009 gestart met deze waarnemingscampagnes in het Brussels Gewest.

Resultaten van de waarnemingen

Verdeling van de bomen volgens de waargenomen klasse van ontbladering (2010)
Bron: Braem S. et al., 2010

In 2010 hadden iets meer dan 60% van de waargenomen eiken en beuken (146 bomen in totaal) een ontbladering die hoger lag dan 25% (in het Waals Gewest wordt een ontbladering van meer dan 25% als abnormaal beschouwd). De gemiddelde ontbladering bedroeg 27% voor de beuk en 29% voor de eik. Er wordt een matige tot sterke ontkleuring waargenomen op zowat 10% van de beuken en 25% van de eiken.

Uit de vergelijking van de resultaten over de bomen waargenomen in 2009 en 2010 blijkt dat de ontbladering van de beuken tussen beide tijdstippen gemiddeld met 7,3% is verminderd en die van de eiken met 5%. Deze evolutie is waarschijnlijk te danken aan het feit dat in 2010 de groeicondities beter waren en de vruchtvorming beperkter, en aan het vallen van dode takken uit de boomkruin door de windvlagen die zich datzelfde jaar voordeden. Om een evolutietrend op lange termijn te bepalen, zijn verscheidene meetcampagnes nodig.

Het is delicaat om deze cijfers te vergelijken met diegene die genoteerd zijn in de aangrenzende regio’s aangezien de beschreven populaties er anders zijn (leeftijd en densiteit van de populaties, bodemcondities, het (micro)klimaat, het reliëf, enz.) en de kwaliteit van de waarnemingen kan variëren in functie van het netwerk. Aan de hand van de ontbladeringswaarden die in de naburige regio’s werden genoteerd, is het echter wel mogelijk om grootteordes te bepalen. Zo bedroeg de gemiddelde ontbladering op Europees niveau (30 landen), volgens de waarnemingen in 2009, 19,4% voor de beuk en 23,7% voor de eik. Als wij alle soorten samen beschouwen, neemt de ontbladering in Europa over het algemeen toe (Fischer et al, 2010 geciteerd door Braem et al, 2010). In Vlaanderen bedroegen de ontbladeringspercentages respectievelijk 15,7% (beuk) en 21,7% (zomereik) voor datzelfde jaar (Fischer et al, 2010). In het Waals Gewest vertoonden in 2008 respectievelijk 18,6%, 17,7% en 11,7% van de waargenomen beuken, zomereiken en wintereiken een ontbladering die hoger lag dan 25%.

Een uit te diepen analyse…

Rekening houdend met de resultaten van deze inventarissen en met de risico's die het perspectief van de klimaatwijziging met zich meebrengt voor de ecosystemen – in het bijzonder in het Zoniënwoud – zou het nodig kunnen zijn om de factoren die de gezondheidstoestand van het Zoniënwoud negatief kunnen beïnvloeden, grondiger te gaan analyseren. Dit om de beheersmaatregelen te identificeren die kunnen zorgen voor het behoud op lange termijn van dit patrimonium. Als mogelijke maatregelen suggereren de vorsers het beperken van de leeftijd van de populaties, het diversifiëren van het beukenbos door het aanplanten van boomsoorten die het best aangepast zijn aan de huidige en toekomstige voorwaarden van de bosstations in het Zoniënwoud (Daise et al, 2009) en het beperken van de dichtheid van de populaties.

Bronnen

  • BRAEM S., PONETTE Q., DEFOURNY P., JONARD M. 2010. « Suivi de l’état sanitaire en forêt de Soignes bruxelloise 2010 – », Université Catholique de Louvain et Earth and Life Institute Environmental Sciences, volledig rapport, studie in opdracht van Leefmilieu Brussel, 93 blz.
  • BRAEM S., PONETTE Q., DEFOURNY P., JONARD M. 2009. « Suivi de l’état sanitaire en forêt de Soignes bruxelloise 2010 – Rapport complet », ’Université Catholique de Louvain et département MILA -Unité des Eaux et Forêts, volledig rapport, studie in opdracht van Leefmilieu Brussel, 102 blz.
  • CELLULE ETAT DE l’ENVIRONNEMENT WALLON. 2010, « Tableau de bord de l’environnement wallon, SPW-DGARNE-DEMNA-DEE, 232 pp.
  • DAISE, J. & CLAESSENS, H., 2009. « Etude de l’adéquation des essences aux stations forestières de la forêt de Soignes (zone bruxelloise) dans le contexte du changement climatique (.pdf) », eindrapport, studie in opdracht van Leefmilieu Brussel, 307 blz.
Datum van de update: 06/10/2016