U bent hier

Focus : Evolutie van het klimaat in het BHG

Actualisering : december 2011

Context

De langste reeksen klimatologische waarnemingen in België zijn die van de regio Brussel, die al sinds 1833 op regelmatige basis worden uitgevoerd. Eerst in Sint-Joost-ten-Node (op de oude site van de Sterrenwacht van België) en daarna in Ukkel vanaf 1886. Toen moest de Sterrenwacht naar de zuidelijke rand van de stad verhuizen waar de omgeving zich beter leende voor de astronomische waarnemingen.

Zodoende beschikt het Koninklijk Meteorologisch Instituut van België (of KMI) over meetreeksen van meer dan 100 jaar voor de temperatuur, de luchtvochtigheid, de hoeveelheid en het aantal dagen neerslag, de luchtdruk, de windsnelheid, de zonneschijnduur, het aantal dagen met sneeuw en de sneeuwbedekking van de bodem.

Na homogenisering van de gegevens kunnen wij aan de hand van de statistische analyse van deze reeksen klimatologische waarnemingen in Brussel-Ukkel, een antwoord formuleren op de vraag die vaak wordt gesteld: kunnen we in België een verandering van het klimaat waarnemen?

Evolutie van de temperatuur

Onderstaande figuur toont de evolutie van de gemiddelde jaartemperatuur in Brussel sinds 1833.

Evolutie van de gemiddelde jaartemperatuur (in °C) in St-Joost-Ten-Noode/Ukkel tussen 1833 en 2007
Bron : KMI, 2008, "Oog voor het klimaat", blz. 7
De paarse curve komt overeen met de jaarwaarden van de parameter en de grijze horizontale lijnen met de gemiddelde waarden van de parameter over de verschillende perioden tijdens de welke de jaarwaarden relatief stabiel bleven rond deze gemiddelden.

Uit het onderzoek van de evolutie van de gemiddelde jaartemperatuur blijkt dat er sprake is van een globale opwarming van ongeveer 2 °C over de beschouwde periode.

De stijging van de temperaturen was niet gelijkmatig: zij deed zich voor in twee relatief abrupte etappen: er was een eerste stijging rond 1910 en een tweede aan het einde van de jaren 1980. In beide gevallen ging het om een stijging van de jaargemiddelde temperatuur van een vergelijkbare grootorde, namelijk 1 °C. De eerste stijging is voornamelijk te wijten aan een stijging van de maximale temperaturen, terwijl de tweede vooral toe te schrijven is aan een stijging van de minimale temperaturen.

Uit het onderzoek van de seizoenale temperaturen blijkt dat de gemiddelde winter- en lentetemperatuur, net zoals de jaargemiddelde temperatuur, ook een eerste vrij abrupte en zeer opmerkelijke opwarming hebben gekend rond 1910 en een tweede tegen het einde van de tachtiger jaren. De zomer en de herfst hebben eveneens twee zeer opmerkelijke periodes van opwarming meegemaakt, de eerste manifesteerde zich rond 1925-1930 en de tweede rond het begin van de jaren 1980.

Evolutie van de neerslag

Evolutie van de jaarlijkse neerslaghoeveelheden (in mm) in Sint-Joost-ten-Noode/Ukkel tussen 1833 en 2007
Bron : KMI, 2008, "Oog voor het klimaat", p. 13
De paarse curve komt overeen met de jaarwaarden van de parameter en de horizontale grijze lijnen met de gemiddelde waarden van de parameter over de verschillende perioden tijdens de welke de jaarwaarden relatief stabiel bleven rond deze gemiddelden.

Voor de neerslaghoeveelheden leidt het onderzoek van de gegevens tot minder significante resultaten (wat gedeeltelijk wordt verklaard door de grote variabiliteit van de neerslag in onze contreien).
De analyse van de reeks toont echter een zeer significante toename rond 1910, gekenmerkt door een stijging in de orde van 7 % van de jaarlijkse neerslaghoeveelheden. Op het niveau van de seizoenen vertonen de winterneerslag en de lenteneerslag eveneens een toename in de orde van 15 %, de stijging is zeer opvallend rond 1910 respectievelijk opmerkelijk rond 1965. Voor de hoeveelheden zomer- en herfstneerslag viel er daarentegen geen significante evolutie op te tekenen.

In termen van frequentie van het aantal dagen met neerslag, werd er geen opmerkelijke tendens waargenomen tijdens de 20ste eeuw. Evenzo laat de analyse van de frequentie van de overvloedige neerslaghoeveelheden tijdens onweders ons niet toe om op onbetwistbare wijze te bevestigen dat ze vandaag frequenter zouden voorkomen dan in het verleden.

Bronnen

  • Koninklijk Meteorologisch Instituut, 2008, "Oog voor het klimaat", 60 pagina’s
  • Leefmilieu Brussel, 2008, "Milieueffectenrapport van het ontwerp van Gewestelijk plan voor Overstromingsbestrijding – Regenplan 2008–2011", 80 pagina’s
Datum van de update: 08/01/2020