U bent hier

Menselijke biomonitoring : resultaten van het DEMOCOPHES-project

Dank zij het project DEMOCOPHES hebben 17 Europese landen waaronder België (met o.a. Brussel) een gemeenschappelijke aanpak uitgeprobeerd voor biomonitoringsprogramma's. Zij produceerden voor een welbepaalde studiepopulatie gegevens over de verspreiding van specifieke biomerkers en over ermee gerelateerde levensstijlen. Voor de eerste keer leidde dit tot vergelijkbare resultaten op Europese schaal over blootstelling aan vervuiling buitenhuis en binnenhuis.

Context

Mens, dier en milieu worden blootgesteld aan vervuilende stoffen. Humane BioMonitoring (HBM) is een onderzoeksmethode die ‘de concentratie aan vervuilende stoffen in het menselijk lichaam meet d.m.v. biomerkers’. Biomerkers zijn organische substanties die wijzen op bepaalde biologische processen. In de geneeskunde worden cellen, eiwitten en genen als biomerkers gebruikt om diagnoses te stellen. Deze biomerkers worden opgespoord in urine, haar, bloed, speeksel, moedermelk, vetweefsel of bv. zaadcellen. De hoeveelheid vervuilende stof opgenomen in het lichaam en de manier waarop deze stof door het lichaam wordt gestockeerd of verwerkt, kan een idee geven van de mogelijke gezondheidseffecten. HBM verstrekt een directe meting van de hoeveelheid chemicaliën die aanwezig zijn in het menselijk lichaam en die afkomstig zijn uit het milieu of de leefomgeving. HBM is een zeer interessant instrument voor het opsporen van tendenzen (in tijd en ruimte) in de blootstellingsniveaus aan milieuvervuilende stoffen, of om prioriteiten te identificeren. Deze kennis kan gebruikt worden om de bevolking te informeren of beleidsmaatregelen te monitoren.
Het Europees pilootproject ‘Democophes’ (DEMOnstration of a study to COordinate and Perform Human biomonitoring on a European Scale) waaraan naast België nog 16 andere landen deelnamen, liep van september 2010 tot november 2012. De bedoeling van dit initiatief was na te gaan of een geharmoniseerde en gecoördineerde aanpak van biomonitoringprogramma’s op Europese schaal haalbaar is, om, waar relevant, de resultaten van de verschillende landen onderling te kunnen vergelijken.

Projectopbouw

Elk van de deelnemende landen ging op een gelijkaardige manier te werk op basis van een gemeenschappelijk Europees protocol: dezelfde polluenten werden geselecteerd en er werden vergelijkbare procedures opgesteld voor de rekrutering van en de communicatie met de deelnemers, voor de staalnames, de kwaliteitscontrole en analyse van de gegevens en de statistische verwerking. De polluenten weerhouden voor de selectie waren: kwik en cadmium (zware metalen), cotinine (tabaksrook), ftalaten (weekmakers in plastics), bisfenol A (kan vrijkomen uit sommige plastic materialen) en triclosan (bewaarmiddel in bijvoorbeeld cosmetica, verzorgingsproducten, textiel en plastic). De aanwezigheid van deze vervuilende stoffen in het lichaam leidt niet noodzakelijk tot gezondheidsproblemen. Zij werden in de selectie opgenomen omdat hun opvolging op Europees niveau belangrijk wordt geacht. Sommige van deze producten zijn ten andere nu al onderworpen aan gebruiksbeperkingen.
In België werden bij 129 moeders (< 46 jaar) en 129 kinderen (6-12 jaar) urine- en haarstalen verzameld om daarin de concentratie aan bovenvermelde vervuilende stoffen te bepalen. De helft van de deelnemers woonde in een landelijk en dus laagbevolkt gebied binnen Vlaanderen en Wallonië (regio Brakel, Ellezelles, Frasnes-lez-Anvaing) en de andere helft in een stedelijk en dus sterk bevolkt gebied (Brussels Hoofdstedelijk Gewest). De kinderen werden gerekruteerd in acht scholen in het landelijk gebied en vijf scholen in het stedelijk gebied.
Als aanvulling op de staalname werd via een vragenlijst gepeild naar de woonomgeving en binnenhuisblootstelling aan: 1) verbrandingsproducten en plasticcomponenten, 2) voedingsgewoonten, 3) rookgedrag, 4) gebruik van verzorgingsproducten, 5) hobby’s (waarbij er blootstelling is aan metalen of plastics), 6) beroep en opleiding. De antwoorden van deze vragenlijsten zijn belangrijk bij de interpretatie van de chemische analyses. Het is namelijk zo dat de levensstijlfactoren een invloed kunnen hebben op de gemeten polluentgehalten en bijgevolg een idee kunnen geven over hoe de blootstelling is gebeurd.

Resultaten voor de Belgische studiepopulatie

Vragenlijst

Uit de vragenlijst bleek dat 33% van de moeders en 36% van de kinderen lokale voeding (lokale kweker, familie of eigen groentetuin) aten, en 30% van de moeders en 20% van de kinderen verschillende malen per week vis consumeerden. De helft (50%) van de kinderen at kantinevoeding.
Ongeveer 9% van de moeders was roker.
De grote meerderheid (80%) van de moeders en 5% van de kinderen had amalgaamvullingen (bron van kwik). Ongeveer 20% van de deelnemers had ooit een spaarlamp of kwikthermometer gebroken.
De meeste moeders gebruikten veel tot redelijk veel verzorgingsproducten zoals make-up, shampoo, haarproducten, deodorant, parfum.
25% van de moeders en 6% van de kinderen zaten dagelijks gedurende een uur in het verkeer. De helft van de moeders (52%) meldde dat ze in de afgelopen twee jaar het huis had heringericht of gerenoveerd.

Chemische analyses

De gemeten concentraties aan vervuilende stoffen binnen de Belgische studiepopulatie lagen praktisch allemaal onder de ‘op gezondheid gebaseerde richtwaarden’. Althans, voor zover richtwaarden voorhanden zijn.
Met uitzondering van kwik en bepaalde ftalaatmetabolieten lagen de concentraties van de vervuilende stoffen in de lucht beneden het Europees gemiddelde.
De concentraties van alle gemeten polluenten correleerden goed tot zeer goed tussen moeders en hun kinderen. Dit impliceert dat de woonomgeving (huis) en de voedselconsumptie die vrij vergelijkbaar is tussen familieleden, verantwoordelijk waren voor een belangrijk deel van de blootstelling. De waarden van de meeste polluenten zoals kwik, triclosan, DiEthyl Ftalaat (DEF) en cadmium lagen hoger bij de moeders.  De redenen hiervoor zijn dat zware metalen zich opstapelen met toenemende leeftijd en schoonheidsproducten meer gebruikt worden door moeders dan door kinderen. Deze producten kunnen triclosan en/of ftalaten bevatten. De waarden van alle andere gemeten ftalaten lagen dan weer hoger bij de kinderen dan bij de volwassenen. De aanwezigheid van de plastiekcomponent Bisfenol A in urine was gelijklopend voor de moeders en hun kind.
De cadmiumgehalten  in zowel moeder als kind lagen hoger in het stedelijk gebied dan in het landelijk gebied (Figuur 1a). Ook voor cadmium lagen de Belgische waarden beneden  het Europees gemiddelde (Figuur 1b).

Taux de cadmium

Figuur 1: (a) geometrisch gemiddelde (± 95% betrouwbaarheidsinterval) voor urinaire cadmium concentraties gemeten in Belgische moeders en kinderen in zowel het landelijk als stedelijk gebied. (b) urinaire cadmium concentraties gemeten in Belgische en Europese moeders en kinderen (geometrisch gemiddelde ± 95% betrouwbaarheidsinterval) (N= aantal moeders/kinderen). 

Algemene conclusie

Deze Europese pilootstudie toonde aan dat HBM op Europese schaal via een gecoördineerde aanpak haalbaar is. Dit maakt het mogelijk de bekomen resultaten te vergelijken, op continue wijze ervaring uit te wisselen en gezamenlijke prioriteiten en adviezen te formuleren. 
Deze studie toont aan dat de aanwezigheid van verschillende milieu gerelateerde vervuilende stoffen in kinderen en hun moeders verklaard kunnen worden door de opgevraagde informatie over levensstijl, voeding en woonomgeving. Dit was mogelijk dankzij het gebruik van een aangepaste vragenlijst. 
 

Datum van de update: 09/07/2018