U bent hier

Emissie van ozonprecursoren (NOx, VOS, CO en CH4)

Ozon is een belangrijke luchtvervuilende stof want schadelijk voor mens, fauna en flora. Het  stelt vooral problemen in de zomer als de meteorologische omstandigheden gunstig zijn qua licht en warmte en in aanwezigheid van ozonprecursoren, aangezien deze dan een chemische reactie ondergaan en omgezet worden in ozon.
Tussen 1990 en 2010 daalde de uitstoot van ozonprecursoren in het Brussels gewest met 69 %.
Het wegvervoer is de voornaamste emissiebron van ozonprecursoren (met meer dan 45%).

Context

Troposferische ozon staat in het lijstje van de luchtkwaliteitsindicatoren omwille van zijn impact op de gezondheid en het leefmilieu. Zijn toxiciteit verschilt volgens de concentratie; in abnormaal hoge hoeveelheden kan ozon ernstige gezondheidsproblemen veroorzaken. Bovendien kan het veranderingen teweegbrengen in teelten en bossen, en tal van materialen aantasten.
Troposferische ozon is een secundaire polluent; dat betekent dat dit element niet rechtstreeks in de omgevingslucht wordt uitgestoten maar ontstaat door fotochemie in de atmosfeer, vooral tijdens de zomer  als gevolg van de irradiatie van primaire polluenten (waaronder stikstofdioxide NO2) door de ultraviolette straling (UV). Deze reactie wordt verstoord door de aanwezigheid van verschillende substanties: vluchtige organische stoffen (VOS), het radicaal dat resulteert uit de oxidatie van methaan (CH4); of reactie van koolstofmonoxide (CO) met het hydroxyl (OH) in de atmosfeer (zie methodologische fiche). 
De substanties NOX, VOS, CH4 en CO worden dan ook beschouwd als de voornaamste precursoren van het troposferische ozon.

Uitgestoten hoeveelheid ozonprecursoren per bron

In 2010 werd op het Brusselse grondgebied meer dan 11000 ton VOS-equivalent uitgestoten. Het wegvervoer is de voornaamste emissiebron van precursoren van troposferische ozon en neemt  45% van de uitstoot voor zijn rekening. Andere belangrijke bron is  het huishoudelijk gebruik van solventen (12%, opgenomen in de categorie “Andere”) .

Sectorale uitsplitsing  van de emissie van ozonprecursoren in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (2010)
Bron : Leefmilieu Brussel, Dpt Planning lucht, energie en klimaat

Sectorale uitsplitsing  van de emissie van ozonprecursoren in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (2010)

Evolutie van de uitgestoten hoeveelheid

Tussen 1990 en 2010 daalde de uitstoot van ozonprecursoren met 69 % (11,2 kt VOS-eq. in 2010 versus 36,0  in 1990).
Die daling was verhoudingsgewijs meer uitgesproken voor de VOS dan voor NOx, die in 2010 samen 92% van de uitstoot voor hun rekening namen.

Emissie van ozonprecursoren in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, tussen 1990 en 2010
Bron : Leefmilieu Brussel, Dpt Planning lucht, energie en klimaat


Emissie van ozonprecursoren in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, tussen 1990 en 2010

De verklaring voor deze evolutie moet gezocht worden bij factoren die verschillen naargelang de substanties.
In het geval van de VOS droegen volgende factoren bij tot de daling van de uitstoot:

  • ­de daling van de productie van de Cokesfabriek van Marly, gevolgd door de sluiting in 1993,
  • ­de invoering van verschillende Europese richtlijnen: de verbetering van de motoren op het vlak van de uitstoot (de "EURO"-normen), de verbetering van de brandstofkwaliteit en de daling van de VOS-uitstoot door de tankstations en het gebruik van organische oplosmiddelen.

De vermindering van de NOx-uitstoot houdt verband met:

  • ­de sluiting van de Cokesfabriek van Marly in 1993,
  • ­de installatie van een filter op de verbrandingsoven van Neder-Over-Heembeek (2006),
  • ­de verbetering van de prestaties van de motoren ("EURO-normen")
  • ­de veralgemening van katalysatoren op nieuwe voertuigen vanaf 1993 (deze onderwerpen de uitlaatgassen aan een nabehandeling zodra deze de motor verlaten, wat specifiek bij benzinewagens tot een lagere NOx-uitstoot leidt). Het belang van de katalysator voor het verlagen van de NOx-uitstoot laat zich nochtans slechts voelen na het doorlopen van een aantal kilometer (bij een koude motor, bij het starten en tijdens het versnellen/vertragen is de katalysator geheel of gedeeltelijk ondoeltreffend).  Deze factor speelt dus slechts voor langere trajecten.

De daling van de CO-uitstoot is overwegend het gevolg van de toepassing van de EURO-normen die mogelijk werd gemaakt door de invoering van de katalysator. Ook het stijgende aandeel van de dieselvoertuigen op het totale wagenpark heeft bijgedragen tot deze daling: dieselvoertuigen stoten weinig CO uit dankzij hun katalysator en doordat hun sterk oxiderende uitlaatgassen de omvorming van CO tot CO2 bevorderen.

Europese normen

De Europese richtlijn 2001/81/EG (de zogenaamde "NEC-richtlijn") legt emissieplafonds op, onder meer voor luchtverontreinigende stoffen die precursoren zijn van troposferisch ozon. In het kader van de verdeling (in 2000) van de inspanning over de 3 Gewesten en de federale staat moet het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in 2010 volgende plafonds respecteren: de jaarlijkse uitstoot mag maximaal 3,66 ton VOS-eq. bedragen voor NOx en 4 ton VOS-eq. voor de VOS (in beide gevallen heeft dit enkel betrekking op de vaste bronnen en niet op het transport; voor de mobiele bronnen geldt het plafond op niveau van het land). Voor CO en CH4  kreeg het BHG geen specifiek plafond opgelegd aangezien deze substanties slechts in beperkte mate meespelen in de uitstoot.
Volgens de resultaten van de modellen die in de bovenstaande grafiek in beeld zijn gebracht, worden deze plafonds nageleefd. Dit is het geval voor NOx sinds 2006 en voor de VOS sinds 2007.


 

Datum van de update: 09/07/2018