U bent hier

Emissies van ozonprecursoren (NOx, COV, CO en CH4)

Context

Hoewel troposferische ozon niet meteen een typisch stedelijke polluent is, staat hij steeds in het lijstje van de luchtkwaliteitsindicatoren omwille van zijn impact op de gezondheid en het leefmilieu. De toxiciteit verschilt volgens de concentratie; in abnormaal hoge hoeveelheden kan ozon ernstige gezondheidsproblemen veroorzaken. Bovendien kan het veranderingen teweegbrengen in teelten en bossen, en tal van materialen aantasten.

Troposferische ozon is een secundaire polluent; dat betekent dat dit element niet rechtstreeks in de omgevingslucht wordt uitgestoten, maar ontstaat door fotochemie; het fenomeen doet zich uitgesproken voor van midden juni tot midden augustus als gevolg van de irradiatie van primaire polluenten (waaronder stikstofdioxide NO2) door ultraviolette straling (UV), in aanwezigheid van zuurstof:

NO2 + O2 + UV ↔ O3 + NO

Tussen de vorming van ozon (een proces van meerdere uren) en de afbraak ervan (hooguit enkele minuten) ontstaat een dynamisch evenwicht.
Dat evenwicht raakt echter verstoord door de omzetting van NO in NO2, in een reactie tussen: reactieproducten van vluchtige organische stoffen (VOS); het radicaal van de oxidatie van methaan (CH4), of nog een keten van reacties op gang gebracht door het feit dat koolstofmonoxide (CO) een reactie aangaat met het hydroxyl (OH) in de atmosfeer.

Die verschillende substanties (NOX, VOS, CH4 en CO) worden dan ook beschouwd als precursoren van het troposferisch ozon. Door terug te grijpen naar een unieke eenheid (ton VOS-equivalent) kan vervolgens aan elk van deze substanties een "gewicht" worden toegekend dat staat voor zijn potentieel om troposferisch ozon te vormen, in vergelijking met het potentieel van de VOS (met uitzondering van methaan).
 

Uitgestoten hoeveelheid O3 per bron

In 2008 werd op het Brusselse grondgebied zowat 12000 ton VOS-equivalent uitgestoten. Het wegvervoer is de voornaamste bron van uitstoot van troposferische ozonprecursoren: het transport neemt 38% van de uitstoot voor zijn rekening, gevolgd door de verwarming van gebouwen (residentieel en tertiair, samen 29%) en het huishoudelijk gebruik van solventen (11%, opgenomen in de categorie “andere”).

Uitsplitsing van de emissie van ozonprecursoren in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest over de economische sectoren (2008)
Bron : Leefmilieu Brussel, Dpt Planning lucht, energie en klimaat

Evolutie van de uitgestoten hoeveelheid

Tussen 1990 en 2008 daalde de uitstoot van ozonprecursoren met 62 % (12,0 kt VOS-eq. in 2008 versus 31,7 in 1990).
In 1990 bestond 45% van de uitstoot van ozonprecursoren uit VOS, 38% uit NOx, 16% uit CO en 0,2% uit CH4. In 2008 bedroegen die aandelen respectievelijk 36%, 57%, 6% en 0,2%. Bijgevolg was die daling verhoudingsgewijs meer uitgesproken voor de VOS dan voor NOx, die in 2008 samen 93% van de uitstoot voor hun rekening namen.

Emissie van ozonprecursoren in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, tussen 1990 en 2008
Bron : Leefmilieu Brussel, Dpt Planning lucht, energie en klimaat

De verklaring voor deze evolutie moet gezocht worden bij factoren die verschillen naargelang de substanties. Wat de VOS betreft, droegen volgende factoren bij tot de daling van de uitstoot:

  • de daling van de productie van de Cokesfabriek van Marly, gevolgd door de sluiting in 1993,

­en de invoering van verschillende Europese richtlijnen: de verbetering van de verontreinigende uitstoot van motoren (de "EURO"-normen), de verbetering van de brandstofkwaliteit, voornamelijk dan van benzine (onder meer het benzeengehalte) en in mindere mate van diesel, en de vermindering van de VOS-uitstoot die te maken heeft met de tankstations en het gebruik van organische oplosmiddelen.
De vermindering van de NOx-uitstoot houdt verband met:

  • de sluiting van de Cokesfabriek van Marly in 1993,
  • de installatie van een filter op de verbrandingsoven van Neder-Over-Heembeek (2006),
  • de verbetering van de prestaties van de motoren ("EURO-normen")
  • en de veralgemening van katalysatoren op nieuwe voertuigen vanaf 1993 (deze onderwerpen de uitlaatgassen aan een nabehandeling zodra deze de motor verlaten, wat specifiek bij benzinewagens tot een lagere NOx-uitstoot leidt). Het belang van de katalysator voor het verlagen van de NOx-uitstoot in het Brussels Gewest moet enigszins worden gerelativeerd, aangezien een katalysator pas na het doorlopen van een aantal kilometer zijn effect laat voelen op de uitstoot (bij een koude motor, bij het starten en tijdens het versnellen/vertragen is de katalysator geheel of gedeeltelijk ondoeltreffend ) en omdat de Brusselse voertuigen tijdens de ochtendspits gemiddeld slechts 5,2 km afleggen (ramingen van Brussel Mobiliteit).

De daling van de CO-uitstoot is overwegend het gevolg van de toepassing van de EURO-normen die mogelijk werd gemaakt door de invoering van de katalysator (sinds 1993 moeten alle nieuwe benzinevoertuigen zijn uitgerust met een driewegskatalysator; dieselvoertuigen moeten sinds januari 1997 met een tweewegskatalysator zijn uitgerust). Ook het stijgende aandeel van de dieselvoertuigen op het totaal van het wagenpark heeft bijgedragen tot deze daling: dieselvoertuigen stoten weinig CO uit dankzij hun katalysator en doordat hun sterk oxiderende uitlaatgassen de omvorming van CO tot CO2 bevorderen.

Europese normen

De Europese richtlijn 2001/81/EG (de zogenaamde "NEC-richtlijn") legt emissieplafonds op, onder meer voor luchtverontreinigende stoffen die precursoren zijn van troposferisch ozon. In het kader van de verdeling (in 2000) van de inspanning over de 3 Gewesten en de federale staat moet het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in 2010 volgende plafonds respecteren: de jaarlijkse uitstoot mag maximaal 3,66 ton VOS-eq. bedragen voor NOx en 4 ton VOS-eq. voor de VOS (in beide gevallen heeft dit enkel betrekking op de vaste bronnen, het transport wordt m.a.w. niet meegerekend; voor de mobiele bronnen geldt het plafond op niveau van het land). Voor CO en CH4 kreeg het BHG geen specifiek plafond opgelegd aangezien deze substanties slechts in beperkte mate meespelen in de uitstoot.
Volgens de resultaten van de modellen die op bovenstaande grafiek in beeld zijn gebracht, worden deze plafonds nageleefd, voor NOx sinds 2006 en voor de VOS sinds 2007.

Datum van de update: 09/07/2018