U bent hier

Emissie van primaire PM10

Context

Fijne stofdeeltjes, ook aangeduid als "PM10", zijn partikels met een diameter kleiner dan 10 µm. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen primaire fijne deeltjes die rechtstreeks door natuurlijke (bijvoorbeeld bodemerosie) of antropogene bronnen (verkeer, industrie, verwarming,...) worden uitgestoten, en secundaire fijne deeltjes die door de aanwezigheid van andere polluenten in de lucht ontstaan, door chemische reacties.
De emissie van fijne deeltjes wordt behandeld in verschillende Europese richtlijnen in functie van hun oorsprong. De uitstoot wordt gereglementeerd naargelang de impact van deze deeltjes op de gezondheid; de gezondheidseffecten hangen samen met hun grootte (fijnere deeltjes dringen dieper in de luchtwegen door) en hun chemische samenstelling. De PM hebben eveneens gevolgen voor het milieu (het klimaat, de flora of het onroerend erfgoed).

Uitgestoten hoeveelheid PM10 per bron

In 2008 werd op het Brusselse grondgebied zowat 325 ton primair PM10 uitgestoten.
De transportsector is de voornaamste bron van plaatselijke PM10-uitstoot; die vertegenwoordigt 71% van de rechtstreekse emissie (via de uitlaatgassen; PM ontstaat immers door de verbranding van voertuigbrandstof). Het energieverbruik binnen de residentiële sector (22%) en de tertiaire sector (5%) draagt eerder marginaal bij tot de PM10-uitstoot.

Uitsplitsing van de primaire PM10-emissies over de economische sectoren in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (2008)
Bron : Leefmilieu Brussel, Dpt Planning lucht, energie en klimaat

Evolutie van de uitgestoten hoeveelheid

De primaire PM10-uitstoot is sinds 1990 sterk gedaald, in het bijzonder tussen 1990 (1082 ton) en 2006 (331 ton, of een daling met 69% ten opzichte van 1990). Sindsdien hebben de PM10-emissies zich gestabiliseerd.

Primaire emissies van PM10 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tussen 1990 en 2008
Bron : Leefmilieu Brussel, Dpt Planning lucht, energie en klimaat

De daling vóór 2006 kan verklaard worden door meerdere factoren.
Vooreerst de vermindering van de cokesproductie en vervolgens de sluiting van de cokesfabriek van Marly in 1993 liggen aan de basis van de gevoelige daling tussen 1990 en 1995 binnen de categorie "Overige".

De daling van de uitstoot door verbranding houdt verband met een herziening van de overeenstemmende emissiefactor (methodologische wijziging).
Na 1995 is de daling vooral toe te schrijven aan de sector van het wegvervoer: binnen die sector daalde de uitstoot van 435 ton in 1995 tot 240 in 2005, ondanks de toename van het verkeer (volgens Statbel was er in die periode een toename met 7% van het afgelegde aantal kilometer binnen het BHG). De verklaring hiervoor moet gezocht bij de technologische verbetering van de motoren van de vrachtwagens en in mindere mate van de auto's (katalysatoren, EURO-normen,...).

De uitstoot door de verbrandingsoven kende overigens tussen 2005 en 2006 een gevoelige daling door het aanbrengen van een filter op de verbrandingsoven in 2006. De daling van de "overige" emissies over diezelfde periode is het gevolg van een gewijzigde berekeningsmethode voor de binnenscheepvaart.
De emissies door de residentiële en tertiaire sectoren houden verband met het energieverbruik binnen die sectoren. Zij worden berekend o.b.v. de energiebalans van het Gewest (gecorrigeerd volgens het aantal graaddagen). De waargenomen daling hangt bijgevolg samen met het dalende energieverbruik (zie voor bijkomende informatie de "energie-indicatoren").

Verbrandingsoven: Eenheid waarin de brandbare bestanddelen van afval bijna totaal worden verbrand. Het afval dat niet kon worden gerecycleerd, wordt verbrand.

 

Datum van de update: 09/07/2018