U bent hier

Emissie van fijne deeltjes (PM10)

Indicator - Actualisering : augustus 2022

De primaire emissies van fijne deeltjes in het Brussels gewest zijn sterk afgenomen sinds 1990, in het bijzonder tot 2006. Daarna is de uitstoot van fijne deeltjes langzamer gedaald.

De transportsector vormt in 2020 de voornaamste bron van de lokale uitstoot van fijne deeltjes, zoals de verwarming in de residentiële en de tertiaire sector: die zijn beide verantwoordelijk voor 30% van de directe emissies. 


Wat zijn fijne deeltjes?

Fijn stof bestaat uit deeltjes, gesuspendeerd in de lucht in vaste of vloeibare fase en die uit verschillende chemische stoffen worden gevormd. Ze worden algemeen gegroepeerd onder de term “particulate matter” of “PM”. In het bijzonder wordt een onderscheid gemaakt tussen 2 groepen die belangrijk zijn voor de luchtkwaliteit en de gezondheid: PM10 (deeltjes die kleiner zijn dan 10µm) en PM2.5 (deeltjes die kleiner zijn dan 2.5µm). De PM2.5 (soms ook ‘zeer fijne deeltjes genoemd) horen dus onder de grotere groep PM10, maar ze worden vaak apart geanalyseerd omdat ze een grotere impact hebben op het milieu en de gezondheid.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen primair fijne deeltjes die rechtstreeks door natuurlijke (bijvoorbeeld bodemerosie) of antropogene bronnen (verkeer, industrie, verwarming, ...) worden uitgestoten, en secundaire fijne deeltjes die in de lucht ontstaan door chemische reacties tussen andere aanwezige polluenten. 

De uitstoot van fijne deeltjes worden behandeld in verschillende Europese richtlijnen in functie van hun emissiebron. De uitstoot is gereglementeerd omwille van de impact van deze deeltjes op de gezondheid; de gezondheidseffecten hangen samen met hun grootte (fijnere deeltjes dringen dieper in de luchtwegen door) en hun chemische samenstelling. De PM hebben eveneens gevolgen voor het milieu (het klimaat, de flora of het onroerend erfgoed).

Uitgestoten hoeveelheid fijne deeltjes per bron

De uitgestoten hoeveelheid fijne deeltjes wordt geraamd op basis van de inventarissen van de emissies van verontreinigende stoffen die jaarlijks door het departement “Evaluatie, Lucht, Energie en Klimaat” van Leefmilieu Brussel worden opgesteld. De gebruikte inventarissen werden in 2020 bij de Verenigde Naties ingediend en hebben betrekking op de jaren 1990 tot 2020. 

Volgens de laatst beschikbare inventarissen, zou op het Brussels grondgebied zowat 394 ton primair PM10 uitgestoten zijn in 2020, waarvan 82% PM2.5 is (321 ton). In 2020, vormde de transportsector een van de voornaamste bronnen van de lokale PM10-uitstoot met 30% van de directe emissies. De verwarming in de residentiële en de tertiaire sector vertegenwoordigt ook 30% van de emissies van PM10, respectievelijk 23% en 7% per sector. 

Het aandeel van het wegvervoer is in 2020 licht gedaald ten opzichte van 2019 (toen het 32% bedroeg), als gevolg van de vermindering van het verkeer in verband met de lockdown gelinkt aan COVID. Meer informatie over dit onderwerp is te vinden in de specifieke focus). 

De sectorale verdeling is zeer vergelijkbaar voor de emissies van PM2.5. Het verkeer stoot proportioneel echter iets minder zeer fijne deeltjes uit (23% van de directe emissies van PM2.5) terwijl de residentiële en de tertiaire sector verantwoordelijk zijn voor van 36% de PM2.5 emissies. 

Sectorale uitsplitsing van de primaire PM10-emissies (links) en PM2.5-emissies (rechts) in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (2020)

Bron: Leefmilieu Brussel, Dpt Evaluatie, Lucht, Energie en Klimaat (in 2022 ingediende inventarissen)

Ter vergelijking, in 2020 waren in het Vlaams Gewest de huishoudens (34% van de uitstoten van PM10 en 49% van PM2.5), de industrie (24% en 18%), het transport (19% en 20%) en de landbouw (17% en 6%) de belangrijkste uitstoters van fijne deeltjes [VMM, juni 2022]. Voor het Waalse Gewest waren in 2020 de woonsector (46% van PM10 en 29% van PM 2.5), de industrie (23% en 36%), het transport (14% van PM10) en de landbouw (14% van PM2.5) de belangrijkste fijne deeltjes-uitstoters [uit emissie-inventarissen, Awac, juni 2022]. 

Evolutie van de uitgestoten hoeveelheid

De primaire uitstoot van fijne deeltjes is sinds 1990 sterk gedaald, in het bijzonder tussen 1990 (1777 ton) en 2006 (752 ton, of een daling met 58% ten opzichte van 1990). Sindsdien zijn de emissies van fijne deeltjes langzamer gedaald tot in 2020. 

Primaire emissies van PM10 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tussen 1990 en 2020

Bron: Leefmilieu Brussel, Dpt Evaluatie, Lucht, Energie en Klimaat (in 2022 ingediende inventarissen)

We stellen een gelijkaardig verloop vast voor PM2.5:

De daling vóór 2006 kan verklaard worden door meerdere factoren: 

  • Vóór 2006 deed de daling zich voornamelijk voor in het domein van het wegverkeer: binnen dit domein daalde de uitstoot van PM10 van 687 ton in 1990 naar 346 ton in 2005, ondanks de toename van het verkeer (volgens Statbel was er in die periode een toename met 7% van het afgelegde aantal kilometer binnen het BHG). De verklaring hiervoor moet gezocht bij de technologische verbetering van de motoren (gekoppeld aan de evolutie van de EURO-norm) en de veralgemening van emissiebeheersingssystemen (katalysatoren, roetfilters) die leiden tot een vermindering van de uitlaatemissies (brandstofverbranding. De laatste jaren zien we bijvoorbeeld een daling van de oudste modellen van dieselwagens (in het bijzonder na van de invoer van de LEZ), ten voordele van andere motortypes; 
  • De uitstoot door de verbrandingsoven kende tussen 2005 en 2006 een gevoelige daling door het aanbrengen van een rookgaswassingssysteem in 2006;
  • Aangezien de cokesfabriek was verantwoordelijk voor aanzienlijke vluchtige emissies, liggen de vermindering van de cokesproductie en vervolgens de sluiting van de cokesfabriek van Marly in 1993 liggen aan de basis van de gevoelige daling  in de volgende jaren binnen de categoriën “Energie productie” en “Overige. 

Tussen 2006 en 2020 houdt de vermindering van de uitstoot van fijne deeltjes verband met het wegvervoer, alsook met de verwarming van gebouwen. 

  • In gebouwen kan de neerwaartse trend worden verklaard door een combinatie van factoren, zoals betere isolatie van gebouwen, efficiëntere verwarmingssystemen en het gebruik van brandstoffen met een lagere uitstoot, zoals aardgas. 
  • In het wegvervoer zijn deeltjesfilters weer een van de oorzaken van deze trend, waarbij de uitlaatemissies dalen. Dit betekent dat de slijtage-emissies (slijtage van wegen, banden en remmen), die rechtstreeks afhankelijk zijn van de ontwikkeling van het verkeer, een groter aandeel hebben in de emissies van de sector wegvervoer. Deze laatste vertegenwoordigen in 2020 72%, of bijna ¾, van de totale PM2.5-emissies van het wegvervoer. 

De daling van het verkeer als gevolg van de lockdown in verband met de COVID-pandemie verklaart ook de neerwaartse trend in 2020. Meer informatie over dit onderwerp is te vinden in de specifieke focus.

 

Europese regelgeving

De Europese richtlijn die bekend staat als de "NEC"-richtlijn legt vanaf 2020 en vanaf 2030 emissieplafonds op voor PM2.5 die niet mogen worden overschreden: België heeft zich er dus toe verbonden zijn PM2.5 -uitstoot tegen 2020 en 2030 te verminderen met respectievelijk 20% en 39% ten opzichte van de uitstoot in 2005. Deze nationale emissieplafonds zijn verdeeld over de drie regio's. Voor het BHG bedragen de te bereiken algemene emissieplafonds (stationaire en mobiele bronnen) 0,3 kt vanaf 2020 en 0,5 kt vanaf 2030.

Met een uitstoot van 321 ton PM2.5 in 2020 heeft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest het voor 2020 vastgestelde emissieplafond gerespecteerd.

Datum van de update: 23/08/2022