U bent hier

De uitstoot van broeikasgassen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

photo paysage gaz à effets de serre

Het gebruik van fossiele energiebronnen bestemd om aan onze energiebehoeften te voldoen (industriële productie, transport, verwarming van gebouwen, huishoudapparaten…)  brengt de uitstoot van broeikasgassen (BGK) in de atmosfeer met zich mee, wat bijdraagt tot klimatologische storingen. Deze emissies zijn sinds de helft van de 19e eeuw (industriële revolutie) sterk toegenomen. 

 

 

 

Wat zijn de voornaamste broeikasgassen die uitgestoten worden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ?

  • CO2, of kooldioxide: veruit het voornaamste broeikasgas dat wordt uitgestoten op het grondgebied van het Gewest ; verantwoordelijk voor 90% van de totale broeikasgasuitstoot in 2017. Het wordt uitgestoten tijdens verbrandingsprocessen. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn de voornaamste bronnen van CO2-uitstoot de verwarming van gebouwen (60% van rechtstreekse uitstoot van CO2), en het transport (30% van de rechtstreekse uitstoot van CO2). Het aandeel van de industriële activiteiten is heel beperkt en hoofdzakelijk toe te schrijven aan de energiesector (verbranding van huishoudafval met productie van elektriciteit).
  • CH4, of methaan : vertegenwoordigt 1% van de uitgestoten broeikasgassen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.  De globale verwarmingscapaciteit is hoog (25x hoger dan die van CO2). De CH4-uitstoot is voornamelijk afkomstig van het verlies in het aardgasdistributienetwerk (vluchtige emissies, 78% in 2017) en van de verwarming van gebouwen (18%). Dankzij de vernieuwing van de pijpen werden de vluchtige emissies met 70% verminderd ten opzichte van 1990.
  • N2O, of stikstofprotoxide : vertegenwoordigt minder dan 1% van de BKG uitgestoten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Zijn globale verwarminscapaciteit is heel hoog  (298 x hoger dan deze van CO2). De N2O–uitstoot is vooreerst afkomstig uit het gebruik ervan als product, met name als verdovingsmiddel (30% in 2017), in het wegtransport (28%) en in de verwarming van gebouwen (6%).
  • Fluorgassen : vooral gebruikt in de koelsector, voor de productie van synthetische schuimen of in de halfgeleiderindustrie (SF6). Hun bijdrage van 8% in 2017 tot de uitstoot van broeikasgassen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is in constante toename sinds 1990.  Hun globale opwarmende kracht is in sommige gevallen extreem hoog (bijv. 22 800 voor SF6).

Evolutie van de uitstoot van broeikasgassen sinds 1990

De totale broeikasgasemissies van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in 2017 zijn lager dan 13% ten opzichte van 1990, en dan 18% ten opzichte van 2005. De voornaamste uitstootbronnen zijn de gebouwen (verwarming) en het transport (voornamelijk het wegtransport).

De emissies in de gebouwen vertonen sinds het midden van de jaren ’90 een algemene neerwaartse trend. De variaties tussen de jaren zijn vrij duidelijk, vooral in de afgelopen jaren. De uitstoot van transport is stabiel. De toename van fluorgasemissies is met name gelinkt met de geleidelijke vervanging, in de koelinstallaties, van de (H)CFK (vernietigers van de ozonlaag) door HFK.

Projecties van de uitstoot van broeikasgassen tegen 2030/2050

Emissie-inventarissen hebben betrekking op de afgelopen jaren (momenteel de periode 1990-2017). Voor de toekomst (prognoses) zijn modellen ontwikkeld voor de verschillende sectoren van de activiteit om de verwachte evolutie van de emissies te beoordelen op basis van verschillende scenario's en verschillende tijdshorizon. Deze modellen zijn gebaseerd op beleid en maatregelen die al zijn geïmplementeerd of waartoe is besloten (WEM-scenario = with existing measures), maar kunnen ook nieuwe oriëntaties bevatten (WAM-scenario = with additional measures).

Op basis van de thans beschikbare informatie moet het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tegen 2020 voldoen aan het regionale emissieplafond (Burden Sharing) met het bestaande beleid en de bestaande maatregelen. De doelstelling van 2030 (-40% van de emissies in vergelijking met 2005) zal alleen worden bereikt met aanvullende beleidsmaatregelen en maatregelen (WAM-scenario). Er moet ook rekening worden gehouden met onzekerheden die verband houden met de werkelijke verwarmingsbehoefte van gebouwen (gevaar voor het klimaat).

De trend tot 2030 zal verder moeten worden versterkt om de Europese reductiedoelstelling tegen 2050 te bereiken.

Datum van de update: 06/12/2019