U bent hier

Focus : Kartering - Beoordeling en beheer van de overstromingsrisico's

Actualisering : februari 2020

De overstromingsgevaarkaart van het Brussels Gewest, die werd bijgewerkt in 2019, geeft de omvang van de overstromingen weer voor drie soorten gevaren (klein, middelgroot, groot). 21% van de gewestelijke oppervlakte ligt in overstromingsgevaar. Uit de overstromingsrisicobeoordeling blijkt dat bijna één inwoner op drie getroffen zou worden door de overstromingen die worden veroorzaakt door regen en door opstuwende riolen. Terwijl het grootste deel van de bevolking in een gebied met weinig overstromingsgevaar woont, leeft 8% in gebieden met een gemiddeld risico en 2% in gebieden met een hoog risico. De fluviale overstromingen hebben een verwaarloosbare impact. 

Het rioleringsnetwerk en regenwaterafvoer, de belangrijkste overstromingsoorzaken

Drie fenomenen liggen mogelijk aan de oorsprong van overstromingen in het Brussels Gewest: 

  • De overstroming van waterlopen (“fluviale” overstromingen): de waterlopen of het kanaal treden uit hun bedding.
  • Regenwaterafvoer bij zware neerslag (pluviale overstromingen) op ondoorlaatbare oppervlakken of op bodems waarvan de infiltratiecapaciteit is overschreden.
  • De opstuwing van de rioleringen, ook in het geval van zware neerslag: de verzadigde riolen kunnen het water niet meer afvoeren, waardoor het op de wegen of in de kelders stroomt. 

Het Brussels Gewest wordt weinig (of niet) blootgesteld aan het risico op fluviale overstromingen: 0,1% van de Brusselse bevolking volgens de modellering van 2019 . Fluviale overstromingen gaan gewoonlijk gepaard met andere soorten van overstromingen. 
De waargenomen overstromingen houden meestal verband met afvloeiend water en opstuwing van het rioleringsnet (hoofdzakelijk in de kelders). Op basis van het historisch overzicht van de overstromingen  doen ze zich gewoonlijk voor door hevige en kortstondige regen door lente- of zomeronweer. Hierbij mag men niet vergeten dat het rioleringsnet meestal uit één stuk bestaat: het voert niet enkel afvalwater weg maar ook afvloeiwater. Deze zouden echter gemiddeld de helft van het opgevangen water vertegenwoordigen, volgens schattingen van de netbeheerders en van de waterzuiveringsstations. Ze kunnen het debiet in de collectoren tijdelijk vertienvoudigen. Het is dan ook makkelijk te begrijpen dat een merkbare verhoging van het afvloeiwater bij hevige regen leidt tot overstromingen. In een stedelijke omgeving stijgt niet alleen de omvang van het afvloeiwater (rekening houdend met de hoge ondoorlaatbaarheidsgraad van de afgevloeide oppervlakten) maar ook het afvloeidebiet (versneld wegens de ondoorlaatbaarheidsgraad en de kunstmatige omgeving). 

De kaart van de (potentiële) overstromingsgevaargebieden

De overstromingsgevaarkaart van het Brussels Gewest werd voor het eerste keer in 2013  geproduceerd en in 2019 bijgewerkt. Tussen deze twee versies worden zeer weinig veranderingen vastgesteld.
De potentiële overstromingsgevaargebieden werden in kaart gebracht voor drie scenario’s of gevaren: 

  • Een worst case scenario, dat weinig kans heeft om zich voor te doen (klein gevaar op overstroming dus), gekoppeld aan een overstroming met een terugkeertijd van 100 jaar (dit wil zeggen die een waarschijnlijkheidsgraad heeft om zich gemiddeld eenmaal om de honderd jaar voor te doen, of m.a.w. 1% kans om binnen het jaar voor te komen).
  • Een occasioneel scenario met een middelgroot gevaar gekoppeld aan een overstroming met een terugkeertijd van 25 tot 50 jaar.
  • Een vaak voorkomend scenario, met groot gevaar, gekoppeld aan een tienjarige overstromingsfrequentie (terugkeertijd van 10 jaar, 10% kans om binnen het jaar voor te komen).

In overstromingsgevaargebied bestaat er een overstromingsrisico, waarbij de aanleg van de overstroming om zich voor te doen, en a fortiori de gevolgen, samenhangen met de intensiteit van het risico: hoe groter het gevaar, hoe groter het risico. In de overige gebieden is het overstromingsrisico niet uitgesloten: onvoorziene elementen (zoals een verstopte straatkolk, een leidingbreuk, enz.) kunnen inderdaad plaatselijk overstromingen veroorzaken.
Om de overstromingsgevaargebieden (pluviale overstromingen) af te bakenen, werden vier aanlegfactoren voor overstromingen in kaart gebracht en gecombineerd: een eerste met betrekking tot de relatieve hoogte ten opzichte van de valleibodems, een tweede ten opzichte van de “topografische vochtigheid” (index die topografie en hydrologische processen aan elkaar koppelt), een derde ten opzichte van de gedraineerde verstedelijkte oppervlakte (waaronder ook de ondoorlaatbaarheidsgraad van de bodem) en een vierde met betrekking tot de bodem. Het verkregen resultaat werd gekruist met de overstromingsdossiers die worden aangegeven aan het Rampenfonds (1992-2007): het Fonds informeert inderdaad over de intensiteit van de overstroming. Vervolgens werd de perimeter van de gevarenzones vastgelegd. De gevaarkaart werd vervolgens tweemaal gevalideerd: door de vergelijking met andere gegevensgroepen (DBDMH, Vivaqua) over overstromingen die zich hebben voorgedaan tussen 1992 en 2019 en nadien via aftoetsing door experten. Er werden ook sommige nabehandelingen toegepast waarbij rekening gehouden werd met de opmerkingen van de gemeentediensten die een goede kennis hebben van hun terrein. Hierbij verduidelijken we verder dat de bescherming die openbare kunstwerken bieden (stormbekkens en beschermingsdijken) geïntegreerd werd en er toe heeft helpen bijdragen om de intensiteit van het gevaar op de betrokken plaatsen af te zwakken. Voor gedetailleerde informatie over de opmaakmethode van de kaart, kan de lezer de methodologische fiche die betrekking heeft op deze kaart  raadplegen.

Overstromingsgevaarkaart

Bron: Leefmilieu Brussel, versie 2019 (kaart precies tot het 10.000e)

  

De alluviale vlakte van de Zenne bevat het grootste deel van de oppervlakte die als potentieel overstromingsgevaargebied geklasseerd is.

Bij lezing van de kaart valt er een eerste vaststelling op: de potentiële overstromingsgevaargebieden lijken rechtstreeks gekoppeld aan de aanwezigheid van het huidige, of zelfs historische, hydrografisch netwerk (zoals in de Maalbeekvallei). En dit terwijl de eerste overstromingsoorzaak niet de overstort van waterlopen is. Deze vaststelling is echter niet verrassend aangezien de valleibodems bevoorrechte afvloeiingsassen en samenloopassen zijn van het afvloeiwater en er ook veel afvalwatercollectoren zijn ingeplant. 
Bovendien beïnvloedt het reliëf logischerwijze rechtstreeks de reikwijdte van het mogelijk overstromingsgevaargebied. Een relatief platte valleibodem wordt over het algemeen gekenmerkt door een groot overstroombaar gebied: dit is wat men vaststelt voor de alluviale vlakte van de Zenne (de grootste van het grondgebied) of voor die van Linkebeek. De Woluwevallei daarentegen, die meer ingekapseld is, heeft een smaller mogelijk overstromingsgevaargebied. 
De ondoorlaatbaarheid van de bodems speelt ook een belangrijke rol. Een valleibodem die een hoofdzakelijk groene oppervlakte draineert waar het water op natuurlijke wijze insijpelt, zal a priori niet getroffen wordt door een overstroming. Voorbeelden daarvan zijn stroomopwaarts gelegen stroomgebieden van de Molenbeek (aanwezigheid van het Laarbeekbos), van de Neerpedebeek en van de Vogelzangbeek. En deze vaststelling geldt ook wanneer er aanzienlijke hellingen bij de gedraineerde oppervlakten zijn zoals voor de Woluwe of voor zijn zijrivier, de Roodkloosterbeek dankzij de aanwezigheid van het Zoniënwoud. Een valleibodem daarentegen die sterk ondoorlaatbaar gemaakte oppervlakten draineert ligt in een gevarenzone. Dit geldt voor het westelijk deel van de vijfhoek zoals de vallei van de Maalbeek. Het feit dat de waterloop van de Maalbeek gewelfd is versterkt ongetwijfeld dit fenomeen.
Op sommige plaatsen is de bescherming die de stormbekkens bieden “zichtbaar”, zoals in de alluviale vlakte van de Zenne. Zo doet het gebruik van de oude tunnelkokers van de Zenne als stormbekkens in de vijfhoek dienst als bescherming van het stadscentrum: het centrum staat geklasseerd als gebied met een klein gevaar op overstroming terwijl het gevaar zonder die bescherming groot zou zijn. Hetzelfde geldt voor het overstromingsgevaargebied in Vorst, dankzij de stormbekkens van Baeck-Merill en van Audi. De stormbekkens die onlangs in de valleien van Ukkel en in het deel stroomopwaarts van de Molenbeekvallei werden geïnstalleerd, maken het mogelijk een groot gevaar lokaal om te zetten in een middelgroot gevaar. De stormbekkens zijn immers van een afmeting dat ze net de regen met een terugkeertijd van 10 jaar kunnen verwerken, wat overeenkomt met een groot gevaar op de overstromingsgevaarkaarten. Bij zeldzamere regenval zijn de stormbekkens dus volledig vol en kunnen de overstromingen stroomafwaarts niet meer vermijden. 
21% van de gewestelijke oppervlakte bevindt zich in overstromingsgevaar
Potentieel ligt minder dan 1% van het gewestelijk grondgebied in een gebied met groot overstromingsgevaar dat dus recurrent getroffen wordt door een overstroming, minstens eenmaal om de tien jaar. En 4% van het grondgebied ligt in een gebied met middelgroot overstromingsgevaar, dat dus ongeveer om de 25 tot 50 jaar getroffen wordt door een overstroming. Voor de bewoners en uitbaters die in deze zones wonen (vooral in het gebied met groot overstromingsgevaar) dient men zich dus te wapenen en te beschermen tegen de overstromingen. Het gebied met klein overstromingsgevaar dekt 16 % van de gewestelijke oppervlakte. Laten we niet vergeten dat de betrokken overstromingen zich normaal gezien slechts eenmaal om de honderd jaar voordoen.

Percentage van het gewestelijk grondgebied (in oppervlakte) dat gelegen is in de gevaarzone voor overstromingen

Bron : Leefmilieu Brussel, op basis van de overstromingsgevaarkaart versie 2019

 
De (pluviale) overstromingsgevaarkaart bevat geen informatie over de mogelijks bereikte waterstanden bij een overstroming: vandaag bestaat er geen gecombineerd hydraulisch model van de rioleringsnetten en de hydrografische netten waarmee het mogelijk zou zijn om die te berekenen. De in de ondergelopen gebieden waargenomen waterstanden bedroegen altijd ongeveer enkele tientallen centimeter en bleven over het algemeen onder het niveau van 1 meter (ten opzichte van het grondniveau). In zekere zin kunnen ze als “matig” bestempeld worden in vergelijking met andere streken of landen. De impact kan wel voelbaar zijn voor kelders of ondergrondse infrastructuren (bv.: metrostations, tunnels).
Eén inwoner op drie wordt potentieel blootgesteld aan het overstromingsrisico
Het overstromingsrisico werd beoordeeld voor bepaalde doelgroepen (inwoners, scholen, ziekenhuizen, bepaalde economische activiteiten, bebouwd erfgoed of milieu-erfgoed...). Het doel wordt als "risicovol" gekenmerkt wanneer het zich geheel of gedeeltelijk in gevaargebied bevindt. De plaatselijke beschermingsmaatregelen tegen overstromingen werden niet in rekening gehouden, met uitzondering van de stormbekkens (zoals men weet houdt de overstromingsgevaarkaart daar rekening mee). Voor meer details wordt de lezer verzocht om de interactieve overstromingsrisicokaart  en de methodologische fiche die erbij hoort te raadplegen.

Potentiële blootstelling van de bevolking en van de gevoelige instellingen aan de overstromingsrisico (overstromingen veroorzaakt door regen en opstuwende riolen) in het Brussels Gewest

Bron: Leefmilieu Brussel, op basis van de overstromingsrisicokaarten versie 2019
De brongegevens dateren voor de bevolking van 1ste januari 2018 (Statbel), voor de gebouwen, scholen en ziekenhuizen van 2019 (UrbIS), voor de rusthuizen van 1999 (SITEX).
 

Bijna één inwoner op drie wordt potentieel getroffen door de pluviale overstromingen (31%). Maar de grote meerderheid van hen zou zich in een gebied met een klein overstromingsgevaar bevinden. Toch bevindt zich 8% van de inwoners potentieel in een gebied met een middelgroot overstromingsgevaar; 2% van de inwoners in een gebied met een groot overstromingsgevaar.

Beoordeling van de risico’s voor andere doelgroepen

Op het vlak van economische activiteit is 78% van de oppervlakte van de industriezones (volgens de bestemming op het GBP) gelegen in overstromingsgevaargebied. Het overblijvende industriebekken van het BHG bevindt zich inderdaad vooral op de as Zenne-Kanaal.
Voor sommige industrievestigingen komt er bij de economische schade nog een risico op incidentele milieuvervuiling door de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen op de site of door de slechte werking van de installaties (bijvoorbeeld in de efficiëntie van het zuiveringsproces in de afvalwaterbehandelingsstations). Het gaat hier om 9 IED-installaties (van de 18 installaties in het BHG) (naar de naam van de richtlijn betreffende de industriële emissies) waarvan de 2 waterzuiveringsstations, en om de 3 Seveso-sites. Al deze sites zijn ingeplant in de alluviale vlakte van de Zenne. 
Het beschermingsgebied voor drinkwateronttrekking van het Terkamerenbos en het Zoniënwoud en het Netwerk Natura 2000 bevindt zich hoofdzakelijk buiten het gevaargebied, maar dit geldt niet voor sommige Natura 2000-sites: bij overstroming kunnen deze sites onderlopen met verontreinigd water door overstort van het rioleringsnet of door besmet afvloeiingswater.
Er werden ook risicokaarten opgesteld om de negatieve gevolgen op de mobiliteit door de overstroming van delen van het transportnet (wegennet, spoornet, tram of metronet), treinstations, metrostations of overdekte parkings) te beoordelen. Het is geen grote verrassing dat de meest gevoelige infrastructuren de ondergrondse delen en de valleibodems zijn.
Er werd ook een risicobeoordeling uitgevoerd van geklasseerde monumenten en landschappen en van de kwetsbare infrastructuren zoals brandweerkazernes of politieposten.

Zich beter wapenen tegen de overstromingen

Zowel de overstromingsgevaarkaart als de overstromingsrisicokaart zijn instrumenten om de bevolking te sensibiliseren en bewust te maken van de strijd tegen overstromingen. Zoals in het spreekwoord "een verwittigd man is er twee waard", hebben de potentieel getroffen inwoners, ondernemers of industriëlen er alle belang bij om beschermingsmaatregelen te nemen voor hun gebouw, wanneer dat mogelijk is. Hiervoor biedt de begeleidingsdienst “overstromingen” van Vivaqua sinds 2012 begeleiding aan inwoners die problemen hebben met opstijgend water in hun woning. Bovendien geeft Leefmilieu Brussel in 2017 een brochure uit voor inwoners over goede praktijken voor, tijdens en na een overstroming. Tot slot kunnen waarschuwingen voor uitzonderlijke onweersbuien op uurbasis worden ontvangen via de KMI-smartphoneapplicatie. Het is ook mogelijk de waarneming van een overstroming via de applicatie te melden. Om echt doeltreffend te zijn, moeten deze maatregelen die genomen worden op individueel niveau gepaard gaan met collectieve maatregelen. Veel maatregelen zijn opgenomen in het overstromingsrisicobeheerplan (opgenomen in het waterbeheerplan). Deze maatregelen dekken de hele beheercyclus van een overstroming af: preventie, bescherming, voorbereiding, crisisbeheer en herstel. Een alarmsysteem en crisisbeheersysteem zouden zo ook tot stand moeten komen. Bovendien ligt de klemtoon op de preventie-as met als hoofddoelstelling: de natuurlijke watercyclus herstellen (waterinfiltratie, buffering van het water in de natuurlijke wachtbekkens, loskoppeling van regenwater / afvloeiingswater van het rioleringsnet, enz.). 

Datum van de update: 25/06/2020