U bent hier

Focus: De ziekte van Lyme

Actualisering : december 2015

De parken, de groene ruimten en het Zoniënwoud zijn uitermate geschikt voor ontspannende en vrijetijdsactiviteiten. Voor de gezondheid en voor het welbevinden is dit contact met de natuur onmiskenbaar een weldaad. Toch is het niet zonder risico's. Zo loopt men het risico met teken in contact te komen, die tal van ziekten overbrengen. De ziekte van Lyme is het bekendst.
Ook al bestaat er in het Brussels Gewest een risico op blootstelling aan een tekenbeet en om dus te worden besmet, toch hoeft men de groene ruimten niet te mijden: het volstaat de preventietips op te volgen.

De ziekte van Lyme, wat is dat?

In Brussel bezoeken heel wat mensen de parken, de groene ruimten en het Zoniënwoud voor recreatieve en ontspannende activiteiten. Voor de gezondheid en voor het welbevinden is dit contact met de natuur onmiskenbaar een weldaad. Toch is het niet zonder risico's. Zo loopt men het risico met teken in contact te komen, die tal van ziekten overbrengen. De ziekte van Lyme is het bekendst.

De ziekte van Lyme is een infectie die wordt veroorzaakt door een bacteriële groep, de Borrelia burgdorferi. De bacteriën worden bij de mens geïnoculeerd door de beet van een besmette teek, voornamelijk door de Ixodes ricinus-soort.

Teken zijn mijtachtigen die voor hun ontwikkeling bloed nodig hebben. Ze zijn in het bijzonder gesteld op warme en vochtige plaatsen zoals hoog gras, varens, struiken en hagen. Daar zitten ze op de loer voor een gastheer waaraan ze zich kunnen voeden (Mersch, 2014). De gastheren kunnen kleine knaagdieren, grote zoogdieren of, eerder zelden, vogels zijn. De mens is dan een eerder toevallige gastheer. Als een eerste gastheer met de borreliabacterie is besmet, dan kan ze aan de teek via het bloed worden doorgegeven. Als ze eenmaal besmet is, dan is de teek zelf in staat een volgende gastheer te besmetten. De meeste infecties zouden eerder aan nimfenbeten dan aan beten van volwassen teken te wijten zijn. Eigenlijk zijn er hiervan meer, maar ze zijn kleiner en dus minder opvallend.

Men raamt de prevalentie van de borreliabacterie bij de Ixodes ricinus in België op iets meer dan 10% (Kesteman, 2010). Een besmette teek geeft de ziekte evenwel niet noodzakelijk door en niet alle besmette personen ontwikkelen ze (WIV-ISP, website; ITG, 2014).

Als ze niet wordt behandeld, kan de ziekte over drie opeenvolgende stadia heen evolueren.
Om een diagnose te kunnen stellen, dienen de waargenomen symptomen in verband te worden gebracht met een risico op blootstelling, des te meer als de patiënt zich niet herinnert door een teek gebeten te zijn. Een opkomend migrerend erytheem (1ste stadium, in 75% van de gevallen) volstaat voor de diagnose. De ziekte kan dan direct, zonder serologische test (opzoeken van antistoffen) met antibiotica worden behandeld.

De volgende stadia waarin de bacterie zich over het volledige lichaam verspreidt, worden gekenmerkt door weinig specifieke stoornissen: aandoeningen van het zenuwstelsel (meestal onder de vorm van gezichtsverlamming), gewrichtspijnen (artritis), dubbel zicht of eerder zelden hartritmestoornissen (stadium 2), gewrichtsaandoeningen, laattijdige huidletsels of, in sommige gevallen, chronische neurologische aandoeningen (stadium 3). Bij twijfel zal de arts om een serologische test vragen. Als het resultaat positief of twijfelachtig is, wordt er een confirmatietest afgenomen door het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV-ISP).

Epidemiologische gegevens in België

De ziekte van Lyme behoort niet tot de ziekten die van bij de bevestiging van de diagnose moeten worden aangegeven. Het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV-ISP) oefent evenwel een toezicht uit.

  • Een netwerk van peillaboratoria brengt verslag uit over het aantal positieve resultaten van de serologische analyses (opzoeken van antistoffen). Deze gegevens zijn niet helemaal volledig, maar laten wel toe tendensen te volgen;
  • Er werden ook gegevens ingezameld over het aantal personen dat werd gehospitaliseerd voor de ziekte van Lyme (jaarlijks ongeveer 200 tot 300 personen);
  • In 2003-2004 en in 2008-2009 kon men op basis van twee prospectieve studies het aantal patiënten ramen dat een huisarts raadpleegt omwille van een tekenbeet (18,6 patiënten/10.000 inwoners, per jaar) of van een migrerend erytheem (8 tot 9 patiënten/10.000 inwoners, per jaar) (Vanthomme et al., 2012).

Deze gegevens tonen dat het aantal tests de afgelopen jaren sterk steeg, met name omdat de ziekte meer aandacht kreeg. Ondanks deze stijging zou het percentage positieve gevallen (aantal positieve serologische analyses/aantal uitgevoerde serologische analyses) evenwel stabiel blijven (BAPCOC, 2015).

De gegevens van het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid geven bovendien zicht op de risicobevolking. Onderstaande figuur toont dat voor elke leeftijd gevallen van positieve serologie worden gerapporteerd. Het risico neemt evenwel met de leeftijd toe. Vanaf 5-9 jaar zijn er veel meer gerapporteerde gevallen. Wat overeenkomt met kinderen die een activiteit in het bos doen, zoals bijvoorbeeld bij de jeugdbeweging. De leeftijdsgroep die het meest getroffen wordt, situeert zich tussen 45-64 jaar. Dat zijn de mensen voor wie het risico op een tekenbeet het hoogst is door hun beroeps- of vrijetijdsactiviteiten.

Aantal positieve serologische tests voor borreliose (per 100 000 inwoners) uitgevoerd door de peillaboratoria, per leeftijdsgroep, België, in 2014
Bron: WIV-ISP (augustus 2015)

Aantal positieve serologische tests voor borreliose (per 100 000 inwoners) uitgevoerd door de peillaboratoria, per leeftijdsgroep, België, in 2014
Zowel in Europa als in de Verenigde Staten werd er een verhoogde incidentie van Lyme vastgesteld. Dit wordt verklaard door een betere kennis van de ziekte, betere diagnosemethodes en artsen die beter geïnformeerd/gesensibiliseerd zijn, maar ook door de bevolkingstoename, de (rand-) verstedelijking, de fragmentatie van de natuurlijke habitats, de evoluties in het beheer van de natuurlijke ruimten, de wijzigingen in de recreatieve gewoonten van de bevolking (buitenactiviteiten, reizen, ...), de grotere tekendichtheid en/of de klimaatverandering (Vanthomme et al. 2012; Heyman et al., 2010; Hofhuis et al., 2010; Tack et al., 2012a en b).

In België zou er volgens de cijfers van het WIV-ISP globaal genomen geen opmerkelijke tendens naar een stijging van de ziekte zijn (Vanthomme et al., 2012; WIV-ISP, website).

Risico's in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

De parken van Brussel en het Zoniënwoud zijn erg gegeerd voor ontspannende en vrijetijdsactiviteiten. Met de stijgende verstedelijking en de toenemende bevolking neemt die behoefte alleen maar toe. Het zijn dan ook meteen de gebieden waar het risico op een tekenbeet het grootst is. In mindere mate is dit risico ook aanwezig in tuinen, in het bijzonder in de buitenwijken (in zones met een meer verspreide habitat en in de nabijheid van bossen).

Het Zoniënwoud bijvoorbeeld heeft als plek voor recreatieve activiteiten een belangrijke betekenis voor de Brusselse bevolking.  De talrijke infrastructuur die men er aantreft, maakt er een uiterst gefragmenteerde plek van. Het gevolg daarvan is de gewijzigde spreiding en verdeling van de soorten, alsook toenemende predatie en parasitisme. Kleine knaagdieren, de geprefereerde gastheren van nimfen, lijken ook meer en veelvuldiger op kleine dan op grote percelen voor te komen. Reeën (gastheren van de volwassen teek) zijn bovendien gesteld op bosranden, waar voedergras en schuilplaatsen elkaar mooi afwisselen. Daardoor kan de talrijkheid van de teken en dus ook het risico op besmetting toenemen met de fragmentatie van het bos (Pfaffle et al., 2013; Tack et al., 2012 a en b, 2013).

De epidemiologische gegevens voor het Brussels Gewest zijn niet voldoende representatief om er een doorgedreven analyse van te maken.

Ook al bestaat er in het Brussels Gewest een risico op blootstelling aan een tekenbeet en om dus te worden besmet, toch hoeft men de groene ruimten niet te mijden: het volstaat de preventietips op te volgen. Er wordt dus aangeraden om bij een activiteit in een risicozone:

  • kleren te dragen die licht zijn van kleur en zo veel mogelijk afdekken;
  • op de aangegeven wegen te blijven en contact met hoog gras en struiken te mijden. Dit is eveneens het geval voor honden;
  • na een activiteit het hele lichaam systematisch te controleren (ook de haren) en de eventuele teek (teken) weg te trekken.

Is er evenwel een vermoeden van een tekenbeet, dan dient men ze goed in het oog te houden en bij symptomen zijn arts te raadplegen.

Nogmaals, een besmette teek geeft de ziekte niet noodzakelijk door en niet alle besmette personen ontwikkelen de ziekte (WIV-ISP, website; ITG, 2014). Na een tekenbeet heeft men ongeveer 1% tot 2% kans om de ziekte te ontwikkelen (WIV-ISP, website).

Geen kruis dus over die fijne vrijetijdsactiviteiten in de groene ruimten, we hoeven ons er alleen maar naar te gedragen!

Datum van de update: 30/03/2020
Documenten: 

Factsheet

Studies en rapporten