U bent hier

De verwachte gezondheidseffecten van het Brusselse mobiliteitsbeleid

Focus - Actualisering : November 2021

De afgelopen decennia is al aanzienlijke vooruitgang geboekt op het gebied van luchtkwaliteit. Toch is de impact van luchtverontreiniging op de gezondheid, en de kosten die ermee gepaard gaan, een toenemende bron van zorg. Ondanks aanhoudende inspanningen leidt blootstelling aan luchtverontreiniging tot vele ziektegevallen die te wijten zijn aan verontreinigende stoffen, en tot een soms aanzienlijk aantal vroegtijdige sterfgevallen. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft de blootstelling aan PM2,5, NO2 en O3 naar schatting 1000 vroegtijdige sterfgevallen veroorzaakt in 2018. Verder staat Brussel op de 24e plaats op de lijst van Europese steden met de hoogste luchtverontreinigingskosten, en op de 3e plaats in België wat de kosten per inwoner betreft. Een groot deel van deze verontreinigende stoffen wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Daarom wil de Brusselse regering nieuwe maatregelen nemen om de uitstoot te verminderen. Wat zijn de mogelijke gezondheidseffecten van mobiliteitsmaatregelen en welke kosten kunnen worden vermeden? 


Luchtverontreiniging gerelateerd aan wegverkeer

Wereldwijd wordt luchtvervuiling beschouwd als de 4e belangrijkste doodsoorzaak, na hoge bloeddruk, voeding en tabak (CE Delft, 2020). Luchtkwaliteitskwesties zijn daarom van essentieel belang voor de levenskwaliteit, vooral in stedelijke gebieden, waar verontreiniging door gemotoriseerd verkeer vaak een probleem is. In deze strijd tegen luchtverontreiniging heeft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (BHG) al verschillende initiatieven genomen om de milieu- en gezondheidseffecten van mobiliteit te verminderen. De lage-emissiezone (LEZ ) is in 2018 ingevoerd en heeft tot doel de meest vervuilende voertuigen geleidelijk uit Brussel te weren. In maart 2020 heeft het Gewest ook een nieuw gewestelijk mobiliteitsplan aangenomen (het Good Move -plan), dat de verplaatsingsgewoonten van de Brusselaars op transversale wijze wil veranderen en het gemotoriseerde verkeer op zijn grondgebied wil terugdringen. De Brusselse regering is van plan haar inspanningen voort te zetten door voertuigen met verbrandingsmotoren geleidelijk in het Gewest te verbieden en door een overgang naar milieuvriendelijkere technologieën, zoals elektrische voertuigen, te ondersteunen. 

Studie om de gezondheidseffecten en de kosten te objectiveren

In deze context heeft het Brussels Gewest het onderzoeksinstituut VITO de opdracht gegeven de gezondheidseffecten van verschillende mobiliteitsmaatregelen te evalueren. Zo heeft Leefmilieu Brussel verschillende scenario's opgesteld om de effecten van de maatregelen met elkaar te vergelijken:

  • Het referentiescenario (REF), d.w.z. de situatie in 2015;
  • Het 'business as usual'-scenario (BAU), d.w.z. met de uitvoering van beleidsmaatregelen die al van kracht zijn (lage-emissiezone (LEZ) enz, berekend tot 2030);
  • Het mobiliteitsscenario Good Move (GM) dat gericht is op een vermindering van het gemotoriseerde verkeer (berekend tot 2030);
  • Het Thermic Ban (TB)-scenario, dat de bovengenoemde maatregelen combineert met een geleidelijke vermindering van het aantal diesel-, benzine- en lpg-voertuigen, met uitzondering van vrachtwagens (berekend tot 2030); 
  • Het Thermic Ban Plus (TB+)-scenario, dat de elektrificatie van zware vrachtwagens omvat (berekend tot 2030). 

Indien gewenst: hoofdstuk 5 van het verslag  van de VITO-studie bevat een gedetailleerde beschrijving van de verschillende scenario's.

 Voor elk scenario berekende de studie:

1.    De totale jaarlijkse uitstoot van verkeersgerelateerde verontreinigende stoffen 

Voor elk scenario wordt de samenstelling van het wagenpark geraamd op basis van de verwachte evolutie. Vervolgens worden de emissies berekend voor de volgende stoffen: stikstofoxiden (NOx), zwaveloxiden (SOx), koolstofdioxide (CO2), fijne deeltjes (PM10 en PM2,5), black carbon (BC), methaan (CH4), vluchtige organische stoffen anders dan methaan (NMVOS) en ammoniak (NH3). Om de luchtemissies van het wegverkeer te bepalen, wordt gebruik gemaakt van een Europees model, in combinatie met emissiefactoren (aangepast aan het in Brussel geregistreerde wagenpark). Deze berekeningen leveren de volgende resultaten op voor de belangrijkste verontreinigende stoffen van het wegverkeer:

    

Deze jaarlijkse emissievolumes worden vervolgens geografisch verdeeld over het Brusselse wegennet, en in de tijd, volgens de spitsuren, weekends, vakanties enz. 

2.    De impact op de gezondheid van de bevolking van het BHG die kan worden toegeschreven aan de blootstelling aan verontreinigende stoffen 

Om de effecten van de luchtverontreiniging op de gezondheid van de Brusselaars in kaart te brengen, moet eerst een onderscheid worden gemaakt tussen de effecten ten gevolge van langdurige blootstelling (een periode van één tot vijf à tien jaar) en die ten gevolge van kortdurende blootstelling (een periode van één dag tot één week). In deze studie ligt de nadruk op effecten als gevolg van langdurige blootstelling. 
Om de impact op de gezondheid te kunnen berekenen, moet men de blootstelling-effectrelatie van een milieustressfactor tot een bepaald gezondheidseffect kennen. Deze relatie wijst op “het verband tussen de mate van blootstelling aan een bepaalde milieustressfactor en het risico van het ontwikkelen van een bepaalde ziekte of symptomatologie als gevolg van die blootstelling" (VITO et al. 2021). 
Tal van internationale wetenschappelijke instanties beoordelen regelmatig de stand van zaken met betrekking tot de door milieufactoren veroorzaakte gezondheidseffecten. Een reeks effecten is hier geselecteerd en geanalyseerd, na een uitgebreid onderzoek van de literatuur:

  • Vroegtijdige sterfte
  • Aandoeningen van de luchtwegen (astma, bronchitis, infecties enz.) 
  • Hart- en vaatziekten (hypertensie, hartfalen, beroerte, hartaanval enz.)
  • Effecten tijdens de zwangerschap en bij de geboorte (laag geboortegewicht, vroeggeboorte enz.)
  • Neurologische effecten

Door luchtverontreiniging veroorzaakte gezondheidsproblemen

Bron: Luchtkwaliteit, Leefmilieu Brussel.  

3.    De monetisering van de impact op de gezondheid van de bevolking van het BHG 

De bepaling van de monetaire impact van de verschillende gezondheidseffecten hangt af van het effect in kwestie, en kan variëren naar gelang van de gekozen methodologie. 
Voor vroegtijdige sterfte zijn er verschillende methoden: de VOLY-benadering (waarde van een levensjaar, die als mediaan of gemiddelde kan worden gekozen) en de VSL-benadering (waarde van een statistisch leven). De VOLY-benadering bepaalt het verlies als gevolg van het overlijden van de betrokkene in termen van het aantal verloren levensjaren in verhouding tot de levensverwachting van de betrokkene. De VSL-benadering bepaalt de economische waarde van een leven. 
Voor de verschillende vormen van morbiditeit zijn er drie componenten waarmee rekening moet worden gehouden:

  • Kosten van ziekte (kosten van gezondheidszorg, ten laste van verzekeringsmaatschappijen of patiënten);
  • Absenteïsme (kosten in verband met werkdagen die verloren gaan wegens ziekte, ten laste van patiënten, mantelzorgers en werkgevers);
  • Verlies van welvaart door lijden (verlies van welvaart/welzijn als gevolg van de ziekte, ten laste van patiënten en hun verwanten).

Voor elk type ziekte werden deze drie componenten bepaald op basis van een literatuuronderzoek, en de volgende samenvattende tabel werd opgesteld:

Zodra deze drie elementen zijn vastgesteld, worden de berekeningen uitgevoerd op het niveau van de statistische sector (de kleinste administratieve eenheid in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest). Vervolgens worden de volgende berekeningen gemaakt:

  • Blootstelling: door luchtkwaliteitskaarten te combineren met bevolkingsgegevens
  • Toekenningsgetallen: bepaling van het aantal gevallen dat is toe te schrijven aan een bepaalde verontreinigende stof op basis van blootstelling
  • Economische kosten: combinatie van het aantal gevallen met de economische kosten. 

De Brusselse bevolking zal in 2030 globaal gezien minder blootgesteld zijn aan verkeersgerelateerde verontreiniging 

Alle scenario’s voor het jaar 2030 vertonen een verbetering van de luchtkwaliteit ten opzichte van de referentiesituatie in 2015 (REF) voor alle in aanmerking genomen verontreinigende stoffen (fijne deeltjes, black carbon, stikstofdioxide en ozon). De Brusselse bevolking zou in de toekomst dus aan lagere concentraties van deze verontreinigende stoffen worden blootgesteld. 

Verschillende organisaties stellen grenswaarden (of richtsnoeren) vast voor de gezondheidseffecten van verontreinigende stoffen. Deze limieten kunnen al dan niet bindend zijn. Hier worden vergelijkingen gemaakt met de richtwaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), die niet-bindende waarden zijn. Noteer dat de hier vermelde waarden overeenstemmen met de nieuwe drempelwaarden die in september 2021 door de WHO zijn aanbevolen. Deze zijn aanzienlijk lager dan die welke in 2005 werden aanbevolen, met het oog op de bescherming van de volksgezondheid en ten gevolge van een betere kennis van het effect van luchtverontreiniging op diverse aspecten van de gezondheid.

De blootstelling aan fijne deeltjes (PM10 en PM2,5) daalt aanzienlijk, maar op verschillende manieren, afhankelijk van het scenario. 

  • De referentiesituatie (2015) laat een blootstelling zien aan een jaargemiddelde concentratie van PM2,5 van 14,2 µg/m3 en het BAU-scenario vertoont een daling van de blootstelling (concentratie van 10,3 µg/m3). Voor de scenario’s GM, TB en TB+ zou de concentratie dalen tot ongeveer 9,5 µg/m3. In ieder geval blijven deze waarden boven de richtwaarde van de WHO. 
  • Voor PM10 wordt een vermindering van de blootstelling van de bevolking aan concentraties onder de richtwaarde van de WHO van 15 µg/m3 waargenomen voor de GM-, TB- en TB+-scenario’s, hetgeen een verbetering is ten opzichte van de basissituatie en het BAU-scenario waar de PM10-blootstelling deze drempel overschrijdt (respectievelijk 21,7 en 15,94 µg/m3). 

De blootstelling aan NO2 zou ook in alle scenario’s boven de nieuwe door de WHO aanbevolen blootstellingsgrenswaarde (10 µg/m3) blijven. Het BAU-scenario zou leiden tot een blootstelling aan jaargemiddelde concentraties van 18,0 µg/m3; 15,1 µg/m3 in het GM-scenario en 13 µg/m³ in de TB- en TB+-scenario's. Dit is niettemin een duidelijke verbetering ten opzichte van de referentiewaarde (2015) van 31,2 µg/m3

Voor black carbon (roet) zijn er geen richtwaarden of wettelijke normen, hoewel het kankeronderzoeksinstituut van de WHO dieselroet als kankerverwekkend voor de mens beschouwt. De gemiddelde blootstelling aan zwarte koolstof is 10% lager in het GM-scenario dan in het BAU-scenario. 

De vermindering van de concentraties is groter voor de verontreinigende stoffen NO2 en black carbon dan voor fijne deeltjes, en dit om twee redenen:

  • Het verkeer is slechts gedeeltelijk verantwoordelijk voor de uitstoot van fijne deeltjes (die ook door vele andere activiteiten worden uitgestoten). Daardoor hebben mobiliteitsmaatregelen slechts een gedeeltelijke invloed op de totale PM-concentraties;
  • De concentratieniveaus van NO2 en BC worden gedomineerd door plaatselijke uitstoot, terwijl de concentratieniveaus voor fijne deeltjes grotendeels worden bepaald door uitstootbronnen die verder van het BHG verwijderd zijn. 

Minder sterfgevallen en ziekten door luchtverontreiniging

Volgens het referentiescenario (REF, 2015) zou 12% van de sterfgevallen (in de bevolking ouder dan 30 jaar) te wijten zijn aan blootstelling aan fijne deeltjes (PM2,5) en NO2. Voor het jaar 2030 is er een eerste sterke daling van het totale aantal toerekenbare sterfgevallen dankzij de maatregelen in het BAU-scenario (-34%), en een tweede significante daling met de maatregelen in het Good Move-plan (GM-scenario, -11% ten opzichte van het BAU-scenario). De daling is groter voor vroegtijdige sterfte als gevolg van blootstelling aan NO2 (-49% tussen de referentiesituatie en het BAU-scenario, en -22% tussen het BAU- en het GM-scenario), omdat de concentratieniveaus van deze verontreinigende stof het sterkst zouden dalen. De TB- en TB+-scenario's maken nog grotere reducties mogelijk, met name voor NO2

Ook zouden verschillende mobiliteitsscenario's een gunstige invloed hebben op de gezondheidsresultaten. Het aantal gevallen dat voor de verschillende morbiditeitseffecten aan luchtverontreiniging wordt toegeschreven, neemt voor alle in aanmerking genomen scenario's af (zie tabel in hoofdstuk 3). De monetisering van de impact op de gezondheid van de bevolking van het BHG (voor de lijst van in aanmerking genomen morbiditeitseffecten). Deze dalingen ten opzichte van het referentiescenario met ongeveer -30% (of zelfs meer voor NO2-gerelateerde effecten) betekenen bijvoorbeeld een jaarlijkse daling met bijna 100 ziekenhuisopnames wegens infecties van de lagere luchtwegen bij kinderen van 0-4 jaar als gevolg van chronische blootstelling aan PM2,5. Een daling verbonden met stikstofdioxide (NO2) zou bijvoorbeeld een jaarlijkse daling van meer dan 800 nieuwe gevallen van astma bij volwassenen betekenen.

Vermeden gezondheidskosten, voornamelijk door lagere sterfte

De kosten van luchtverontreiniging zijn grotendeels toe te schrijven aan sterfte, terwijl morbiditeitseffecten slechts een paar procent (tussen 3% en 9%, afhankelijk van de methode) bijdragen aan de totale kosten van luchtverontreiniging. 
Binnen de mortaliteitskosten zijn PM2,5 en NO2 verantwoordelijk voor 98% van de totale kosten, terwijl de andere verontreinigende stoffen (PM10 et O3) samen slechts 2% van de mortaliteitskosten vertegenwoordigen. 

Verdeling kosten mortaliteit volgens de verschillende polluenten

Bron: VITO, 2021

Wat de morbiditeit betreft, zijn de 3 hoogste kostenposten toe te schrijven aan: 

  • blootstelling aan NO2 en de incidentie van astma; 
  • blootstelling aan PM10 en de incidentie van chronische bronchitis; 
  • blootstelling aan PM2,5 en de incidentie van diabetes type II. 

Door de mortaliteits- en morbiditeitskosten te combineren, kan voor elk scenario een totale kostprijs van de luchtverontreiniging voor de gezondheid worden berekend.

Het is derhalve mogelijk een gemiddelde winst (in procenten) te berekenen voor elk van de in aanmerking genomen scenario's. Dit wordt berekend door het gemiddelde te nemen van de verdiensten uit de 3 methoden (mediane VOLY, gemiddelde VOLY en VSL). 

Totale kosten in miljoen €/jaar luchtpollutie in 2030 voor de verschillende scenario’s (Business As Usual, Good Move en de 2 Thermic Ban).

Bron: VITO, 2021
Opmerking: De totale kostenwaarden worden verkregen door het gemiddelde te nemen van de verdiensten van de 3 methoden; mediane VOLY, gemiddelde VOLY en VSL. 

  

Reeds bemoedigende maatregelen en potentieel voor verdere verbetering

De thans geplande maatregelen (LEZ, Good Move-plan enz.) zullen het dus mogelijk maken de effecten van de luchtverontreiniging op de gezondheid tegen 2030 aanzienlijk te verbeteren. 
Deze maatregelen hebben ook andere voordelen, die in de hier gepresenteerde studie niet zijn gekwantificeerd:

  • potentiële gezondheidswinst voor pendelaars (ter herinnering: de schattingen hebben alleen betrekking op BHG-inwoners);
  • andere gezondheidswinst als gevolg van de uitvoering van het Good Move-plan via de vermindering van de blootstelling aan verkeerslawaai en via de verbetering van de fysieke conditie door de toename van het aantal actieve vervoerswijzen (lopen, fietsen enz.);
  • voordelen voor de luchtkwaliteit en gezondheid buiten het grondgebied van het BHG. 

Meer beperkende maatregelen (zowel voor voertuigen als voor andere sectoren) kunnen echter de gezondheidseffecten verder verbeteren door het aantal gevallen van vroegtijdige sterfte of andere aan luchtverontreiniging toegeschreven effecten verder terug te dringen, en aldus de kosten van luchtverontreiniging te verminderen. 

Om deze voordelen te kunnen realiseren, moeten de Brusselaars en pendelaars echter alternatieve vervoersmiddelen gaan gebruiken (te voet, met de fiets, met het openbaar vervoer enz.) en dat vereist de ontwikkeling van infrastructuur voor voetgangers en fietsers, zoals beschreven in het Good Move-plan. 

Datum van de update: 16/12/2021

Documenten: 

Studies en rapporten

Plan, programma, strategie

Fiches van de Staat van het Leefmilieu